![]() | ![]() |
![]() |
| De eucharistie
Het sacrament van de eucharistie was aanvankelijk
een leer van het oorspronkelijke christendom die aangaf hoe de ziel van
de mens geestelijke eenheid kon bereiken met de innerlijke Christus –
als het ware een straal van de kosmische Christus – waardoor, als deze
vereniging of yoga volledig was, de mens een godmens werd.
Andere religies spreken over de innerlijke boeddha, en
de kosmische boeddha, waarmee men niet Gautama, de hindoeleraar bedoelde,
maar een kosmische boeddha van wie Gautama een straal was, zoals Jezus
de avatâra een straal was van wat de christenen de kosmische Christus
noemen.
Deze mooie en werkelijk heilige christelijke leer hoe
deze yoga of eenwording kon worden bereikt, ging na korte tijd, tengevolge
van een aantal samenvallende oorzaken, in de christelijke kerk verloren
en werd vervangen door een ceremonie. Met andere woorden, men stelde een
ceremonie of rite in de plaats van de occulte esoterische leer die, behalve
door heel weinigen, was vergeten. Die weinigen probeerden het totaal verloren
gaan van het wonder uit de boezem van de christelijke kerk en het christelijke
denken als het ware tegen te houden of te beperken. Velen van hen waren
van oorsprong heidenen die tot de nieuwe theosofische beweging, want dat
was het vroegste christendom, werden aangetrokken, omdat ze aanvoelden
dat die een nieuwe impuls van geestelijke kracht betekende; ze ontleenden
de eucharistie aan de ceremoniën van de mysteriën van Dionysus. De dionysiën,
de dionysische mysteriën, kenden een communie waarin de priesters en de
gemeente samen dronken van het bloed en aten van het vlees van hun godheid
Dionysius. Het bloed was wijn, het vlees was graan, brood zo u wilt, of
tarwe.
De christenen namen dit over omdat zij iets begrepen van
de innerlijke betekenis van dit dionysische symbool, en dat is de oorsprong
van wat de christenen zelfs nu nog het heiligste mysterie in de christelijke
kerk noemen – wat het oorspronkelijk ook was; ze zetten een traditie voort,
maar vergaten de oorspronkelijke waarheden ervan.
Zelfs nu nog kunnen we zeggen dat de heiligste leer die
we als theosofen hebben, ons heiligste mysterie of ons meest occulte streven,
is zo te leven en te denken en te studeren en getraind te worden dat de
individuele mens één wordt met het goddelijke. We bevinden ons op de opgaande
boog, zodat we deze eenwording nu tot stand kunnen brengen – sommigen
meer dan anderen. Als de eenwording volledig is, is er sprake van een
boeddha of een christus. Als de eenwording minder volledig is, spreken
we van een mahâtma of een van de hoogste chela’s. Is de eenwording nog
onvollediger dan gaat het over enkele groten uit de geschiedenis van de
mensheid, meestal op het gebied van filosofie en religie: grote denkers
en leraren zoals Pythagoras en Plato en Empedocles en andere wijzen uit
Egypte en Syrië en in de druïdische streken van Duitsland, Frankrijk en
Groot-Brittannië en ook in Perzië. Op een nog lager niveau gaat het om
die mensen die iets hebben opgevangen van de verheven zienswijze en door
die glimp van licht zo in vervoering raakten dat hun hele verdere leven
aan die luister werd gewijd. Dit zijn de chela’s en de grote figuren van
ons mensenras. Dat kunnen we allen min of meer worden.
Een slotgedachte over dit onderwerp: Als de dionysiën
spraken over het drinken van wijn als het bloed van hun god en het tot
zich nemen van het vlees door middel van graan, tarwe of brood, bedoelden
ze dat nooit letterlijk zoals nu wordt aangenomen in het ouderwetse orthodoxe
christendom. Ze bedoelden het in de mystieke zin die ik nu zal toelichten.
In de oude landen rond de Middellandse Zee betekende het bloed van de
god altijd de kosmische levenskracht die wij jîva, het leven of het goddelijke
leven noemen. Het bloed van Christus, de kosmische Christus, duidde dus
niet letterlijk op bloed; men gebruikte het woord zoals het zelfs in de
mozaïsche boeken van de joden wordt aangetroffen: ‘in het bloed is het
leven’. Het bloed werd het symbool voor het leven of de levenskracht van
de Christus, de goddelijke levenskracht in ieder mens, die hem transformeerde
en ophief zodat hij een werd met de Christus of de Boeddha. In die zin
verhief de neofiet, door training, inspanning, vurig verlangen en studie
zijn eigen leven, met als doel omhoog te streven, universeel te worden,
een te worden met het universele leven. Deze eenwording of yoga noemden
ze ‘communie’: de mens onderhield zich daarna met de kosmische geest.
‘Ik en mijn Vader zijn één’, zei Jezus.
Brood, graan of tarwe had in oude tijden altijd de symbolische
betekenis van intellect, intellectuele kracht. Dit is een interessant
onderwerp voor wie technische theosofie bestudeert. De Ouden zeiden dat
tarwe oorspronkelijk van de planeet Venus naar deze aarde werd gebracht.
In het kosmische plan vertegenwoordigt de planeet Venus wat wij mensen
het hogere manas in de menselijke constitutie noemen, waar de Christus
of de Boeddha in ons werkt. De wijnstok kwam volgens de oude Grieken en
de Latijnse volkeren oorspronkelijk van de planeet Jupiter. Ze zeiden
dat de planeet Jupiter onze levenskracht of anima of jîva, ons
leven, beheerst. En jîva vloeit rechtstreeks uit âtman voort.
Al deze samenkomende en met elkaar samenhangende ideeën
uit het denken in de landen van de klassieke oudheid rond de Middellandse
Zee werden door de vroege christenen overgenomen; zij brachten ze bijeen
en vervlochten ze tot een mooie en wonderlijke leer van eenheid; toen
later de waarheid verloren ging, verzamelden ze de dionysische gedachten,
wijzigden die enigszins en gaven er nieuwe namen aan; zo ontstond de christelijke
communie als ceremoniële rite in de kerk, een herinnering aan het proces
waarin de oprechte christianos, iemand die ‘vervuld is van de christos’,
één wordt met het goddelijke.
Het woord ‘christen’ betekende oorspronkelijk iemand die
vervuld is van Christus, iemand die de Christus door die vereniging, die
yoga, die communie in zich had opgeroepen, precies de gedachte die ik
probeer naar voren te brengen. Oorspronkelijk werden christenen geen christenen
genoemd. Zij waagden het niet zichzelf de naam van hun grote avatâra te
geven. Dat zou precies hetzelfde zijn als wanneer wij ons boeddha’s zouden
noemen, als Boeddha onze leraar was. De christenen noemden zich aanvankelijk
chréstoi, een Grieks woord dat ‘waardigen’ betekent; of, zoals wij het
tegenwoordig zouden noemen, volgelingen, leerlingen, discipelen van de
Christus; de christenen zelf vertellen ons dat ze voor het eerst christenen
werden genoemd in Antiochië, in Syrië; en de hemel mag weten wanneer dat
was! Misschien was het pas in de derde of vierde eeuw.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 78-80 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |