Onderwerpen uit De Mahatma Brieven
Volgens mij heeft Trevor Barker er goed aan gedaan deze brieven te publiceren. Het is waar dat de meesters in één of misschien zelfs twee van hun mededelingen hebben gezegd dat deze brieven niet voor publicatie waren bestemd. Maar we moeten in dit soort zaken ons gezonde verstand gebruiken en beseffen dat deze mededelingen werden geschreven aan mannen en vrouwen voornamelijk tussen 1880 en 1884. Veel van deze mannen en vrouwen – misschien wel allen – zijn nu dood. De persoonlijke problemen die veroorzaakt hadden kunnen worden door publicatie ervan, toen de ontvangers van deze brieven nog leefden, bestaan nu niet meer of kunnen niet meer bestaan.
Ik vind het heel unfair dat enkelen van dr. Barker's critici, omdat ze het met de publicatie van dit prachtige boek niet eens zijn, munt slaan uit wat in wezen niet verkeerd was, zoals het gezonde verstand zou moeten aantonen, maar juist heel goed. Er is te veel quid pro quo discussie geweest over de eerste brieven van de leraren – wat de leraren wel en niet zeiden. Er zijn mij zelfs gevallen bekend van bepaalde personen die beweerden deze berichten te bezitten of te hebben gelezen en ze als moker probeerden te gebruiken om die op het hoofd van een of andere tegenstander te laten neerkomen of om hem uit te schakelen. Ik denk dat dr. Barker er goed aan heeft gedaan ons de woorden van de meesters zelf te geven, omdat in dit boek geen alinea is te vinden die iemand zou kunnen grieven, maar juist heel veel dat bijzonder nuttig is.
Ik wil nog verdergaan en zeggen dat ik me er zeer over verheug dat we in deze Mahatma Brieven een middel hebben om aan de hand van de woorden van de meesters zelf na te gaan of deze Theosophical Society, of die of die, op de juiste weg is . . . Eigenlijk denk ik dat de publicatie van dit boek een van de beste dingen is in de geschiedenis van de moderne theosofische beweging en ik zou willen dat elke ware theosoof erover beschikt om het te bestuderen, en steeds weer te bestuderen.
– Opmerkingen gemaakt door G. de Purucker bij het beantwoorden van vragen op de conventie van de Theosophical Society in Den Haag, juli 1933.