Broederschap
Alice Yetman
Vertaald uit Contact, Newsletter nr. 70, juni 2007, van de
Zuid-Afrikaanse afdeling van de TS.
Zuid-Afrika gaat prat op een van de meest democratische grondwetten
in de wereld, een grondwet waarin de rechten van het individu uitgebreid
worden omschreven en vastgelegd. Terwijl de bewoners van dit land overgingen
van een bestuur van onderdrukking naar een moderne democratische staat,
hield de wereld haar adem in, en verwachtte ze haast een revolutionair
bloedvergieten en het uitbreken van rellen. Dit gebeurde niet; er werd
geschiedenis geschreven. In plaats daarvan begon Zuid-Afrika aan een
nieuw, bijna euforisch tijdperk van tolerantie, welwillendheid, optimisme
en stralende hoop, onder aanvoering van zijn eerste president, Nelson
Mandela, die over de hele wereld een ikoon is geworden. Mensen aan beide
kanten van de scheidslijn tussen rassen spraken met trots over hun ‘regenboogland’,
over het samenbundelen van krachten om een betere toekomst voor allen
te smeden, in een geest van ‘ubuntu’1.
Kort samengevat leek het alsof de collectieve, onstuitbare menselijke
geest de zege had behaald.
Maar dertien jaar later zijn er over de hele linie veel Zuid-Afrikanen
die zich gedesillusioneerd, gefrustreerd en ongerust voelen. Ondanks
de zichtbare vooruitgang die is bereikt in veel gebieden van de openbare
samenleving, de algehele economie, NGO’s (niet-gouvernementele
organisaties), en door de kapitaalkrachtige inspanningen van particuliere
ondernemingen en individuen, getuigt elk nieuwsbericht dagelijks van
spanningen, afschuwelijke misdaden en tragische gebeurtenissen. Vele
duizenden ontgoochelde staatsburgers die daarvoor de middelen hadden,
verkozen te emigreren, terwijl ze hun eerdere enthousiasme, vertrouwen,
hoop en dromen zijn kwijtgeraakt. Bij vele anderen zijn de emoties hoog
opgelopen en zij zouden de corrupte en inefficiënte stelsels en
organisaties die volgens hen de oorzaak van deze kwijnende samenleving
zijn, radikaal willen hervormen door middel van verschillende uiterlijke
en soms extreme maatregelen. Het is gemakkelijk om een of andere organisatie,
groep of individu de schuld te geven. Het is even gemakkelijk om te
geloven dat er een ‘snelle oplossing’ mogelijk is.
In een artikel in de Amerikaanse Sunrise, oktober 1953, schreef
J.A. Long dat deze manier om maatschappelijke problemen van ‘buiten
naar binnen’ aan te pakken en zodoende de zweer naar binnen te
drijven, gedoemd is tot mislukking. Want als men een steenpuist aan
de buitenkant probeert te genezen, zal ze later met ‘samengestelde
interest’ opkomen. ‘We moeten de oorzaken aanpakken, niet
de gevolgen. We ervaren de ziekten van de mensheid als geheel en deze
ziekten moeten van binnenuit worden genezen.’ Dit doet denken
aan de spreuk, ‘Wanneer ik mezelf verander, verandert de wereld’.
De opvattingen van Confucius van vele eeuwen geleden zijn heel relevant
en weerspiegelen dezelfde gedachte: ‘Toen de wijzen uit het oude
China de hoogste deugden onder de mensen wilden verspreiden, brachten
ze eerst hun eigen staten op orde. Omdat ze hun eigen staten goed wilden
organiseren, stelden ze eerst in hun eigen families orde op zaken. Omdat
ze in hun eigen families orde op zaken wilden stellen, streefden ze
er eerst naar hun eigen hart te zuiveren. Omdat ze hun hart wilden zuiveren,
streefden ze er eerst naar om oprecht na te denken. Omdat ze oprecht
wilden nadenken, breidden ze eerst hun kennis tot het uiterste uit.
. . . Hervorming begint thuis en Utopia bevindt zich nergens anders
dan in het zuivere hart en het begripvolle denken’ (Will Durant,
Amerikaanse Sunrise, januari 1960).
G.W. van Pelt werkt deze gedachte verder uit: ‘Menselijke wetten
kunnen worden geformuleerd en vergeten; tempels kunnen worden opgericht
en vergaan; hele landen kunnen door de hun toegewezen perioden van ellende,
wanhoop en vreugde heengaan en dan ophouden te bestaan; continenten
kunnen oprijzen en verzinken; zelfs rassen kunnen van het aardoppervlak
verdwijnen en hun materiële prestaties, hoe groots ook, smelten
na verloop van tijd weg als een kristallen ijspaleis. Maar karakter,
door middel waarvan al deze dingen worden gevormd en gekleurd –
karakter, als een onderdeel van de mens, het onsterfelijke,
blijft voortbestaan.’
‘Omdat onze beschaving slechts het gevolg is van het nationale
karakter – de verzameling van de karaktereenheden – kan
geen enkele hervorming duurzame gevolgen hebben. De moeilijkheid is
dat niemand bezwaar maakt tegen het hervormen van anderen, terwijl er
maar weinigen bereid zijn zichzelf te veranderen. En zo draait het wiel
van ellende onophoudelijk door. Want welke wetten we ook maken, ze kunnen
worden omzeild. Welke aanpassingsmechanismen we ook ontwerpen, deze
kunnen en zullen door dezelfde krachten die ze nodig maakten, ongedaan
worden gemaakt. Zolang er onbroederlijkheid in het hart is, neemt de
strijd tussen mensen onderling toe. Zolang onze zelfzucht criminelen
voortbrengt, zal geen enkel strafstelsel hun groei een halt toeroepen.
Zolang het verlangen naar oprechtheid niet sterker is dan het verlangen
naar eigen voordeel, kan geen toezicht op ondernemingen ze zuiver houden.
. . . De grondige, fundamentele methode van karakterhervorming moet
iedereen aan zichzelf opleggen. Deze heeft het vermogen om de ziel wakker
te schudden en de levensstroom aan haar bron te zuiveren’ (G.
van Pelt, Amerikaanse Sunrise, april 1960). De verantwoordelijkheid
voor verandering ligt daarom bij ieder van ons, en wordt bereikt door
en via onze eigen wilskracht en inspanningen.
Hoe en wanneer kunnen we dan beginnen met dit proces van zelfverandering,
het rechtzetten van wat krom is in onze eigen natuur, om de ziel wakker
te schudden? Het is een lange en moeizame taak, want anders zouden we
geen ontelbare levens nodig hebben om het te leren; we hebben in feite
al een flink stuk van deze evolutiereis afgelegd. ‘Ieder mens
heeft in zichzelf de kracht om te doen wat nodig is: in stilte en onopgemerkt
de leiding van zijn hogere zelf te volgen. Maar we moeten in deze oefening
volharden; bovenal moeten we een onvoorwaardelijk vertrouwen stellen
in de kracht van ons innerlijke licht om ons leven te verlichten. Als
ieder van ons standvastig de leiding ervan volgt, zullen we na verloop
van tijd een belichaming van mededogen, begrip, kennis en hulpvaardigheid
worden’ (Duizend
Lichten Aansteken, blz. 193).
Wanneer we werkelijk naar binnen kijken, weten we allemaal wat er onwaardig
is in onze gedachten, onze emoties en handelingen. Het dagelijks streven
naar het temmen van onze eigenzinnige neigingen vraagt om een hardnekkige
vastberadenheid.
Als we de gedachte volledig zouden begrijpen dat alles in het heelal,
van een verafgelegen ster tot een amoebe, van mens tot atoom, één
gemeenschappelijke bron heeft, de onsterfelijke straal of vonk van het
goddelijke, zouden we beslist begrijpen dat alle materie of alle levensvormen
heilig zijn – niet in het minst de mens. ‘Je bent een kind
van het heelal, niet minder dan de bomen en de sterren . . .’
(Desiderata). Omdat we allemaal dezelfde afkomst delen en daarom deel
uitmaken van dezelfde universele familie, zijn we in essentie allemaal
één – zoals de druppel in de oceaan deel uitmaakt
van die oceaan. Daaruit volgt dat wat onze broeder treft ook ons moet
treffen – ‘alles nu wat u wilt dat u de mensen doen, doet
u hen ook aldus’. Bovendien, indien we de goddelijke essentie
in onze naasten herkennen, hoe kunnen we dan ooit pijn en lijden
toebrengen aan wat in essentie heilig is, en onze liefde, eer en respect
verdient?
Wijzen en zieners hebben door de eeuwen heen unaniem een eenvoudige
aansporing gegeven aan hen die waar geluk willen vinden: ‘Heb
uw naaste lief als uzelf’. . . . Als we deel uitmaken van dezelfde
goddelijke familie met het goddelijke in ons binnenste, dan betekenen
‘heb uw naaste lief’ en ‘heb God lief’ hetzelfde.
Het is onmogelijk iets lief te hebben en tegelijk te verwerpen en te
misbruiken (N.
Davidson, Ned. Sunrise sep/okt 1999). Is het mogelijk om
iemand lief te hebben die een misdaad tegen ons heeft begaan of ons
heeft verwond? ‘De wijzen verzekeren ons dat dit mogelijk is’
(N.D.). Indien we het heelal en alle entiteiten erin zien als iets dat
voortdurend in ontwikkeling is, zouden we weten dat ‘volmaaktheid,
in de zin van voltooiing en een definitief einde, niet mogelijk is’
(N.D.). Vanwege ons beperkte begrip van elkaars motieven (en verleden)
is het onvermijdelijk dat we tijdens onze dagelijkse omgang met elkaar
in conflict komen. ‘Zoals een ouder een stout kind toch liefheeft,
evenzo kunnen we . . . doorgaan de ‘werkelijke’ persoon
lief te hebben, terwijl we het oneens zijn met een individuele daad
of reeks handelingen. ‘Het maken van een onderscheid tussen de
handeling en de handelende persoon helpt ons om de hartstochten van
de persoonlijkheid tot bedaren te brengen, en daardoor het
voor ons mogelijk te maken dat we beginnen een situatie te onderzoeken
en de essentie of het motief achter de handelingen proberen te achterhalen.
Als we proberen te begrijpen waarom een van ons op een bepaalde
manier handelt, ontstaat empathie, de projectie van onszelf door onze
verbeeldingskracht in het hart van de ander – letterlijk proberen
we dan een mijl te lopen in de schoenen van de ander – en uit
die oefening groeit dan sympathie, en uiteindelijk altruïsme.’
(N. Davidson, Ned. Sunrise sep/okt 1999).
Als we onze motieven achter elke gedachte, daad of keuze nauwkeurig
onderzoeken op zelfzuchtige bedoelingen of verlangens, worden we met
onszelf geconfronteerd. ‘Het motief kleurt de daad en
veroorzaakt automatisch het gevolg’ (J.A. Long, Amerikaanse Sunrise,
januari 1953). Ons hogere zelf is onze gids en leidraad, als we maar
acht zouden slaan op zijn stem. ‘Iedere keer wanneer we een zwakheid
overwinnen, iedere keer dat we de moed hebben onszelf te zien zoals
we zijn, wordt ons lagere zelf door ons hogere zelf getest; we stellen
de kracht van ons karakter op de proef’ (Duizend Lichten Aansteken,
blz. 202). Als alle gedachten en daden zouden voortkomen uit spontane,
oprechte onzelfzuchtigheid dan zou de invloed ervan in de wereld werkelijk
opmerkelijk zijn.
Als we onze energie en aandacht zouden richten op de noden van anderen
door de resolute beoefening van zelfvergetelheid, dan zouden niet alleen
onze eigen zorgen en angsten naar de achtergrond van ons bewustzijn
verdwijnen, maar ze zouden hoogstwaarschijnlijk verbazingwekkend onbelangrijk
lijken vergeleken met de zorgen van onze broeders. Door onze problemen
in de uithoeken van onze gedachten te duwen en onszelf daardoor even
adem te geven, kan er zich misschien al een oplossing hebben aangediend
wanneer we ze weer opnieuw naar de voorgrond laten komen. Bovendien
‘hebben we de verzekering dat de verstandige beoefening van dagelijkse
zelfvergetelheid ons een heilige omgang met de innerlijke god zal brengen
en onze voeten zal plaatsen op het pad naar goddelijke avonturen’
(Leon James, Amerikaanse Sunrise, januari 1953). Het belangrijkste
is dat we door elke altruïstische handeling een verschil maken,
hoe klein en onbetekenend ook, door de last van onze medemensen te verlichten.
‘Wij allen hebben grandeur en minderwaardigheid gevlochten in
het weefsel van onze ziel. . . . ‘Oordeel niet opdat u niet wordt
geoordeeld’ – alleen iemand die in staat is de spirituele
geschiedenis van een individu te lezen zou kunnen vaststellen welke
karmische lijnen in vroegere levens in een ver verleden zijn getrokken
die hebben geresulteerd in juist die omstandigheden die het reïncarnerende
ego nu afwerkt – of niet afwerkt – in dit leven’ (Duizend
Lichten Aansteken, blz. 76-7).
‘Vaak heb ik je over iemand die een fout begaat, horen praten
als was hij niet een van jullie, maar een vreemdeling en een indringer
in je midden. Maar ik zeg je, evenmin als het heilige en rechtschapene
kan uitstijgen boven het hoogste dat in elk van jullie schuilgaat, kan
het zwakke en boze dieper vallen dan het laagste, dat eveneens in jullie
schuilt. En evenmin als een enkel blad geel kan kleuren zonder het stilzwijgende
medeweten van de hele boom, kan ook de boosdoener een fout begaan zonder
de verstolen wil van jullie allen. Als een optocht trek je gezamenlijk
op naar je goddelijke zelf. Je bent zowel de weg als degene die haar
bewandelt. Als een van jullie valt, valt hij voor hen die na hem komen,
als een waarschuwing tegen het struikelblok. En eveneens voor hen die
voor hem uitgaan en die, hoewel sneller en vaster ter been, toch het
struikelblok niet hebben verwijderd. . . . Je kunt de rechtvaardige
en de goede niet van de onrechtvaardige en de slechte scheiden. Samen
staan ze voor het aangezicht van de zon en zijn evenals de zwarte en
witte draad met elkaar verweven. En als de zwarte draad breekt, bekijkt
de wever het hele kleed en onderzoekt hij ook het weefgetouw’
(K. Gibran, De profeet, Misdaad en straf).
Zelfs als we vragen dat onze grondwettelijke en menselijke rechten
worden nageleefd en gerespecteerd, moeten we bedachtzaam en alert naar
onszelf toe blijven zodat we onze plicht niet verwaarlozen. ‘Wat
de uiterlijke omstandigheden ook zijn waarin karma ons misschien plaatst,
we kunnen altijd bedenken dat we zielen zijn, en dat ieder van die zielen
haar individuele dharma heeft te vervullen. Krishna zegt tegen Arjuna
dat de dharma van een ander vol gevaar is, en Arjuna wordt aangespoord
om de dharma van het zelf (svadharma) te vervullen, zelfs als
dat niet het meest voortreffelijke pad is (Bhagavad Gita 3:35).
Op deze manier zal hij zijn eigen pad volgen, en dat doen waarvoor hij
in deze wereld werd geboren. Oriëntalisten hebben dharma op allerlei
manieren vertaald – plicht, waarheid, wet, religie, vroomheid
. . . van het werkwoord dhri, ‘steunen, dragen, onderhouden’,
en het betekent dat ieder van ons in deze incarnatie kwam en een lot
meebracht dat het onze is, waarbij we de waarheid van ons innerlijke
wezen hooghouden terwijl we onze uiterlijke plichten zo goed mogelijk
vervullen’ (Duizend Lichten Aansteken, blz. 82).
Abraham Lincoln wordt gezien als een groot leider, ook in spirituele
zin. In de Amerikaanse Sunrise, mei 1953, schrijft R. Browne
dat hij een ‘liefde voor de mensheid en alle levende wezens had.
Al zijn geschriften, woorden en daden lieten zijn vertrouwen in het
verleden, het heden en de toekomst van de mens zien. Hij kon zichzelf
niet los zien van een ander. Zijn bereidheid om zijn eigen persoonlijke
zelf op te offeren voor zijn volk was volgens hemzelf geen opoffering
maar een plicht. . . . Hij had de vaste overtuiging dat alle mensen
werkelijk broeders zijn.’
De woorden uit het populaire liedje, He’s my Brother,
herhalen deze gedachten:
The road is long
With many a winding turn
That leads us to who knows where
Who knows where
But I’m strong
Strong enough to carry him
He ain’t heavy, he’s my brother
So on we go
His welfare is my concern
No burden is he to bear
We’ll get there
For I know
He would not encumber me
He ain’t heavy, he’s my brother
If I’m laden at all
I’m laden with sadness
That everyone’s heart
Isn’t filled with gladness
And love for one another
It’s a long, long road
From which there is no return
While we’re on the way to there
Why not share
And the load doesn’t weigh me down at all
He ain’t heavy, he’s my brother
He’s my brother
He ain’t heavy, He’s my brother
Noot
- Dit oude Afrikaanse woord betekent ‘medemenselijkheid’
en ook ‘Ik ben wat ik ben door wat wij allen zijn’.
Andere
artikelen over broederschap