![]() | ![]() |
![]() |
| Het kind weerspiegelt het ras
Wetenschappers beschikken al over letterlijk ontelbare
bewijzen van tenminste een groot deel van de vroegere geschiedenis van
de mensheid; en omdat het grootste deel van de mensheid uit geest en
denkvermogen bestaat, zijn die ook onderdeel daarvan. Ik heb het nu
in het bijzonder over de wetenschappelijke bewijzen dat de mens in vervlogen
tijden lichamelijk door fasen van zijn eonenlange evolutionaire pelgrimstocht
is gegaan die hun stempel op hem hebben achtergelaten. En er zijn beslist
nog heel wat wetenschappelijke feiten niet bekend.
Ik wil hier maar één ding noemen, een feit waaraan vroeger
meer wetenschappelijk belang werd gehecht dan nu, alleen omdat meer recente
wetenschappelijke denkbeelden dit feit niet zo gunstig gezind zijn; maar
ik denk dat toekomstige wetenschappers zullen terugkomen op de vroegere
denkbeelden. Het wordt in de embryologie de theorie van recapitulatie
genoemd: het ongeboren kind, het embryo, maakt in het klein elke fase
van de evolutionaire ontwikkeling door waar de mensheid als ras in vroegere
tijden doorheen is gegaan. Is bijvoorbeeld een kind dat nu wordt geboren
in het volle bezit van zijn verstand, is het een denkend, redenerend wezen?
We weten allemaal dat het dat niet is. Het is bekend dat een kind tijdens
het leven in de baarmoeder in het kort door veel lichamelijke evolutiefasen
gaat waar het ras als geheel in vervlogen tijden doorheen is gegaan; maar
pas jaren nadat het kind lichamelijk is geboren begint het te denken,
ik bedoel zelfbewust te denken, na te denken over grootse dingen, beslissingen
te nemen van grote waarde en betekenis. Die komen als het opgroeiende
kind volwassen wordt, want in de toestand van volwassenheid groeien in
de mens de grotere verstandelijke en intellectuele vermogens stap voor
stap en ook de geestelijke en morele eigenschappen.
U kent het gezegde ‘de neerdaling van het denkvermogen
in het vroege derde wortelras van de mensheid’. Zo gebeurde het. Tot die
tijd had het ras door evolutie lichamen ontwikkeld om aan de behoefte
van hun nog niet verstandelijke staat te voldoen, maar u moet niet denken
dat die vroege niet-verstandelijke mensen geheel zonder bewustzijn waren.
Zeker niet. Net zomin als een niet-denkend kind tot zo’n vijf, zes of
zeven jaar. Dan begint het denkvermogen zich in feite al te vertonen;
en dit gaat stap voor stap verder naarmate het kind een tiener wordt en
vervolgens een volwassene en van volwassene in de rijpere jaren komt.
De vroege rassen waren net zo, als kleine kinderen.
Ze hadden instinct, ze kregen intuïtieve ingevingen, ze
hadden gevoel, ze hadden bewustzijn, het vage diffuse bewustzijn dat een
kind tegenwoordig heeft, maar ze waren geen denkers. Het kind van nu gaat
niet aan een schrijftafel zitten om een imposante verhandeling te schrijven
of een plan de campagne op te stellen voor een denksysteem dat de mensheid
helpt en verlicht. Waarom niet? Het denkvermogen is nog niet volledig
tot uitdrukking gekomen in de nog onvolwassen hersenen. Het brein moet
zich nog verder verharden of vormen om de stroom vanuit het denkvermogen
binnen-boven de mens over te brengen.
In dat opzicht was het vroege derde wortelras net als
kinderen. Ze hadden bewustzijn. Ze kregen flitsen intuïtie; ze hadden
een hoogontwikkeld instinct. Maar het zelfbewuste denkvermogen was in
hen nog niet ontstaan. Toen vond een van de meest verbazingwekkende gebeurtenissen
uit de hele ontwikkelingsgeschiedenis plaats. We noemen het de ‘neerdaling
van de mânasaputra’s’, de zonen van het denkvermogen, die niet van de
ene op de andere dag plaatsvond, bij wijze van spreken, of in een oogwenk,
zelfs niet in honderdduizend of enkele honderdduizenden jaren. Maar het
was een voortschrijdend proces, precies zoals op kleine schaal een kind
niet op een ochtend wakker wordt en plotseling in het bezit is van een
volwassen denkvermogen. Het is een kwestie van groei. De mânasaputra’s
belichtten of overschaduwden dus geleidelijk het denkvermogen van de wordende
mensheid, ze doordrongen haar brein en zelfs het zenuwstelsel met het
goddelijk vuur van hun denken, tot de mens tenslotte dacht, en ontwaakte.
Het denkvermogen begon te werken. Dit gebeurde door deze mânasaputra’s,
onze eigen intellectuele zelven als het ware, door gedurende enkele honderdduizenden
jaren te incarneren; toen dat was geëindigd, was er in plaats van de puur
instinctmatig bewuste, maar niet-verstandelijke en nog niet zelfbewuste
vroege mens, een ras ontstaan dat dacht, dat over het goddelijke kon nadenken;
dit was mogelijk doordat de verbinding met het goddelijke tot stand was
gebracht. Het denkvermogen was ontwaakt.
Niet alleen dat: in een aantal van deze voorbereide mensen,
de hoogst ontwikkelde mensheid van die tijd, incarneerden bepaalde geestelijkverstandelijke
entiteiten, hoogontwikkelde wezens die de leraren en gidsen werden van
de toen net ontwaakte mensheid, die haar onderrichtten, de wegen van de
beschaving wezen, en haar bekendmaakten met de mysteriën, de geheimen
van de wetenschap en de waarheden van de filosofie. Dat was de tijd van
het goddelijke gezag van onze verre voorouders. Zij stichtten de mysteriescholen
toen deze voor het eerst op deze aarde begonnen en leefden om de mensen
te onderwijzen en waren, zoals gezegd, hun gidsen, hun leermeesters, hun
beschermers, hun onderrichters. Diezelfde groep, of hun afstammelingen
zo u wilt, hun opvolgers, verblijven nog steeds op aarde als gidsen voor
de mensheid, lichtbrengers, inwijders, leraren, oudere broeders, vrienden.
Het kind herhaalt dus tijdens zijn eigen groei van kind
tot volwassene wat het ras tot nu toe heeft bereikt. Het is natuurlijk,
het moet zo zijn, omdat er maar één fundamenteel patroon in het heelal
bestaat, één fundamentele werkwijze die met haar alomvattende invloed
iedereen en alles met dynamische kracht beroert. We hebben dus nu een
sleutel om die oudste en vroegste denkende mensen te begrijpen: hoe ze
ontstonden, hoe het kwam dat het denkvermogen plotseling ontwaakte, zodat
ze konden nadenken over het heelal en het konden begrijpen in plaats van
als kinderen te zijn of zoals de hogere dieren, instinctief, intuïtief
bewust, maar niet zelfbewust. Het is een wonder wat er met een kind gebeurt:
het groeit vanuit instinct en intuïtie tot het in zichzelf de bezieling
van de inspiratie uit de innerlijke god ervaart. Het wachtende brein,
het zenuwstelsel, het lichaam, worden bezield en verlicht. Mysteriën en
wonderen vinden voortdurend om ons heen plaats!
Al is het verbazingwekkend om in het verleden terug te
kijken, in de geschiedenis van het ras, en de treden te zien waarlangs
onze voeten zijn gegaan, al is dat inderdaad een wonder en vervult het
ons met grote eerbied voor wat het heelal omvat, toch moeten we de toekomst
niet vergeten. We zijn pas halverwege onze evolutie op deze aarde. We
moeten voortdurend op aarde terugkeren om wat we al weten te herhalen
en steeds en steeds beter te leren en om nieuwe wijsheid op te doen. Wat
houdt de toekomst in? Ik zal het u zeggen. Zoals in het verleden ons denken
werd gewekt door de mânasaputrische goden – want voor de mens zijn ze
goden – zo zal ons denken in de toekomst worden gewekt door engelen van
de geest. Zelfs ons denkvermogen, dat ons van onbewustheid verhief tot
zelfbewustzijn en dat ons tot het stadium heeft gebracht waar we nu zijn,
zodat we kunnen nadenken over het heelal en ons bewust kunnen zijn van
het goddelijke erachter, prachtige en edele gedachten kunnen denken, die
ons leven verheffen tot dat van de goden – zelfs ons denkvermogen heeft
een hogere inspiratie nodig, want ons denken kan ons ook misleiden en
van het pad afbrengen.
Zoals in het verleden de incarnatie van de mânasaputra’s,
de zonen van het denkvermogen, plaatshad, die ons het vermogen tot denken
schonken, zo zal in de toekomst die nu begint – het begon eigenlijk al
een miljoen jaar of langer geleden en zal zich in steeds toenemende mate
in de toekomst voortzetten – het hemelse licht van onze innerlijke god
zich in ons en in ons denken belichamen, en ons met zijn eigen glorie
vervullen. Daarna zal onze ontwikkeling veilig en gewaarborgd zijn met
die hemelse leiding die ons hart verlicht en ons brein bezielt. Onze voeten
zullen dan niet meer op het pad struikelen, want we verlichten onze weg
als we omhoog en voorwaarts gaan, steeds hoger en steeds verder, naar
hoogten die we nu zelfs met ons denken niet kunnen bevatten. Dat ligt
vóór ons in het verschiet. Als we ons innerlijk oog opslaan, ons innerlijk
gezicht wenden naar de god in ons, dan verschijnt er een eeuwig stralend
licht, niet van iets buiten ons, maar van de god in en boven elk van ons.
Noem het een Christos, de immanente Christos, noem het de innerlijke Boeddha,
geef het de naam die u wenst. Waar het om gaat is bewust te worden van
zijn heilige tegenwoordigheid. Dan is een mens inderdaad gezegend.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 125-8 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |