De neergaande boog en de opgaande boog
Er zijn mij twee vragen gesteld die ik nu wil beantwoorden. De eerste is: als we afdalen langs de schaduwboog geraken we in de stof; onze mooie geestelijke vleugels worden gekortwiekt. Als we omhooggaan uit de stof langs de opgaande boog, worden onze vleugels weer sterk; we vliegen als het ware de ether in. De neergaande boog werkt verdichtend; de opgaande boog heeft een tegenovergestelde werking, maakt etherischer. Wil dat zeggen dat we bij het afdalen langs de neergaande boog dingen doen – en door de ons omringende krachten bijna gedwongen worden te doen – die we op de opgaande boog slecht of verdorven zouden noemen? Met andere woorden, is zelfzucht op de neergaande boog iets waar de natuur om vraagt, of niet?
De andere vraag is: Wat is het in de mens dat hem doet zondigen, de oorzaak van wat wij mensen kwaad doen of zelfzucht noemen?
Op de eerste vraag antwoord ik dat volgens mij De Stem van de Stilte dit alles prachtig samenvat: Werk met de natuur mee; dat betekent met de stroom van de evolutie, in welke richting die ook vloeit, wat wil zeggen de wil en de energie van de goden; de natuur zal zich dan voor u buigen en u meester noemen. Zodra we proberen tegen de stroom in te zwemmen, in adversum flumen, stellen we ons tegenover de stroom van de zich ontvouwende of zich invouwende evolutionaire vooruitgang van de natuur; we gaan dan tegen haar zogenaamde ‘wetten’ in, d.w.z. tegen haar wil; daardoor worden we tovenaars. Ik geloof dat dit alles is samengevat in het citaat uit De Stem van de Stilte: Werk met de natuur mee, doe wat de natuur wil en ze zal zich voor u neerbuigen.
Voor we deze gedachte laten rusten, vraag ik u dit niet verkeerd op te vatten. Als een theosoof en vooral een esotericus over de ‘natuur’ spreekt, bedoelt hij niet alleen de stoffelijke of de astrale natuur. Hij denkt dan niet zozeer aan de lagere delen van de enorme menigten levens die het heelal vormen; hij bedoelt die wel, maar zijn aandacht is vooral gericht op de kosmische logos, de goddelijke kosmische gids en het onpersoonlijk geworden geestelijke licht van de wereld. Hoewel ons lichaam en de lagere delen, door samen te werken met de natuur, bijdragen aan het verdichten en vast worden, betekent ‘met de natuur meewerken’, zelfs op de neergaande boog, een nog vollediger volgen van en zich vereenzelvigen met de onpersoonlijke, volslagen onzelfzuchtige wetten van de kosmische harmonie. Daarom zijn zelfzucht en egoïsme, zelfs op de neergaande boog, even verkeerd als wanneer ze nu in praktijk worden gebracht, nu we de opgaande boog beginnen te beklimmen.
Nu de tweede vraag. Wat is het in de mens dat hem doet zondigen? Welk deel van de mens zondigt? Is dat zijn lichaam? Kennelijk niet, want zijn lichaam is maar een slaaf, een werktuig voor het inwonende denken. Een dood lichaam zondigt dus niet, stokken en stenen zondigen niet. Is het de geest van de mens? Duidelijk niet, want die is ex hypothesi vlekkeloos en zonder zonden, en heeft de essentie van het goddelijke. Evenmin is het het lingasarîra en ook zijn het niet de levenskrachten, want die zijn niets anders dan door de wil aangedreven levensstromen, geleid door de ziel. Dan zegt u misschien dat de mens door kâma zondigt – door zijn begeerten en hartstochten. Is dat zo? Ik zeg u: nee. Wat in de mens zondigt is zijn verstand. Zonde zit in de keuze, in daden. Het gaat om het pad van de rechterhand of van de linker. De zonde of het kwaad doen hangt af van de keuze.
Neem een kind; vóór een kind heeft geleerd onderscheid te maken tussen goed en kwaad zondigt het niet, wat het ook doet; het is verstandelijk onbewust en onwetend. Een dier zondigt niet; het heeft niet het vermogen van de mens om te kiezen. Het vermogen om te kiezen ontwikkelt zich langzaam omdat de mânasische kracht ook langzaam tot werkzaamheid komt; het vermogen om te kiezen van een dier is gering, vergeleken met de keuzemogelijkheid van de mens. Daarom zeggen we dat het dier niet kan zondigen. De mens zondigt omdat hij verkeerd kiest, omdat hij verkiest zijn innerlijke vermogens te misbruiken.
De wezens die langs de schaduwboog afdaalden zondigden niet voor ze het denkvermogen verkregen. Het denkvermogen bracht inzicht en inzicht betekende keuze. Toen ze konden zien, konden ze kiezen. In een nacht die volkomen duister is en waarin men de splitsing van de weg niet ziet, kiest men niet omdat er niets te kiezen valt. Maar als het licht wordt en men ziet dat de weg zich naar rechts en naar links splitst, doet men een keuze. Dat is de gedachte.
Zonde betekent een verkeerde keuze; zonde betekent misbruik van het denken; daarin ligt precies de oorzaak dat het vierde wortelras ten onder ging. De verschrikkelijke gevolgen, of de enorme kracht die door verkeerde keuzen was opgewekt, werden teweeggebracht omdat het het vierde wortelras was waarin kâma het sterkst was ontwikkeld of geëvolueerd. Het kwaad zat in de verkeerde keuze en het verkeerde gebruik van het denkvermogen. De mens zondigde in zijn verstand, in zijn verbeeldingskracht, in zijn denken, in zijn keuzen. Er bestaat een oud Latijns spreekwoord dat van oudsher door christenen is aanvaard: Ubi voluntas est, peccatum est; ubi voluntas non est, peccatum abest. Waar de wil is (d.w.z. keuze), is zonde; waar geen wil is (d.w.z. geen keuze), is geen zonde. Een volslagen krankzinnige zondigt niet, wat hij ook doet, want de keuze ontbreekt.
Zelfzucht ontstaat dus door in ons leven de verkeerde wegen te kiezen en door ons denkvermogen daarvoor te gebruiken. Misbruik van onze vermogens, daarin ligt de zonde.
Zodra de zonen van het denkvermogen op de neergaande boog het licht in de onbewuste ‘mensen’ van die tijd ontstaken, konden deze mensen zondigen, en begonnen te zondigen. Omdat ze echter nog betrekkelijk etherisch en ongeëvolueerd waren, waren hun keuzen zwak, weifelend, en bezat kâma niet veel kracht; hun wilskracht was nog niet helemaal ontwikkeld vóór het vierde wortelras tot volle bloei kwam en het denken krachtig kon kiezen en handelen. Daarom zal in de vijfde ronde de grote tijd van keuze aanbreken, als het denkvermogen volledig is ontwikkeld; in die toekomstige vijfde ronde zullen diegenen naar het rechterpad gaan die het boeddhaschap zullen bereiken aan het einde van het kosmische manvantara of ketenmanvantara; naar de linkerzijde gaan diegenen die niet ‘slagen’.
Het is nu de tijd, begin nu. Ik zeg u dat u al uw latente en verzamelde geestelijke kracht nodig zult hebben. Denk niet: ‘O, deze ene keer kan het nog wel ongestraft; dit is de laatste keer.’ Pak uzelf aan. Uw daad is goed of slecht afhankelijk van uw keuze. Ik hoop zo dat u dat begrijpt. Ik wilde dit naar voren brengen omdat u in de komende jaren zult ontdekken hoe geweldig belangrijk het is; belangrijk om aan te denken in uw gesprekken met anderen; belangrijk om aan te denken en in uw eigen leven toe te passen. Wees nooit bang om te kiezen, al is de hele wereld tegen u, en voelt u dat u gelijk heeft – houd stand; maar aarzel niet te veranderen, al is de hele wereld tegen uw verandering en voelt u dat de verandering juist is – verander dan, en uw handelen zal vol deugd en zonder zonde zijn. Zien en kiezen naar uw beste inzicht en uw hoogste ethische instinct is iets dat altijd nodig is.