Het materialiseren van geesten – enig bewijsmateriaal
uit het spiritisme
W.Q. Judge
Een onderzoek van de verslagen van de laatste veertig jaar van wat bekendstaat
als de spiritistische beweging, laat een vreemde toestand zien; het
laat zien dat die ongeorganiseerde groep mensen blind is voor de juiste
en logische conclusies die getrokken kunnen worden uit de enorme hoeveelheid
feiten waarover ze beschikken. Ze worden volledig meegesleept door de
genoegens van het zoeken naar wonderen en het jagen op geesten en wel
in die mate dat ze bijna allemaal alleen verlangen en zoeken naar wat
ze graag de geesten van de overledenen noemen. In een eerder artikel
in dit tijdschrift werd dit het ‘aanbidden van de doden’
genoemd, en dat is precies wat het is.
Het betreft niet de aanbidding van hen die gestorven zijn, zoals de
hindoes en andere oosterse volkeren doen in hun ceremoniën voor
de zielen van de voorvaderen, maar het betreft het najagen van wat in
praktisch alle opzichten werkelijk dood is – in feite lijken.
Deze mensen staan aan de rand van het graf en roepen de overledenen
aan, die nog steeds leven in andere toestanden en niet terugkeren; en
in antwoord op de oproep worden de zoekers beloond door spoken, demonen,
vampiers, ongevoelige zwevende gedaanten, nutteloze beelden en weerspiegelingen
van menselijke gedachten en handelingen waar het reusachtige reservoir
van het astrale licht vol van is. Dit is het enige wat ze aanbidden.
Het is het najagen van dode beelden, die ongevoelig zijn en geen geweten
hebben, alleen door kracht worden voortbewogen en uitsluitend worden
aangetrokken door onze passies en verlangens die ze een zwakke en vluchtige
vitaliteit geven.
En toch zijn er vanaf de vroegste tijden tot aan de dag van vandaag
tegen zulke praktijken krachtige en duidelijke waarschuwingen gegeven.
Het werd vroeger het oproepen van de doden genoemd, dat in zowel de
bijbel van de christenen als de heidense mysteriën is verboden.
Mozes, die door de Egyptenaren werd opgevoed, maande zijn volk om deze
dingen niet na te streven, en de hindoes, die werden gewaarschuwd door
eeuwen van ellende, spraken zich al langgeleden ertegen uit, zodat deze
zogenaamde ‘geesten’ tegenwoordig bij hen bekend zijn als
duivels. De literatuur van de Theosophical Society staat vol met deze
waarschuwingen, vanaf het eerste boek dat door H.P. Blavatsky werd uitgegeven
tot aan het huidige artikel. Maar de spiritisten en hun leiders, als
ze die al hebben, ontkennen niet alleen hardnekkig de ervaringen uit
het verleden maar ook de waarschuwingen die nu en dan worden gegeven
door hun eigen ‘geesten’. Want, zoals een bedachtzame theosoof
heel goed weet, staan mediums door hun passiviteit open voor elke denkbare
invloed waarmee ze te maken krijgen, en maken vaak informatie bekend
die levende mensen over deze onderwerpen bezitten.
Vele keren zijn geleerde levende occultisten de wereld van mediums
binnengegaan en hebben hen gedwongen de waarheid te vertellen, die soms
is vastgelegd en bewaard zodat die later nog kan worden onderzocht als
die wordt teruggevonden in de berg van hun geschiedenis zoals die is
afgedrukt in hun tijdschriften. Naar een deel daarvan wil ik verwijzen,
want geen spiritist kan met goed fatsoen zeggen dat het bewijs dat door
hun eigen mediums wordt gegeven en zogenaamd van het ‘land van
de geesten’ komt, niet betrouwbaar is. Indien zij enig getuigenis
van mediums van wie niet is aangetoond dat het oplichters zijn, verwerpen,
dan moeten ze alles verwerpen. Er is genoeg bekendgemaakt door hen die
zeggen dat ze door geesten worden beheerst om de zaak van de theosofen
hard te maken, of, om tenminste de beweringen van de spiritisten over
het zomerland en de terugkeer van geesten in twijfel te trekken.
Vanaf 13 oktober 1887 publiceerde de Religio-Philosophical Journal
een reeks interviews met een medium in Chicago waarin vragen werden
gesteld aan de overgegane door een verslaggever van die krant. De naam
van deze ‘overgegane’ was Jim Nolan, en het medium was mw.
M.J. Hollis-Billing. Ze was van een onbesproken reputatie, en ze is
nooit beschuldigd van leugens of bedrog. Het adres waar de interviews
werden gehouden was 24 Ogden Avenue.
De eerste vraag was of Nolan het proces van het materialiseren van
geesten begreep. Vanuit de ‘geestenwereld’ antwoordde hij
bevestigend en zei in essentie het volgende erover:
‘De elektrisch geladen deeltjes in een donkere kamer verkeren
in een toestand van rust; ze worden door ons verzameld en op elkaar
gelegd totdat we een elektrische vorm hebben gecreëerd (nog steeds
onzichtbaar). We nemen dan het magnetisme van het medium of van de aanwezigen
in de kring en bekleden dat met deze elektrische vorm. Daarna gebruikt
de ‘geest’ die vorm en gaat deze binnen.’
Vanuit het gezichtspunt van de geesten bewijst dit natuurlijk dat geen
enkele gematerialiseerde vorm de vorm van welke geest dan ook is, want
we kunnen er zeker van zijn dat elektrisch geladen en magnetische deeltjes
niet geestelijk zijn. Nolan vervolgt zijn betoog:
‘Een andere manier gaat zo: We verzamelen de deeltjes die ik
eerder heb genoemd, en terwijl ik het astrale licht inga, weerspiegelen
we het gezicht van een of andere geest daarop en zo wordt het weerspiegelde
beeld van een geest zichtbaar. Of we verzamelen deze deeltjes op een
vel papier of een plat oppervlak, nemen de scheikundige stoffen uit
de atmosfeer om ze daarmee te bekleden, en weerspiegelen (op verzoek
van een van de aanwezigen) op dit oppervlak een gezicht, en dan ziet
u de gelaatstrekken van de overledene of van een ander persoon.’
Onvermijdelijk volgt hieruit dat er geen werkelijk gezicht van een
geest wordt gezien, en omdat de beelden uit het astrale licht worden
gehaald is de hele voorstelling vol misleiding. Op verzoek van de aanwezige
vindt de ‘geest’ die actief is, in het astrale licht elk
gewenst gezicht en volgt dan de procedure om het te weerspiegelen op
een geprepareerd oppervlak. Dit alles wat door Jim Nolan is gezegd is
erg wetenschappelijk, veel wetenschappelijker dan de grote hoeveelheid
onzin die gewoonlijk van ‘geesten’ wordt vernomen, en toch
is het onopgemerkt gebleven omdat het de doodsteek vanuit het eigen
kamp betekent voor de claims van de spiritisten dat de doden terugkeren
of dat geesten zich kunnen materialiseren. Hierdoor krijgt men het vreselijke
vermoeden dat ze niet weten, nooit kunnen weten, wie of wat er spreekt
en zich vertoont op hun seances en schuil gaat achter de vormen die
de materialisaties van geesten zouden zijn. Dit opent onmiddellijk de
deur naar de mogelijkheid dat de theorie van de theosofen juist is,
dat deze geesten alleen maar lege omhulsels van overleden mensen zijn
en dat er niets van hen kan worden vernomen behalve wat op aarde kan
worden gevonden en in de aardse levens en gedachten van levende mensen.
Maar de tweede vraag ging over de identiteit van ‘geesten’
onder de vele gematerialiseerde vormen, en het antwoord was:
‘Het komt in gevallen van materialisatie zelden voor dat er meer
dan twee of drie vormen worden gebruikt voor het totale aantal sprekende
geesten. Wat voor zin zou het hebben om huis na huis te bouwen voor
iedereen die daar naar binnen wil gaan voor een of ander speciaal doel?’
Wat voor zin heeft het als het niet was om te bewijzen dat geesten werkelijk
terugkomen op de manier zoals dat volgens de spiritisten gebeurt? Maar
wat hij zegt ondermijnt de identiteit van elke materialisatie. Als twee
vormen door vijf of meer geesten zijn gebruikt om zich te tonen, volgt
daaruit natuurlijk dat geen van hen zich echt heeft laten zien; maar
dat een of andere kracht of intelligentie buiten de kring of binnenin
het medium heeft gesproken omdat deze toegang heeft tot het astrale
licht waar alle afbeeldingen en alle vormen voor eeuwig liggen opgeslagen.
Nolan: ‘De getoonde gematerialiseerde vorm heeft nooit
tot het fysieke deel van die geest behoord. Het bestaat uit scheikundige,
elektrisch geladen en magnetische deeltjes of elementen uit de atmosfeer.’
Tijdens de seance op 27 oktober van datzelfde jaar zei hij:
‘Het astrale licht waarover de mensen in de oudheid spraken is
wat we magnetisch licht noemen. Alle handelingen van het leven worden
in het astrale licht van elk individu gefotografeerd; het astrale
licht houdt al die bijzondere dingen vast die u van dag tot dag overkomen.’
En op 12 januari zegt dezelfde ‘geest’ in antwoord op de
zesde vraag: ‘We verzamelen deze elektrisch geladen deeltjes en
vormen daarmee als het ware een huis, dat we binnengaan; ze zijn evenmin
een deel van de geest als de stoel waarop u zit.’
Niets kan duidelijker zijn dan dit. Door de woorden van de ‘geest’
die nog nooit ervan is beschuldigd niet de waarheid te spreken wordt
aangetoond dat het astrale licht bestaat, dat het alle beelden van onze
handelingen en van onszelf bevat en dat deze beelden vanuit die andere
kant worden weerspiegeld naar deze kant, en dat ze door de geestenjager
ten onrechte worden opgevat als de gezichten, de lichamen, de handelingen,
de woorden van hen die zijn vertrokken op hun grote reis. Zoals we altijd
al hebben beweerd, bewijzen al deze seances en deze materialisaties
alleen het bestaan, de krachten en de werkingen van het astrale licht.
Omdat de bezoekers van seances niet achter de schermen komen, kunnen
ze niet zeggen wie of wat de vertoonde verschijnselen veroorzaakt. Het
zou een goede geest of een duivel kunnen zijn; heel waarschijnlijk de
laatste. En daarom heeft de grote Rooms-Katholieke Kerk altijd erop
aangedrongen dat haar leden deze ‘geesten’ niet moeten najagen,
omdat zij ze als duivels beschouwt en beweert dat de gevallen engelen
verantwoordelijk zijn voor al deze vermogens en krachten.
Het komt zelden voor, misschien minder dan een keer in een eeuw van
materialisaties, dat een geest zoals die met de naam Jim Nolan zo dom
zou zijn om juiste informatie bekend te maken, zoals hij in de besproken
zittingen heeft gedaan; want het is de aard en de gewoonte van de elementalen
die tijdens de meeste van deze seances actief zijn om te misleiden en
te blijven misleiden. Om een stap verder te gaan zeg ik dat het in het
geval van Jim Nolan geen ‘geest’ van een dode man was en
geen elementaal die sprak en handelde, maar de geest, ziel en intelligentie
van een levende man die ervoor koos om die naam Nolan te gebruiken,
die evengoed is als elke andere naam, om ervoor te zorgen dat het bewijs
zou worden vastgelegd ten bate van de spiritisten in hun eigen kamp
en voor hun eigen bijzondere onderzoek naar de waarheid van de zaak,
als tegenwicht tegen al het materiaal dat door de elementalen werd verzameld
uit het brein en de verwarde gedachten van zowel mediums als bezoekers.
Dit bewijsmateriaal kan niet worden uitgewist, hoewel het tot dusver
onopgemerkt blijft. Het moet standhouden met al het andere. Maar terwijl
de rest zal verdwijnen omdat het niet overeenstemt met wat het verstand
zegt, zal dit blijven bestaan omdat het, tot op zekere hoogte, de waarheid
is.
Vertaald uit The Path, juli 1891
© Nederlandse vertaling 2007 Theosophical University
Press Agency
Inhoudsopgave artikelen William Quan Judge
Andere artikelen
over occultisme