Eenheid
Arthur L. Conger
Vertaald uit: The Theosophical Forum,
1949, blz. 705-7.
Verschillende individuele theosofen en theosofische
groeperingen vertonen steeds meer de neiging aandacht te vragen voor
het schijnbare gebrek aan overeenstemming tussen de verschillende theosofische
organisaties, die alle voortkomen uit het oorspronkelijke programma
van HPB.1 maar die ieder op hun eigen wijze
uitdragen wat elk als het werk van de theosofische beweging beschouwt.
Sommigen stellen zelfs de vraag: Is de theosofische beweging al zover
gedegenereerd dat er geen hoop meer is dat ze een nieuwe richting kan
inslaan? Ze trekken daaruit de conclusie dat de beweging niet is doordrongen
van een geest van vriendschap tussen mannen en vrouwen van goede wil.
Het is moeilijk te begrijpen waarop zo’n
redenering is gebaseerd, vooral bij hen die een samensmelting van de
verschillende organisaties voorstaan. Dit is met name het geval wanneer
we in aanmerking nemen dat elk van deze critici er aanspraak op maakt
vertrouwd te zijn met het oorspronkelijke programma, en wij mogen aannemen
dat zijzelf ervaren theosofen zijn.
De Meester sprak een waar woord toen hij in verband
met het succes van het werk zei dat het ‘intuïtie en geen
rede, oordeel en geen sentimentaliteit’ vereiste.
Enkele van deze critici laten zich laatdunkend
uit over het onvermogen van de verschillende organisaties om de groepen
die zijn uiteengegaan weer samen te brengen met het oog op het jaar
1975, en in één adem trekken ze de voorspelling van HPB2
over het jaar 1975 in twijfel. Wijst dit op kennis van het oorspronkelijke
programma? Duidt dit erop dat ze contact maken met de stroming, waarin
dit programma in de wereld van heden tot uitdrukking komt?
Weer anderen verklaren dat het enige antwoord India
is, waarmee ze te kennen geven dat zij die achter de beweging staan,
dwaalden toen ze een kanaal schiepen voor hun werk in het westen. Is
er in de oosterse filosofie in India dan geen sprake van degeneratie
geweest? Als het westen jong is, moet men het westen geven wat het nodig
heeft om zichzelf te worden. We kunnen niet geloven dat de grote Loge
geen vertakkingen in het westen heeft, dat zij niet volledig bereid
is om aan het westen te geven wat het werkelijk nodig heeft voor zijn
zich ontvouwende toekomst.
Dan zijn er die critici die het gebrek aan officiële
samenwerking hebben betreurd bij de verbroederingspogingen door de drie
grote organisaties. Ware fraterniteit, evenals eenheid, is iets innerlijks,
en deze zal door geen enkele uiterlijke bespreking tot stand worden
gebracht dan wel worden tegengehouden. G. de Purucker was zelf teleurgesteld
toen hij zag dat zijn eerste pogingen bijna onmiddellijk werden omgezet
in uiterlijke activiteiten, die al snel uitliepen op een hopeloos verspillen
van tijd en energie.
Geen wonder dat de leek uitroept: ‘En dit
alles in de naam van broederschap!’
Broederschap! Wat een fouten worden er in uw naam
gemaakt. Als de toekomst van de theosofische beweging afhing van dat
wat op vele plaatsen met die naam wordt aangeduid, dan mogen we het
lot van het oorspronkelijke programma inderdaad wel betreuren. Individuele
voorstanders van de broederschap zingen hooggestemde gezangen, zowel
mondeling als in geschreven vorm, over de ketterij van afgescheidenheid,
maar weigeren eer te bewijzen aan wie eer toekomt, waarbij ze zelfs
de bron van hun eigen kennis verloochenen – opdat zijzelf als
de bron worden beschouwd. En dit alles terwijl ze beweren vertegenwoordigers
en verdedigers van de theosofische beweging te zijn.
Worden we blind dat we de eenvoudige wijsheid van
hen die via HPB dit werk begonnen niet kunnen zien? Zijn we zo dwaas
te denken dat als een officiële samenvoeging van de verschillende
Societies voor het succes van het werk nodig zou zijn, zij op de totstandkoming
daarvan geen invloed konden uitoefenen?
Laten we dankbaar zijn voor het eenvoudige concept
van het oorspronkelijke programma en de esoterische betekenis ervan.
Wie enig onderscheidingsvermogen en een klein beetje scherpzinnigheid
bezit zal de vorderingen die de wereld en de mens in theosofisch opzicht
hebben gemaakt, toch wel erkennen. Er is bijna geen terrein van het
menselijke denken dat onberoerd blijft door de vlam van HPB’s
toorts, en door de pogingen van hen die haar in de stroom van haar oorspronkelijke
pogingen volgden.
Eenheid? Er bestaat nu een innerlijke eenwording
die sterker is dan de banden van welke exoterische groep ook, en die
door geen macht in het heelal kan worden tegengehouden. Wanneer de tijd
zou aanbreken dat er één en slechts één
theosofische organisatie zou moeten zijn, dan zal de daartoe uitverkorene
aan haar vruchten worden gekend en dan is er geen probleem. Die zielen
die zich dan op het terrein van onderzoek en werk bewegen, zullen even
zeker als een bij haar stuifmeel vindt datgene vinden waarmee ze zich
verwant voelen.
Tot zolang hoeven we slechts met ware toewijding
en trouw te werken in de Society waarmee wij door karma zijn verbonden.
Met een sterk vertrouwen in de Wet, die aan ieder van ons de wijsheid
van de goden bracht, hoeven we geen vrees te koesteren dat haar werking
ooit anders dan rechtvaardig zou kunnen zijn – voor ons, voor
de Society, en voor de Beweging.
Noten
- Zie ‘The Original Programme
of the Theosophical Society’, H.P. Blavatsky: Collected
Writings, 7:135-75. – Red.
- Zie De Sleutel tot de
Theosofie, blz. 285-6. – Red.
Andere
artikelen over theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen
Uit Impuls (Nieuwsbrief
voor leden van het Theosofisch Genootschap), december 1998, nr. 6.
©
2005 Theosophical University Press Agency