![]() | ![]() |
![]() |
| Over absoluut licht
Vraag – Wilt u wat meer licht werpen
op de werkelijke betekenis van de uitspraak in de stanza’s van Dzyan over
duisternis: ‘Duisternis alleen vulde het grenzeloze al’? Strikt gesproken
betekenen deze woorden dat er niets dan duisternis was. Vraag: Wat is
deze duisternis en wat is licht? E.D.W. – Zoals ik het begrijp is duisternis de
toestand van het heelal tijdens pralaya of voor de dageraad; en er is
licht wanneer de stralen van mahat of de universele intelligentie tot
manifestatie komen. Zoals een zonnestraal zich als licht toont bij het
bereiken van het aardse gebied, zo wordt elke straal van de monadische
essentie licht op elk gebied van manifestatie waarop hij zich belichaamt. G. de P. – Ik denk dat het hier om een bijzonder
belangrijk punt gaat. Ik moet denken aan de passage in de eerste verzen
van Genesis: ‘Duisternis is op de afgrond’. ‘Duisternis’ is de
ouder van het daglicht. Die ‘duisternis’ betekent iets van subtielere
aard en iets essentiëlers, dat dieper tot in het wezen van de dingen gaat.
‘Licht’ kan er alleen zijn als er sprake is van manifestatie en differentiatie
– want dat is ‘licht’. Als er differentiatie is betekent dat contrast
van schaduwen, wat verscheidenheid van licht betekent. Daarom wil ‘duisternis’
in dit verband zeggen absolute geest, wat voor ons ontoereikende en onvolmaakte
menselijke intellect iets is wat we ook absoluut licht kunnen noemen;
maar voor ons gewone bewustzijn is het duisternis. Ik moet weer denken
aan het gezegde van Pythagoras over de kosmische monade die zich terugtrekt
in ‘duisternis’ en ‘nacht’, d.w.z. in de diepe afgrond van de kosmische
geest. Ik breng dit punt naar voren omdat ik denk dat het velen kan helpen
die pas theosofie bestuderen en die woorden misschien verkeerd uitleggen
door ze letterlijk te nemen en denken dat het zoiets is als een gewone
nacht, een nacht na de dag – het ontbreken van daglicht; maar ook wij
weten dat wat we ‘nacht’ noemen eenvoudig is doorweven met allerlei stralingen
en één octaaf daarvan noemen wij mensen licht. O.T. – Mijn idee is dat duisternis zoals het in
de stanza’s wordt gebruikt ongericht bewustzijn is, bewustzijn waaruit
de intelligentie zich heeft teruggetrokken. We moeten bedenken dat bewustzijn
zuiver licht is. Bewustzijn heeft twee aspecten: geest en stof, die zijn
beide polen zijn. Het geestelijke aspect is het ruimte-aspect, het stoffelijke
aspect is het bewegingsaspect; maar er kan geen handeling zijn als deze
twee niet zijn verenigd, en daar is intelligentie voor nodig – en de intelligentie
slaapt, en dus is er duisternis. H.T.E. – Ik heb deze gedachte. Vergelijk dit eens
met de temperatuur. Temperatuur is verdeeld in warmte en koude, en als
we het over temperatuur hebben, denken we aan warmte of koude. Wat zijn
licht en duisternis? Het zijn verschillende aspecten – van wat? H.A.W. – Het doet mij denken aan de methode die
natuurkundigen gebruiken bij het splitsen van atomen en het bestuderen
van elektronen en protonen en wat al niet, aan de hand van het spoor dat
hun licht maakt als het over een gevoelige fotografische plaat gaat. Deze
wetenschappers hebben als theorie dat stof bestaat uit verdichte elektrische
ladingen. In onze theosofische studies is ons gezegd dat licht etherisch
geworden stof is; of, we zouden kunnen zeggen, stof is verdicht licht.
We vinden, ik geloof in de Beginselen, de uitspraak dat wat wij
als de zon zien niet de zon is maar zijn fotosfeer, die bestaat uit een
hogere graad van stof die wij als licht zien. Licht schijnt stof te zijn
en stof schijnt licht te zijn. Maar zelfs als we zeggen, om de moderne
wetenschappelijke theorie over te nemen, dat stof uit elektrische ladingen
bestaat, schijnt niettemin de corona of het licht dat soms aanwezig is
rond hoogspanningsdraden, vonken, bliksem, en zelfs de Aurora Borealis
of magnetische lichten, erop te wijzen dat elektriciteit het stadium is
tussen stof en licht. Het lijkt mij dus dat manifestatie kan worden gezien
als licht. Zuivere geest kan daarom worden gezien als zuivere duisternis.
Licht schijnt in alles en overal te zijn en duisternis is het ontbreken
van stoffelijke manifestatie. Ik denk dat dit de gedachte is achter de
uitspraak in de stanza’s. G.K. – Zouden we duisternis kunnen opvatten als
de pralaya van licht of als dat ongemanifesteerde iets dat, als het op
zijn aangewezen tijd door het layacentrum gaat, licht wordt? G.L.D. – Er kan geen licht zijn als er niet
iets is dat het terugkaatst en de stofzijde van de dingen is de weerspiegelende
kant. Als geest en stof, licht en duisternis, samenwerken is er differentiatie. O.T. – Ik denk dat er een misverstand bestaat over
de relatie tussen licht en duisternis. We beschouwen ze als tegenstellingen
zoals de meeste mensen leven en dood bezien; maar leven en dood zijn geen
tegenstellingen. Geboorte en dood zijn tegenstellingen. Het leven is niets
anders dan leven. Het leven bestaat altijd. Het leven zelf valt niet in
slaap; en duisternis is het ontbreken van dat wat licht voortbrengt; en
dat wat licht voortbrengt is handeling; en als er sprake is van handeling
is er licht, warmte en geluid, alle drie tegelijk, wat drie aspecten van
handelen zijn. Licht staat in dezelfde relatie tot handelen als tijd.
Licht, warmte en geluid zijn fysisch gezien drie kenmerken die zich in
de stoffelijke natuur als grootheden voordoen. Licht is niet een ding.
Daarin vergist de moderne wetenschap zich juist zo verschrikkelijk. E.D.W. – De Geheime Leer omschrijft tijd
als een lijn van bewustzijn in de oneindige duur. Misschien kunnen we
op dezelfde manier zeggen dat licht een lijn van bewustzijn is in de oneindige
duisternis, want we lezen in deze stanza over het ‘ontwaken’, dat trilling
de duisternis doordringt. In een van zijn graden geeft trilling licht,
in een andere geluid, waarover wordt gesproken als het Woord, de logos,
en in een van onze heilige geschriften lezen we dat het Woord licht wordt;
en misschien geeft dat een helder idee van duisternis dat evenals duur
eeuwig bestaat. A.B.C. – Het enige wat wij beperkte wezens kunnen
begrijpen is iets anders dat eveneens gemanifesteerd is, en dat binnen
ons bijzondere gebied van manifestatie valt. Alles wat zich buiten ons
waarnemingsgebied bevindt, alles buiten het gebied van manifestatie waarop
wij ons bevinden is voor ons ongemanifesteerd. Wat binnen onze waarneming
valt is licht. Wat zich buiten onze waarneming of ons begrip bevindt is
voor ons duisternis. Deze woorden die in de stanza’s worden gebruikt zijn
voor een groot deel figuurlijk –gebruikt als een middel om ons te helpen
begrijpen wat zich buiten de beperkingen van ons verstand bevindt. Voor
ons intellect is dat fundamentele beginsel achter het gemanifesteerde
zonnestelsel niet te begrijpen, vandaar dat het duisternis wordt genoemd.
Maar voor onze intuïtie, die boven de intellectuele beperkingen uitgaat,
is het absoluut licht. Voor het ‘geopende oog van de dangma’, wat wil
zeggen het volledig verlichte of ontwaakte menselijke intuïtieve waarnemingsvermogen,
is het absoluut geestelijk licht. G. de P. – Ik heb, als ik naar uw gesprekken
luister, altijd het gevoel dat ik iets leer; maar één gedachte trof mij;
na te hebben geluisterd naar dit gesprek kreeg ik als het ware op de achtergrond
van mijn denken het gevoel dat er sprake is van een misverstand, mogelijk
bij ons allen, over wat we bedoelen als we over licht spreken. Ik wil
dit met enige nadruk onder uw aandacht brengen. Veel mensen schijnen te
denken dat licht verlichting is, op grond van het feit dat wanneer we
een schakelaar omdraaien of op een knop drukken er licht ontstaat, dat
ons verlichting brengt. Verlichting is weerkaatste straling die ligt binnen
die golflengten die ons oog door zijn ontwikkeling kan waarnemen. Dat
is slechts één octaaf licht, bij wijze van spreken, of misschien twee
of drie octaven. Maar dat is niet werkelijk licht, het is niet meer dan
verlichting die door licht ontstaat.
Licht is onzichtbaar; licht per se is duisternis.
Licht is straling, een energie, een kracht; en we zien straling pas wanneer
ze wordt weerkaatst door dingen, en verlichting wordt. Neem het licht,
de straling die uit de zon stroomt, die glorieuze bol. Op zijn gang door
de ruimte verlicht het pas als zijn stralen een voorwerp treffen dat de
straling weerkaatst; en we noemen die weerkaatsing verlichting, of zoals
gewoonlijk: licht. Het licht van de zon is onzichtbaar, per se.
Het is duisternis. Is die gedachte duidelijk? Pas wanneer de straling
door een voorwerp wordt weerkaatst kunnen we licht zien als verlichting,
en alleen dan wanneer die weerkaatsing wat trillingsgetal betreft binnen
een bepaald, zeer klein gebied van de trillingsschaal ligt, een heel klein
deel; en daarom sprak H.P.B. over absoluut licht, straling per se,
of de stralingssubstantie als ‘duisternis’. Ze zijn hetzelfde.
Als er bijvoorbeeld in het zonnestelsel geen planeten
waren, of planetoïden, of meteoren, of manen, of kometen, of een ander
weerkaatsend lichaam, en een hemelse magiër kon plotseling door een of
andere wonderlijke magische handeling ergens in het zonnestelsel een reflecterend
voorwerp plaatsen, dan zou het waarnemend oog plotseling een flits zien,
als tenminste dat oog de stralingen kon opvangen, overbrengen naar het
ontvangende brein en ze interpreteren.
Wij zien het licht van de zon als verlichting; we zien
het licht van de elektrische stroom omdat het op een bepaalde manier naar
ons wordt overgebracht, voorwerpen raakt en naar het oog wordt teruggekaatst.
Dat is verlichting; we zien verlichting; maar licht per se is straling,
een energie, een onzichtbare kracht, een trilling. Daarom betekent verlichting
materie, want er kan alleen sprake zijn van verlichting wanneer straling
wordt weerkaatst van het ene ding naar het andere, wanneer er differentiatie
is.
Daarom is de essentiële betekenis van ‘duisternis’ in
de stanza’s in de G.L. homogeniteit van substantie of essentie. Verlichting
ontstaat als er heterogeniteit of differentiatie is. Verlichting verwart,
is vaak verblindend, misleidend. Er zijn veel soorten licht, verschillende
nuances of graden van licht: zonlicht en maanlicht, sterrenlicht en lamplicht,
en het licht van de glimworm, het licht van bolbliksem of van een vuur
– veel soorten licht. Maar al deze soorten zijn die vorm van licht die
we illuminatie of verlichting noemen. Straling per se, wat absoluut
licht is, is onzichtbaar.
De essentiële betekenis van duisternis in de stanza’s
is dus homogeniteit van substantie; en dat is hetzelfde als geest, als
we de manier volgen waarop deze stanza’s zijn geschreven. Al wat tot geest
terugkeert wordt opnieuw homogeen, absoluut; en wat uitgaat van homogeniteit
naar heterogeniteit differentieert en brengt lichtgeving, verlichting
voort, weerkaatst licht. Het is heel mooi omdat al het zijn mooi is; het
is allemaal het magische werk van de geest en als wij het wonderlijke
mysterie, het wonder, konden zien achter wat de christenen in onwetendheid
bedoelen met de Christus, dan zouden we voortdurend in ontzag verkeren;
maar toch is het de geëvolueerde of ontplooide geestzijde van het heelal,
die alles doordringt, de heterogene zijde, gedifferentieerd in vele wezens
en dingen, wat ‘licht’ voortbrengt zoals die term in mystieke geschriften
wordt gebruikt. Essentieel licht of straling per se, om een moderne
wetenschappelijke term te gebruiken, is dus de oorzaak; verlichting
of weerspiegeling of anders gezegd het stromen van energie van het ene
wezen of ding naar een ander wezen of ding, is het gevolg. We hebben
hier dus een paradox: Mystieke duisternis is absoluut licht; gedifferentieerd
licht of verlichting is feitelijk de schaduw of duisternis van absoluut
licht.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 201-5 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |