De betekenis van verbeeldingskracht in de
ontwikkeling van de mens*
Fred Pruyn
*Lezing, Blaricum, december 2010.
Dromen is belangrijk. Je kunt alleen iets realiseren
als je je ergens een voorstelling van kunt maken.
– George Lucas, producent
van Star Wars
Verbeeldingskracht en dromen zijn geestelijke toestanden die geen maatschappelijke
waarde hebben en toch van het allergrootste belang zijn. Misschien dat
onze wereld te technisch en te rationeel is geworden? Er is ook geen
ruimte meer voor ‘niets’ doen. Met volle agenda’s
en druk, druk, druk, komen we niet dichter bij de kern van onszelf en
misschien hinderen we dan wel onze eigen ontplooiing?
We denken en ontvangen ideeën die we ook weer wegzenden. Door
een gedachte komen we tot een daad, een handeling. Een handeling wordt
mogelijk een gewoonte, vele gewoonten vormen een karakter en het karakter
vormt uiteindelijk onze bestemming, ons lot. Al doende maken wij onszelf.
Elke dag opnieuw, stukje bij beetje, uiterst langzaam, veranderen we
van een onhandige kluns in een specialist of generalist. Door ervaringen
wijs geworden, genietend van een ouderdom in liefde. Liefde als vrucht
van mislukkingen en moeilijke ervaringen. Dat is wel te hopen, want
er zijn velen die hun Waterloo niet kunnen verdragen en wegzinken in
verbittering en zelfmedelijden. Moeilijkheden en fiasco’s
horen bij dit leven; door vallen leren we lopen.
Het klinkt misschien een beetje goedkoop als tegeltjeswijsheden, maar
ook die vormen een uitdrukking van verbeeldingskracht. Ziet u hoe verbeeldingskracht
ons maakt, onze toekomst vormgeeft? Door verbeeldingskracht kunnen
we dichter bij onze goddelijke kern komen. Ons geestelijke zelf dat
eeuwig is, onverwoestbaar. Het kan niet roesten, verbranden of ons verlaten.
Het blijft bij ons en draagt ons in moeilijke tijden.
Ja, we moeten durven dromen en ons een voorstelling proberen te maken
hoe het ideale leven eruitziet. Dan verdwijnen grenzen en worden we
één met elkaar. De stof is dan niet langer een hindernis
maar een geleidend medium. Daar was ook onze vaderlandse dichter
W. Hessels (1906-1949, pseudoniem voor H.A. Mulder) van doordrongen.
Van hem is het volgende gedicht:
Dichten
Dichten is dromen met open ogen
En zolang kijken, tot de starre wand
Tussen de dingen wijkt, en geen afstand
Mij langer scheidt van gindse bewogen
Ruisende bomen en de witte zwanen
Van wolken die daarboven staan,
En in het vochtige blauw mijn ziel kan gaan en
Zich wassen als de ronde pure maan,
Dichten is dromen met open ogen
En bij levende lijve ver zijn weggegaan.
Maar hij schreef ook het volgende juweeltje van een gedicht:
Ik zag een man
Ik zag een man, ik zag zijn grof gelaat
Dat in de menigte voorbij mij schoof
Onder de arcade in de drukke straat
Waar ’k stond als op de bodem van een kloof.
Een ogenblik heeft hij mij aangezien,
Heeft mij een somber weerlicht aangeraakt:
En weer de straat, de menigte als voordien,
Ik die er stond, als uit een droom ontwaakt.
Ik was die man, en was hem tevens niet:
De vreemd doorlichte wanhoop in zijn ogen,
De onverschilligheid en het verdriet,
Ik was het al, en werd erdoor bewogen.
Ik zag een man, ik zag een mens die lijdt,
En onder alle pijn dat onverklaarde
Alsof een god hem uit de ogen staarde,
Een god gekooid in doffe menselijkheid.
Ja, dichten is ‘bij levende lijve ver zijn weggegaan’.
Gebruik je fantasie! Vergroot je spirituele wereld door op reis te gaan
en toch thuis te blijven. Alles vindt plaats tussen de oren en in het
hart. Het kan zo bevrijdend werken. Volgens onze spirituele leiders
is een dichter niet iemand die zijn verstand goed gebruikt, maar eerder
gevoelig is voor een geestelijke atmosfeer; hij is dan een klankbord
van zijn omgeving en zijn eigen zuivere innerlijk. Iemand die zijn hogere
vermogens gebruikt.
Een dichter van formaat die vooral op theosofisch gebied van groot
belang is geweest is niemand minder dan William Blake. De man die zich
grotendeels door zelfonderricht tot mysticus had ontwikkeld. Hij was
even begaafd zowel in de beeldende kunsten als in de dichtkunst. Luister
hoe hij zijn bron van inspiratie ziet:
Altijd uitbreidend in de schoot van God, de menselijke
verbeelding.
Ik neem geen rust bij het vervullen van mijn grote taak!
Om de eeuwige werelden te openen,
om de onsterfelijke ogen van de mens naar binnen te richten
en te openen voor de werelden van het denken,
voor de eeuwigheid die zich steeds uitbreidt
in de schoot van God, de menselijke verbeelding.
– Jeruzalem
De verbeeldingskracht is een vermogen dat we niet gemakkelijk een wetenschappelijke
plaats kunnen geven, omdat ze duidelijk geestelijk van karakter is.
Maar met behulp daarvan kunnen we wel alle mogelijke activiteiten en
bestaansvormen bedenken en scheppen. Scheppen is in filosofische zin
eigenlijk een verkeerd woord. Niets wordt geschapen, maar oude stof
wordt omgevormd in iets wat op het vorige lijkt, er nauw verwant mee
is.
Oude leringen zeggen ons dat het potentiële denken van de vroege
mensheid werd ontstoken door de al ontwikkelde geestelijk-mentale vermogens
van wezens die in een voorafgaande planetaire levensperiode mensen waren.
Misschien zouden we onze opvatting over het denkvermogen moeten uitbreiden
tot voorbij het rationele aspect dat in onze tijd zo hoog staat aangeschreven,
want het omvat zoveel meer – zoals datgene dat de bron is van
de intuïtie.
In deze tijd heeft het woord verbeeldingskracht verschillende betekenissen
gekregen, en wordt het eigenlijk alleen gebruikt in de literatuur en
in andere vormen van kunst. Men heeft haar bijvoorbeeld opgevat als
de eigenschap die de omlijsting schept, de ‘atmosfeer’ of
de achtergrond, en de symboliek in de meest ontroerende gedichten of
andere vormen van kunst. Dat wil zeggen, ze werd als synoniem beschouwd
van fantasie of het fantaseren. Maar geleidelijk aan zijn de betekenissen
van de termen ver uiteen gaan lopen.
De schrijver Manuel Oderberg zegt dat de platonistische dichter Shelley
diep op dit thema ingaat. Als platonist plaatst hij het verstand op
een lager niveau dan de andere mentale vermogens; het verstand heeft
een leidend beginsel, de verbeelding, dat hij voorstelt als een ‘troon
binnen de onzichtbare aard van de mens’. Verder zegt hij dat er
goddelijke orde, waarheid en schoonheid bestaan in
de immateriële wereld van ideeën, een wereld waartoe het
creatieve of poëtische denken soms toegang heeft. In het licht
van de tekenen vanuit deze wereld – die wij bij gebrek aan een
betere term intuïties moeten noemen – past het creatieve
denken dat ze waarneemt zijn verbeeldingskracht, zijn vermogen verbanden
te leggen, toe op de feitelijke ervaringen, en draagt zodoende ertoe
bij dat het feitelijke zich vormt overeenkomstig het goddelijke .
. .
Een heel ander iemand, een wetenschapper nota bene, de kernfysicus
David Bohm, zou het hier helemaal mee eens zijn. Hij stoorde zich tijdens
zijn opleiding aan het Californian Institute of Technology aan de stompzinnige
herhalingen en wiskundige exercities en vond dat de mens intuïtiever
zou moeten zoeken naar oplossingen van problemen. Zo kwam hij op het
leuke idee om te experimenteren met een nieuwe taal die uitsluitend
uit werkwoorden bestond. Hij noemde die taal de rheomode –
van het Grieks rheo = vloeien, stromen – in een poging om recht
te doen aan de transcendentale aard van de wereld. Hij besefte dat onze
eerste waarnemingen in de wereld transformaties en stromen betreffen,
maar dat er iets met ons gebeurt tegen de tijd dat we volwassen worden;
volgens hem was taal de boosdoener. Bohms ideeën over de rheomode
zijn fascinerend, maar de reactie van veel taalkundigen was ontmoedigend.
In zijn laatste levensjaar ontmoette hij echter een groep Amerikaanse
indianen (Zwartvoet, Cheyenne, Ojibwa, Micmaq, en Soto) en was verbaasd
over hun sterk op werkwoorden gebaseerde talen en hun ‘op processen
gebaseerde visie van de wereld’.
Maar terug naar de oude dichters. En dan leun ik natuurlijk weer het
meest op de Amerikaanse en Engelse dichters omdat daaronder meer theosofisch
onderzoek is verricht. Zo blijkt dat Shelley het meeste behoefte had,
eigenlijk helemaal in lijn met de hiervoor genoemde experimenten van
David Bohm, niet aan nog meer feiten, maar aan de scheppende verbeelding,
en hij analyseert de hachelijke toestand waarin onze materialistische
beschaving verkeert, die in hoofdzaak op wetenschappelijke en economische
kennis is gebaseerd. Zowel voor Plato als voor hemzelf geldt dat de
stoffelijke kant van het leven de werkelijke wereld waarvan deze de
weerkaatsing of ‘schaduw’ is, gedeeltelijk verduistert en
gedeeltelijk onthult. Tijdens die momenten waarin we ons verlicht voelen,
worden we ons bewust van het ‘hart van de dingen’, wat betekent
dat we de aanwezigheid voelen van de eeuwige levensessentie, waarvan
alle kortstondige en routinematige gebeurtenissen van ons dagelijks
leven niet meer dan symbolen zijn. Dit is de reden waarom de dichter
zich in een toestand schijnt te bevinden van voortdurende verwondering
over de fijnere aspecten van het leven – hij is gevoelig voor
de onzichtbare werkelijkheid.
Shelley is ervan beschuldigd onpraktisch te zijn, maar hij zag de wreedheid,
onrechtvaardigheid en zelfzucht die niet alleen in zijn wereld heersten,
maar ook in onze tijd waarneembaar zijn. Als hij nagaat wat de grondoorzaak
is van al het lijden en de onmenselijkheid, komt hij uit bij het verlangen
naar geluk dat wij allen hebben, en bij onze onzekerheid waar wij dit
moeten zoeken. En dan komen we uiteindelijk uit bij de oprit van de
theosofische snelweg naar het hart van de dingen. De bron van ons geluk
is het slechten van grenzen, van beperkingen. We moeten durven het woud
van verwarring achter ons te laten en de grenzeloze vlakte van wijsheid
te betreden.
Om dit te doen, zouden we moed kunnen putten uit de wet van analogie.
‘Zo boven zo beneden, in het grote als in het kleine,’ zoals
het bekende Hermetische axioma luidt. Als we weten uit welke liefdevolle
bron we zijn voortgekomen, weten we ook waar we naartoe gaan. We gaan
het een stapje moeilijker maken. Om te weten waar we naartoe gaan, moeten
we een filosofische brug nemen. De Geheime Leer (1:45):
Zoals vóórkosmische verbeeldingskracht
de wortel is van ieder individueel bewustzijn, evenzo is vóórkosmische
substantie de grondslag van de materie in de verschillende graden
van haar differentiatie.
Een wat lastige zin die misschien wel wat uitleg behoeft. De verbeeldingskracht
van ieder individu vindt direct zijn oorsprong in de essentie van het
leven voordat dat leven ooit tot ontwikkeling kwam. Dus, nog voordat
er ook maar iets zich kon vormen. En om ‘iets’ te laten
zijn is er stof nodig. Je hebt een auto nodig om in te kunnen
rijden, je hebt een lichaam nodig om dingen te kunnen doen.
Zonder kosmische substantie zou de kosmische verbeeldingskracht
zich niet kunnen manifesteren als individueel bewustzijn, omdat bewustzijn
alleen door middel van een materieel voertuig tevoorschijn komt als
‘ik ben ik’. Er is immers een stoffelijke grondslag nodig
om een straal van het universele denkvermogen in een bepaald stadium
van ingewikkeldheid ergens op te richten. Evenzo zou kosmische substantie
zonder kosmische verbeeldingskracht een lege abstractie blijven en
er zou geen bewustzijn uit voortkomen.
Het ‘gemanifesteerde heelal’ is dus doordrongen
van dualiteit en deze is als het ware de essentie van zijn ex-istentie
als ‘manifestatie’. Maar evenals de tegenovergestelde
polen van subject en object, geest en stof, alleen maar aspecten zijn
van de Ene Eenheid waarin ze tot synthese zijn gebracht, zo is er
ook in het gemanifesteerde heelal ‘dat’ wat geest aan
stof, en subject aan object verbindt.
Dit iets . . . is de ‘brug’ waardoor
de ‘ideeën’ die in het ‘goddelijke denken’
bestaan, als ‘natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische
substantie. . . . Dit is dus de dynamische energie van de kosmische
verbeelding, of, van de andere kant beschouwd, het intelligente medium,
de leidende kracht van alle manifestatie, de ‘goddelijke gedachte’
. . . Zo is ons bewustzijn afkomstig van de geest of de kosmische
verbeelding; de verschillende voertuigen waarin dat bewustzijn wordt
geïndividualiseerd en tot zelf- of reflectief bewustzijn komt,
zijn afkomstig van de kosmische substantie; terwijl fohat in zijn
verscheidene manifestaties de mysterieuze schakel vormt tussen denkvermogen
en materie, het bezielende beginsel dat ieder atoom tot leven prikkelt.
– 1:45-6
De kosmische verbeeldingskracht is dus per definitie gelijk aan de
inwonende geest van ieder mens. En als we er een simpele wiskundige
vergelijking van maken, kunnen we zeggen, verbeeldingskracht = geest.
Iets indenken, je iets voorstellen bij wat iets moet betekenen, betekent
dus gaan naar de essentie van het ding, je er één mee
maken. Wat iets in wezen is, werkelijk is. Is wat we denken werkelijk
zo betrouwbaar? Is alles wat we zien en denken echt? Wie zegt niet dat
wij hallucineren en dat de grootste gek de werkelijkheid ziet?
We worden met grote regelmaat belaagd door illusies. Wie is niet eens
bij de neus genomen door een fabrikant die dacht te mogen beweren dat
zijn product een of andere wonderlijke eigenschap heeft? Ook bij de
kunst van het goochelen worden we meegenomen naar het duistere rijk
van de verbeelding. We worden aangezet om iets te geloven dat er niet
is. Sommige fakirs en yogi’s in het oosten zijn er zulke meesters
in dat ze complete menigten kunnen bespelen, gewoon door middel van
suggestie.
In The Caves and Jungles of Hindostan van H.P. Blavatsky vinden
we de volgende anekdote uit het India van koningin Victoria. Een getalenteerde
schilder behoort tot een reisgezelschap dat een aantal uren moet wachten
op het vertrek van een veerboot. Maar juist voor aankomst op die plek
werd er onder het gezelschap een discussie gevoerd of iemand die zijn
gezonde verstand gebruikt, bestand is tegen de invloeden van een hypnotiseur.
Kan iemand die normaal denkt altijd zijn denken de baas zijn? Zal die
zich niet laten beïnvloeden door wie dan ook? De schilder maakt
duidelijk dat hij niet van zijn stuk is te brengen en over zijn eigen
gedachten heer en meester is en blijft.
Enfin, het gezelschap gaat zitten voor een picknick en de kunstenaar
zet zijn ezel op en begint een schets van de overkant van het water
te maken. Aan de overkant is een mooi eiland te zien omgeven door een
rietkraag.
Enkele uren later, als er door de gids van de groep, een vermaarde
yogi, wordt geroepen dat iedereen aan boord kan gaan, stoppen de reizigers
even bij de kunstenaar om te zien wat hij heeft gemaakt. Enthousiast
toont de schilder zijn werk. Maar de gasten zijn stomverbaasd als ze
zien dat de schilder niet de overkant van het water heeft geschetst
maar heel natuurgetrouw een bekend paleis met olifanten eromheen dat
een paar honderd kilometer verderop ligt.
Het mag duidelijk zijn dat verbeeldingskracht een belangrijk vermogen
is. Katherine Tingley, leider van de Theosophical Society rond 1910,
gebruikte het om de leerlingen en docenten van haar opleidingsinstituut
opnieuw de oude spirituele waarden bij te brengen. Onder andere door
het opvoeren van Griekse tragedies, waarbij de kinderen in de huid van
oude helden konden kruipen.
Verbeeldingskracht is een bijna ongrijpbaar vermogen dat iedere leerkracht
en iedere ouder eigenlijk wel op waarde weet te schatten. De leraar
probeert op creatieve wijze zijn leerstof over te brengen. De leerlingen
moeten mee met het panorama dat de docent probeert te schetsen. Of het
nu gaat om aardrijkskunde, geschiedenis of de Nederlandse taal. Elk
vak moet met verbeeldingskracht worden overgebracht. Gedachten moeten
magnetisch kunnen hechten aan het bewustzijn van de leerlingen, de ontvangers,
zodat ze zich weer de dingen kunnen herinneren die ooit bij hen hoorden.
Zo proberen ook ouders hun kinderen beeldend mee te nemen naar de wereld
van de volwassenen, gewoon door een voorbeeld te zijn.
We hebben gezien dat verbeeldingskracht tot ontwikkeling gebracht moet
worden. Doen we dat niet dan zijn we maar een half mens, een slapende
ziel. Het is een goddelijk vermogen dat ons toebehoort. Met het ontwikkelen
van onze verbeeldingskracht roepen we onze ziel en alle prachtige sluimerende
vermogens die daarbij horen, wakker. Met geestelijke ogen kijken, en
denken met het hart – mededogen moet tot ontwikkeling worden gebracht, want
om nog een keer Hessels te citeren:
Ik zag een man, ik zag een mens die lijdt,
En onder alle pijn dat onverklaarde
Alsof een god hem uit de ogen staarde,
Een god gekooid in doffe menselijkheid.
Zo is het leven voor de mens die geen perspectief meer heeft, geen
verbeeldingskracht, geen creativiteit. Maar als we weer liefde voor
alles om ons heen gaan voelen, zullen we de weg zien die voor ons ligt.
Het gaat dan vanzelf. We zullen de dingen aantrekken die bij ons horen
en datgene afstoten dat niet bij ons hoort. Het is een veilige weg.
Ik zou willen zeggen, durf te dromen, want . . .
Dichten is dromen met open ogen
En bij levende lijve ver zijn weggegaan.
Kunst,
muziek, (kinder)verhalen en literatuur