De eerste verzen van genesis
Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar de opmerkingen over de joods-christelijke bijbel die hier zijn gemaakt. Ik heb me verbaasd over de opmerkelijke manier waarop veel licht is geworpen op enkele betekenissen van de Hebreeuwse Schrift genaamd ‘Het Boek van het Begin’.
Het is juist dat het woord dat als ‘God’ is vertaald in de Engelse versie [en in andere] en dat in de eerste verzen van het Boek Genesis wordt gebruikt, in het origineel ’elohîm is. Het is een Hebreeuwse meervoudsvorm en betekent ‘goden’, ‘goddelijke wezens’. De monotheďstische Hebreeërs en de monotheďstische christenen die de geschriften overnamen, met andere woorden de Hebreeuwse bijbel van de joden, zeggen dat deze Hebreeuwse meervoudsvorm een ‘pluralis majestatis’ is, ongeveer op dezelfde manier gebruikt als waarop gekroonde hoofden soms over zichzelf spreken: ‘Wij, bij de gratie Gods’, die-en-die – Johannes, Petrus, Jacobus, Willem, of wie ook. Maar in de geschriften zelf is geen enkel bewijs dat dit woord ’elohîm slechts een ‘pluralis majestatis’ is. Taalkundig is het duidelijk een zuivere Hebreeuwse meervoudsvorm.
Hierna zal ik enige verzen citeren, tenmiste de eerste twee verzen uit het oorspronkelijke Hebreeuws en u daarover iets vertellen; maar vóór ik dat doe, wil ik uw aandacht op enkele interessante feiten vestigen. U spreekt over de Hebreeuwse bijbel als het Oude Testament of het Oude Verbond. Beseft u dat die laatste term een oorspronkelijke joodse uitdrukking is en eenvoudig betekent dat bepaalde geschriften, waarvan sommige religieus, sommige halfhistorisch en sommige dichterlijk zijn, en het eigendom waren van een klein Semitisch volk, werden gezien als het bewijs van een oud verbond tussen dit volk en de godheid van hun stam? Andere volkeren in de wereld hebben soortgelijke heilige geschriften, die voor hen even waar en heilig zijn, evenzeer worden gekoesterd en van even grote waarde worden geacht als deze bepaalde geschriften voor de Hebreeërs. Met andere woorden, de Hebreeuwse geschriften zijn niet de enige heilige geschriften van de wereld die werden gekoesterd door het volk bij wie ze ontstonden.
In de tweede plaats is het enige geschrift uit het Hebreeuwse Oude Testament dat, vanuit ons theosofisch standpunt, echt occult, esoterisch is, het eerste boek, zoals deze boeken nu in gedrukte vorm zijn gerangschikt – ‘het Boek van het Begin’; en feitelijk zijn slechts enkele hoofdstukken in het begin van dit eerste boek geheel esoterisch. Dat wil niet zeggen dat sommige van de andere boeken geen mystieke betekenis hebben, zoals het Boek Job. Dat wil ik niet uitsluiten. De zogenoemde Psalmen van David bijvoorbeeld werden geschreven door een dichterlijke geest en elke dichterlijke geest is min of meer een ziener. Maar de echte universele wijsheid van de ‘oosterse kabbala’ vindt men alleen ten volle in de eerste hoofdstukken van het Boek Genesis.
De uitdrukking ‘oosterse kabbala’ betekent ‘oosterse traditie’, want dit woord kabbala (qabbâlâh) is een zelfstandig naamwoord, afgeleid van de Hebreeuwse werkwoordswortel qâbal, die ‘ontvangen’, ‘nemen’, ‘overleveren’ betekent. ‘Oosterse kabbala’ betekent dus de universele ‘oosterse traditie’; en de Hebreeuwse kabbala is de Hebreeuwse vorm van het stelsel van oosterse leringen dat vaak traditionele wijsheid wordt genoemd, die van generatie op generatie van menselijke zieners is overgeleverd. Met andere woorden, de joodse kabbala is de theosofie van de joden; en het is een tamelijk beperkte vorm, of liever één kleinere, nationale weergave van de universele kabbala of de universele traditie van de wereld.
Hier volgt het Hebreeuws, zoals de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst tegenwoordig in woorden is verdeeld en gedrukt:
(1) Berę’shîth bârâ’ ’elohîm ’ęth hash-shâmayim we-’ęth hâ-’ârets.
(2) We-hâ-’ârets hâyethâh thohű wâ-bohű we-hhoshech ‘al-pnęi thehôm we-rűahh ’elohîm merahhepheth ‘al pnęi ham-mâyim.
Bij het eerste woord staan we al voor een moeilijkheid: Hoe moet dit woord worden verdeeld? Ik zal uitleggen wat ik bedoel. In het oude Hebreeuwse schrift volgen de letters van de woorden elkaar op zonder onderbreking, precies alsof u een alinea uit een krant zou nemen, alle ruimten tussen de woorden zou verwijderen, alle leestekens zou verwijderen, zodat de letters elkaar in een ononderbroken rij opvolgen.
Bovendien – en dit is belangrijk – zijn er geen lettertekens voor klinkers in het Hebreeuwse alfabet en om dus ons voorbeeld duidelijk en nauwkeurig te maken, zouden alle klinkers in die alinea uit die krant moeten worden verwijderd, zodat alleen de medeklinkers blijven staan en elkaar ononderbroken opvolgen. Dat geeft aan hoe het oude Hebreeuws werd geschreven.
Als u dus deze reeks aaneengesloten regels voor u heeft, is het duidelijk dat u één zo’n regel, misschien met succes, in een aantal van elkaar verschillende woorden kunt verdelen; en deze eerste twee woorden in het Hebreeuws die ik voor u heb geciteerd, namelijk: berę’shîthbârâ’, kunnen anders worden verdeeld dan gewoonlijk wordt gedaan, bijvoorbeeld: Berę’sh yithbârę’, wat vertaald, een volkomen andere betekenis heeft.
De gebruikelijke verdeling Berę’shîth bârâ’ ’elohîm betekent: ‘In het begin beeldhouwden (of sneden of vormden) de ’elohîm’ – de twee hemelen en de aarde. De andere verdeling van de Hebreeuwse letters: Berę’sh yîthbârę’ geeft een totaal andere betekenis. Rę’sh of ro’sh betekent hoofd, wijsheid, kennis, het hogere deel, de eerste in een reeks; en het woord yithbârę’ is de wederkerige vorm van het werkwoord bârâ’, en betekent ‘zichzelf maken’ – tot de twee hemelen en de aarde. Met andere woorden, de betekenis van de op die manier verdeelde eerste twee woorden is dat de goden of kosmische geesten, door wijsheid, door kennis, door de voornaamste of eerste vormende krachten te zijn, zichzelf maakten tot de hemelen en de stoffelijke sfeer.
‘Hemelen’ – shâmayim – een dualis, pluralis, niet één, een reeks; ’erets of ’ârets – de ‘wereld’, vertaald ‘aarde’ waarvan de christenen menen dat het deze kleine aarde van ons is, wat later werd uitgebreid tot het heelal toen ze begrepen dat de sterren niet langer kleine lichtpuntjes waren die daar waren aangebracht, maar oogverblindende stralende zonnen, waarvan vele groter zijn dan de onze. ’ârets betekent de lichaamssfeer, de stoffelijke sfeer.
U ziet hoe we een volslagen andere interpretatie kunnen krijgen door de reeks of rij Hebreeuwse letters op deze tweede manier te verdelen.
De Engelse vertaling, de zogenaamde ‘Authorized Version’, is het Engelse volk dierbaar op grond van religieuze herinneringen uit de jeugd en misschien ook omdat de Engelse taal uit de tijd van Koning Jacobus de Engelsen van nu krachtiger toeschijnt dan het gebruikelijke Engels in onze tijd, maar ze mist volkomen de juiste geest van het mystieke Hebreeuwse origineel; en het feit alleen al dat de Engelsen zoveel van de ‘King James’s version’ [een bijbelvertaling uit 1611] houden, leidt hun aandacht af van de oorspronkelijke mystieke betekenis van het Hebreeuwse geschrift. Kijk dus naar de oorspronkelijke taal en vraag aan een kenner wat de wezenlijke betekenis van het Hebreeuws is.
Als ik hoor dat sommigen van deze goede mensen, die zoveel spreken over ‘numerologie’, die naar ze menen in de Hebreeuwse geschriften voorkomt, en die denken dat door het aantal woorden te tellen in de Engelse vertaling en het aantal hoofdstukken in een van de geschriften, of het aantal zinnen in een hoofdstuk, of het aantal woorden in een zin, ze tot de oplossing kunnen komen van wonderlijke mysteriën of het geheim van occulte waarheden kunnen ontdekken, voel ik me altijd gedrongen en gedwongen te zeggen dat ze vergeten dat ze een vertaling gebruiken, en bovendien een heel onvolmaakte vertaling, van iets dat in de oorspronkelijke taal geheel verschilt van wat zij veronderstellen: want er waren geen hoofdstukken en geen verzen en geen leestekens zoals komma’s, punten, puntkomma’s of hoofdletters – in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst – niets dan aaneengesloten regels of reeksen van letters over de pagina’s van de oorspronkelijke boeken.
Aan welke vertaling geeft u de voorkeur, de gebruikelijke en, als ik dat zeggen mag, de onjuiste versie: ‘In den beginne maakte God de hemel en de aarde’, of de andere vertaling die eveneens beantwoordt aan het oorspronkelijke Hebreeuws en die verder het voordeel heeft geheel overeen te stemmen met de universele traditie, namelijk: ‘In wijsheid (of in een groot aantal, in gezelschap, als een menigte) beeldhouwden (of vormden) de goden’ uit al vooraf bestaand materiaal (want de oorspronkelijke Hebreeuwse werkwoordswortel bârâ’ betekent ‘snijden’, ‘kerven’, niet ‘scheppen’) ‘de hemelen en de stoffelijke sfeer’; wat als men het goed begrijpt het volgende betekent: ‘In het begin van het manvantara werden de goden de geestelijke en de stoffelijke gebieden’.
Het Hebreeuwse verhaal van de zogenaamde schepping is eigenlijk een kort weergegeven verslag van de ontwikkeling uit zaden, kosmische zaden, die al in de ruimte bestonden, door de kracht van de inwonende geestelijke vuren. Een nauwkeurige analogie hiervan vinden we in de manier waarop een mens wordt geboren uit een microscopisch klein menselijk zaad, een cel, en uitgroeit tot een mens van 1 meter 80 door de krachten die in hem besloten liggen.
Op die manier ontstonden de werelden. Ik vraag me af waarom zovelen nooit hebben beseft wat er, volgens hun theorie, moet zijn geweest vóór de almachtige God het heelal, de wereld schiep? God is geen timmerman of, zoals de Grieken zeiden, geen demiurg, geen bouwer. De godheid is de inwonende geest van vuur en liefde en intelligentie en bewustzijn – de bron van alles: atoom en mens, zon en dier, bloem en steen. Alle kunnen worden teruggevoerd tot de goddelijke bron, tot hun groei van binnenuit.
Volgens het Hebreeuwse verslag van de schepping was het dus zó dat de goden, de geestelijke wezens, de kinderen van het goddelijke, embryo-goden waren, nog niet volwassen, babygoden als het ware, onontwikkeld; maar de goden van onze wereld, of onze melkweg bijvoorbeeld, waren het leidende, bezielende vuur van leven en intelligentie dat onze melkweg, onze aarde deed ontstaan. Dat is het hele verhaal en het Hebreeuws zegt niet één woord over een buitenkosmische god die de wereld schiep. Dit verkeerd vertaalde woord ‘god’, laat ik dat benadrukken, is in het Hebreeuws een meervoud: ’elohîm, wat betekent goden, goddelijke wezens, geestelijke wezens, schepselen van liefde en vlammend denken, kinderen van het onbegrijpelijke goddelijke, dat de bron van het heelal is waaruit ze tevoorschijn komen; als hun evolutiereis is voltooid zullen ze weer in de onpeilbare diepten daarvan verzinken in onuitsprekelijke vrede, om later daaruit weer tevoorschijn te komen om in de loop van de zich ontwikkelende eonen eerst mensen te worden, dan goden en dan supergoden, wat opnieuw zal worden gevolgd door een periode van goddelijke rust, met daarna een nieuw verschijnen van kosmische activiteit; maar steeds en eindeloos groeiend.
In de eerste twee of drie hoofdstukken van ‘het Boek van het Begin’, waarover in Europese landen gewoonlijk wordt gesproken als het Boek Genesis, wat een Grieks woord is met de betekenis van beginnen of worden, vindt u de oude wijsheid van de mensheid. De rest van de bijbel, alle overige delen van het Hebreeuwse Oude Testament zijn eenvoudig plaatselijke, nationale, traditionele verhalen, zonder veel of enige esoterische betekenis.
Het Nieuwe Testament, dat het tweede deel van de christelijke bijbel is, bevat, als men het letterlijk leest met zijn zesendertigduizend en zoveel honderd verkeerde vertalingen van het Griekse origineel, zoals die voorkomen in de ‘Authorized Version’ of de ‘King James’s version’, niet meer oude en esoterische wijsheid dan de boeken van het Oude Testament. Wat het bevat aan oude wijsheidsreligie van de mensheid is het verhaal, mits esoterisch opgevat, van een inwijdingscyclus, met als centrale figuur de grote Syrische ingewijde Jezus.