Herberg De Witte Vogel – een Chinees
verhaal*
Kenneth Morris
*Vertaald uit The Theosophical Path, mei 1915.
Chao Shih-hsiung ging de bergen in; daar zou men, als al ergens op
de wereld zo’n plek was, misschien kunnen leren poëzie te
schrijven, zo was hem verteld. Hij was een schoolvoorbeeld van vlijt
en onbevangenheid; een jongeman over wie geen kwaad woord werd gesproken,
vriendelijk en zachtaardig voor iedereen. Maar boven alles verlangde
hij ernaar een dichter te zijn. Het was bijna avond; hij had rond het
middaguur de vlakke rijstvelden achter zich gelaten en was nu aangekomen
tussen de rotsen en de dennenbomen. Ver beneden achter hem lagen de
velden, en daarachter de stad; en nog verder weg lag de Zuidchinese
Zee – bleek parelachtig, turkoois en zilverglanzend. Aan beide
kanten rezen de steile bergwanden omhoog: grote, vriendelijke rotsen
en eeuwenoude tovenaarsdennen. De weg was niet zo hobbelig dat hij niet
tegelijkertijd kon studeren, en Chao Shih-hsiung liep verder terwijl
hij de gedichten van de grote Tao Yuen-ming las. De wind die de kung
intoneerde tussen de gevorkte en elleboogvormige dennentakken boven
hem, hoorde hij niet; de magie in de bundels dennennaalden zag hij niet;
het kwam niet in hem op om de vriendelijkheid van de immense keien en
van het zachtjes donkerder worden van het blauw van de lucht te beantwoorden.
‘De wereld beschouwt Tao Yuen-ming als de beste dichter van dit
tijdperk,’ zei Chao; ‘toch kom ik zelfs van hem het geheim
niet te weten. Ik begrijp zijn methode om de vier klanken te rangschikken,
en ik ben erin geslaagd in mijn eigen probeersels ze op soortgelijke
manier te rangschikken. Ik heb kennis genomen van de onderwerpen waarover
hij schrijft en ik heb daar zelf vaak over geschreven. Verder heb ik
nauwkeurig het Boek van de Oden bestudeerd en de dichtkunst
uit de Han-periode; en ik heb welwillendheid beoefend en enige vooruitgang
geboekt. Toch wekken mijn ontboezemingen geen enthousiasme, zelfs niet
bij mijzelf.’
Hoewel hij nog jong was had hij al veel gepresteerd: alles wat door
studie kon worden bereikt. Hij had de chin-shih graad behaald
en een baan als docent in de poëzie aan de universiteit van de
stad waar hij was geboren. Zijn dissertaties werden gekenmerkt door
subtiliteit en buitengewone geleerdheid; toch werd geen van zijn leerlingen
een dichter. Hij behield zijn bescheidenheid omdat hij zich bewust was
van zijn tekortkomingen.
Op een dag merkte hij dat er een vreemdeling in de collegezaal zat:
een oude man, sjofel gekleed en met een erg lange baard; hij keek helder
uit zijn ogen en had een waardige, mysterieuze houding. Chao Shih-hsiung
gaf die morgen uitleg over de elegieën van Chu Yuan; een zekere
inspiratie en een ongewone welsprekendheid kwamen over hem, en hij had
het gevoel dat hij dichter bij het geheim van de dichtkunst stond dan
ooit tevoren. De heldere ogen van de vreemdeling leken wonderlijke maar
vage herinneringen in hem wakker te roepen zodat hij van nieuwe hoop
werd vervuld. Na afloop van het college kwam de vreemdeling naar hem
toe. Chao Shih-hsiung glimlachte en boog, want hij voelde dat hij veel
te danken had aan de bemoediging van deze oude man.
‘Meneer,’ zei de vreemdeling, ‘waarom verspilt u
uw leven met deze zinloze ambities? Op deze manier zult u nooit een
dichter worden.’ ‘Ik heb ijverig gestudeerd,’ zei
Chao. ‘Helaas ontbreekt het mij aan genialiteit.’
‘De genialiteit ontbreekt niet, maar is nog niet ontwaakt,’
zei de ander. ‘Vergeet uw pronkerige methoden en zoek de stilte
op. Stop met uw boekenstudie; volg de meeuwen naar het land van de wolken,
en begraaf uw etherisch zelf niet onder het stof van de wereld. Neem
de hemel als uw dak en de zon en de maan als uw altijd aanwezige kameraden
en de vier zeeën als uw onafscheidelijke vrienden. Bestudeer de
magie van de bergen; en uw prijzenswaardige ambities zullen in vervulling
gaan.’*
*Dit is een bijna exact geciteerde uitspraak van
Chang Chih-ho, de ‘oude visser van de nevelen en de wateren’,
een wijze uit de 8ste eeuw – die echter 200 jaar na Chao Shih-hsiung
leefde.
Chao Shih-hsiung probeerde nu zijn advies op te volgen.
Hij bereikte het hoogste punt van de pas; hij had de wereld nu volledig
achter zich gelaten, en vóór hem en aan alle kanten was
hij omringd door het rijk van de bergmagie. Achter de vallei vóór
hem rezen vage en donkergloeiende bergen overdekt met bossen; en veraf,
als bleke bloemblaadjes van een lelie tegen de saffieren lucht bevonden
zich besneeuwde toppen waarover de zonsondergang schaduwen wierp in
bleekroze en zalm en blauw. Diep beneden in het dal zong en glansde
de rivier, een smalle kronkelende zilverdraad, hier en daar onderbroken
waar ze schuilging achter de bomen. De weg liep verder tussen de dennen,
en de sterren begonnen te schijnen: de Spinvrouw en de Koeherder straalden
helder, en over de onoverbrugbare rivier van sterren sloegen ze elkaar
gade. Het werd te donker om te lezen en Chao Shih-hsiung sloot zijn
boek en keek uit over het berglandschap; en toen vergat hij uiteindelijk
zijn oude ambities en verlangens. Plotseling hoorde hij de muziek van
een luit en gezang dat lieflijker klonk dan al het gezang dat hij ooit
in zijn leven had gehoord.
‘Het zal wel uit een of andere herberg komen’, dacht hij;
en hij realiseerde zich dat hij moe was en honger had en dat hij nu
het meest verlangde naar een herberg waar hij zou kunnen eten en slapen.
Even
later bereikte hij de herberg. De gastvrouw heette hem welkom en bracht
hem warme wijn en eten. Terwijl ze hem bediende ging ze door met zingen.
Hij sloeg haar gade bij het licht van de lantaarns die aan de daksparren
hingen. Ze was gekleed in een glanzend wit gewaad; er zaten bleekblauwe
bloemen in haar zwarte haar, en haar lange mouwen hadden blauwe zomen.
Ze had heldere ogen, snel als die van een vogel; en haar bewegingen
als ze holde en heen en weer dribbelde waren als van een vogel, zo vond
hij. En ze zong lieflijk: soms aanzwellend, trillend en vloeiend, dan
weer zacht fluisterend, diep en geheimzinnig. Het ene moment was ze
in de kamer om hem te bedienen; en het volgende moment was ze naar buiten
gerend met ritselende en wapperende mouwen, en haar gezang kwam van
rechts, van links, en van boven. Vrede en verrukking en de vriendelijkheid
van de bergen vloeiden over zijn ziel, en hij zat en luisterde en luisterde.
De nacht werd dieper; de maan rees boven de besneeuwde toppen. Het
water van de rivier beneden, de wind tussen de dennentakken en het geruis
van de dennennaalden boven zijn hoofd leken deel uit te maken van haar
lied. Hij luisterde, en alle muziek werd één; hij hoorde
hoe de stemmen van de bergen de toon van de grote kung aangaven.
‘Dit is prachtig,’ dacht hij. Toen herinnerde hij zich de
gedichten van Tao Yuen-ming; deels door zijn oude gewoonte om te studeren,
en deels door een ongewoon ontwaken in zijn ziel. Hij opende zijn boek
en begon te lezen; en op dat moment hoorde hij dat zijn gastvrouw het
gedicht zong dat hij juist onder ogen had.
Hij las en luisterde terwijl ze zong. Maar nu waren de schrifttekens
levend; ze bewogen en gaven licht; de magie van de bergen had bezit
van hen genomen. Ze zongen zelf met haar mee. Het gedicht gloeide en
was bezield. In ieder ideogram hoorde hij de stem van de gastvrouw,
en hij zag een licht als een diamant, als een parel, als een schijnende
opaal; en in elk ervan hoorde hij de roep van het verre water, de stem
van de nachtvogels in het dal, het geruis en gefluister van de wind
door de dennen. Het gedrukte gedicht zelf intoneerde met hen samen de
kung. Chao Shih-hsiung verwonderde zich in stilte, half dromend.
‘Dit is poëzie,’ zei hij.
De gastvrouw zong verder; de wind steeg op uit het dal en droeg de
geuren van de zuidelijke nacht. Chao Shih-hsiung hoorde het wiel van
de Spinvrouw in de hemel, veraf en lieflijk; en hij hoorde haar lied
en het lied dat de Koeherder als antwoord zong aan de andere kant van
de rivier van sterren die geen van beide mag oversteken. Hij hoorde
de rivier van sterren zingen terwijl ze door de blauwe vlakten van de
oneindigheid stroomde; en de sterren en de wind en de dennenbomen en
de bleek glinsterende bloembladen van de sneeuwtoppen, en de gastvrouw
met haar luit en het water in het dal beneden leken samen één
stem te hebben; ze zongen de gedichten van Tao Yuen-ming; en alle gaven
ze de toon aan van de kung.
De hele nacht luisterde Chao Shih-hsiung, en daarbij vergat hij alles;
hij was zich niet meer bewust van zijn verlangens, verwonderd als hij
was over de grote kung die hij hoorde. De hele nacht zong de
gastvrouw van Herberg De Witte Vogel.
Het werd koud, steeds kouder, leek het hem. Was ze nu de gedichten
van Tao Yuen-ming aan het zingen of bootste ze op wonderbaarlijke wijze
de stem van een vogel na? Golvend in rijke trillers, murmelend als diepe,
eenzame wateren, voortvloeiend, rijzend en dalend, lieflijk –
kon een menselijke stem zoveel op die van een vogel lijken? Het was
koud en zijn lichaam en ledematen waren stijf.
Hij opende zijn ogen. De daksparren boven zijn hoofd leken merkwaardig
veel op de levende takken van een dennenboom, gevorkt en gedraaid in
vele ellebogen. Hij ging rechtop zitten. De herberg . . .
Er was geen herberg. Hij had op de grond gelegen onder een dennenboom
vlak naast de weg; en onder hem was geen ander bed dan de afgevallen
droge naalden. De besneeuwde bergtoppen in de verte begonnen bleekroze
en saffraan te kleuren, bleekblauw en zilver en zalmachtig bij het opkomen
van de zon. Het gezang kwam uit de takken boven hem; er waren beslist
geen menselijke woorden in te herkennen; zelfs niet de magische woorden
van Tao Yuen-ming. Hij keek op, en daar, op een tak boven zijn hoofd,
zat een witte vogel te zingen. Hij had een klein kuifje van blauwe veertjes
op zijn kop, en zijn witte glanzende vleugels hadden blauwe uiteinden.
En hij zat te zingen, te zingen; en in zijn lied hoorde Chao Shih-hsiung
alle vreugde en droefheid, en wat meer is dan vreugde en droefheid.
Hij hoorde het diepe, verre geruis, het eeuwige mysterie van de kung.
Toen ging hij op pad, en zong de gedichten van Tao Yuen-ming; en gedichten
– ja, gedichten – van hemzelf. In al die gedichten
legde hij dezelfde eenzame, plechtige, vreugdevolle, oneindige klank
van verwondering. De dennen die boven hem ruisten leken een menselijke
uitdrukking te hebben; de keien keken hem vriendelijk aan, alsof ze
mensen waren, en hij beantwoordde hun vriendelijkheid.
Vanaf dat moment was hij een groot dichter, zo zegt men.
Kunst,
muziek, (kinder)verhalen en literatuur