De ontwikkeling van de beginselen van de mens in de ronden
Het onderwerp dat ik nu ga bespreken benader ik schoorvoetend. Het is een moeilijk en netelig onderwerp en zo verweven met andere leringen dat ik bijna wanhoop over hoe ik er een betrekkelijk helder beeld van kan geven. Ik bedoel dat ik wanhoop dit te kunnen doen zonder meer van de mysteriėn te onthullen dan waartoe ik het recht heb. Want de volledige verklaring van wat ik heel eenvoudig probeer uit te leggen, zover ik dat aandurf, het laatste woord, wordt alleen gegeven aan hen die hun derde graad hebben behaald. Laat dat duidelijk zijn.
Het is geen wonder dat H.P.B. eraan voorbijging met nauwelijks meer dan een vingerwijzing. Het gaat om zaken die te maken hebben met de ronden en rassen en met de bollen van een planeetketen en misschien komen die u heel eenvoudig en gemakkelijk voor en vindt u dat iedereen het recht heeft ze te kennen. Maar in werkelijkheid is het allemaal heel moeilijk. Iedereen die bewezen heeft dat recht te hebben, heeft het recht te weten. Recht heeft iedereen die zich dat waardig heeft getoond. Maar het is in de positie die ik bekleed niet aan mij over iemand te oordelen.
Ik zal dus zover gaan als ik kan. Er is heel veel waarop ik zelfs niet zal wijzen; denk dus niet dat wat ik nu ga zeggen de hele kwestie bestrijkt. Dat is niet zo. Ik wil alleen proberen u een beknopt beeld te geven en enkele wenken. Meer kan ik niet doen.
We hebben hier een diagram dat voor onze bespreking nuttig kan zijn, en dat ik zelf heb uitgewerkt. Maar vergeet niet dat diagrammen, hoe nuttig ook, heel misleidend kunnen zijn. Ze geven aanwijzingen waarop wij met ons denken kunnen voortborduren; maar het zijn geen afbeeldingen, het zijn geen foto’s, geen afschilderingen van wat ze voorstellen. Het gebruikelijke schema van de zeven beginselen zoals H.P.B. dat gaf, heeft alleen ten doel te laten zien dat ātman het hoogste en meest verhevene is (aan de bovenkant van het diagram), en dat de beginselen vandaar ‘afdalen’ langs een schaal van afnemende belangrijkheid, kracht en betekenis. Het doel is niet het denkbeeld over te brengen dat de beginselen boven elkaar liggen als de lagen van een taart. De enige waarde van dit schema is dat het de elementen of beginselen weergeeft in de volgorde waarin wat is ingevouwen van begin tot einde evolueert; en om te laten zien dat het vierde het kritieke element of tattva is, waar de neergaande boog stopt en de opgaande begint. Dat is praktisch de enige waarde van dit diagram; maar het is heel belangrijk van die ene gedachte een helder beeld te krijgen.
Kent u het diagram van de zeven bollen zoals H.P.B. dat in De Geheime Leer geeft? Dat schema kan ook worden gezien als een voorstelling van de kosmische elementen of tattva’s op de vier rūpagebieden van de kosmos; zoals er twee bollen staan afgebeeld op het hoogste rūpagebied, twee op het volgende daaronder, twee op het daaropvolgende en één op het laagste, zo kunnen de tattva’s op dezelfde manier worden gerangschikt zoals u in dit diagram ziet. De natuur is overal volgens één methode opgebouwd. Omdat dat zo is kunnen we zien, zoals uit dit diagram blijkt, dat elk gebied van de natuur of elk van de elementen van de natuur, waartoe ook de elementen van de mens behoren, of het nu hoog is, zoals wij dat noemen, laag, of ertussenin, zelf uit zeven ondergeschikte of subgebieden bestaat.
De hier vermelde tattva’s hebben ongeveer de volgende betekenis: ādi-tattva is de oorspronkelijke of eerste tattva; anupapādaka: dat wat uit zijn eigen essentie is geboren; ākāsa kan men ‘ruimte’ noemen; vāyu-tattva werd volgens de elementen van de Ouden ‘wind’ of ‘geest’ genoemd. Misschien interesseert het u te weten dat het Latijnse woord ‘spiritus’ [waarvan ons woord spiritueel is afgeleid] bij de Ouden oorspronkelijk ‘wind’ betekende; in Griekenland was anemos ‘wind’, maar het betekende oorspronkelijk ook ‘geest’. Tejas-tattva, het vijfde kosmische element, betekent ‘vuur’, het schitterende, stralende, brandende, verblindende vuur. Āpas betekent ‘water’; prithivī betekent ‘aarde’. Maar denk er wel aan dat deze vier lagere kosmische elementen niet de lucht zijn die we inademen of het vuur waarop ons voedsel wordt gekookt, of het water dat we drinken of waarin we baden, of de aarde waarop we lopen. Het zijn de betrekkelijk geestelijke elementen van het heelal waaraan die namen zijn gegeven.
In dit diagram heb ik in de vergroting van nr. 4, die evengoed een vergroting van een van de andere kosmische tattva’s zou kunnen zijn, geprobeerd ze in verband te brengen met de beginselen van de mens; ādi-tattva bijvoorbeeld met ātman, het essentiėle zelf van de mens, de wortel van zijn hele wezen en de bron en oorsprong van de zes andere beginselen. Anupapādaka-tattva correspondeert met buddhi; ākāsa-tattva met manas of het denken; vāyu-tattva met kāma; tejas-tattva met prāna; āpas-tattva met lingasarīra en prithivī-tattva met sthūlasarīra. De grote waarde van dit schema is dat het wijst op de betekenis van vier als keerpunt, waar het dieptepunt wordt bereikt en alles zich weer omhoogbeweegt, zowel in de kosmos als in de mens. Neem als voorbeeld deze bollen: zowel de bollen als de levensgolven beginnen aan de top en dalen langzaam af, zodat na de eerste ronde de tweede volgt, dan de derde, vervolgens de vierde die de allerlaagste is, kāma. Daarna volgt het tegenovergestelde proces. Als kāma in de levensgolven tot ontwikkeling is gekomen, komt er een evenwicht tussen geest en stof. Hoe komt het dat vanaf deze bol D, tijdens de vierde ronde waarin we ons nu bevinden, in het vierde wortelras de opgang van de lichtende boog moest beginnen? Omdat geest en stof dan praktisch in evenwicht zijn; miljoenen jaren lang, na het bereiken van dat evenwicht tussen geest en stof werd de geest, die zich meer en meer ontwikkelde, wat sterker en volgde er een heel langzame, en steeds verdergaande opgang. Tijdens het Atlantische wortelras, het vierde, dat aan het onze voorafging, werd het laagste punt van de evolutie bereikt. De geest was toen in evenwicht met de stof en vanaf dat moment kwamen alle dingen, die tevoren langzaam in de stof afdaalden, tot stilstand, omdat het evenwicht was bereikt; vanaf die tijd gaat alles omhoog; zodat wij in ons vijfde ras, net iets hoger staan dan de Atlantiėrs, want we zijn 9 miljoen jaar op weg in de goede richting van vergeestelijking. De aantrekkingskracht van de geest is sterker en zal steeds groter worden naarmate ons vijfde wortelras plaatsmaakt voor het zesde en dit weer voor het zevende; en nog meer als onze levensgolf deze aarde, bol D, verlaat en langs de boog omhooggaat naar de bollen E, F en G.
Ik zou hieraan kunnen toevoegen dat hoewel het vlees van de mens materie van de vierde ronde is, het menselijke vlees toch wat geestelijker is dan dat van de dieren, omdat we ons in het vijfde wortelras van deze vierde ronde bevinden. Als we ons zesde wortelras op bol D bereiken zal het vlees van de mens nog teerder zijn, meer verfijnd en etherischer. Bij het bereiken van het laatste ras op deze bol D in deze ronde, het zevende ras, zal het menselijke vlees nog meer verfijnd zijn. Het zal bijna, maar niet helemaal, doorschijnend zijn. Het zal zijn als een wolk. Naarmate de levensgolf zich omhoogbeweegt langs de opgaande boog en bol G wordt bereikt, zullen de lichamen van de bewoners van bol G lichtgevend zijn en tegen het einde van die ronde zullen het lichamen van licht zijn. Van nu af aan zullen alle bollen en alle levensgolven, die tot nu toe de neiging vertoonden in de stof weg te zinken en nu hun evenwicht hebben bereikt, voortaan de neiging vertonen etherischer te worden. Zelfs de aarde waarop we wonen zal, met het verstrijken van de eeuwen, de neiging vertonen zich te vergeestelijken, etherischer te worden; ik kan erop wijzen dat de ontdekkingen op het gebied van de radioactiviteit, zoals die van uranium en bepaalde andere elementen met een hoog atoomgewicht, voorbeelden zijn van een gestage ontbinding van de zwaarste chemische elementen die we kennen. Ze zijn natuurlijk de eerste om etherischer te worden.
Hoe komen de beginselen van de mens, zoals hier vermeld, in de loop van hun ronden langs de zeven bollen evolutionair tot werkzaamheid? Dat is heel ingewikkeld omdat er zoveel zaken zijn waaraan we moeten denken. Laten we terwille van de uiteenzetting veronderstellen dat we nu aan het allereerste begin staan van de eerste ronde. Geen van deze bollen is nog gevormd. Er bestaat alleen een astrale nevel. Maar de bollen beginnen zich te vormen door het werk van de drie elementalenrijken. We zullen bol A het begin van de manifestatie van ātman noemen en onze menselijke levensgolf als voorbeeld nemen voor de negen andere levensgolven. Welk deel van ātman, die zelf zevenvoudig is (ik heb geprobeerd dat in het schema te laten zien), openbaart zich in het begin van de eerste ronde op bol A? Het is het sthūlasarīra van ātman. Er speelt echter nog iets anders mee. In de ātman komt de ātman-ātman snel tevoorschijn; de buddhi-ātman ontstaat snel, zo gaat het met alle tot het laagste punt is bereikt, als gevolg van de aantrekkingskracht van de stof, de neiging omlaag waarover ik heb gesproken. Zo worden alle subbeginselen van ātman doorlopen; voor de zes hogere vindt de afdaling vlug plaats tot we het laagste punt, het lichaam van ātman, het sthūlasarīra bereiken; dat is dan het eerste beginsel van de menselijke levensgolf op bol A.
Als dit is gebeurd, m.a.w. als de zeven wortelrassen op bol A zijn doorlopen, blijft het sthūlasarīra van ātman daar; maar het levenssurplus van ātman vloeit omlaag in bol B; liever gezegd, het surplus van levens, want dit surplus van levens vormt de uiterlijke levensgolven.
Wat gebeurt er op bol B? Op bol B worden alle ātmanbeginselen doorlopen tot aan het sthūlasarīra van buddhi. Anders gezegd, alle zeven wortelrassen worden daar doorlopen en het sthūlasarīra, het laatste en in deze eerste ronde meest ontwikkelde blijft achter; dan gaat het surplus van levens van B omlaag naar C. Daar vindt hetzelfde proces plaats en het surplus van levens gaat daarna omlaag naar D; en zo gaat het verder door alle bollen. We zullen gebruikmaken van zeven bollen. Dat is de eerste ronde, die we de ātmanronde kunnen noemen. Maar ātman is niet volledig ontwikkeld. Het is pas de eerste ronde en het laagste deel van ātman.
Wat gebeurt er in de tweede ronde? Die zullen we de buddhironde noemen, waarin buddhi wordt ontwikkeld of geėmaneerd. De levensgolf op bol A specialiseert zich en gaat langs alle tot hij stopt bij het lingasarīra en omdat dit in de tweede ronde in bol A het hoofdpunt is, gaat het levenssurplus heel snel door het vroeger ontwikkelde ātman-sthūlasarīra, drukt er het buddhistempel op en gaat door de tweede ronde omlaag naar het lingasarīra van buddhi en gaat dan verder. Vervolgens gaat het levenssurplus omlaag naar bol C en wordt het lingabeginsel van buddhi in de levensgolf ontwikkeld die zijn evolutie op bol C voltooit; er vindt hetzelfde plaats: het surplus van levens gaat omlaag naar D en daarna weer omhoog.
Tot nu toe hebben we het ātmanbeginsel in de eerste ronde ontwikkeld, het buddhibeginsel heel onvolkomen tijdens de tweede ronde en van onderaf omhoog. De eerste ronde bracht het sthūlasarīra van ātman voort; de tweede ronde bracht het lingasarīra van buddhi voort; op precies dezelfde manier zal de derde ronde de prāna van manas tot ontwikkeling brengen. De vierde ronde ontwikkelt de kāma van kāma. De volgende ronde, de vijfde, zal het manas van prāna voortbrengen. Let wel, langs alle bollen. De zesde ronde zal de buddhi van lingasarīra in alle bollen en levensgolven ontwikkelen; en de zevende ronde zal de ātman van sthūlasarīra ontplooien en is dat niet merkwaardig?
Dit betekent, als we onze menselijke levensgolf als voorbeeld nemen, dat aan het einde van de zevende ronde alle individuen van de menselijke levensgolf volledig ontwikkelde wezens met zeven beginselen zullen zijn; elk van de beginselen is volledig ontwikkeld voor ons manvantara, voor onze keten, tijdens deze dag van Brahmā.
Waarom weigerden tijdens het derde wortelras de mānasaputra’s aanvankelijk zich te belichamen en de onontwikkelde mensen van die tijd het denkvermogen te verschaffen? Omdat de voertuigen niet gereed waren. Er waren geen geschikte mentale voertuigen om ze te bevatten, om het denkvermogen van de mānasaputra’s te bevatten. Ik vraag me af of u hiermee veel wijzer bent!
De evolutie begint dus met ātman en eindigt met ātman. Het ontwikkelingsproces werkt van onderaf en gaat in iedere ronde één stadium of substadium omhoog; zodat, terwijl we met ātman beginnen dat in de eerste ronde geen geschikt voertuig heeft om in te werken, bij het bereiken van de zevende ronde alle menselijke beginselen volledig zijn ontwikkeld en zelfs het lichaam in zijn ātmantoestand bestaat.
De eerste ronde ontwikkelt het laagste deel van ātman op alle bollen; dit laagste deel vinden we helemaal onderaan de schaal, wat in de moderne wetenschap de elementen zouden worden genoemd, het chemische gedeelte. Bedenk dat het begon met ātman – de geest. De volgende ronde zouden we de buddhironde kunnen noemen; die ontwikkelt het op een na laagste deel van alle. De derde ronde zou men de mānasische ronde kunnen noemen; het was ook in het derde wortelras op onze bol dat de mens denkvermogen verkreeg.
Als alle zeven ronden zijn doorlopen en elk beginsel van de mens volledig in hem is ontwikkeld, is hij een god; de geest is in hem werkzaam, buddhi is in hem werkzaam, het denkvermogen werkt in hem en hij bezit begeerte – en begeerte wordt op de opgaande boog wat we aspiratie noemen, omhoog in plaats van naar beneden gerichte begeerte. Prāna in hem is vergeestelijkt en wordt een werkelijke geļndividualiseerde kracht in hem. Een mens van de zevende ronde kan bijvoorbeeld, als hij dat wil, een beroep doen op zijn prāna om met zijn wil een elektrische straal af te schieten, als hij enige magie wil bedrijven, een rotsblok te verpulveren of een boom uiteen te doen vallen; want zijn prāna is dan volledig ontwikkeld en wordt beheerst door zijn denkvermogen en wil. Ook lingasarīra is dan niet langer een nogal schimmig, halfontwikkeld of onvolgroeid lichaam van de mens, zoals nu; het is dan een prachtig instrument, afgestemd op de harmonieėn van de natuur, geļndividualiseerd, de mens zelf. Het is als een klankbord dat iedere trilling opvangt; zijn lichaam is een lichaam van licht en straalt werkelijk als het licht van de zon. Hoe komt het dat de zon het lichaam heeft dat hij heeft? Wat we zien is het sthūlasarīra of het lichaam; het is een lichaam van licht. In de zevende ronde zal de mens net zo zijn: een stralende bol; hoe zijn innerlijke beginselen dan zijn gaat natuurlijk alle beschrijving te boven!
Ik zal de voornaamste ideeėn die ik u gaf, samenvatten. De grondgedachte is dat er twee evolutielijnen zijn, namelijk een geestelijke en een stoffelijke, die respectievelijk beginnen bij de top, ātman, en bij de elementalen, het laagste van het stoffelijke; naarmate de ronden vorderen, naderen die twee lijnen elkaar, waarbij de eerste omlaag en de laatste omhoog werkt; ze passeren elkaar als het ware in de vierde ronde en aan het einde van de zevende ronde zijn hun posities in zeker opzicht verwisseld, d.w.z. het ātmische deel is aan het einde van de zevende ronde in het hoogste deel van het stoffelijke of prithivī en heeft de zevenvoudige schaal dan geheel doorlopen; het stoffelijke deel reikt omhoog, zover het kan, in het ātmische deel van het stoffelijke; hierbij worden volledig ontwikkelde voertuigen voortgebracht. Dit is de grondtoon van het hele evolutieproces door de ronden: de ontplooiing van geschikte voertuigen om de geestelijke en verstandelijke vermogens, monaden, tot uitdrukking te brengen.
Bedenk ook dat in de eerste ronde de grote lijnen worden geschetst, en overeenkomstig het karma uit het verleden, de wegen voor alle volgende ronden worden ingeslagen. De allereerste wezens die op het toneel verschijnen om de bollen op te bouwen zijn de verheven wezens (die ik in mijn uiteenzetting op vage manier ātman noemde) uit de vorige belichaming van de keten, die zich onmiddellijk vermengen met de elementalen; zo beginnen de hoogsten aan de top bij ātman en de elementalen onderaan bij sthūla of prithivī, om daarna, zoals hierboven vermeld, in de resterende zes ronden naar elkaar toe te werken. Ze passeren elkaar, als we in ons denken een beeld willen vormen, in de vierde ronde en vervolgens gaat elke lijn voort, omhoog of omlaag, zover als elk kan gaan.
Dit betekent dus dat de monaden of geestelijke wezens zich aan het einde van de zevende ronde volledig geļncarneerd of liever belichaamd hebben en godmensen of gelijkwaardige wezens in de andere rijken voortbrengen. De voertuigen of omhulsels of lichamen zullen zich in de loop van de zeven ronden zover hebben opgewerkt, of zover zijn geėvolueerd of ontwikkeld als ze kunnen om geschikte voertuigen te zijn voor die nu volledig belichaamde monaden.
Nog iets: Laten we even alleen aan de voertuigen denken. De vierde ronde brengt het begeertebeginsel voort, met zowel zijn hogere als lagere aspecten. Daarna worden in de vijfde ronde de voertuigen verheven tot het mānasische gebied in hun respectievelijke posities op de levensladder; in de zesde ronde ontwikkelen de voertuigen het vermogen om buddhi tot uitdrukking te brengen; ze worden buddhisch; in de zevende of laatste ronde zijn de voertuigen zover mogelijk gestegen, wat verfijning en ontplooiing van vermogens betreft, dat ze gereed zijn om de ātmische straal te dragen.
Maar dit betreft alleen de voertuigen op de verschillende gebieden van de constitutie van de mens. Nu de geestelijke wezens of stralen: die buigen zich in alle ronden omlaag om de zich verheffende voertuigen te ontmoeten; hoewel ze steeds transcendent blijven, anders gezegd zelf altijd op hun eigen gebieden blijven, lijkt het, omdat ze zich omlaag buigen, of ze afdalen en hun opstijgende voertuigen naderen totdat in de vierde ronde de aansluiting wordt gemaakt en, om de mensheid als voorbeeld te nemen, de mens werkelijk mens wordt, kind van de geest en kind van prithivī of de aarde – halverwege omhoog en halverwege omlaag, bij wijze van spreken.