De adepten en de moderne wetenschap
W.Q. Judge
De moderne wetenschap kan voor veel welwillende theosofen een schrikbeeld
zijn dat hen ertoe brengt hun eigen mening te verbergen uit angst dat
die in strijd zou zijn met de wetenschap. Maar laatstgenoemde is een
onstabiele factor die voortdurend een ander standpunt inneemt, hoewel
nooit zonder aanmatigende zelfverzekerdheid, zelfs als ze terugneemt
wat ze eerder heeft beweerd. De opvattingen van wetenschappers zijn
vaak naar voren gebracht als grote bezwaren tegen het mogelijke bestaan
van adepten, meesters, mahatma’s, volmaakte mensen die volledige
kennis bezitten van alles wat de moderne wetenschap probeert te ontdekken.
Veel bezorgde leden van de Society die niet twijfelen aan de meesters
en hun vermogens, zouden graag zien dat die wezens vrede sluiten met
de wetenschap, zodat de inzichten in de natuur en de mens zoals die
door de mahatma’s naar voren worden gebracht, zouden kunnen samenvallen
met de ideeën van de huidige onderzoekers. Het is zinvol om te
proberen te ontdekken wat de houding van de adepten is ten opzichte
van de moderne wetenschap.
Al vroeg in de geschiedenis van de Society kwam deze vraag naar voren
in de correspondentie van Sinnett met de adept KH in India, en de antwoorden
die door Sinnett in The Occult World zijn gepubliceerd, bevatten
genoeg materiaal om de houding van zulke wezens ten opzichte van de
moderne wetenschap duidelijk te maken. Naar dat boek zal de komende
jaren veel worden verwezen, omdat de brieven die erin worden genoemd
in meer opzichten van waarde zijn dan algemeen wordt gedacht; ze zouden
door ieder lid van de Society moeten worden bestudeerd, en de ideeën
die het bevat zouden moeten worden opgenomen in onze mentale uitrusting.
Uit de opmerkingen die in The Occult World worden gemaakt,
blijkt duidelijk dat de personen aan wie de brieven werden gericht een
diep respect voor de moderne wetenschap hadden; dat ze het op prijs
zouden hebben gesteld als de wetenschap overtuigd kon worden van de
werkingen van de occulte kosmos, met alles wat dat inhoudt; dat ze dachten
dat als de tegenwoordige wetenschappers door bijzondere verschijnselen
of op een andere manier van het bestaan van de meesters en de theosofie
konden worden overtuigd, dit zeer gunstige gevolgen zou hebben voor
de Society. Als zo’n overtuiging mogelijk zou zijn, zouden de
resultaten ongetwijfeld zijn gevolgd, maar de hoop om wetenschappers
te overtuigen schijnt vergeefs te zijn, omdat er geen andere manier
bestaat om de houding van de moderne materialistische wetenschap te
veranderen dan door een volledige herziening van haar methoden en theorieën.
Dit zou een terugkeer betekenen naar het denken van de oudheid, en dit
zou niet in de smaak vallen bij de moderne mens. Een compromis sluiten
met de wetenschap, op welke wijze dan ook, zou voor de meesters onmogelijk
zijn. Ze nemen het standpunt in dat indien de regels en conclusies van
de wetenschap in de negentiende eeuw verschillen van die van de Loge
van de Broeders, dat dan jammer is voor de moderne conclusies, omdat
ze in de toekomst allemaal moeten worden herzien. Het essentiële
verschil tussen de occulte en moderne materialistische wetenschap is
dat de eerstgenoemde menslievendheid als basis heeft, terwijl de laatste
zo’n basis mist. Laten we eens zien wat uit de brieven die door
KH aan Sinnett en anderen zijn geschreven, kan worden opgemaakt.
Sinnett schrijft: ‘Het idee waaraan ik in het bijzonder moest
denken toen ik de bovengenoemde brief schreef was dat van alle proefverschijnselen
die een mens zich kon wensen, de beste zou zijn om in onze aanwezigheid
hier in India een exemplaar van de Londense Times van diezelfde
dag voort te brengen. Met zo’n stuk bewijsmateriaal in handen,
zo redeneerde ik, zou ik iedereen in Simla die in staat is twee ideeën
met elkaar in verband te brengen, kunnen bekeren tot een geloof in de
mogelijkheid van het verkrijgen van tastbare resultaten met behulp van
occulte krachten die ver buiten de beheersing van de moderne wetenschap
liggen.’ Hierop kreeg hij een antwoord van KH die zei: ‘Juist
omdat de proef met de Londense krant de sceptici de mond zou snoeren,
is ze onaanvaardbaar. Zie het zoals u wilt, maar de wereld is op dit
moment in zijn eerste stadium van het zich bevrijden van haar boeien
. . . en daarom onvoorbereid . . . Maar omdat aan de ene kant de wetenschap
niet in staat zou zijn de verbazingwekkende prestaties die in haar naam
worden geleverd te verklaren, en aan de andere kant de onwetende massa
de verschijnselen nog steeds als een wonder zou beschouwen, zou iedereen
die aldus van zo’n gebeurtenis getuige zou zijn uit zijn evenwicht
worden gebracht en het resultaat zou betreurenswaardig zijn.’
Hierin vinden we de eerste aanwijzing voor een menslievende basis, hoewel
deze later ondubbelzinnig wordt gespecificeerd. Want hier zien we dat
de adepten niet iets zouden doen wat bij zoveel mensen die tot de ‘onwetende
massa’ behoren, tot mentale verwarring zou kunnen leiden.
Hij zegt vervolgens: ‘Als we zouden toegeven aan uw wensen, weet
u dan werkelijk wat er op dit succes zou volgen? De onverbiddelijke
schaduw die op alle menselijke vernieuwingen volgt, glijdt verder, toch
zijn er maar weinigen die zich ooit bewust zijn van zijn nadering en
gevaren. Wat kunnen zij dan verwachten die de wereld iets nieuws willen
aanbieden dat, door menselijke onwetendheid, als men erin zou geloven,
ongetwijfeld zou worden toegeschreven aan die duistere krachten waarin
twee derde van de mensheid gelooft en waarvoor ze nog bang is?’
Hier zien we nog eens dat de adepten niet zullen doen wat, hoe prettig
het ook zou zijn voor de wetenschap, en hoe bijzonder en interessant
het ook zou zijn, ertoe zou kunnen leiden dat het gewone volk opnieuw
zou denken dat het over bewijzen beschikt van het bestaan van duivels
of andere gevreesde onzichtbare wezens. Omdat het doel van de adepten
is om de kennis van de meerderheid van de mensen te vergroten, en dogmatisme
en bijgeloof te vernietigen, zullen ze niet iets doen wat op een of
andere manier ertoe bijdraagt dat hun doel niet wordt bereikt.
In de brief waaruit is geciteerd laat de adept vervolgens zien dat
het aantal personen dat vrij is van religieus fanatisme en vooroordeel
door onwetendheid, nog steeds heel klein is. Het is zeker waar dat zoiets
bijzonders als het voortbrengen van de Times in India over
duizenden kilometers oceaan zelfs honderden wetenschappers zou kunnen
overtuigen van de mogelijkheid dat dit op basis van kennis van natuurwetten
wordt gedaan, maar hun geloof zou weinig tot geen effect hebben op de
immense massa van ongeschoolde mensen in het Westen die nog steeds in
de greep zijn van religieus fanatisme en vooroordeel. De adept wijst
erop dat de ‘onverbiddelijke schaduw die op alle menselijke vernieuwingen
volgt’ een plotseling opvlammen betekent van het domme bijgeloof
van de massa, dat in kracht toeneemt en alle andere mensen meesleurt
in de enorme stroom die zó wordt opgewekt, waarmee aan het eigenlijke
doel van het verschijnsel wordt voorbijgegaan. Hierover schrijft de
adept verderop, ‘Wat de menselijke natuur in het algemeen betreft,
die is nu nog net zo als een miljoen jaar geleden, en vertoont vooroordeel
door zelfzucht, en een algemene onwilligheid om de gevestigde orde los
te laten voor een nieuwe vorm van leven en denken – en occulte
studie vraagt dat allemaal en nog veel meer – en een trots en
koppig verzet tegen de waarheid zodra deze de vorige opvatting van de
dingen verstoort: dit is het kenmerk van deze tijd.’ ‘Hoe
succesvol ook, het gevaar zou evenredig met het succes groeien.’
Dat wil zeggen, het gevaar zou in verhouding met het succes van het
voortgebrachte verschijnsel toenemen. ‘Er zou al snel geen andere
keuze overblijven dan verder te gaan, altijd in crescendo, dan wel ten
onder te gaan in deze eindeloze worsteling met vooroordeel en onwetendheid,
omgebracht door uw eigen wapens. Proef na proef zou worden gevraagd
en moeten worden geleverd; van elk volgende verschijnsel wordt verwacht
dat het verbazingwekkender is dan het eraan voorafgaande. Uw dagelijkse
opmerking is dat men niet kan verwachten dat iemand zal geloven tenzij
hij een ooggetuige is. Zou een heel leven van een mens volstaan om de
hele wereld van sceptici tevreden te stellen? . . . Zoals velen verwijt
u ons onze grote geheimhouding. Toch weten we iets over de menselijke
natuur, want de ervaring van vele eeuwen, nee van tijdperken, heeft
ons het nodige geleerd. En we weten dat zolang de wetenschap nog iets
heeft te leren, en een schaduw van religieus dogmatisme in het hart
van de velen verblijft, het vooroordeel van de wereld stap voor stap
moet worden overwonnen, niet op stel en sprong.’
Deze eenvoudige opmerkingen zijn filosofisch, historisch nauwkeurig,
en helemaal waar. Alle spiritistische mediums weten dat hun bezoekers
proef na proef verlangen. Zelfs iemand die liefhebbert in psychische
zaken is zich ervan bewust dat zijn publiek of zijn vrienden een voortdurende
toename eisen van verschijnselen en resultaten, en elke eerlijke onderzoeker
van het occultisme is zich van het feit bewust dat in zijn eigen kring
er vijftig ongelovigen zijn op elke gelovige, en dat de gelovigen verlangen
dat zij datgene waarvan anderen verslag doen telkens opnieuw te zien
krijgen.
In onze bespreking van dit onderwerp verwijzen we vervolgens naar een
andere brief, waarin de adept zegt: ‘We zullen in onze correspondentie
niet nader tot elkaar komen totdat het volmaakt duidelijk is geworden
dat de occulte wetenschap haar eigen methoden van onderzoek heeft die
net zo vast en absoluut zijn als de methoden van haar antithese, de
natuurwetenschap, dat op hun manier zijn. Als de laatstgenoemde haar
regels heeft, dan geldt dat ook voor de eerstgenoemde.’
Hij laat vervolgens zien dat de persoon die zich hun kennis eigen wil
maken zich aan hun regels moet houden; hij neemt dan zijn correspondent
als voorbeeld en zegt: ‘U zoekt dit allemaal, en toch heeft u,
zoals u zelf zegt, tot nu toe nog niet voldoende redenen gezien om ook
maar uw huidige manier van leven te veranderen, die een belemmering
vormt voor zo’n communicatie.’ Dit betekent natuurlijk dat
wetenschappers en andere onderzoekers zich moeten houden aan de regels
van de occulte wetenschap als zij zich die kennis eigen willen maken,
en hun manier van denken en handelen moeten veranderen.
Hij gaat dan verder met het analyseren van de motieven van zijn correspondent,
en deze motieven zouden dezelfde zijn als die waardoor de wetenschap
tot haar onderzoek wordt gedreven. Ze worden omschreven als het verlangen
om tastbare bewijzen te hebben van krachten in de natuur die onbekend
zijn aan de wetenschap, de hoop ze zich toe te eigenen, de wens om het
bestaan ervan aan enkele anderen in het Westen te kunnen demonstreren,
het vermogen om het leven na de dood te zien als een objectieve realiteit
die op kennis is gebaseerd en niet op geloof, en om de waarheid over
de Loge en de Broeders te weten te komen. Deze motieven, zegt hij, zijn
vanuit het standpunt van de adepten zelfzuchtig, en dit benadrukt nogmaals
het menslievende karakter van de occulte wetenschap. De motieven zijn
zelfzuchtig omdat, zoals hij zegt: ‘De hoogste aspiratie voor
het welzijn van de mensheid bezoedeld raakt met zelfzucht als in de
geest van de filantroop ook maar een spoortje verlangen naar eigen voordeel
latent aanwezig is, of een neiging om onrecht te begaan, zelfs als deze
onbewust in hem bestaan. Toch heeft u het idee van het vormen van een
universele broederschap nooit anders dan met afkeuring willen bespreken,
het nut ervan betwijfeld, en geadviseerd om de Theosophical Society
om te vormen tot een school speciaal voor de studie van het occultisme.’
De adept maakt het heel duidelijk dat zo’n voorstel niet in overweging
kan worden genomen, en laat nog eens zien dat Broederschap, en niet
de studie van de geheime wetten van de natuur, het werkelijke doel van
de innerlijke Loge is. Broederschap als doel is de hoogste menslievendheid,
zeker als die is verbonden met wetenschap.
In een andere brief, geschreven na het raadplegen van veel hogere adepten,
die nooit zijn genoemd en die zelfs aan theosofen volkomen onbekend
zijn, omdat ze te hoog zijn om te ontmoeten, roert hij hetzelfde onderwerp
aan en zegt, ‘In overeenstemming met de exacte wetenschap definieert
u slechts één kosmische energie, en maakt u geen verschil
tussen de energie die door de reiziger wordt gebruikt die de struik
opzij duwt die zijn weg verspert en de wetenschappelijke onderzoeker
die een gelijke hoeveelheid energie gebruikt om een slinger in beweging
te brengen. Wij doen dat wel; want we weten dat er tussen beide een
wereld van verschil bestaat. De ene verspreidt op een zinloze manier
kracht; de ander concentreert die en slaat die op; en begrijp alstublieft
dat ik hier niet verwijs naar het relatieve nut van de twee, zoals men
zou kunnen denken, maar alleen naar het feit dat er in het ene geval
brute kracht naar buiten wordt geslingerd zonder enige omzetting van
die brute energie in een hogere potentiële vorm van spirituele
dynamica, en in het andere geval gebeurt dat wel. . . . Nu is voor ons
arme onbekende filantropen geen enkel feit van een van deze wetenschappen
interessant behalve de mate waarin ze het vermogen hebben tot morele
resultaten, en waarin ze bruikbaar zijn voor de mensheid. En wat is,
in haar trotse isolatie, onverschilliger voor alles en iedereen, of
meer gericht op louter de zelfzuchtige vereisten voor haar vooruitgang,
dan deze materialistische wetenschap van feiten? Mag ik dan vragen wat
deze wetten van Faraday, Tyndall of anderen te maken hebben met menslievendheid
in hun abstracte relaties met de mensheid, gezien als een intelligent
geheel? Bekommeren ze zich ook maar iets om de mens als een geïsoleerd
atoom van dit grote en harmonische geheel, zelfs als ze voor hem soms
van praktisch nut zijn? Kosmische energie is iets eeuwigs en onophoudelijks;
stof is onverwoestbaar: en dat zijn de wetenschappelijke feiten. Twijfel
eraan en u bent een ignoramus; ontken ze, een gevaarlijke gek, een fanaticus;
beweer de theorieën te kunnen verbeteren, een onbeschaamde charlatan.
En toch zag de wereld van onderzoekers in deze wetenschappelijke feiten
nooit enig bewijs dat de natuur bewust de voorkeur geeft aan stof die
onverwoestbaar is in organische boven die in anorganische vormen, en
dat zij langzaam maar onophoudelijk werkt aan de verwezenlijking van
dit doel – de evolutie van bewust leven uit onbewust materiaal.
. . . Nog minder ziet de exacte wetenschap in dat terwijl de bouwende
mier, de bezige bij, de vogel die zijn nest bouwt, elk op haar eigen
bescheiden wijze net zoveel kosmische energie in haar potentiële
vorm verzamelt als een Haydn, een Plato, of een ploeger die zijn voren
trekt, . . . anderzijds de jager die voor zijn plezier of winst op zijn
prooi jaagt, de positivist die zijn intellect gebruikt om te bewijzen
dat plus maal plus gelijk is aan min, hun energie niet minder verkwisten
en verstrooien dan de tijger die zijn prooi bespringt. Zij allen beroven
de natuur in plaats van haar te verrijken, en allen zullen naar de graad
van hun intelligentie verantwoording moeten afleggen. . . . Exacte wetenschap
heeft niets te maken met ethiek, deugdzaamheid, menslievendheid –
daarom kan ze geen beroep doen op onze hulp totdat ze zich verenigt
met metafysica. Omdat ze een koude classificatie van feiten buiten de
mens is, die voor en na hem bestaan, eindigt haar terrein van bruikbaarheid
voor ons bij de buitengrenzen van deze feiten; en wat de conclusies
en resultaten voor de mensheid misschien ook zijn op basis van het materiaal
dat door deze methode is verkregen, ze geeft daar weinig om. En daarom,
omdat onze invloedssfeer volledig buiten de hare ligt – zover
als de baan van Uranus buiten die van de aarde ligt – bedanken
we ervoor om door haar voortbrengselen te worden geradbraakt. . . .
Het geheel van de waarheden en mysteriën van het occultisme is
van het hoogste spirituele belang, en is voor de hele wereld zowel diepzinnig
als praktisch. Toch worden ze u niet aangeboden als een toevoeging aan
de wirwar van theorieën en speculaties, maar vanwege hun praktische
betekenis voor de belangen van de mensheid.
We zien in deze fragmenten een duidelijke schets van het standpunt
van de adepten ten opzichte van de moderne wetenschap, en een weergave
van de redenen waarom zij niet naar buiten treden met verbazingwekkende
verschijnselen om de wereld te overtuigen van hun bestaan. De reden
voor die weigering is dat de wereld er nog niet klaar voor is, maar
in zo’n conditie verkeert dat hun doelstelling zou worden gedwarsboomd
en schade het gevolg zou zijn. Hun houding ten opzichte van de moderne
wetenschap is dat ze de feiten van de wetenschap accepteren wanneer
deze de waarheden van het occultisme bevestigen, maar ze beschouwen
de moderne wetenschap als zeer materialistisch en vinden ook dat het
haar ontbreekt aan menslievendheid. We moeten erkennen dat dit het geval
is; en omdat de onderzoeker die ervaring heeft in deze zaken voor zichzelf
weet dat de adepten de waarheid en kennis van de natuurwetten bezitten,
zal hij hun weigering om naar de wetenschap af te dalen en hun eis dat
de wetenschap naar hen moet opklimmen, goedkeuren. Hij weet ook dat
in de loop van de cyclussen het overgrote deel van de mensen tot zo’n
niveau zal zijn opgeleid en ontwikkeld dat een nieuwe school –
zowel religieus als wetenschappelijk – zich meester zal maken
van de aarde en alle mensen die beschaving bezitten, zal leiden.
Vertaald uit The Path, augustus 1893
© Nederlandse vertaling 2007 Theosophical University
Press Agency
Inhoudsopgave artikelen William Quan Judge
Andere artikelen over
adepten/meesters