 |
Foto gemaakt
van Mars door de Ruimtetelescoop Hubble op 26 juni 2001 (NASA) |
Wat zegt de theosofische
literatuur over Mars?
‘Mars heeft zijn derde ronde voltooid. Wij op aarde zijn in onze
vierde ronde; Venus is in haar zevende en laatste, en Mercurius is juist
aan zijn zevende begonnen.’ (Beginselen van de esoterische
filosofie, G. de Purucker, blz. 204)
‘. . . de aarde, vergeleken met Mars, [is] in wezen een grovere
planeet; en ook in evolutie bevindt ze zich op een lager of stoffelijker
punt in haar eigen planeetcyclus dan Mars in de zijne. . . . Daarom
is Mars etherischer dan de aarde . . .’ (Bron van het occultisme,
G. de Purucker, blz. 362-3)
‘Wat de planeet Mars betreft, haar fysieke bol is jonger dan
de aarde, maar op dit moment verkeert ze in obscuratie. Ze is meer dan
alleen ‘in slaap’, want de overgrote meerderheid van haar
levende entiteiten heeft zich naar hogere bollen van de planeetketen
Mars begeven. Bepaalde wezens bleven daar echter achter toen haar bol
D in obscuratie ging. Dat zijn de sishta’s, ‘overblijvers’,
d.w.z. degenen die op een planeet dienen als levenszaden, totdat de
terugkerende levensgolf in het volgende bolmanvantara deze wachtende
lichamen vindt die gereed zijn om in gebruik te worden genomen. Op het
ogenblik hebben de vitale essenties van de planeetketen Mars haar fysieke
bol D verlaten, omdat ze hun derde ronde daarop hebben beëindigd
en naar haar andere bollen zijn gegaan.’ (Bron, blz.
368-9; zie ook Beginselen, blz. 202-5)
‘Iedere bol kan óf gedeeltelijk óf volledig in
obscuratie zijn. Hij is volledig in obscuratie als er geen actieve,
zich ontwikkelende levensgolf aanwezig is. Dit komt zelden voor, maar
in de enorme tijdsperiode van een ketenmanvantara gebeurt dit vaak genoeg.
. . . Dat is nu het geval met de planeet Mars.’ (Dialogen
van G. de Purucker, 2:617, 1:543)
Het huidige manvantara van de aardketen begon ongeveer 2 miljard jaar
geleden, en zal in totaal 4,32 miljard jaar duren (Geheime Leer,
H.P. Blavatsky, 2:73-5). (Let op: een Marsjaar is bijna twee keer zo
lang als een aardjaar.)
‘Er is een mysterie verbonden aan Mars en daarom noemt HPB in
een bepaalde passage [GL 1:635] over de zeven heilige planeten
er slechts vier (Saturnus, Jupiter, Mercurius en Venus) en zinspeelt
alleen op drie andere. Evenals de zon en de maan, die plaatsvervangers
zijn voor twee verborgen planeten, behoort Mars — tot op zekere
hoogte — tot die categorie.’ (Bron, blz. 369; zie
ook Beginselen, blz. 204-5, 341, 518)
Mars vertegenwoordigt het beginsel kama of begeerte (dat zowel een
hoger als een lager aspect heeft). De spirituele bestuurder van Mars
bouwt en houdt toezicht op bol F (de zesde bol), en ook bol F' van de
aardketen. Hij zal ook de bestemming van het zesde wortelras beheersen.
(Beginselen, blz. 540, 578-9; Bron, blz. 166-7, 359)
‘. . . de planeet Mars is gevormd door haar speciale groep van
zeven of twaalf planeetketens, waarbij zijzelf de achtste is van haar
achttal; en onze aardketen is één daarvan.’ (Bron,
blz. 358)
‘. . . de geleerden van de oudste rassen van de Indo-Europeanen
waren zulke grote adept-sterrenkundigen, dat ze veel meer schijnen te
hebben geweten over de rassen van Mars en Venus dan de hedendaagse antropologen
over die van de vroegste stadia van de aarde.’ (Geheime Leer,
2:795)
‘. . . Mars is nu in obscuratie. Dit betekent dat het lichaam
van de planeet in de ruimte, als het ware, aan het slapen is terwijl
hij om de zon draait, en dat hij geen bewoners heeft zoals wij.’
(Echoes of the Orient, W.Q. Judge, 2:411)
‘De bewoners van [de heilige planeten] lijken heel erg op elkaar
omdat ze min of meer bij dezelfde levensgolf van de evolutie horen.
Dit betekent niet dat de bewoners van Jupiter, van Mars, van Mercurius,
of van Venus, als er op deze planeten op dit moment bewoners zijn, menselijke
lichamen hebben met precies dezelfde proporties als onze eigen lichamen,
of dat ze, evenals onze eigen lichamen, uit vlees bestaan. Integendeel,
de bewoners van deze planeten, wat ze ook zijn en wie ze ook zijn, hebben
lichamen die van de onze verschillen maar er enigszins op lijken.’
(Questions We All Ask, G. de Purucker, 1:250-1)
Derde ronde op aarde: ‘[De mens] heeft nu een volkomen vast of
stevig lichaam en aanvankelijk de vorm van een reuzenaap; hij is nu
meer verstandelijk, of liever sluw, dan spiritueel. Want op de neergaande
boog heeft hij nu een punt bereikt waar zijn oorspronkelijke spiritualiteit
door zijn opkomende verstandelijkheid wordt verduisterd en overschaduwd.
In de laatste helft van de derde Ronde wordt zijn reuzengestalte kleiner
en verbetert het weefsel van zijn lichaam, en hij wordt een redelijker
wezen, hoewel nog steeds meer een aap dan een deva. . . . (Dit alles
wordt vrijwel precies herhaald in het derde wortelras van de vierde
ronde.)’ (Geheime Leer, 1:217) ‘[We werden zelfbewuste
mensen] tegen het einde van het bolmanvantara toen het manasvermogen
zich, zo goed als in de omstandigheden van de derde ronde mogelijk was,
begon te manifesteren.’ (Aspecten van de occulte filosofie,
G. de Purucker, blz. 646; zie ook blz. 285)
‘. . . elke bol van een planeetketen [is] tijdens zijn bolmanvantara
door een dikke sluier van meteoorstof omgeven; deze is grotendeels zeer
fijn verdeeld, maar een deel ervan bestaat uit min of meer grote stukken.’
(Bron, blz. 373) ‘Mars heeft op het ogenblik zo’n
beschermende sluier niet of slechts in geringe mate, eenvoudig omdat
zijn levensenergieën naar een andere bol van het planetenstelsel
van Mars — de planeetketen van Mars — zijn gegaan en de
magnetische aantrekkingskracht die zo’n sluier bijeenhoudt, dus
grotendeels ontbreekt. Maar Venus en Mercurius bijvoorbeeld hebben evenals
wij zo’n beschermende sluier, hoewel deze in het geval van Mercurius
veel dunner is dan die van Venus, omdat Mercurius zojuist is begonnen
uit een obscuratie tevoorschijn te treden; en dat zien de astronomen
wanneer ze door hun telescoop naar die planeten kijken en de ‘wolken’
zien en merken dat ze het oppervlak van de planeet zelf niet kunnen
zien.’ (Beginselen, blz. 332; zie ook Aspecten, blz.
292-3) ‘Als de levensgolven opnieuw Mars binnenkomen, en dat gebeurt
vóór er vele miljoenen jaren zijn verstreken, dan zal
ook Mars weer worden bedekt met wat de wetenschap ‘zware wolken’
noemt, die in werkelijkheid sluiers zijn van meteoorstof.’ (Aspecten,
blz. 319)
‘Mars met twee manen die niet zijn eigen manen zijn [GL
1:194-5]. Dit is overgenomen uit de brief van een meester, die, in antwoord
op de vraag waarom Mercurius en Venus geen satellieten hebben, zegt:
‘Het komt omdat Mars twee manen heeft waarop hij geen recht heeft
en — om andere redenen.’ Hieruit leiden we af dat Mars in
een heel ver verleden deze manen in zich heeft opgenomen of naar zijn
eigen omloopbaan heeft getrokken en ze nog steeds vasthoudt. Daarom
kunnen ze niet in dezelfde verhouding tot hem staan als onze eigen maan
tot ons. Een van de ‘andere redenen’ kan zijn dat, aangezien
Venus in haar zevende ronde is, alle overblijfselen van oude manen zijn
gesublimeerd en in zijn atmosfeer zijn opgenomen.’ (Echoes,
2:217).
‘De planeet Mars . . . heeft twee satellieten, Phobos en Deimos.
Phobos is geen maan; maar Deimos is een echte maan, maar niet van Mars.
Phobos is ingevangen, zouden we kunnen zeggen, door Mars.’ (Beginselen,
blz. 518) ‘. . . de echte maan van Mars is nog niet verdwenen.
Mars is een veel jongere planeet dan de aarde . . .’ (Dialogen,
1:470)
A.P. Sinnett, en later Besant en Leadbeater, vergisten zich door te
stellen dat Mars en Mercurius respectievelijk bol C en bol E van de
aardketen waren. De juiste leer is dat Mars en Mercurius, evenals de
aarde, afzonderlijke planeetketens zijn — elk bestaat uit 7 (of
12) bollen, waarvan alleen de laagste (bol D) voor ons zichtbaar is.
Zie Beginselen, blz. 204, 510-3, 530-2, 579; Bron,
blz. 355, 707-8; De Mahatma Brieven, Aanhangsel, blz. 545-9.
‘G. de P. – . . . Venus is . . . de planeet waar we in
de buitenronde vandaan kwamen vóór we naar de aarde kwamen;
. . . de planeet waar we hierna in de buitenronde heengaan is Mercurius.’
(Dialogen, 1:17)
‘Vr. – Uit wat op de vorige bijeenkomst is gezegd, maak
ik op dat Venus de laatste planeet is waarop we ons bevonden. Maar hoe
zit het dan met de maan? We zouden toch van de maan zijn gekomen?
‘GdeP – Ik doelde op de buitenronden toen ik over de planeet
Venus sprak. Natuurlijk is de maan de ouder van de aarde. Ik heb uitgelegd
dat er twee soorten ronden zijn: de buiten- en de binnenronden. De menigten
levens volgen de buitenronden als ze van de ene planeet van het zonnestelsel
naar een andere planeet van de zonnefamilie gaan, zoals van Venus naar
de aarde, van de aarde naar Mercurius, of van Jupiter naar Venus, of
ook van Mercurius naar Mars. . . . De binnenronden worden gevolgd door
de menigten levens als ze van de ene naar de andere bol van een planeetketen
gaan . . . En omdat Mw. Besant het verschil tussen de buiten- en de
binnenronden niet begreep, maakte ze juist op dat punt een fout door
te zeggen dat we naar de aarde kwamen van de planeet Mars.’ (Dialogen,
1:57-8)
Wat zeggen wetenschappers
over Mars?
Mars is uit dezelfde oorspronkelijke zonnenevelvlek ontstaan als de
aarde, en beide planeten zouden 4,6 miljard jaar oud zijn. Zijn twee
kleine manen zijn waarschijnlijk ingevangen asteroïden. De diameter
van Mars is de helft van die van de aarde. Mars is minder dicht dan
de aarde en zijn zwaartekracht aan het oppervlak is ongeveer een derde
van die van de aarde. Mars heeft een zwak magneetveld, een heel ijle
atmosfeer (hoofdzakelijk kooldioxide), en een bar, aride klimaat. De
temperatuur op Mars loopt ver uiteen. Ver van de evenaar stijgt de temperatuur
overdag tot slechts -30°C, terwijl ze aan de evenaar tot meer dan
20°C kan oplopen. Maar als als gevolg van de ijle atmosfeer zakt
de temperatuur ’s nachts tot ongeveer -100°C, zelfs op de
warmste plekken.
Het noordelijk halfrond wordt overheerst door vlakten gevuld met lava,
terwijl het grootste deel van het zuidelijk halfrond wordt gekenmerkt
door hoogvlakten met kraters; aan de grens tussen de twee soorten terrein
verandert de hoogte abrupt met 2 km. De planeet heeft slapende vulkanen.
De Mars Pathfinder missie (1997) leidde tot de onverwachte ontdekking
dat rotsen op Mars veel meer overeenkomsten hebben met die op aarde
dan met die op de maan. Mars heeft ijskappen aan de polen die bestaan
uit waterijs en vast kooldioxide (‘droogijs’). De Marssonde
Phoenix (2008) heeft bevestigd dat er ook waterijs voorkomt onder de
oppervlakte op lagere breedtegraden. Foto’s die door de Mars Global
Surveyor zijn genomen wijzen erop dat er soms vloeibaar water uit de
grond omhoog komt en korte tijd stroomt voordat het bevriest of verdampt.1
Er zijn veel aanwijzingen dat Mars langgeleden geologisch actief was,
en een dikkere (misschien zuurstofrijke) atmosfeer, een warmer klimaat,
en oceanen, meren en rivieren had. De meeste wetenschappers denken dat
deze periode eerder miljarden dan miljoenen jaren geleden eindigde.
De leeftijd van de meeste kraters wordt eveneens geschat op miljarden
jaren. Het ontbreken van uitgebreide oppervlakte-erosie wijst echter
erop dat ze veel jonger zouden kunnen zijn. Hoewel ze normaal gesproken
als inslagkraters worden beschouwd, lijkt het materiaal daaromheen als
modder daaruit te zijn gevloeid, wat aangeeft dat veel kraters misschien
door interne krachten zijn ontstaan.2
De algemene opvatting is dat Mars tegenwoordig volledig levenloos is,
maar misschien tijdens zijn vroege geschiedenis primitief planten- en
dierenleven droeg. In 1976 stuurde NASA twee Viking ruimtesonden naar
Mars om te zoeken naar micro-organismen in de bodem. Twee experimenten
gaven een negatief resultaat, terwijl het derde veel gevoeliger experiment
een positief resultaat gaf. NASA beweerde dat het positieve resultaat
waarschijnlijk te wijten was aan een of andere onbekende scheikundige
reactie in de bodem, maar niemand is er ooit in geslaagd om dezelfde
resultaten te behalen zonder micro-organismen te gebruiken. De ontwikkelaars
van dit experiment, Gilbert Levin en Patricia Straat, zijn daarom van
mening dat er wél microbieel leven is gevonden op Mars. Dit wordt
mogelijk ondersteund door de aanwezigheid op sommige Marsrotsen van
wat eruit ziet als ‘woestijnvernis’, een donkere laag die
op aarde over het algemeen het gevolg is van bacteriën, schimmels,
algen en korstmossen.3
Een groep wetenschappers doet onderzoek naar wat eruitziet als grote,
zeer oude, niet door de natuur gevormde, objecten aan de oppervlakte
van Mars, waaronder een uitgehouwen, mensachtig gezicht in het gebied
van Cydonia, en diverse piramidevormige en andere bouwsels4.
Enkele van deze onderzoekers zijn van mening dat zulke objecten de sporen
van een uitgestorven inheemse beschaving op Mars kunnen zijn5.
Noten
- ‘NASA
images suggest water still flows in brief spurts on Mars’,
2006, www.nasa.gov/mission_pages/mars/news/mgs-20061206.html.
- W.R. Corliss (samensteller), The Moon and
the Planets, Sourcebook
Project, 1985, blz. 214-5, 218.
- Gilbert V. Levin, ‘Modern
myths concerning life on Mars’, Electroneurobiología,
deel 14, 2006, blz. 3-25, http://mars.spherix.com/6309-12new.pdf;
Barry E. DiGregorio, met G.V. Levin & P.A. Straat, Mars: The
living planet, Frog, 1997; Corliss, The Moon and The Planets,
blz. 210-12; W.R. Corliss (samensteller), Science Frontiers,
Sourcebook Project, 1994, blz. 64-5.
- Society for Planetary SETI Research, ‘The
two faces of ESA’, http://spsr.utsi.edu/news/ESA3.pdf; Mike
Bara, ‘Face
it; it’s a face’, www.darkmission.net/marsexpress-1.htm;
Mark Carlotto, The Cydonia Controversy: The history, science,
and implications of the discovery of archaeological ruins on Mars,
1stBooks, 2002; Mark J. Carlotto, ‘Evidence
in support of the hypothesis that certain objects on Mars are artificial
in origin’, Journal
of Scientific Exploration, deel 11, 1997, blz. 123-45, http://spsr.utsi.edu/articles/JSE1997.pdf;
Mark J. Carlotto, The Martian Enigmas: A closer look, North
Atlantic Books, 1997; Stanley V. McDaniel & M.R. Paxson (samenstellers),
The Case for the Face: Scientists examine the evidence for alien
artifacts on Mars, Adventures Unlimited Press, 1998; M.J. Carlotto,
H.W. Crater, J.L. Erjavec, & S.V. McDaniel, ‘Response
to Geomorphology of Selected Massifs on the Plains of Cydonia, Mars
by David Pieri’, Journal of Scientific Exploration,
deel 13, 1999, blz. 413-9, http://spsr.utsi.edu/articles/jse1999.html.
- J.E. Brandenburg, V. DiPietro & G. Molenaar,
‘The Cydonian Hypothesis’, Journal of Scientific Exploration,
deel 5, 1991, blz. 1-25.
Sterrenkunde/kosmologie
Oorspronkelijk verschenen in Impuls
(Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september
1997, nr. 1, Herziene versie op internet, augustus 2008.
©
2008 Theosophical University Press Agency