De oorsprong van goed en kwaad
De orthodoxe joodse rabbi’s verklaarden dat de oorsprong van het kwaad in de wereld de scheppingsdaad van Jehova was en ze verwezen naar hun beroemde oude profeet Jesaja (45:7):
‘ik . . . formeer het licht en schep het duister; ik sticht vrede en schep het kwaad; ik, de heer, doe al deze dingen.’
De joodse rabbi’s zeiden daarom dat de oorsprong van het kwaad ligt in een godsbeschikking. Adonai, de Heer, schiep het.
Een theosoof weet hoe dit moet worden geďnterpreteerd in de zin waarin de profeet Jesaja – of hij die schreef uit naam van de profeet Jesaja – het had bedoeld. Maar als u de uitspraak accepteert in de oppervlakkige betekenis, beseft u dan in welke impasse u logisch redenerend verzeild raakt? Het kwaad is in de wereld omdat het door de Heer werd geschapen. Daarom is het kwaad een goddelijke beschikking en gerechtvaardigd, en als er kwaad is in mijn hart is dat door de Heer geschapen want ‘ik, de Heer, doe al deze dingen’. Als het joodse heilige boek goddelijk is geďnspireerd, woord voor woord, dan ziet u waar dat toe leidt. Overigens waren de christenen, zelfs in die begintijd, veel te verstandig en voorzichtig om de oppervlakkige betekenis van deze uitspraak in Jesaja te accepteren.
Enkele weken geleden, toen ik dit citaat uit Jesaja opzocht in de Hebreeuwse bijbel en het oorspronkelijke Hebreeuws nasloeg, ontdekte ik dat de Engelse ‘Authorized Version’ de kracht van het oude Hebreeuws versluiert; daarin is als vorm van het hoofdwerkwoord voor de goddelijke activiteit overal het tegenwoordig deelwoord gebruikt. Dus met deze werkwoordsvorm luiden ze: ik ben formerende het licht en scheppende het duister, nu in het heden. Ik ben vrede stichtende en kwaad scheppende. Ik, Jehova, ben nu deze dingen doende. – De gedachte is niet dat goed en kwaad eens en voor altijd ergens in het verleden werden geschapen, maar dat het een voortgaand proces is. De bedoeling is duidelijk; het is een mystieke uitspraak, bedoeld om te worden uitgelegd als het langzame evolutionaire uitstromen uit de schoot van het goddelijke van de menigten evoluerende schepsels, entiteiten, dingen, voortgestuwd door karmische impulsen uit het verleden; zodat al wat is, in een voortdurend proces is van voortbrenging en evolutie: voortdurende avonturen van het onvolmaakte naar het volmaaktere, van het slechte naar het beste, het beste dat kan worden bereikt. Het betekent niet dat een buitenkosmische god eens en voor altijd goed en kwaad schiep en de wereld aan het draaien bracht en dat mensen niets anders zijn dan hulpeloze wezens daarin, geketend door een ondoorgrondelijk goddelijk lot.
Dit is een moeilijke theosofische leer die toch helpt het beeld te completeren, hoe vaag ze ook moet worden uiteengezet. Het moet duidelijk zijn en een heel eenvoudige conclusie, dat de belangrijke leringen van de verschillende religies en filosofieën van de wereld, over de hiërarchieën van dhyâni-chohanische of goddelijke of engelachtige wezens, ergens op moeten zijn gebaseerd; deze wezens zijn deels goed en deels wat men slecht noemt, met andere woorden meer en minder volmaakt; aan die conclusie is niet te ontkomen. Als u eenmaal het beeld voor u ziet van deze legers van evoluerende wezens die als het ware voortkomen uit het hart van het goddelijke na hun lange slaap in pralaya, om een nieuwe evolutieperiode van ontwaken te beginnen in een nieuwe wereldperiode, dan ziet u dat zich daaronder wezens moeten bevinden in allerlei stadia van evolutie: van wat voor ons zonder meer goddelijk is tot aan het minst ontwikkelde levenscentrum.
Omdat bovendien de natuur zichzelf verdeelt in hiërarchieën of familiegroepen, moet er aan het hoofd van elke hiërarchie een individuele godheid staan die daarvan als het ware de hiërarch is, zoals de president van een republiek of de koning van zijn koninkrijk. Er moeten daarom in de universele natuur geestelijke, zeer geestelijke en goddelijke wezens bestaan, in allerlei graden van evolutionaire ontwikkeling. Met andere woorden, we zijn omringd door een ‘wolk van getuigen’, om de woorden van Paulus te gebruiken en dat zijn goddelijke, geestelijke, stoffelijke en substoffelijke wezens. Ze worden engelen of aartsengelen of dhyâni-chohans of deva’s genoemd of wat al niet. De naam doet er niet toe. Het belangrijkste om te onthouden is dat ze bestaan en het is daarom duidelijk dat als ons hoofd en hart zich wenden in de richting van de zonen van licht, of omgekeerd naar het pad van de linkerhand, in de richting van de kinderen van het duister – geen demonen, geen duivels, eenvoudig onvolmaakt ontwikkelde wezens – kunnen we met de eersten of laatsten in aanraking komen; van de eersten ontvangen we een geweldige inspiratie en hulp; van de laatsten het gevoel van aantrekking tot de ‘hel’. Dat is de reden dat sommige oude religies, die heel diepzinnig waren, engelen, aartsengelen en wat al niet vereerden, zoals de vroege christenen deden. En als verering waardering betekent en niet aanbidding [Het Engels luidt: ‘if worship means ‘worthship’, not adoration’, een woordspeling die in het Nederlands niet is te vertalen.] , wat met smeekbeden te maken heeft, dan is dat een verheffende zaak: het ‘waarderen’, vereren van de kinderen van het licht, onze voorgangers op het pad dat omhoogvoert.