De zevenvoudige zeven beginselen
Een van de prachtige theosofische leringen is dat werelden, evenals mensen, sterven en in het onzichtbare verdwijnen. Na een rustperiode komen ze weer tevoorschijn en manifesteren zich in de zichtbare sferen: verschijnen en verdwijnen, de ritmische slingerbeweging van het kloppende hart van de eeuwigheid. Werelden – manvantara; rust – pralaya. Dan verschijnen dezelfde werelden opnieuw, doorlopen hun stadia, sterven en gaan de onbekende ruimten van de ruimte in, evenals een mens die als baby wordt geboren, zijn leven leeft, zijn karmische bestemming volgt, sterft, van de aarde verdwijnt en weer terugkeert.
Waar ik nu de aandacht op wil vestigen, geldt zowel voor een melkwegstelsel, een zonnestelsel, een planeet in een zonnestelsel, een mens en ook voor een dier of een plant: voor ieder wezen. Laten we ons de kosmische ruimte voorstellen wanneer alle werelden, zonnestelsels, sterrenhopen en wat al niet zijn weggevaagd tijdens pralaya of de periode van de dood van ons melkwegstelsel. Er blijft niets anders over dan wat de wetenschap lege ruimte noemt. Het is letterlijk het laagste gebied van de geest, maar voor ons, voor onze ogen, voor wetenschappelijke instrumenten, is het lege ruimte, omdat we geen enkel stralend hemellichaam kunnen zien. Moeder natuur heeft zeven eeuwigheden in volmaakte vrede geslapen. Er is niets om waar te nemen.
Let nu op: de tijd komt dat een melkwegstelsel of een zonnestelsel zich na deze mahākalpa of grote wereldperiode gaat manifesteren. Ergens verschijnt eerst een brandpunt van leven; laten we dat de monade noemen. Het verschijnt niet op stoffelijk gebied. Het ontwaakt uit zijn lange paranirvāna en komt tot manifestatie in de onzichtbare diepten, de innerlijke werelden van de kosmische ruimte. Het omgeeft zich met een nevel. In het Sanskriet wordt die nevel een pradhāna genoemd – vergeet niet dat we nu over monaden spreken en niet over hemellichamen – en de monade wordt brahman genoemd. In het geval van een mens zou de monade ātman worden genoemd en het nevelige voertuig eromheen, dat niet zozeer een nevel is als wel een sluier van levende materie, wordt buddhi genoemd. Maar in beide gevallen verloopt de hele geboorte van het wezen op dezelfde manier: elk deel of element ontrolt zich uit het element direct erboven, tot het volledige zevenvoudige wezen is ontstaan. De natuur volgt één wet. Ze kan niet verschillende wetten hebben die met elkaar in strijd zijn en elkaar tegenwerken.
Het volgende diagram geeft aan hoe het zevenvoudige wezen zich vanuit het hoogste, uit zuivere geest, ontvouwt. In het geval van een heelal of een mens ontstaan de zes andere beginselen uit het eerste, en hangen als juwelen aan het eerste. Met andere woorden, uit het goddelijke, uit geest, wordt alles geboren wat is, in een melkwegstelsel, in een zonnestelsel, in een planeet, in een mens.

De dood is, algemeen gesproken, het omgekeerde proces en dit geldt zowel in het groot als in het klein. Wat zich op de laagste sport of op het laagste gebied bevond, wordt in het naastgelegen hogere opgetrokken. Het verdwijnt. Wat in de laagste twee was, wordt in het volgende opgetrokken en verdwijnt tenslotte. Wat in deze laagste drie was wordt tenslotte opgetrokken in het vierde en verdwijnt op zijn beurt. De laagste vier worden tenslotte in het vijfde opgetrokken en verdwijnen op hun beurt. Hetzelfde proces voltrekt zich met het zesde tot alleen de zuivere monade overblijft.
De volledige mens die zich op deze aarde manifesteert, komt dus uiteindelijk uit de monade. Uit ātman, de fundamentele eeuwigdurende monade, als het ware eeuwig een druppel van het oneindige, wordt zijn voertuig buddhi geboren; hoewel buddhi een voertuig is, is ze toch zelfbewuste levende materie, bewust levende substantie. Ze is geeststof, zoals ātman de essentie van geest is. Dan ontstaat uit deze twee wat we manas noemen, het denken, de intellectuele kracht, de oorsprong van mentale activiteit. Uit deze drie wordt kāma geboren, het beginsel dat ons aanzet tot handelen, de drang dingen te doen, gewoonlijk begeerte genoemd; het kan zowel een heel heilig en mooi aspect hebben als een laag. Ieder mens weet dat. Hij heeft in zijn hart verlangens die subliem, goddelijk kunnen zijn; en begeerten die soms nog lager zijn dan wat dieren te zien geven. Dan komen de prāna’s (let op het meervoud), de levenskracht, die voortkomt uit de vier daarboven. Uit al deze ontstaat het patroon voor het stoffelijk lichaam, het astrale lichaam, gewoonlijk het modellichaam genoemd, en volgens dit model wordt het grofstoffelijk lichaam gebouwd; het astrale lichaam brengt het stoffelijk lichaam voort.
We herhalen: uit ātman wordt zijn kind buddhi geboren. Uit ātman en buddhi wordt hun kind manas geboren: Vader, Heilige Geest, Zoon. Uit ātman, buddhi en manas tezamen, vaak de reļncarnerende monade genoemd, ontstaat uit hun wisselwerking in de gemanifesteerde wereld het begeertebeginsel, de drang om te zijn, te handelen en te worden. Uit deze vier komt van binnenuit de levenskracht. Daaruit ontstaat weer het astrale modellichaam en uit al deze ontstaat het laatste kind, de weerspiegeling op aarde van de godheid, van ātman; dit is de stoffelijke monade die een belichaamde god zou moeten en zou kunnen zijn; want ze heeft het in zich.
Het volgende diagram laat dit zien, en is van nut om dit en andere aspecten van de menselijke natuur duidelijk te maken. Maar als u het een poosje heeft bestudeerd, vorm dan in uw geest geen beeld van wat u heeft gezien, denk niet dat de beginselen van de mens boven elkaar liggen, als een trap of een stapel boeken. In feite doordringen ze elkaar volkomen, zodat sthūlasarīra, zoals in het christelijke Nieuwe Testament staat, inderdaad de tempel is van de levende God of zou moeten zijn. De christenen hebben een prachtig verhaal over de avatāra Jezus, die de tempel ingaat en de geldwisselaars er met een zweep uit verdrijft omdat ze het gebruik van de tempel onteerden. De geldwisselaars zijn onze slechte gedachten en emoties en onze lage hartstochten; de aanwezigheid van de Christus, de buddhi, verdrijft ze.


Alle beginselen doordringen elkaar. Ik heb geprobeerd dit ook in het diagram te laten zien en ook de neergang van kracht en vermogen die van boven naar beneden afnemen. U ziet dus waarom zelfs de stoffelijke mens van vlees niet alleen wordt geholpen omdat hij als het ware een weerspiegeling, een straal van ātman in zijn hart heeft, maar deze stoffelijke mens kan zijn beginselen, omdat die elkaar doordringen, ook beļnvloeden door als het ware de ladder te beklimmen. U weet dat we ons karakter door onze gedachten en gevoelens kunnen beļnvloeden; door eraan toe te geven of ze de baas te worden; door te besluiten een leven te leiden dat groots is, of het tegengestelde. We beļnvloeden daardoor ons hele karakter en beļnvloeden dus ons lot. Als we, als het ware, in omgekeerde richting langs deze wegen gaan, wordt dit vastgelegd en klimmen we regelrecht omhoog naar het geestelijke hart.
Ik heb geprobeerd in dit diagram nog iets anders te laten zien. Elk van de zeven beginselen van de mens is zelf zevenvoudig. Waarom? Omdat de natuurwetten zo werken dat wat ze op één plaats doen, ze overal doen. De natuur vormt één geheel, ze heeft één ziel en die ziel werkt overal op dezelfde manier. Daarom heeft het buddhibeginsel in de mens zeven subbuddhi’s. De hoogste is een weerspiegeling van ātman. Als we dus de tweede kolom in het diagram volgen, aangeduid met buddhi, krijgen we eerst ātman-buddhi; dan komt de karakteristieke van dit gebied, buddhi-buddhi; dan manas-buddhi, kāma-buddhi, prāna-buddhi en lingasarīra-buddhi; en de laagste in die kolom is sthūlasarīra-buddhi, die voor ons toch praktisch zuivere geest is.
Hier wil ik op iets belangrijks wijzen. Neem kāma, het beginsel dat we gewoonlijk het begeertebeginsel noemen. Nu is er, in overeenstemming met wat ik eerder zei, een ātman-kāma, een buddhi-kāma, een manas-kāma, een kāma-kāma, wat de bij uitstek gespecialiseerde kleur of eigenschap of het karakteristieke van dat gebied is; dan prāna-kāma en zo verder langs de schaal omlaag. Wat betekent dat? Het betekent dat zelfs het begeertebeginsel zijn ātman heeft. U herinnert zich misschien in de oude hindoegeschriften, de Veda, te hebben gelezen: ‘Begeerte ontstond het eerst in de boezem van het’, waar sprake is van de universele kosmische begeerte om te zijn, zich te manifesteren. Wat voor soort begeerte is dat? Het is ātman-kāma.
Een ander punt is dit: Juist omdat ātman zevenvoudig is, kan hij zich in de zevenvoudige constitutie van de mens ontplooien. Ātman, die buddhi in zich heeft, werpt een weerspiegeling van zijn buddhi omlaag en die wordt de voornaamste buddhi. Van ātman en buddhi werpt buddhi, die manas in zich heeft, een weerspiegeling van zijn manas omlaag, overstraald door ātman en die wordt het eigenlijke manas. Manas dat een kāma-manas of liever manas-kāma in zich heeft, werpt op zijn beurt een weerspiegeling omlaag, overstraald door de ātman van buddhi erboven en dan krijgen we de eigenlijke kāma. Op dezelfde manier komt prāna voort uit kāma. Prāna is ook zevenvoudig. Zoals zich in het lichaam van de mens het leven van elke cel bevindt, de cellen van zijn hersenen en de cellen van zijn beenderen en van zijn bloed, die alle één leven opbouwen dat het hele lichaam doordringt, zo is er het leven dat de hele constitutie van de mens doordringt. Er is in hem het leven dat liefde stimuleert. Er is in hem het leven dat toewijding, de begeerte of het hevige verlangen om te helpen opwekt. Er is in hem het leven dat het kāmabeginsel of begeertebeginsel naar lagere zaken bezit, het laagste deel van kāma. Die zijn alle in de mens en doordringen elkaar.
U ziet nu hoe ātman zich kan openvouwen of uitrollen als een perkamentrol en een wereld, een melkwegstelsel, zonnestelsel, planeet of een mens kan voortbrengen. Dat is het beeld dat de christenen gaven, met een gezegde ontleend aan het heilige der heiligen, toen ze verklaarden dat aan het einde van het manvantara de hemelen worden opgerold als een boekrol. Wat wil dat zeggen? Het betekent dat het lichaam het eerst sterft en verdwijnt; zijn samenstellende atomen vallen uiteen in hun elektronen en protonen en wat al niet. Wat omhoog kan worden gevoerd, wordt naar lingasarīra opgetrokken. (In het heelal zou dat het astrale licht zijn.) Dit wordt dan het volgende dat sterft of tot ontbinding overgaat; en het beste wat erin is wordt samen met het beste uit het eronder gelegen beginsel, omhooggebracht naar het eerstvolgende hogere beginsel. De rol rolt zich langzaam op; ieder beginsel verdwijnt op zijn beurt en wordt in het volgende hogere opgenomen, tot tenslotte alleen de laatste drie of laatste twee over zijn, afhankelijk van het soort pralaya.
Als de mens sterft, verdwijnen de laagste vier beginselen; ze ontbinden, vallen uiteen in hun samenstellende levensatomen; maar alles wat het beste in hem was wordt door ātman en buddhi naar manas opgetrokken. Van zevenvoudig is de mens een drievoudig wezen, een triade, geworden. Dit gebeurt als wij mensen sterven. Maar wat vindt er plaats als het voor een planeet tijd is om te sterven, bijvoorbeeld die waarop we nu leven? Haar eigen manvantara of periode van manifestatie eindigt en haar pralaya of rustperiode breekt aan. Wat er dan van de mens overblijft zijn alleen de hoogste twee beginselen; wat in manas en in alle vier lagere beginselen was, zal naar buddhi worden opgetrokken.
Wat gebeurt er als het zonnestelsel verdwijnt, als zijn beurt komt om te sterven en in pralaya te gaan? Wat blijft er dan over van het zonnestelsel of van een mens die zich daarin bevindt? Alleen de zuivere monade, zuivere geest; al het overige is opgerold als een boekrol en verzameld in ātman.
We keren nu terug naar wat ik het eerst heb gezegd: een melkwegstelsel, een zonnestelsel, een planeet, een mens, alle volgen hetzelfde patroon. Laten we een melkweg bekijken. Het brahman of de paramaātman van een zonnestelsel of een melkwegstelsel dat is verdwenen omdat het alles, wat zich in de afgelopen periode van manifestatie daaronder bevond, heeft opgerold als een boekrol, bevat alle karmische zaden in zich van die afgelopen periode van manifestatie: alle zaden, de neerslag van gedachten, de geestelijke energieėn in hun nirvāna, de boezem van ātman. Dan breekt de tijd voor manifestatie weer aan. Er verschijnt een punt in de belichaamde ruimte – de innerlijke werelden van de ‘lege’ ruimte, wel te verstaan. Wat uit paramātman te voorschijn komt bij het ontrollen van het nieuwe manvantara wordt in het Sanskriet mahābuddhi genoemd, die de verborgen dingen bevat die in het verleden zijn geweest en nu als zaden rusten, om de toekomstige werelden voort te brengen. Ze beginnen zich uit te rollen en worden de mahābhūta’s of grote kosmische elementen. Is dit niet precies hetzelfde als wat met de mens gebeurt na zijn devachan? Na zijn dood en een periode van rust in devachan begint de monade in de boezem van ātman zich langzaam te ontvouwen. Ze is als een zich openende rol die laat zien wat karma op die rol heeft geschreven en naar buiten brengt wat de mens in zich heeft. Terwijl hij devachan verlaat en afdaalt om zich te belichamen, begint hij zichzelf te reproduceren. Hij ontrolt zich tot een zevenvoudige constitutie en als dat proces het lingasarīra heeft bereikt, heeft de conceptie van het kind plaatsgehad. Als het kind wordt geboren, zien we het sthūlasarīra; dan is er een mens met zeven beginselen.
Wedergeboorte betekent: het uit een latente toestand tot activiteit komen van wat was opgeslagen in de hogere beginselen, toen na het vorige leven het sterven plaatsvond. Bij de dood verdwijnen deze tijdelijke lagere dingen en stijgt al wat het beste en edelste daarin was op naar een toestand van sluimer, of slaap of vredige droom, in de drieėnige monade. Wedergeboorte is, zoals gezegd, het omgekeerde proces, het ontvouwen, waarbij de drie tot zeven worden. Bij de dood worden de zeven weer de drie.