De 777 belichamingen
Betreft: Brief 14, blz. 82-3

Soms ontstond er enige verwarring in het denken van vroegere lezers van De Mahatma Brieven doordat ze niet alle feiten kenden. Ze wisten bijvoorbeeld niet dat de twee mahatma's M. en K.H. ieder een ander aspect behandelden van de leer van de ronden en de bollen. Ik denk dat het K.H. was die de kennis over wat wij de binnenronden noemen voor zijn rekening nam en M., als ik me goed herinner, belastte zich met de leer van de buitenronden. Omdat de analogie overal in het heelal werkt, bevat de grotere leer de kleinere in miniatuur; de kleinere leer bevat in zijn kern de weerspiegeling van de grotere. Wat dus de ene meester zei kon, door geëigende veranderingen aan te brengen, worden toegepast op wat de andere meester onderwees, maar er zijn bepaalde dingen die men daarover moet weten om precies te kunnen onderscheiden waar er sprake is van buitenronden en waar van binnenronden.
Wat de kwestie van de 777 of de 777 belichamingen betreft, zou ik op het volgende willen wijzen: Het getal 777 heeft niet betrekking op het feitelijke aantal incarnaties die de zielen hebben. Er was helaas in de tijd waarin De Mahatma Brieven werden geschreven geen duidelijk omschreven terminologie zoals we die nu hebben ontwikkeld, en men gebruikte 'incarnaties' op de manier zoals we allen als jongens deden, zo'n dertig of veertig jaar geleden. We spraken over een incarnatie van het delfstoffenrijk en een incarnatie van de zon, wat natuurlijk een belachelijke manier van spreken is, want incarnatie betekent in het vlees komen. Het juiste woord zou belichaming zijn geweest.
Wat ik wil zeggen is dit. De verwijzingen hier slaan niet op wat we nu incarnaties van het menselijke ego noemen, maar hebben betrekking op de monaden. Ze betreffen de belichamingen of, anders gezegd, de gang van de families van monaden door de natuurrijken op deze aarde, bol D, en tijdens de zeven wortelrassen. Probeer dit te begrijpen. U zult dit in zekere zin wel even moeilijk vinden als het andere denkbeeld, maar dit is de sleutel.
Dus één incarnatie in elk wortelras. U ziet dat daarin de sleutel ligt. Elk wortelras openbaart een kracht en een substantie op kosmische gebieden, niet volledig maar betrekkelijk. Voorzover het onze bol betreft – en onze meester sprak over onze bol en de monaden die nu op onze bol zijn – gaat het dus zoals ik net heb gezegd over de gang of reis van de verschillende families van monaden door de verschillende natuurrijken of, zo u wilt, door de verschillende kosmische gebieden.
Wat betekent dat? Het betekent dat voor elk natuurrijk, of voor elk kosmisch gebied, zo'n monade voor zichzelf een algemeen subtiel voertuig moet bouwen dat blijvend is voor dat rijk of voor dat kosmische gebied. Als de monade uit dat rijk of dat kosmische gebied vertrekt of het verlaat en verdergaat door het eerstvolgende rijk of kosmische gebied, dan wordt dat speciale omhulsel of voertuig, dat voor dat kosmische gebied of die kosmische wereld werd gebouwd, afgelegd of verlaten, omdat het niet langer geschikt is voor de monade; en dan wordt een omhulsel opgebouwd dat de monade in staat stelt om zich op het volgende kosmische gebied of wereld of rijk tot uitdrukking te brengen. Zo wordt voor elk kosmisch niveau een ander omhulsel aangenomen, één voor elk wortelras, één voor elk groot onderras en één omhulsel voor elk onderonderras; en zo afdalend naar één enkele belichaming.
Tellen we nu deze omhulsels – maar nu ga ik te ver! Maar hier is uw sleutel; en u zult zien dat het dezelfde leer is als die van de middeleeuwse vuurfilosofen wanneer ze spraken over zielen die zich manifesteren als salamanders, sylfen, undines en gnomen; want in die tijd spraken ze openlijk of in het openbaar slechts over vier. U kunt de drie die wij leren eraan toevoegen.



Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 336-7

© 1999 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag