Apen, mensapen en de vroege mens
In de zeer oude en heel interessante heldendichten van de hindoes zoals het Râmâyana lezen we dat de zogenaamde mensapen – en verwar alstublieft de gewone apen niet met de mensapen, want die zijn niet aan elkaar gelijk – bijna of evenzo intelligent waren als de mens. Volgens het verhaal konden ze praten, vormden ze legers en vochten ze in de grote epische oorlog van India, net zoals de mensen. Ze hadden eigen regeringen en kennelijk wetstelsels. Daarom moeten we de mensapen uit het grote hindoeheldendicht zien als iets meer dan de mensapen die we nu kennen. Als we weetgierig zijn aangelegd, vragen we ons natuurlijk af waarom dat zo is. Mensapen van nu doen zulke dingen niet.
Het voor de hand liggende antwoord is dat de mensapen uit dat verre verleden, de tijd van Atlantis vóór het vijfde wortelras zelfstandig was geworden, geen mensapen waren zoals wij die nu kennen, want mensapen hebben nu geen regeringen zoals die van mensen. Ze vormen geen legers en strijden niet volgens de gebruikelijke gevechtsregels. Ze wisselen geen geschreven berichten uit zoals mensen nu doen en toen deden. De enige conclusie die we kunnen trekken is dat de mensapen beschreven in een groot episch dichtwerk als het Indiase Râmâyana bijna menselijke wezens waren.
Door biologisch onderzoek weten we nu dat mensapen er bij de geboorte meer als mens uitzien dan als ze sterven – van ouderdom doodgaan bedoel ik natuurlijk. Met andere woorden, mensapen schijnen dierlijker te worden naarmate ze vanaf hun eerste jeugd tot volwassen aap opgroeien. En volgens alle bij specialisten bekende wetten uit de wetenschappelijke denkwereld zou dit overeenkomstig de recapitulatietheorie erop wijzen dat er in het verre verleden een tijd is geweest waarin de mensapen een veel menselijker uiterlijk hadden dan nu. En dat is precies onze leer: toen de mensapen voor het eerst ontstonden of tot belichaming kwamen, gingen ze zo intiem met hun menselijke halfouders om dat ze als kinderen, voornamelijk door imitatie, navolging of door iets anders, deelnamen aan wat hun menselijke halfouder deed, voelde en dacht. Anders gezegd, de mensapen van toen waren veel menselijker dan nu. Dit wijst op degeneratie in verstandelijk en psychisch opzicht, geheel in overeenstemming met onze theosofische leringen dat alle dieren op weg zijn om uit te sterven, naarmate de dierlijke wezens langs de lichtende boog omhooggaan.
De mensapen die in het Râmâyana van de hindoes worden beschreven, stonden daarom in feite, wat innerlijke vermogens betreft, iets onder de mens; ze waren verschillend van kleur, zoals in De Geheime Leer wordt gezegd. Zoals er in die tijd mensen waren met een blauw of een rood gezicht, zo waren er ook apen met een blauw of een rood gezicht; zelfs nu bestaan er nog enkele. Dat is de reden en de ware reden, naast andere bijkomstige ondergeschikte redenen, denk ik, dat de hindoes vroeger en zelfs nu nog de huidige gedegeneerde mensapen niet zozeer met eerbied dan wel met een mengeling van medelijden en verbazing bekijken. De moderne hindoe denkt met enig religieus ontzag over de mensaap, die daarom niet zozeer gerespecteerd als wel beschermd wordt, precies zoals het geval was met de mensapen en gewone apen in Egypte en andere landen in de oudheid.
Als u het Râmâyana helemaal of gedeeltelijk heeft gelezen, zult u zich herinneren dat de mensapen zelfs samen met de mensen van die tijd vergaderden, met Râma en zijn generaals en vooraanstaande personen om over belangrijke zaken te discussiëren. De tegenwoordige mensapen zien we dit niet doen en ze hebben er ook niet de capaciteiten voor.
De mensapen en ook alle andere dieren, maar ik heb het nu in het bijzonder over die apen, zullen tegen het einde van het zesde wortelras in onze vierde ronde praktisch zijn uitgestorven. In het zevende wortelras zullen ze zijn verdwenen. Hun ego’s zullen echter niet de voor de ego’s van de andere dierenfamilies bestemde weg volgen, die eveneens gaan uitsterven naarmate onze vierde ronde op de opgaande boog vordert. Waarom? Omdat er nog voldoende menselijke psychische trekken, eigenschappen of kenmerken in de tegenwoordige mensapen zijn waardoor, als hun lichamen tegen het einde van het zesde wortelras in deze vierde ronde uitgestorven raken, hun ego’s zich kunnen belichamen. Alle mensapen zullen zich dan belichamen in de allerlaagste, minst intelligente en minst ontwikkelde, dan nog resterende nakomelingen van wat nu de primitieve en barbaarse stammen van de mensheid zijn. De ego’s van die primitieve en barbaarse stammen zullen hun huidige onvolmaakte lichamen overlaten aan de ego’s van de mensapen en zullen zich in menselijke voertuigen met iets meer mogelijkheden belichamen.
Nu iets over de oorsprong van de mensapen: we hebben daar al zo vaak over gesproken dat u me wel zult willen vergeven als ik in herhaling verval. Mensapen zijn natuurlijk een voortbrengsel van de evolutie, evenals de mens. Het waren ego’s die in hun ontwikkelingsgang het mensstadium nog niet hadden bereikt, maar er wel dichtbij waren; in het derde en aan het einde van het tweede wortelras van deze ronde ontbrak het hun aan stoffelijke voertuigen om zich in te belichamen. Daarom moest kosmisch karma, zoals we het zouden kunnen noemen, lichamen voor die ego’s verschaffen. Evenals de mens moesten ze een kans krijgen. Daarin werd voorzien door de karmische weefsels van het lot, die alle rijken op aarde zo nauw verstrengelen, vooral de aan elkaar grenzende rijken, rijken die net beginnen in elkaar over te gaan, en elkaar als het ware doordringen. Aan het einde van het tweede en het begin van het derde wortelras vonden deze ego’s tenslotte lichamen omdat de laagst ontwikkelde mensen, die het juiste psychische instinct en het denkvermogen misten, gemeenschap hadden – op de manier van die tijd – met belichaamde dieren die net onder hun eigen mensenrijk stonden. Uit die gemeenschap kwamen de apen voort. En later, tijdens het vierde wortelras, herhaalden andere minder gevorderde Atlantiërs met de afstammelingen van deze apen de ‘zonde van de verstandelozen’, in de woorden van de oude teksten, zodat de mensapen, zoals kort en bondig onder woorden gebracht, als het ware twee druppels mensenbloed in zich hebben. De eerste druppel bloed uit die eerste rassenvermenging en de tweede druppel bloed door de daad van de minst gevorderde Atlantiërs die gemeenschap hadden met die nog maar nauwelijks menselijke schepselen. De nakomelingen van die gemeenschap waren de mensapen. De eerste mensapen die uit die gemeenschap voortkwamen stonden veel dichter bij de mens zoals de mens toen was, niet de mens zoals hij nu is, dan de tegenwoordige mensapen zouden staan als ze, zoals ze nu zijn, naar die tijd konden worden overgebracht. Ik hoop dat ik duidelijk ben. Het gevolg hiervan was dat de nakomelingen van deze halfmenselijke, half-dierlijke geslachtsgemeenschappen gewoon contact hadden met de mensheid. Ze werden door de hogere of meer ontwikkelde mensen van die tijd met achterdocht bekeken, maar getolereerd, omdat ze flauwe tekenen van het in ons actieve verstand vertoonden. Het waren zo goed als denkende wezens van een laag type, goed in het nadoen, zoals alle apen en mensapen zelfs nu zijn. Ze bootsten natuurlijk alles na wat ze hun Atlantische verwanten zagen doen. Ze spraken, hadden eigen talen, typische talen, niet de sisklanken, lokroepen, het brullen en grommen van tegenwoordige dieren, maar een eigen duidelijke taal of taalgroep.
Wat gebeurde er daarna? De meest menselijke van deze mensapen stierven uit; enerzijds omdat de Atlantiërs die zich bewust waren van de door hun eigen minder ontwikkelde mensen begane zonde, heftig strijd tegen hen voerden en ze uitroeiden; maar ook omdat het milieu of de omgeving niet bevorderlijk was voor het voortbestaan van dit deels menselijke en deels dierlijke ras. De Atlantiërs lieten alleen de minst ontwikkelde mensapen leven; de tegenwoordige mensapen zijn afstammelingen van de exemplaren die in leven mochten blijven. De voorouders van de tegenwoordige mensapen waren de minst ontwikkelde mensapen uit dat verre verleden. De psychische drempels of belemmeringen die in deze tijd de vermenging van verschillende rijken voor het menselijk denken tot iets afschuwelijks maken, bestonden in die tijd niet en gemeenschap leidde vrijwel altijd tot nakomelingen.
De vroege mensheid ging door veel stadia heen, rûpa-stadia of stadia van vormen – ik heb het nu speciaal over het lichaam van de mens, niet over het menselijke ego. Zo had bijvoorbeeld het eerste ras een vorm die helemaal niet leek op onze huidige vorm. H.P.B. gebruikt ergens voor de vorm van het eerste wortelras de nogal treffende naam van puddingzakken, ronde of eivormige bollen van etherische stof. Men kan het geen vlees noemen, want vlees bestond toen nog niet. Maar astrale puddingzakken, astrale eieren. Met het verstrijken van de tijd en toen het eerste ras het tweede werd, waarbij de oude wateren van het eerste zich vermengden met de nieuwe wateren van het tweede, verdween de vorm van de puddingzak; de karmische lichamen die de mensheid in die uitermate veranderlijke en wisselvallige tijden had, waren veelsoortig en merkwaardig. Tegen het einde van het tweede ras hadden mensen bijvoorbeeld een gezicht als van een hond, of liever zoals honden er nu uitzien, mensen met een hondengezicht. Sommigen hadden een gezicht als een vissenkop; anderen hadden vier armen en vier voeten. Zoals u weet hadden ze toen maar één oog. Later kwamen de twee voorhoofdsogen in gebruik en bleef het derde oog nog lang functioneren. De mens had toen drie ogen. Tenslotte zonk het eerste oog, dat we ten onrechte het derde oog noemen, in de schedel weg, werd door been en haar bedekt, werd wat nu de pijnappelklier heet en restten ons twee ogen. De mens had dus eerst één oog, na verloop van tijd drie ogen en heeft nu nog twee ogen.
Waarom namen de lichamen of rûpa’s van de mens in het tweede en het allereerste begin van het derde wortelras die bijzondere en eigenaardige vormen aan? Omdat ze werden gevormd naar in het astrale licht aanwezige modellen die door de mensenrassen werden gevolgd omdat het ras of het geslacht, of het rijk, of de levensgolf van de mens (kies het woord dat u wilt) in de tweede en derde ronde die vormen had. Het was opnieuw een geval van recapitulatie, zoals het embryo nu in de moederschoot in de korte tijd van negen maanden recapituleert waar de mensheid in het verre verleden eeuwenlang doorheen is gegaan. Zo herhaalden de eerste rassen van deze ronde de vormen waar het mensenrijk in de vroegere ronden doorheen was gegaan.
Wat gebeurt er met de monaden of ego’s van de mensapen of dieren, wanneer ze als lichaam in deze vierde ronde zijn uitgestorven, wat vóór het einde van het zevende wortelras zeker met alle gebeurt? In de vijfde ronde zullen de ego’s volgens hun karmische lotsbestemming worden gegroepeerd. De mensapen nemen dan de vorm van de laagste mensen van de vijfde ronde aan, wat ze feitelijk al beginnen te doen in het zevende wortelras van deze vierde ronde; tijdens de neergaande boog van de vijfde ronde zullen de ego’s van het hele dierenrijk gedurende enige tijd een lichaam van een laag type vinden, maar geleidelijk uitsterven vóór de vijfde ronde in haar loop ver is gevorderd op de opgaande boog. Dit komt doordat de dierlijke monaden, de monaden van de wezens uit het dierenrijk, nog niet de mânasische eigenschappen hebben ontwikkeld die hen in staat stellen de opgaande boog in de mânasische of vijfde ronde te beklimmen.