|
||
|
||
| Zwarte
gaten: een discussie
Zwarte gaten: werkelijkheid of verbeelding? (Antwoord) |
||
In
zijn controversiële artikel ‘Oerknal,
zwarte gaten en gezond verstand’ stelde David Pratt tot mijn
verwondering dat zowel de oerknal als zwarte gaten niet bestaan, maar
louter theoretische constructies zijn, pure verzinsels. Dit standpunt
was enerzijds een kleine desillusie voor mij, want ik heb wel enig vertrouwen
in modern wetenschappelijk onderzoek op dit terrein, maar anderzijds bood
zijn visie een mogelijkheid tot discussie.
NRC, 19-2-2004, p. 1, ‘Zwart gat rijt ster uiteen’:
Het is waar dat mainstream-wetenschappers behalve aan hun integriteit ook aandacht (moeten) schenken aan carrières, geldmiddelen en aanzien, waardoor oppositionele collega’s niet makkelijk aan bod komen. Voorgaande recente berichten zijn echter afkomstig van gerenomeerde organisaties, werkend met vooraanstaande astronomen en de nieuwste apparatuur, onder andere publicerend in het eveneens vooraanstaande tijdschrift Nature. Voorlopig ga ik – wellicht toch wat naïef? – ervan uit dat zwarte gaten bestaan!
Govert Schilling, Evoluerend Heelal.
De biografie van de kosmos. Fontaine uitgevers, Davidsfonds, Leuven.
2de druk, 2003. isbn 907763033. |
||
Mainstream-wetenschappers beweren dat zwarte gaten door de gravitationele ineenstorting van uiterst massieve sterren ontstaan, en sommige speculeren dat grote volumes interstellair gas ook kunnen ineenstorten waardoor superzware zwarte gaten in de centra van melkwegstelsels ontstaan. Daarbij zou de zwaartekracht oneindig sterk worden, zodat materie tot een oneindig klein punt van oneindige dichtheid en oneindige ‘tijd-ruimte-verkromming’ wordt samengedrukt. Deze ‘singulariteit’, zoals het heet, is omgeven door een zwaartekrachtsveld zo intens dat niets wat de grens (‘event horizon’) van een zwart gat binnendringt ooit kan ontsnappen, zelfs licht niet. Theoretici voorspellen dat zwarte gaten nietige hoeveelheden warmtestraling kunnen uitzenden, zodat een typisch zwart gat binnen ongeveer miljoen-biljoen-biljoen-biljoen-biljoen-biljoen jaar zal verdampen. Zoals werd aangegeven in ‘Oerknal, zwarte gaten en gezond verstand’, kan het bestaan van zwarte gaten zoals hierboven omschreven eenvoudig op basis van logica en gezond verstand worden afgewezen. In werkelijkheid kan niets wat eindig is ooit oneindig groot of klein worden; ook kan het grenzeloze heelal niet uit een oneindig klein punt ontstaan, zoals de oerknal-theorie beweert. Wat betreft het begrip ‘kromme ruimte’, dat Einstein als ‘verklaring’ van de zwaartekracht verzon, hebben verschillende wetenschappers, en ook G. de Purucker, het als een mathematische hersenschim verworpen. Binnen een zwart gat zou ‘tijd-ruimte’ zo vervormd worden dat – zoals men beweert – ruimte tijd wordt, en tijd ruimte. Aard Bol zwijgt hierover – en geen wonder, want het is onwaarschijnlijk dat hij een manier heeft gevonden om het eindige om te zetten in het oneindige, of tijd in ruimte! Als we de gekke theorieën over wat er binnen een zwart gat gebeurt even opzijzetten, wat voor bewijzen zijn er dan dat zulke objecten bestaan? Zwarte gaten kunnen nooit direct worden waargenomen, en wetenschappers zoeken dus naar indirecte bewijzen: namelijk hun gravitatie-effecten op nabije materie, en de straling afkomstig uit hun directe omgeving (toegewezen aan materie die daarbinnen valt). Zoals Fred Hoyle en andere kritisch gezinde astronomen echter hebben opgemerkt, duiden de beschikbare waarnemingen alleen op het bestaan van uiterst verdichte objecten die heel sterke zwaartekrachtsvelden produceren – maar deze objecten lijken meestal uitbarstingen te ondergaan in plaats van materie op te slokken. De zwart-gat-theorie kan heel moeilijk verklaren waarom men overal gas ziet dat vanuit galactische kernen radiaal naar buiten beweegt. Ze houdt vol dat materie eerst naar een vermeend zwart gat moet worden aangetrokken, waarna een deel daarvan op een of andere manier in de tegenovergestelde richting kan worden geslingerd. In het vorige artikel noemde ik verschillende waarnemingen die aangeven dat de gestelde schijven en wolken omringend gas en stof vaak ontbreken; dit impliceert dat de gassen of straling die naar buiten snellen binnen het centrale object zelf ontstaan – iets wat per definitie onmogelijk is als het werkelijk om een zwart gat zou gaan. Nadat waarnemingen met de ruimtetelescoop in 1995 hadden geduid op een gebrek aan materiaal rondom vermeende zwarte gaten in het centrum van veel quasars, werd deze ontdekking door de astronoom die het onderzoek leidde als ‘een gigantische sprong achteruit’ bestempeld; dit ernstige probleem voor de zwart-gat-theorie is nog steeds niet opgelost. Aard Bol besteedt geen serieuze aandacht aan waarnemingen die tegen zwarte gaten ingaan, maar staat erop dat als maar enig gas zich in de richting van galactische kernen beweegt, dit alleen kan komen omdat er daar een zwart gat zit. Het is vanzelfsprekend dat een galactische kern een grote aantrekkingskracht uitoefent op alle zonnestelsels, gaswolken, enz. waaruit die melkweg bestaat, maar dit is beslist geen bewijs dat de centrale massa een zwart-gat-singulariteit van zero-volume moet zijn! Bovendien zijn er aanwijzingen dat gas de centra van actieve melkwegen niet te dicht kan naderen door de enorme energie die ze uitstralen, die tegenwicht biedt aan de zwaartekracht, en door zijn eigen impulsmoment, dat het daaromheen op aanzienlijke afstand doet wentelen. Uit waarnemingen met röntgentelescopen in 2001 is gebleken dat stof om het centrum van onze eigen melkweg draait op een afstand 1500 keer verder daarvan verwijderd dan zwart-gat-aanhangers hadden voorspeld (LaViolette, 2003: 175, 224; 2004: 241-2). Dit brengt grote schade toe aan de hypothese dat het uitstoten van intense energie door het centrum van onze melkweg door materie wordt gevoed die in een zwart gat wordt gezogen. Maar waarnemingen die het zwart-gat-dogma ondergraven worden heel snel vergeten, en het jaar daarop, zoals Aard Bol vermeldt, beweerde een team wetenschappers te hebben bewezen dat het mysterieuze object in het centrum van onze melkweg – bekend als Sagittarius A* – een zwart gat is (Nature, 419, 2002: 694-6). Hun redenering was heel eenvoudig: metingen van de omloopsnelheid van de dichtsbijzijnde ster wijzen erop dat de massa van Sgr A* zo groot is dat een zwart gat de enige theoretische mogelijkheid is – ervan uitgaande dat de huidige theorieën over zwaartekracht, kromme ruimte, imploderende sterren, singulariteiten en de mogelijke toestanden van fysieke materie volledig en foutloos zijn. Bol heeft er blijkbaar alle vertrouwen in, gezien de klakkeloze manier waarop hij officiële uitspraken over zwarte gaten napraat. Volgens het tweede door Bol geciteerde bericht zijn astronomen ‘ondubbelzinnig’ getuige geweest van het uiteenrijten van een ster door een gigantisch zwart gat in het centrum van melkweg RX J1242-11. Helaas zijn de kale feiten veel minder dramatisch: het enige dat men heeft waargenomen is een krachtige röntgenflits in het centrum van de desbetreffende melkweg (http://chandra.harvard.edu). Het complete verhaal over de vermeende oorzaak van de flits is puur speculatie! Maar omdat zwart-gat-propaganda vaak geen duidelijk onderscheid maakt tussen waarnemingen en interpretatie, wordt het argeloze publiek gemakkelijk misleid. Plasmafysicus Wal Thornhill neemt dit lachwekkende ‘nieuws’bericht kritisch onder de loep in zijn artikel ‘Black holes tear logic apart’ [Zwarte gaten rukken de logica uiteen] (http://www.holoscience.com, ‘News & views’, 7 maart 2004). De zwart-gat-theorie richt zich uitsluitend op de zwaartekracht, die ze als een denkbeeldige ‘vervorming van de tijd-ruimte’ opvat. Tegelijkertijd negeert ze elektrische krachten, die duizend-biljoen-biljoen-biljoen keer sterker zijn en die het ontstaan van een zwart gat zouden tegenhouden. Volgens het zwart-gat model worden röntgenstralen uitgezonden wanneer gassen tot miljoenen graden worden verhit doordat ze met zeer hoge snelheid in een zwart gat worden getrokken. Thornhill zegt hierover: ‘Het verhitten van gassen door zwaartekracht is de meest onvoorstelbare manier om röntgenstralen te produceren. Wij gebruiken onmetelijk efficiënter elektrische krachten hiervoor. En de natuur is niet als inefficiënt bekend.’ Hij concludeert: ‘Het gravitationele zwart-gat-model is een waardeloze hersenschim.’ De sterke aanwijzingen dat materie in de centra van melkwegen wordt geproduceerd geven aan dat zich daar geen zwarte gaten schuilhouden, want die kunnen per definitie materie alleen vernietigen. Dit probleem is al decennia bekend. Midden jaren tachtig schreef bijvoorbeeld astrofysicus Phillip Morrison, een tegenstander van zwarte gaten: ‘Wat we meestal zien is niet het verzwelgen van materie maar het uitspuwen ervan . . .’ Galactische kernen kunnen zelfs embryomelkwegen uitstoten, die veel hogere roodverschuivingen hebben dan hun oudermelkweg. Het oerknal-/zwart-gat-model weet hier helemaal geen raad mee, en al decennia lang wordt geprobeerd de vele aanwijzingen hiervoor te ontkennen en onderdrukken (Arp, 1998, 2003). Astronoom Paul LaViolette, die het idee van zwarte gaten met hun onzinnige ‘singulariteiten’ verwerpt, stelt voor dat er zich in galactische centra ‘moeder-sterren’ bevinden – compacte objecten die voortdurend etherische energie in fysieke stof-energie omzetten. In de theosofie wordt de term ‘centrale zon’ gebruikt om onder andere de galactische kern aan te duiden. Als we een analogie trekken met onze eigen zon, kunnen we concluderen dat Sgr A* subtielere toestanden van materie bevat dan de vier die aan wetenschappers op aarde bekend zijn, dat het een ‘alchemistisch laboratorium’ is en dat het een ‘layacentrum’ bevat. Een layacentrum is een plaats, groot of klein, waar stof-energie zich materialiseert of ontstoffelijkt, maar deze twee processen hoeven niet altijd tegelijkertijd of in dezelfde mate plaats te vinden. Onze eigen fysieke zon bijvoorbeeld werpt enorme hoeveelheden straling en plasma (de ‘zonnewind’) uit. Volgens de theosofie wordt hij hoofdzakelijk door instromende energie vanuit innerlijke gebieden gevoed, en natuurlijk niet door de relatief kleine hoeveelheid fysieke stof die hij uit zijn omgeving absorbeert; ook als de zon sterft, zal hij zijn planeten niet verslinden en dan imploderen – hij zal juist exploderen. Een deel van de zonne-energieën, zo wordt gezegd, circuleert door het zonnestelsel alvorens terug te keren – in de ene of andere vorm – naar het hart van de zon. Dezelfde processen zouden evengoed voor een centrale zon kunnen gelden. H.P. Blavatsky zegt dat de centrale zon in een ‘laya-’ (zeer etherische) toestand verkeert en noemt het een ‘eeuwig uitstralend levenscentrum’ (De Geheime Leer, 2:270-1vn). Uit de straling die de galactische kern uitzendt blijkt dat de centrale zon miljoenen malen krachtiger is dan onze eigen zon. Theosofie geeft ook aan dat wanneer fysieke materie onstoffelijk of etherisch wordt, er sprake is van het verzwakken van cohesie- en aantrekkingskrachten – het omgekeerde van wat in een zwart gat zou gebeuren. Of materie ook kan ontstoffelijken terwijl ze wordt samengedrukt is onduidelijk. Wat we wèl met absolute zekerheid kunnen uitsluiten is de mogelijkheid dat zwaartekracht oneindig sterk kan worden en materie tot een oneindig klein punt kan verpulveren – een waarmerk van de moderne ongerijmde zwart-gat-leer. Zelfs Einstein weigerde te geloven dat de door zijn vergelijkingen toegelaten ‘singulariteiten’ in werkelijkheid konden bestaan. Het lijkt aannemelijk dat steeds meer wetenschappers op den duur openlijk zullen toegeven dat singulariteiten niet kunnen ontstaan, dat het vermeende imploderen van sterren en gaswolken moet worden heroverwogen, en dat de ‘objecten’ in de centra van melkwegen wel degelijk stof-energie produceren en uitzenden – precies zoals waarnemingen (en de theosofie) aangeven. Als Aard Bol de moeite zou nemen om het werk van andersdenkende kosmologen te bestuderen, zou hij ontdekken dat ze hun theorieën niet op achterhaalde gegevens baseren, maar juist rekening houden met gegevens die de officiële wetenschap liever wil negeren. Bovendien levert het feit dat waarnemingen door ‘vooraanstaande astronomen’ met ‘de nieuwste apparatuur’ worden gedaan geen enkele garantie dat hun interpretaties en conclusies juist zijn – ook al worden ze in ‘vooraanstaande tijdschriften’ zoals Nature gepubliceerd. Nature heeft in feite een schandelijke rol gespeeld bij het censureren van waarnemingen die de oerknaltheorie onderuithalen (Arp, 1998: 190, 245). En toen Rupert Sheldrake in 1981 A New Science of Life publiceerde – waarin hij stelde dat veel biologische feiten op het bestaan van niet-stoffelijke ‘morfische velden’ wijzen – hekelde de hoofdredacteur van Nature het boek als een ‘ergerlijke verhandeling . . . de beste kandidaat voor de brandstapel die er sinds jaren is geweest’! De beste aanpak bij het uitvoeren van wat H.P. Blavatsky ‘vrij en onbevreesd onderzoek’ noemde, is een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Zodoende kan blind geloof in de laatste wetenschappelijke modes plaatsmaken voor kritisch, onafhankelijk denken.
Halton Arp, Seeing Red: Redshifts, cosmology and academic science,
Apeiron, 1998; Catalogue of Discordant Redshift Associations,
Apeiron, 2003; www.haltonarp.com |
||
|
||