Het doden van dieren
W.Q. Judge
Een correspondent vraagt: Zou u zo vriendelijk willen zijn te verklaren
waarom u, als u denkt dat het verkeerd is om een waterwants te doden,
het slachten van grotere dieren voor consumptie wel zou toestaan?
Ik kan me niet herinneren dat ik heb gezegd dat het verkeerd was een
waterwants te doden: daarom kan er, wat mij betreft, daaruit geen conclusie
worden getrokken met betrekking tot het vraagstuk van het eten van dieren.
Wat goed is en wat verkeerd loopt in dit geval wat door elkaar. Als
iemand zegt dat het moreel verkeerd is om een waterwants te doden, volgt
hieruit dat het zelfs verkeerd is om te leven, omdat de lucht die we
inademen en het water dat we drinken, vele miljoenen diertjes bevatten
die wat hun bouw betreft veel ingewikkelder zijn dan wantsen. Hoewel
ze infusoria en animalculae worden genoemd, zijn het
toch evenals wantsen levende en bewegende wezens. We ademen ze in en
ogenblikkelijk zijn ze vernietigd, tot en met de laatste afgeslacht.
Moeten we daarom stoppen met leven? Het hele leven is een strijd, een
vernietiging en een compromis zolang we op dit stoffelijke gebied leven.
Als mensen moeten we in leven blijven, terwijl op onze vernietigende
weg elk uur miljoenen wezens worden gedood. Door te leven en ons brood
te verdienen voorkomt ieder van ons zelfs dat iemand anders hetzelfde
doet, die, als we dood zouden zijn, ons zou opvolgen. Maar als we de
strijd zouden opgeven – als we dat werkelijk zouden kunnen –
dan zouden de doeleinden van evolutie niet kunnen worden bereikt. Vandaar
dat we moeten blijven en elk karma verdragen dat voortvloeit uit de
noodzakelijke sterfgevallen die we veroorzaken.
Volgens mij is het juiste standpunt dat we in sommige omstandigheden,
in bepaalde evolutiestadia, andere wezens een hoeveelheid letsel moeten
toebrengen die we niet kunnen vermijden. Terwijl we zo leven moeten
we eten, sommigen vlees en anderen plantaardig voedsel. Geen van beide
groepen heeft geheel gelijk of ongelijk. Het wordt een misdaad als we
opzettelijk en zonder feitelijke noodzaak het leven van dieren of insecten
verwoesten. De man die is geboren in een gezin en generatie van vleeseters
en die het vlees van geslachte dieren eet, doet minder kwaad dan de
vrouw die, hoewel een vegetariër, de veren van geslachte vogels
in haar hoeden draagt, omdat het voor haar leven niet noodzakelijk was
dat ze zich de luxe permitteerde van zo’n verfraaiing. De fijnproever
die zijn gehemelte prikkelt met vele vleesschotels die niet nodig zijn
om zich te voeden bevindt zich in dezelfde positie als de vrouw die
veren draagt. Hetzelfde geldt voor schoenen, zadels, breidels, portefeuilles
en wat al niet dat van leer is gemaakt. Die worden allemaal gemaakt
van de huiden van geslachte dieren. Moeten ze worden afgeschaft? Doet
iemand er verkeerd aan om deze te gebruiken? Iedereen kan deze vraag
beantwoorden. Of als we dicht bij de noordpool leefden, dan zouden we
gedwongen zijn te leven van het vlees en vet van beren en wolven. De
mens leeft, evenals alle stoffelijke wezens, ten koste van sommige andere.
Zelfs onze dood wordt veroorzaakt doordat de ene groep microben wordt
verslagen en verslonden door de andere groep, die zich dan op hun beurt
tegen elkaar keren en elkaar opeten.
Maar de werkelijke mens is het geest-verstand, dat niets vernietigt
en onverwoestbaar is; en het koninkrijk der hemelen bestaat noch uit
vlees noch uit drank: het komt niet door te eten noch door zich eten
te ontzeggen – het komt uit zichzelf.
Vertaald uit The Path, maart 1892
© Nederlandse vertaling 2007 Theosophical University
Press Agency
Inhoudsopgave artikelen William Quan Judge
Andere
artikelen over sociale en maatschappelijke vraagstukken