Maan- en agnishvatta pitri's
Er is één belangrijk punt, waarop ik uw aandacht wil vestigen. Ik heb vaak gemerkt dat er verwarring schijnt te bestaan over de verschillende klassen van dhyani-chohans. Sommige onderzoekers schijnen te denken dat die dhyani-chohans, waarvan wordt gezegd dat zij het 'scheppende vuur' bezitten, de hoogste zijn, en zij zijn kennelijk misleid door het woord 'scheppend' in de uitdrukking 'scheppend vuur'.
In werkelijkheid behoren deze dhyani-chohans echter tot de laagste in de dhyani-chohanische hiërarchie. De reden daarvan is duidelijk. Zuivere geest per se kan helemaal niet in de stof werken, omdat zuivere geest zo ver boven het stoffelijke bestaan is verheven. De geest is; hij kan niet rechtstreeks vormen in de lagere werelden voortbrengen of erover heersen. Tussen geest en deze lagere werelden bevinden zich de andere klassen van de dhyani-chohanische hiërarchie die de schakels vormen tussen de twee en die de geestelijke energieën en krachten naar de lagere wereld overbrengen. Alleen op die manier kan geest op de stof inwerken: indirect door overdracht maar niet rechtstreeks op het stoffelijke bestaan. Het zijn die entiteiten van de lagere graden die in de gebieden van de stof werken en de krachten bezitten en gebruiken die voor die stoffelijke gebieden geschikt zijn; en een van deze krachten is het astraalstoffelijke 'scheppende vuur'.
De maanpitri's, die één klasse van dhyani-chohans vormen – een van de vier stoffelijke klassen – bezitten dit 'scheppende vuur'; en wie zijn de maanpitri's? Dat zijn die entiteiten die, toen de maanketen zijn evolutie had voltooid, niet het hogere dhyani-chohanschap hadden bereikt en die daarom de nieuwe keten binnengingen, het kind van de maan, en die na verloop van tijd de mensheid van die nieuwe keten werden – onze aardse planeetketen.
Dat zijn de maanpitri's en bedenk dat zij tot de vier lagere klassen van de dhyani-chohanische hiërarchie behoren.
De agnishvatta-pitri's daarentegen zijn die dhyani-chohans die niet het stoffelijke 'scheppende vuur' bezitten, omdat zij tot een veel hogere bestaanssfeer behoren; maar ze bezitten alle vuren van de geestelijk-intellectuele gebieden. De agnishvatta-pitri's zijn degenen die in vorige manvantara's hun evolutie in de gebieden van fysieke stof voltooiden en die, toen voor de evolutie van het lagere het juiste moment was aangebroken, diegenen te hulp kwamen die alleen het stoffelijke 'scheppende vuur' bezaten, en ze inspireerden en verlichtten deze lagere pitri's met geestelijke en intellectuele energieën of 'vuren'.
De agnishvatta's zijn de geestelijk-intellectuele delen van ons en zijn daarom onze innerlijke leraren. De maanpitri's aan de andere kant zijn de onvolledige dhyani-chohans, vanuit het geestelijk-intellectuele standpunt onvolledig ontwikkeld toen ze de maanketen verlieten en zich op aarde belichaamden; en wij, als mensen, zijn deze maanpitri's – als mensen, zeg ik, wat betekent wezens met een menselijk gevoel, met een menselijk instinct – en die kennelijk niet behoren tot het hogere deel van onze constitutie.
Het is duidelijk dat zij dus niet een heel hoge rang in de dhyani-chohanische hiërarchie innemen.
De maanpitri's zijn met andere woorden dat deel van de menselijke constitutie dat menselijk voelt, dat instinctief voelt en dat de vermogens van het stoffelijke brein bezit. De agnishvatta-pitri's zijn hogere delen van onze constitutie dan de genoemde, omdat de agnishvatta-pitri's die elementen in onze constitutie zijn die geestelijk-intellectueel licht en dus 'vuur' bezitten.
Als deze aardse planeetketen het einde van zijn zevende ronde heeft bereikt, zullen wij, omdat we dan de evolutionaire reis voor deze planeetketen hebben voltooid, deze planeetketen als dhyani-chohans, agnishvatta's verlaten; maar de andere, die nu achter ons aankomen – de huidige dieren – zullen, als ik dezelfde term als hierboven mag gebruiken, de maanpitri's van de volgende planeetketen zijn; en deze uitdrukking toekomstige maanpitri's is goed gekozen omdat de huidige planeetketen, de aardketen, dan de zevenvoudige maan van die nieuwe keten zal zijn.
Ik hoop dat u deze opmerkingen heeft begrepen. Ik zal in het kort herhalen wat ik heb gezegd: Die entiteiten die het 'scheppende vuur' bezitten behoren tot de vier lagere klassen van de dhyani-chohanische hiërarchie; en zij die niet het stoffelijke 'scheppende vuur' bezitten (wat wil zeggen het scheppende vuur van de stoffelijke werelden) zijn degenen die te hoog zijn voor onmiddellijk of rechtstreeks werk in de fysieke stof, en hebben daarom helemaal geen directe verbinding met deze materiële gebieden. Deze laatsten zijn de agnishvatta's. Zij zijn goden en ze zijn onze hogere ego's. Zij waren op hun beurt maanpitri's in een vroeger manvantara. Nu zijn ze agnishvatta-pitri's geworden.
U ziet dus hoe elke klasse van wezens in elk nieuw manvantara de eerstvolgende en hogere trede van de evolutieladder bereikt.