![]() | ![]() |
![]() |
| De beginselen in de constitutie van een boeddha
Ik wil eerst enkele opmerkingen maken over
de beginselen in de constitutie van een boeddha. Ik vraag me af of u werkelijk
begrijpt in wat voor toestand de beginselen van een mânushyaboeddha verkeren.
Wij mensen zijn nu in de vierde ronde en in het vijfde wortelras daarvan;
dat wil zeggen dat we vanuit een psychologisch standpunt actief functioneren
in de kâma-mânasische delen van onze constitutie. Zodra we hebben geleerd
in de mânasische delen te functioneren, zijn we vijfderonders; of, als
we aan de meerderheid van de mensheid denken, beginnen we aan de vijfde
ronde. Zo is het ook als ons zelfbewustzijn gaat functioneren in de buddhi
in ons: dan zijn we boeddha’s. Dat gebeurt pas in de zesde ronde. Hoewel
Gautama de Boeddha in deze vierde ronde leefde, was hij al zover geëvolueerd
dat hij in zijn zesde beginsel of zijn buddhi leefde en zelfbewust was;
daarom werd hij een zesderonder of een mânushya, menselijke, boeddha genoemd.
Maar we moeten hierop letten: wanneer een wezen zoals een mens in zijn
evolutiestadium van deze vierde ronde erin slaagt in buddhi in hem te
leven, is hij nirvâna ingegaan. Nirvâna heeft verschillende niveaus of
graden, evenals devachan of kâmaloka of het aardse leven. Maar wanneer
een mens heeft geleerd in de buddhi van zijn constitutie te functioneren
en te leven, is hij een boeddha en zijn zijn hogere beginselen de volmaakte
rust en vrede ingegaan – nirvâna.
Maar wat gebeurt er met de lagere delen van zijn constitutie?
Ze bestaan nog steeds, want hij is, ex hypothesi, nog altijd een
mens; ze zijn er nog en leven voort omdat deze lagere delen van zijn constitutie
uit monaden bestaan, evenals de hogere delen. Deze lagere monaden van
de constitutie van de boeddha zijn lerende, groeiende, evoluerende entiteiten
of wezens. Als dus in het geval van een boeddha de hogere delen nirvâna
zijn ingegaan, dat wil zeggen het hemelse boeddhaschap hebben bereikt,
dan leven de buddhi-mânasische delen, de bodhisattva in de boeddha, nog
steeds; zodra de boeddha zijn stoffelijk lichaam aflegt, of de bodhisattva
in hem zijn stoffelijk lichaam aflegt en lichamelijk sterft, dan leeft
voor die geboorte de bodhisattva verder als een nirmânakâya; dit bodhisattvadeel
van de boeddha, van wie de hoogste beginselen in nirvâna zijn, verschaft
het psychische apparaat dat nodig is voor het belichamen van de goddelijke
straal vanuit de godheid en het voortbrengen van een avatâra; dit gebeurde
in het geval van Jezus of Sankarâchârya of Lao-Tse en anderen.
Bedenk ook dat avatâra’s geen karma uit het verleden en
geen toekomstig karma hebben; want zij kunnen niet opnieuw leven. Ze leefden
nooit eerder omdat ze het product van magie zijn – een zelfbewust levend
samenstel, voortgebracht door het samenvloeien of samengaan van drie verschillende
bewustzijnsstromen: de goddelijke straal van boven, het psychische gestel
van de boeddha en de bijeengebrachte lagere elementen die bij een gewone
gang van zaken een stoffelijke mens zouden hebben voortgebracht – misschien
van het gemiddelde type, misschien iets hoger.
Iemand is dus een boeddha wanneer zijn hoogste delen in
nirvâna zijn en de hogere tussenliggende of de hoogste menselijke delen
van hem buddhi-mânasisch zijn; dit gedeelte leeft voort als leraar, als
een bodhisattva-nirmânakâya, als verlosser van de mensen. Verder is er
het stoffelijk lichaam met zijn vitaal-astraal gestel dat tenslotte sterft.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 69-70 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |