Elementalen en elementaren, enz.
Betreft: Brief 15, blz. 106-8.

Ik zou toelichting willen geven op de uitspraak die werd aangehaald uit De Mahatma Brieven over de opmerking van de leraar dat er elementalen zijn die nooit mens worden. Dit zegt ons twee dingen: (1) dat elementalen mensen worden en (2) dat er een zekere klasse van elementalen in ons manvantara bestaat die niet de tijd hebben om mens te worden in het resterende deel van dit manvantara. Ze hebben de tijd niet om de evolutionaire ladder te beklimmen via de verschillende rijken tot het rijk van de mens is bereikt. Ze worden mens in het volgende manvantara of misschien in het manvantara daarna. Eens zullen ze mens zijn. Alle elementalen worden mens. De mens als rijk is een doel waar alle rijken onder het mensenrijk naar uitzien en naar streven; en in de loop van de evolutie streeft elke monade, die in een stadium verkeert lager dan de mens, ernaar te evolueren, zich te ontwikkelen om tenslotte mens te worden.
In dit verband wil ik een waarschuwend woord laten horen; misschien is het de meesten van u opgevallen, maar niet allen. Het heeft betrekking op het woord elementaar en de schijnbaar bijna identieke betekenis die H.P.B. of de meesters soms geven aan de twee woorden 'elementaal' en 'elementaar'. De reden daarvoor was deze: in de begintijd – en bedenk dat we nu teruggaan naar de vroegste dagen van de Theosophical Society – was onze vocabulaire nog niet voldoende omschreven en ook nog niet uitgebreid genoeg. In die begintijd werden woorden gebruikt die later werden afgeschaft, zoals 'ringen' in verband met de ronden en rassen. Het woord 'ringen' werd tenslotte niet meer gebruikt in de theosofie.
Het woord 'elementaar' werd in die begintijd door onze theosofische schrijvers, voornamelijk de meesters en H.P.B., overgenomen uit de geschriften van de kabbalisten en ook uit de onvolmaakte geschriften van âliphas Lévi, de Franse abt en kabbalist. Deze kabbalisten bedoelden met 'elementaar' verschillende dingen, maar in het algemeen wat theosofen nu 'elementaal' noemen. Een ziel van een elementaal noemden ze een ziel van een elementaar, of kortweg een elementaar. Dat is de reden waarom de twee woorden soms door elkaar worden gebruikt. Woorden die toen als bijna synoniem werden gebruikt, gebruiken we nu niet meer op die manier.
Later, ik denk dat het voornamelijk te danken was aan het werk van H.P.B., werd het woord 'elementaar' gereserveerd en kreeg het een specifiek technische betekenis die we nu allen kennen. Er is een bijzondere betekenis die we zelfs nu kunnen toekennen aan het woord elementaar – en trouwens, als u dat woord opzoekt in H.P.B.'s Theosophical Glossary, ziet u wat zij over juist dat punt heeft te zeggen – een bepaalde veelzeggende en occulte betekenis die we aan 'elementaar' kunnen geven, geheel los van de technische betekenis die we er nu in de regel aan toekennen. We moeten teruggaan naar de vroege vuurfilosofen, die zeiden dat de elementen in de natuur vol bewoners waren. Met andere woorden, in de taal van deze tijd, elk kosmisch gebied heeft zijn eigen bewoners die geschikt zijn voor dat kosmische gebied, maar volkomen ongeschikt voor elk ander kosmisch gebied; zo zouden wij mensen niet onder water kunnen leven zoals vissen of walvissen. We zijn als het ware niet toegerust voor dat milieu, dat medium, dat kosmische gebied.
Door terug te gaan naar deze oorspronkelijke betekenis van de vuurfilosofen, een volkomen juiste betekenis, zouden we ook nu nog kunnen zeggen dat een elementaar in deze andere betekenis een elementale ziel is, en deze wordt specifiek zo genoemd om aan te geven dat ze de sporten van de ladder van het leven stap voor stap beklimt. Bij elke trede hoger is ze een meester, tenminste relatief gezien, vergeleken met wat ze onder zich heeft gelaten en een elementaar vergeleken met wat er boven is. Dat was de manier waarop de kabbalisten en âliphas Lévi en de oorspronkelijke vuurfilosofen spraken over wat wij nu elementalen noemen of de wezens of schepsels of bewoners van de zeven fundamentele kosmische elementen, alle op weg mens te worden, op weg zoals wij dat nu zijn om supermenselijk te worden, daarna goden en dan nog hoger. In deze zin zijn wij elementaren vergeleken met de goden. Zij zijn elementaren voor de supergoden.
Ik denk dat er veel verwarring is ontstaan in het denken van sommige lezers van dit prachtige boek dat we nu bestuderen, door deze kleine historische feiten te negeren en te vergeten dat in die tijd nog geen onderscheid werd gemaakt tussen de woorden 'elementalen' en 'elementaren'.
kamarupa's – hun lot
Als men het kamarupa, dat ons astrale lichaam is na de dood, vergelijkt met ons stoffelijk lichaam, dat ons stoffelijk lichaam is tijdens dit aardse leven, dan zal men inzien dat beide voertuigen zijn en worden bezield door monaden of een centrum van bewustzijn en dat beide kort na de dood ontbinden. Maar de groep eigenschappen die mijn lichaam vormen, mijn stoffelijke ik, zijn mijn stoffelijke skandha's. Mijn stoffelijke skandha's zijn dus mijn stoffelijk lichaam zoals dat lichaam is. Hetzelfde geldt voor de skandha's van het kamarupa. Het kamarupa is zijn eigen skandha's. Neem die skandha's weg, dat wil zeggen de kwaliteiten, eigenschappen, de levensatomen ervan, en wat blijft er over? Er blijft niets over. De samengebrachte skandha's en de levensatomen waarin ze werken, vormen tijdens het leven het stoffelijk lichaam, of na de dood het lijk; en de astrale skandha's en andere die na de dood in het kamarupa thuishoren, vormen op dezelfde manier het kamarupa.
Ligt het niet voor de hand dat, zoals de levensatomen die in een vorig leven ons lichaam vormden tot ons terugkeren als we ons weer in de stof belichamen, iets dergelijks of misschien hetzelfde gebeurt met het kamarupa? De wachter op de drempel is een kamarupa van een materie zo dicht en zwaar dat het na de dood blijft bestaan tot na de volgende wedergeboorte van de terugkerende entiteit en de nieuwe, nieuwoude mens, het ego dat naar de aarde terugkeert, achtervolgt. Dat is een extreem geval. Maar afgezien van extreme gevallen worden de levensatomen die het kamarupa vormen, weer verzameld door het menselijke ego of de monade als die onze aarde en het gezin waarin ze geboren gaat worden, nadert; en die kamarupa-levensatomen worden geleidelijk vergaard door de aantrekking die het ego op ze uitoefent en zij op het ego, totdat op zekere tijd, misschien in de jongensjaren, wellicht pas als de jongen man is geworden, het kan zelfs pas laat in het leven zijn, de oude kamarupa-levensatomen en daarmee de skandha's, tenslotte weer zijn opgenomen in het nieuwe lichaam, het nieuwe kamarupa van het ego nadat dat na de dood is teruggekeerd.
Als u even nadenkt moet u inzien dat zelfs ons stoffelijk lichaam – en hetzelfde geldt voor het kamarupa – niet als een eenheid bijeen zou kunnen blijven, met andere woorden geen entiteit zou kunnen zijn als er niet een bindende kracht aanwezig was. Met andere woorden, er is zelfs een monade van het stoffelijk lichaam, en evenzo is er een monade van het kamarupa. Bedenk dat het kamarupa geen schil is voordat het een schil wordt. Kort na de dood scheidt het kamarupa, dat tijdens het leven van de mens is opgebouwd, zich af van het dode lichaam en begint daarna zijn weg in het astrale licht of in kamaloka. En de monade blijft in dat kamarupa tot de tweede dood. Dan begint het kamarupa uiteen te vallen omdat de ziel, bij wijze van spreken, zich heeft teruggetrokken, zoals het stoffelijk lichaam begint te ontbinden vanaf het ogenblik van de stoffelijke dood. Zolang de monade in het stoffelijk lichaam is, is dit geen lijk.
de dood van een zon
De zon, of liever zijn levensperiode, waarnaar de spreker verwijst als hij het boek citeert, doelt op het eind van een zonnemanvantara, of het openingsdrama van de zonnepralaya of de tijd van ontbinding. Na de eerste symptomen die het verval aankondigen die de zon en de planeten, die er dan nog zijn, zullen ervaren – symptomen die heel gemakkelijk tot op zekere hoogte zijn te beschrijven als dat de moeite waard was – na bepaalde voortekenen van verval die miljoenen jaren kunnen duren, komt de tijd dat de zon het laatste ogenblik van zijn leven heeft bereikt. En dan, als een schaduw die over de muur glijdt, als het knipperen van een ooglid, het uitschakelen van een elektrische lamp, is de zon dood.
Op precies dezelfde manier sterft een mens. Hij is misschien al jaren bezig langzaam te sterven voor hij werkelijk sterft, maar het moment van de dood is ogenblikkelijk, zo snel als een knip van de vingers. Een mens ligt misschien al veertig jaar ziek op bed, of is misschien al twee of drie jaar stervende. Er zijn voorboden, symptomen, die een ervaren arts kan herkennen. Maar als de dood komt – afgelopen! Hetzelfde geldt voor de aardbol, voor alles in feite, voorzover ik weet. Het is een heel wijze en barmhartige voorziening van onze grote ouder, want sterven is een heel plechtig gebeuren en met plechtig bedoel ik niet iets dat in ons een naargeestig gevoel oproept. Het is iets heel belangrijks, zo belangrijk dat een van de meesters ergens een ernstige waarschuwing heeft gegeven – op dit moment herinner ik me niet waar hij ons zegt: [De Mahatma Brieven, blz. 185.] wees in een sterfkamer zo stil mogelijk, want de geest van de stervende concentreert zich, richt zich naar binnen vanuit het hele lichaam, de hersenen, het hart en de andere organen, en dat proces moet niet worden verstoord door geluid. Niet huilen, zo mogelijk niet bewegen, de uiterste eerbied en rust. De dood zelf is vredig. Datzelfde kan niet worden gezegd voor de dood van een slecht mens; de dood kan hard zijn voor iemand voor wie alle aantrekking, belangstelling, liefde en elk verlangen waren verweven met het stoffelijke bestaan. En dan is het moeilijk, omdat het verbreken van de psychische banden van gehechtheid tijd kost en psychische en mentale pijn veroorzaakt. Maar zelfs dan komt de dood, wanneer ze komt, snel.
Zo gaat het ook met de zon, hoewel de voortekenen miljoenen jaren kunnen duren. In ditzelfde prachtige boek [De Mahatma Brieven, blz. 160, 191. ] antwoordt Meester K.H. ook op dezelfde vraag: Gaan de planeten de zon binnen aan het einde van het zonnemanvantara? Hij ontwijkt de vraag een beetje omdat het een esoterische leer is die niet vrijuit kan worden verteld, maar hij zegt dit: Ja, u mag de zon de vertex van alle planeten noemen, zo u wilt. De betekenis is heel duidelijk.
Waar het hier om gaat is dat de zon, die niet alleen het hart maar ook het brein van het zonnestelsel is zolang dit zonnestelsel een samenhangend geheel blijft, dus de beheerder van alle levenskrachten in dat zonnestelsel is – beheerder en beheerser, zowel de bron als het uiteindelijke brandpunt. Zolang het zonnestelsel bestaat, leven en sterven de verschillende planeetketens in het zonnestelsel, worden ontlichaamd, hebben hun nirvanische rust en komen dan weer terug voor een nieuwe periode en dat verschillende keren; maar hun dode lichamen blijven nog een tijdlang als manen aanwezig in de zonneruimte, waarbij elke maan feitelijk haar vroegere baan volgt, hoewel ze een dode keten is; maar als de zon zijn einde bereikt in het saurya of zonnemanvantara, neemt hij alle leden van het zonnestelsel in zich op, dat wil zeggen de verschillende planeetketens die echter, vóór ze de zon binnengaan, zijn gestorven. Het proces is analoog aan de manier waarop bijvoorbeeld een stervende mens alle levenskrachten naar binnen en omhoog brengt vóór het ogenblik van de fysieke dood aanbreekt. En het is dit naar binnen leiden van alle levenskrachten dat het verschijnsel teweegbrengt dat we de dood van ons stoffelijk lichaam kunnen noemen.



Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 312-6

© 1999 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag