![]() | ![]() |
![]() |
| Occultisme en paranormale verschijnselen
[Dit artikel verscheen eerder in The
Occult Review, Londen, april 1933] Maar de belangstelling van onze lezers zal zich
waarschijnlijk richten op hen die onweerstaanbaar worden aangetrokken
tot het ‘occulte’, maar die noch beseffen wat de ware aard is van dat
waarnaar ze streven, noch bestand zijn tegen begeerten en in nog mindere
mate echt onzelfzuchtig zijn.
Hoe staat het met deze ongelukkigen, zal men ons vragen,
die zo door tegenstrijdige krachten worden verscheurd? Want het is al
te vaak gezegd om herhaald te hoeven worden, en het feit zelf is duidelijk
voor elke waarnemer, dat wanneer eenmaal het verlangen naar occultisme
echt in het hart van een mens is ontwaakt, er voor hem geen hoop of vrede
meer is, geen plaats voor rust en vertroosting in de hele wereld. Hij
wordt in de woeste en verlaten ruimten van het leven gedreven door een
steeds knagende onrust die hij niet kan onderdrukken. Zijn hart is te
vol van begeerte en zelfzuchtig verlangen om door de Gouden Poort te kunnen
gaan; hij kan in het gewone leven geen rust of vrede vinden. Moet hij
dan onvermijdelijk vervallen tot toverij en zwarte magie en gedurende
vele incarnaties voor zichzelf een vreselijk karma opbouwen? Is er voor
hem geen andere weg?
Die is er wel, antwoorden wij. Laat hij niet streven naar
iets hogers dan hij kan verwezenlijken. Laat hij geen last op zich nemen
die te zwaar is om te dragen. Laat hij, zonder ooit een ‘mahâtma’, een
boeddha, of een grote heilige te worden, de filosofie bestuderen en de
‘wetenschap van de ziel’, en hij kan een van de bescheiden weldoeners
van de mensheid worden, zonder ‘bovenmenselijke’ vermogens. Siddhi’s
(of de vermogens van een arhat) zijn alleen voor hen die in staat zijn
het ‘leven te leven’, die de vreselijke offers kunnen brengen voor zo’n
training en dat letterlijk. Laat hen onmiddellijk weten en altijd
onthouden dat waarachtig occultisme of theosofie de ‘grote verzaking
van het zelf’ betekent, onvoorwaardelijk en absoluut, in denken en handelen.
Het is altruÏsme en het werpt hem die het uit berekening beoefent volkomen
uit de rijen der levenden. ‘Niet voor zichzelf, maar voor de wereld leeft
hij’, zodra hij zich heeft verbonden voor dit werk. Tijdens de proefjaren
wordt er veel vergeven. Maar zodra hij is ‘geaccepteerd’ moet zijn persoonlijkheid
verdwijnen en moet hij een uitsluitend weldoende kracht in de natuur
worden. Daarna zijn er voor hem twee polen, twee wegen, en geen middenweg
voor rust. Hij moet òf moeizaam omhoogklimmen, stap voor stap, vaak door
talrijke incarnaties zonder devachanische onderbreking, op de gouden
ladder die leidt naar het mahâtmaschap (de arhat- of bodhisattva-toestand)
òf – hij laat zich afglijden langs de ladder bij de eerste misstap en
vervallen tot dugpaschap. . .
– ‘Occultism versus the Occult Arts’, H.P. Blavatsky,
Lucifer, mei 1888
Om aan de intelligente lezers van een modern tijdschrift,
dat tenminste een deel van zijn pagina’s wijdt aan studies van wat algemeen
bekendstaat als occultisme en paranormale verschijnselen, zelfs maar een
schets te geven van wat nu gewoonlijk occultisme wordt genoemd, vereist
een filosofische uiteenzetting die een heel nummer zou vullen van een
tijdschrift zoals The Occult Review; en zelfs dan, om goed en op
de juiste wijze te begrijpen wat occultisme wel en niet is, zou zo’n filosofische
uiteenzetting ongetwijfeld moeten bestaan uit een verrassende tegenstelling
tussen wat occultisme is aan de ene kant en alleen maar psychische
praktijken en resultaten aan de andere kant. De titel van zo’n lange verhandeling
zou daarom waarschijnlijk zoiets zijn als ‘Occultisme tegenover psychische
praktijken en hun gevolgen’.
Er heerst veel te veel verwarring in de geest van mensen
in het algemeen over deze dingen, en steevast wordt er een te zwakke scheidslijn
getrokken tussen occultisme aan de ene kant en psychische praktijken en
verschijnselen aan de andere kant.
Vele jaren geleden, vóór de moderne voorvechtster van
het occultisme, H.P. Blavatsky, haar werk in het westen begon met het
stichten van de Theosophical Society, werden de woorden ‘occultisme’,
‘psychisme’, en ‘paranormale verschijnselen’, enz., in het geheel niet
gebruikt of door slechts enkelen – ze waren in feite onbekend behalve
aan de boekenwurm of de geleerde; maar sinds het stichten van de Theosophical
Society in New York in 1875 door H.P. Blavatsky, kolonel H.S. Olcott,
W.Q. Judge en anderen, worden deze woorden, naast vele andere soortgelijke
termen algemeen gebruikt. Maar juist hun veelvuldig voorkomen in de moderne
literatuur, zonder passende verklaringen, is de oorzaak van de verwarring
waarover ik zojuist sprak.
Trouwens wie is in deze tijd een echte occultist die door
werkelijke esoterische training en ervaring gerechtigd is aan de wereld
een heldere, volledige en duidelijke verklaring te geven van wat occultisme
is; en, aan de andere kant, de betekenis te verklaren van de resultaten
die meestal, helaas, noodlottig zijn en die zich als onvermijdelijke gevolgen
voordoen als men zich met de geest en de wil onderwerpt aan wat nu gewoonlijk
en veelal ‘psychisme’, ‘psychische praktijken’, of de ‘psychische kunsten’
wordt genoemd. Er bestaan inderdaad echte occultisten in de wereld en
ze kunnen, nu we het toch daarover hebben, misschien wel even gemakkelijk
in het westen als in het oosten worden gevonden, maar ze zonderen zich
altijd min of meer af en maken zich zelden of nooit aan het publiek bekend.
De enige uitzonderingen zijn zij die de ware esoterische theosofie ernstig
bestuderen en door hun plichtsgevoel worden aangezet en in zekere zin
gedwongen tenminste een deel van hun tijd te wijden aan het weergeven
en verklaren van de verschillende betekenissen van deze zaken.
Maar, afgezien van deze gevallen, heeft de grote stichtster
van de Theosophical Society in onze tijd, H.P. Blavatsky, ons voldoende
literair en traditioneel materiaal achtergelaten waardoor ieder die oprecht
verlangt te weten wat occultisme en paranormale verschijnselen zijn, deze
kennis kan verkrijgen door een degelijke en onpersoonlijke studie van
haar werken. Het fragment uit een essay van H.P. Blavatsky dat aan dit
artikel voorafgaat is daarvan een voorbeeld; ik beveel het van harte aan
aan al die zogenaamde ‘adepten’ of ‘yogî’s’ die menen en altijd ten onrechte
menen dat het doornemen of de studie van de exoterische literatuur over
het occultisme der eeuwen voldoende is om zich de verantwoordelijkheden
en ook nog de rechten en privileges van de ware occultist aan te meten.
H.P. Blavatsky met haar grote geest en haar schitterende
literaire kwaliteiten heeft met het literaire materiaal dat ze heeft nagelaten,
zoals bijvoorbeeld in bovengenoemd fragment, voor de wereld uiteengezet
wat de kern van de hele leer over het ware occultisme is – wat het is
en vooral wat het niet is. Occultisme betekent de studie van de
verborgen en geheime processen van het heelal en van de wezens die het
bewonen – van het heelal, dat de zichtbare en onzichtbare werelden omvat,
de zichtbare en onzichtbare wezens die het bewonen en dus natuurlijk ook
onze eigen zichtbare wereld en meer in het bijzonder onze aarde, voorzover
het ons mensen betreft. Het ware occultisme betekent dus in de allereerste
plaats en vóór alles studie, niet alleen van de structuur en de werkingen
van de wetten, van de oorsprong, van de bestemming en, inderdaad, het
belangrijkste van alles, van de morele doeleinden van de kosmos, maar
omvat tevens, wat vanzelfsprekend is, een ernstige en voortdurende studie
van de mens, die in zijn totaliteit één van de families of kleinere hiërarchieën
van wezens omvat die tijdelijk deze stoffelijke bestaanssfeer bewoont.
Het is van het hoogste belang hier met alle nadruk en
kracht waarover ik beschik te verklaren, dat de studie van het occultisme,
zonder een gelijkwaardige studie van de zedelijke normen, de ethiek –
die niet slechts bestaat uit menselijke afspraken, maar berust op de structuur
van het heelal zelf en op zijn inherente wetten van harmonie – een studie
is die de ongelukkige volgelingen ervan slechts voert naar satanisme,
diabolisme en uiteindelijk, als ze ermee doorgaan, zonder of verstoken
van zedelijke normen, tot het verlies van de ziel en het steeds verder
afdalen langs de schaal van de gemanifesteerde wezens.
Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waarom zijn we hier?
Waar gaan we heen? Wat is het heelal dat ons omringt, waarin we leven,
ons bewegen en ons bestaan hebben en waarvan we allen, ieder van ons,
integrerende en volstrekt onscheidbare delen zijn? In de antwoorden op
deze vragen ligt de kern van het ware, echte archaïsche occultisme, het
enige occultisme dat die naam verdient en het enige occultisme waaraan
de volgelingen van de meesters van wijsheid, mededogen en vrede zich hebben
gewijd. Het ware occultisme uit archaïsche tijden heeft niets te maken
met griezelige, geheimzinnige dingen, zoals gewoonlijk en ten onrechte
wordt verondersteld – het heeft daar totaal niets mee te maken, behalve
om ze te onderzoeken en te verwerpen als op zijn best psychische oppervlakkigheden
en op zijn slechtst psychische en ethische misbaksels of verdraaiingen
van de waarheid. Bij het echte occultisme gaat het alleen om de geheimen
van het universele zijn en hoe dichter men het grote kloppende hart van
het heelal nadert, des te meer wordt men een occultist en des te dieper
dringt men door tot de innerlijke betekenis en aard van wat het ware occultisme
is.
De zogenaamde ‘occulte kunsten’ of ‘occulte praktijken’
die de soi-disant magiërs van alle tijden en in alle delen van
de wereld hebben beoefend, sommigen in het klein met betrekkelijk succes
en anderen zonder succes, liggen slechts aan de grenzen van de grote waarheden
van het universele zijn. Wat zijn eigenlijk deze zogenaamde psychische
praktijken en verschijnselen? Niets anders dan de werking in en door de
mens van bepaalde weinig begrepen en heel onbelangrijke krachten van zijn
constitutie, meer zijn ze niet. Het zijn volstrekt geen dingen of doeleinden
waarnaar we moeten streven; dat zijn ze niet waard; en, wat veel erger
is, ze leiden de aandacht van de ware zoeker af van de grote werkelijkheden,
in plaats van het denken te verruimen en het hart in ritmische harmonie
te doen kloppen met het grote universele hart.
Deze psychische praktijken en de verschijnselen en gevolgen
die eruit voortvloeien hebben, zelfs bij matig succes, een vernauwende
werking op de etherische en psychische bewustzijnssluiers waarin de belichaamde
straal van de geest is gehuld, en beperken daardoor onze opvattingen,
omgeven ons met nauwe grenzen van bewustzijn en roepen daarom in ons precies
het tegengestelde op van dat waarnaar elke ware discipel van het archaïsche
occultisme streeft, te weten uitbreiding van het egoïsche of menselijke
zelf, tot het gelijk wordt aan zijn eigen ingeboren essentie, zijn ‘Vader
in de Hemel’. Ja, de ware onderzoeker van het occultisme streeft er zelfs
naar steeds meer één te worden met het zelf van het galactisch heelal,
ons eigen thuisheelal – er niet alleen gelijk aan te worden, maar er in
bewustzijn één mee te worden. Want het is inderdaad zoals de oude vedische
wijzen van Hindoestan zo edel leerden, tat tvam asi: dat, het grenzeloze,
en u zijn één!
Dat is het pad van de ware occultist; dat is inderdaad
het ware occultisme. Het betekent het ontvouwen of uitbreiden van het
innerlijke wezen van een mens, van zijn bewustzijn, en het verdwijnen
of liever etherischer worden van de omhullingen van dit bewustzijn; het
is ontwikkeling, groei, uitbreiding, verruiming, een steeds groter worden:
dit pad is in feite een methode en training die een enorm versnelde, geestelijke,
intellectuele en psychische ontwikkeling van het bewustzijn van de mens
teweegbrengt, waardoor hij in geen enkel opzicht of op geen enkele manier,
van het heelal gaat verschillen, maar er steeds meer één mee wordt. Dat
is het inderdaad waarnaar de onderzoeker van het ware occultisme streeft
– een versnelde geestelijke en intellectuele, ja ook psychische evolutie;
maar deze evolutie voltrekt zich, als het een veilige, gezonde en waarachtige
weg is, langs het pad van grootsheid waarop ik net heb gedoeld, langs
het pad waarop ware innerlijke grootsheid is te vinden, langs het pad
van innerlijke ontwikkeling en groei.
Het najagen van zogenaamde psychische praktijken en verschijnselen
en het daaraan wijden van zijn krachten en vermogens, komt in feite neer
op een betreurenswaardige verspilling van kostbare tijd; het concentreren
van zijn vermogens op deze dingen veroorzaakt als het ware een omkering
van het innerlijke mechanisme van het bewustzijn en, om een uitdrukking
te gebruiken die in deze tijd gemakkelijk wordt begrepen, zet de psychische
motor in zijn achteruit, waardoor men achteruit in plaats van vooruitgaat.
De occulte kunsten zijn gemakkelijk te beoefenen wanneer men eenmaal het
geheim ervan kent en deze geheimen kunnen gemakkelijk worden ontdekt;
en de oorzaken van paranormale verschijnselen worden nog gemakkelijker
ontdekt – verschijnselen zoals de onbeduidende helderziendheid, de feilbare
en vaak bedrieglijke helderhorendheid, het onbetekenende gedachtelezen.
Dat zijn psychische gevolgen die slechts tot het bewustzijn van onze menselijke
tussennatuur behoren – en het ergste is dat dit juist de dingen zijn die
het denken van de mens van nu schijnen te fascineren. Mensen jagen er
achteraan, raken in de jacht hun richting kwijt, als ze al niet hun mentale
evenwicht verliezen; en aan het einde van hun dolle jacht doemt de psychiatrische
inrichting op, of gaapt misschien, wat veel erger is, het graf van de
zelfmoordenaar. Tel eens, als u wilt en kunt, hoeveel gebroken harten
en ontwrichte zielen er overal zijn. Als men deze praktijken volgt is
er niets dat geestelijk en intellectueel inspireert, niets dat straalt
met de heilige vlam van onpersoonlijke toewijding aan de abstracte waarheid
– niets. Vergelijk deze dingen eens met de eenvoudige grootsheid van de
leer van de oude wijzen en zieners, de meesters van het ware occultisme
uit oude tijden: O, mens, ken uzelf, want in u zijn alle geheimen van
het heelal en dus van uw bestemming, want uzelf bent dat heelal en zijn
bestemming is de uwe, en de uwe de zijne.
Het zelf, het goddelijke, geestelijke zelf in ons, is
het pad dat we moeten volgen als wij het ‘hart’ van het heelal willen
bereiken. Leer begrijpen, dat uw medemensen en u in wezen dezelfde zijn,
ja, dat u en het gehele heelal in essentie één zijn. Dat is occultisme.
Deze leer bevat de geheimen van de verborgen dingen, de wetenschap van
de dingen die geheim zijn. Dat is de betekenis van occultisme.
Wat betekent dit woord ‘occultisme’ en wat is het adjectief
‘occult’ dat erbij hoort? Ze zijn niet nieuw; ze behoren historisch tot
de Middeleeuwen van de Europese volkeren. Petrus Peregrinus schrijft dat
occultisme in de twaalfde en dertiende eeuw eenvoudig de ‘studie van de
natuur’ betekende, wat we nu experimentele wetenschap zouden noemen, de
studie van de dingen die tevoren verborgen, onbekend, geheim waren; en
het woord ‘occult’ werd toen in die betekenis gebruikt.
Pas later, als gevolg van het samenvallen van een aantal
karmische wegen van het lot, werd het denken van mensen in het westen
min of meer gericht in een strikt theologische richting en moest het experimentele
onderzoek van de natuur en haar manifestaties en geheimen op een opleving
wachten, ongeveer tot de tijd van de Franse Revolutie, of tot betrekkelijk
kort daarvoor.
De wetenschappers van nu, scheikundigen, biologen, astronomen,
natuurkundigen en wie al niet, zijn daarom in de etymologische betekenis
van het woord ‘occultisten’; en in hoe geringe mate ze misschien de grenzen
van het bekende overschrijden, hoe weinig ze wellicht doordringen tot
achter de sluier van het zichtbare, ze zijn niettemin, in etymologische
zin, experimentele ‘occultisten’, d.w.z. onderzoekers van het onzichtbare,
ontdekkers van het onbekende, van nieuwe waarheden – ze ontdekken wat
verborgen is, openbaren wat geheim is. Het is natuurlijk duidelijk dat
de zuiver etymologische betekenis van het woord, hoe interessant ook,
niet de verheven betekenis bevat die de ware occultist uit de archaïsche
en zelfs moderne tijd bedoelt als hij de woorden ‘occultisme’ of ‘occult’
gebruikt – de brahmavidyâ, de goddelijke wetenschap.
De ware occultist van de theosofische school is inderdaad
ook een experimenteel wetenschapper omdat ook hij verborgen dingen ontdekt
en omdat ook hij in de onpeilbare diepten van het hart van de natuur duikt;
maar in plaats van zijn werk en ontdekkingen te beperken tot de materiële
sfeer, weet hij dat moeder natuur een groots organisch wezen is, waarvan
onze uiterlijke stoffelijke sfeer niet meer is dan het uiterlijke schild,
de buitenste sluier, het buitenste omhulsel, kleed of lichaam; en dat
de grote werelden, de onzichtbare werelden, de oorzakelijke elementen
bevatten van al het zijn en van alle wezens, en in onze uiterlijke sfeer
alles voortbrengen wat we om ons heen zien.
Als we deze gedachte nog iets verder uitwerken, dan zien
we dat occultisme een onderzoek betekent van de innerlijke en onzichtbare
werelden van het zijn en het leren kennen van wat zich daar bevindt, waaronder
de menigten wezens die deze innerlijke en onzichtbare sferen bewonen;
en men kan geen occultist zijn tenzij men precies wordt waar H.P. Blavatsky
op wijst in het fragment dat ik aan dit artikel laat voorafgaan, een onpersoonlijk
dienaar van de wereld. De reden daarvan is eenvoudig dat men het pad niet
kan volgen, de weg niet kan gaan, niet op die verheven ontdekkingstocht
kan slagen, tenzij men volkomen onpersoonlijk is, tot het laatste atoom
geheel toegewijd aan de verheven dienst aan al wat is, en tenzij het hart
is vervuld van een onpersoonlijke liefde die geen grenzen kent en geen
beperkingen van tijd of plaats. Men kan in de innerlijke werelden niet
doordringen als de gedachten voortdurend bezig zijn met een wilde dans
van emoties of van psychische verwarring, een ware danse macabre,
als kleine gedachten over kleine dingen grillig in het brein ronddartelen,
begrensd en omringd door het beperkte menselijke bewustzijn van degene
van wie het denken is gericht op zichzelf en niet op de wereld. Het vergeten
van zichzelf, het moedig duiken in het onbekende, terwijl het vlammende
vuur van de geest het pad vóór ons verlicht, en een volslagen, absoluut
vertrouwen in de innerlijke god, kenmerken de ware occultist. Zo is het
inderdaad. Alleen een volledig onpersoonlijk mens kan dit begrijpen en
daarom kan alleen een onpersoonlijk mens in het grote werk slagen. Een
hart, vrij van alle menselijke verlangens naar puur persoonlijk voordeel
en alle verkeerde dingen, een ziel vrij van elk zelfzuchtig streven, een
geest absoluut en voor altijd toegewijd aan de waarheid, de volstrekte,
zuivere waarheid, wat dit iemand ook kost – dat kenmerkt de occultist.
Zo is hij inderdaad!
De oorzaken van de paranormale verschijnselen die in alle
tijden door intelligente waarnemers zijn vastgesteld, liggen in het onregelmatig
functioneren van de beginselen van de constitutie van mannen en vrouwen
in wie deze beginselen min of meer los zijn verbonden en die daardoor
vaak op een grillige en onvolmaakte manier functioneren. In die mensen
werken de beginselen van de constitutie onregelmatig, grillig, onvolmaakt
en hebben daardoor een vreemde en ongewone uitwerking op het brein van
de mens, wat ongewone en vreemde toestanden en effecten teweegbrengt –
‘verschijnselen’.
Dit zijn in het kort de paranormale verschijnselen en
hun oorzaken; de studie van psychische praktijken en verschijnselen is
daarom een studie van de lagere omhulsels van het menselijke bewustzijn;
maar met deze studie leert men niet de grote waarheden van de natuur,
en het heeft ook geen blijvend nut voor het individu of de mensheid. Deze
kunsten of praktijken en de begeleidende verschijnselen vertellen ons
niets over de grote waarheden van het heelal; ze tonen niets over de oorsprong
van de dingen, noch over de aard van de wereld, haar karakter, structuur,
werkingen of wetten. Niets! Hoe kan een mens te weten komen wat de bestemming
is van de onsterfelijke godheid die in hem straalt, als hij een verduisterd
vertrek binnengaat, of een verlicht vertrek, en daarin naar verschijnselen
zoekt, of door zijn individuele wil en brein te onderwerpen aan de volkomen
onverantwoordelijke en meestal slechte bewoners van de astrale wereld?
Al dergelijke kunsten en verschijnselen bestaan inderdaad. Hun bestaan
is niet in het geding. Maar waarin ligt hun betekenis? Brengen ze het
onweerlegbare bewijs van het overleven van het bewustzijn na de ontbinding
van het lichaam, om een oude zegswijze van onze voorvaderen te gebruiken?
In het geheel niet. Geen enkel wezenlijk bewijs, in de eerste plaats omdat
men niet weet wat echte onsterfelijkheid betekent; men denkt dat ze het
onveranderd voortbestaan betekent van de menselijke ziel zoals die nu
is – wat een hel zou dat zijn! Denk eens in, eeuwig en altijd zijn wat
we nu zijn!
De leer van het occultisme staat daar lijnrecht tegenover.
Die leer vertelt ons van een eindeloze groei, eindeloze verbetering, eindeloze
ontwikkeling, eindeloze evolutie, en dus een eindeloos veranderen van
bewustzijn, steeds hoger en hoger uit de menselijke sfeer naar de half-goddelijke,
en uit de halfgoddelijke werelden naar de goddelijke en daarna naar de
supergoddelijke enzovoort ad infinitum. Er bestaat niet zoiets
als onsterfelijkheid zoals die gewoonlijk wordt opgevat. Het enige onsterfelijke
is het heelal zelf; maar zelfs zoals het heelal nu is, is het beslist
niet onsterfelijk, omdat het voortdurend zelf verandert en zijn essentie
is zijn leven en dat is verandering per se, dat is groei, evolutie.
Ook hier krijgt men een idee van wat het ware archaïsche
occultisme betekende en wat het in werkelijkheid is en nu betekent. Hoe
dieper we in onszelf graven, hoe dieper we doordringen achter de sluier
van de uiterlijke natuur, want het meest innerlijke van onszelf en het
meest innerlijke van de natuur zijn in wezen één en niet twee. Zoals ik
hierboven heb gezegd is dit het pad dat de ware occultist volgt, dat smalle,
oude, stille pad van de wijzen uit de oudheid dat loopt door de grenzeloze
gebieden van de onbegrensde ruimte, innerlijke ruimte en uiterlijke ruimte,
de ruimte-tijd van bewustzijn-substantie.
Iemand die een slecht leven leidt, waardoor hij zijn vermogens
verzwakt, zijn wil verlamt, de omhulling van het bewustzijn vernauwt en
verstoffelijkt, zodat ze steeds beperkter wordt of onder innerlijke druk
komt te staan, kan nooit een occultist zijn. Het occultisme vraagt om
de hoogste ethiek, zuiver moreel gedrag, zoals ik eerder heb gezegd, een
hart vrij van alle zelfzuchtige verlangens, een leven gewijd aan het dienen
van alles in het heelal, van al wat leeft en een voortdurend groeiende
intelligentie. Hij die dit pad kan volgen en dat ook doet is inderdaad
een occultist.
Afgezien van de onuitsprekelijke eenzaamheid, die ik hier
slechts noem, die in de eerste stadia de onbevreesde zoeker die zich in
deze wonderlijke gebieden waagt, overvalt, afgezien van het pijnlijke
van persoonlijke scheidingen die plaatsvinden – een eenzaamheid en een
pijn die eens verdwijnen en plaatsmaken voor een gevoel van eenheid met
het al en een glorieus gevoel dat de vermogens toenemen – afgezien van
dit alles, zeg ik, wijs ik op de onuitsprekelijke schoonheid van dit leven,
op de onvergelijkelijke en onbeschrijflijke vrede, de oneindige vrede,
de grote rust, de uitbreiding van begrip en het zelfbewust één worden
met het grote mysterie.
De oude Welshe barden zongen dat de ingewijde het groeiende
gras kon horen zingen en dat evenzo het rondwentelen van de hemellichamen
werd gehoord als een grote muzikale symfonie; zo is het inderdaad. Zelfs
wetenschappers vertellen ons nu dat elk kleinste elektron voortdurend
in beweging is en dat elke beweging van een substantieel deeltje door
geluid wordt vergezeld, een toon, inderdaad een muzikale toon, zodat elk
kleinste atoom voordurend zijn eigen karakteristieke lied zingt; en iedere
combinatie van atomen vormt dus een harmonie, een symfonie. Zelfs ons
stoffelijk lichaam zou, als we het konden horen, als een wonderlijke,
symfonische orkestratie door ons worden gehoord, een prachtige symfonie
van melodieën.
‘Leef het leven en u zult de leer kennen’, maar u zult
die nooit kennen als u het leven niet leeft in zijn verbazingwekkende
en fascinerende rijkdom, en ‘het leven leven’ betekent heel wat meer dan
alleen de gebruikelijke ethiek volgen. De gebruikelijke ethiek is inderdaad
goed en belangrijk, want die beteugelt de wilde en impulsieve hartstochten
van de mens en houdt zijn rusteloze en veranderlijke gedachten in toom;
maar ‘het leven leven’ betekent veel meer. Het betekent in de eerste plaats
dat men tegenover zichzelf volkomen oprecht moet zijn, zodat de mens zelf
zijn strengste en voornaamste criticus wordt, en verder dat men alles
moet opgeven wat onwaardig is en vervangen door al wat het leven verrijkt,
voller en ruimer van bewustzijn maakt, waardoor krachten en vermogens
en energieën gaan functioneren en een rol gaan spelen die bij de meerderheid
van de mensen helaas weinig meer zijn dan dromen of zelfs totaal onbekend.
En tenslotte betekent ‘het leven leven’ een vastberaden wil en het denken
richten op het enige doel, dat door niets kan worden veranderd, omdat
het ware occultisme betekent het naar buiten brengen van het meest verhevene
in de mens; daarom kan de ware occultist geen gehoor geven aan wat mensen
zomaar zeggen, en kan hij nooit op slaafse wijze zijn wil ondergeschikt
maken aan de verordeningen of voorschriften van anderen. Dat betekent
echter niet dat de occultist geen leraren heeft. Integendeel; want een
van de eerste regels of wetten van de occulte leer wijst op de absolute
noodzaak voor de leerling, hoever hij ook is gevorderd, om te worden geleid
en geholpen door anderen die op het pad van wijsheid, vrede en kennis
verder zijn gevorderd dan hijzelf.
De occultist volgt de opdrachten van de innerlijke god,
zijn verheven meester; maar juist omdat hij zijn innerlijke meester zelfbewust
begint te kennen, is hij in staat meesterschap en geestelijke en intellectuele
grootsheid in anderen te herkennen en de leiding en hulp te verwelkomen
van die anderen die verder zijn gevorderd dan hijzelf.
In deze tijd waarin kritiek bij velen geliefd is, hoor
ik vaak zeggen, zelfs onder theosofen, die helaas elkaar soms op onredelijke
en onvriendelijke wijze bekritiseren, dat het voor een mens voldoende
is geheel op de god in hem te vertrouwen en dat we geen leraren nodig
hebben. Die uitspraak is helaas maar een halve waarheid. Ze is inderdaad
tot op zekere hoogte juist maar gaat niet ver genoeg; want iedere ware
occultist heeft wel degelijk leraren nodig, hoever hij ook is gevorderd
langs het pad naar vader-zon. De occultist erkent het bestaan van een
hiërarchie van verheven wezens, opklimmend, in rechtstreekse, opeenvolgende
lijn, van buitengewoon edele mensen, tot de edelste en meest verheven
goden van ons heelal en nog verder; en hij wordt in de loop van de tijd
bijzonder gevoelig voor het bestaan van deze verheven wezens en ontwikkelt
een scherp gevoel voor het feit dat de hiërarchie van leraren of van meesters
in de wereld en daarboven deel uitmaakt van de structuur en substantie
van het heelal zelf, en dat zijn eigen vooruitgang afhangt van zijn volstrekte
trouw en eerlijkheid als het erom gaat als individu zijn eenheid met deze
hiërarchie te herkennen en van boven instructies te ontvangen met eenzelfde
onpersoonlijke toewijding tegenover zijn leraren als waarmee hij werkt
voor degenen onder hem.
Ja, alle leerlingen hebben leraren nodig, al is inderdaad
de grootste leraar van een mens zijn eigen innerlijke god; zij die het
mystieke pad hebben bewandeld weten dit en zijn dankbaar en richten zich
met dankbaarheid tot hen die in mededogen en in de grootsheid van hun
ziel zich als het ware omkeren en de hand reiken, een helpende hand, aan
hen die achter hen komen op het pad.
Voor de gewone mens, die nog niet voldoende vooruitgang
heeft geboekt om de geestelijke en psychische zintuigen en vermogens in
hem wakker te roepen, waarmee hij de hulp van een hogere leraar niet alleen
verdient maar in feite afdwingt, is er altijd de wijsheid van de grote
wijzen en zieners van alle eeuwen, en daarin kan de leerling-onderzoeker,
met behulp van de verheven theosofische filosofie als sleutel, delven
als in een mijn en zo schatten ontdekken die meer waard zijn dan alle
vergaarde rijkdommen van de Golconda’s van het aardse bestaan.
Nu het woord ‘psychisch’ of beter gezegd de psyche, wat
is dat? Het is een Grieks woord en betekent wat theosofen, als ze het
over de constitutie van de mens hebben, het tussendeel van die constitutie
noemen, dat is de lagere menselijke ziel. In het Nieuwe Testament staat
in de Brief van Jacobus (3:15): ‘Deze wijsheid komt niet van boven, maar
is aards, ongeestelijk, duivels’; en de Griekse tekst luidt: oujk e[stin
au{ th hJ sofiva a[nwqen katercomevnh, ajll j ejpivgeio¦, yucikh;, daimoniwvdh¦.
Het woord dat hier is vertaald met ‘ongeestelijk’ is in het Grieks ‘psychisch’.
Maar de ‘wijsheid’ die vanboven komt, die de mens al in de geestelijke
kern van zijn wezen bezit, is de wijsheid van onpersoonlijke toewijding,
is liefde voor zijn medemensen, is inderdaad liefde die geen grenzen kent,
een liefde die niet alleen de hele mensheid omvat, maar ook de dieren
en de planten en de gesteenten, ja, die zelfs reikt tot de sterren aan
de hemel, een wijsheid die geen haat kent, een liefde die de haat haat
en de liefde liefheeft. Dit is de ‘wijsheid’ vanboven, liefdadig, vriendelijk,
vredig, zuiver, heilig, rein en zoet. Ze voert ons naar de grote vrede,
de grote vrede die betekent dat alle zintuigen het zwijgen wordt opgelegd
zodat de innerlijke stem steeds beter kan worden gehoord. Het is de wijsheid
die een mens intuïtief de diepste en grootste geheimen van de kosmische
natuur doet kennen en daarmee vertrouwd maakt. Het is de wijsheid van
onzelfzuchtige toewijding van de volledige mens aan het helpen en dienen
van al wat leeft. Dit, naast andere dingen die te heilig zijn om hier
te beschrijven, is occultisme.
Kort gezegd is occultisme dus de studie en het onderzoek
van de dingen die geheim zijn, die verborgen zijn; maar we moeten dat
op de juiste manier doen, met een zuiver hart en onpersoonlijke motieven,
anders bestaat er alle kans dat we op zijwegen geraken, aangetrokken tot
lagere wijsheid, en op zijn best onze tijd verspillen aan psychische praktijken
en proefnemingen en op zijn slechtst eindigen met je reinste toverij.
Velen zullen deze uitspraak waarschijnlijk in twijfel trekken, en toch
bestaan toverij en duivelarij werkelijk op aarde. Er zijn op het ogenblik
mannen en vrouwen die kwalijke magie op elkaar toepassen, door middel
van woorden, suggestie, het verkeerde voorbeeld, door voorschriften en
door anderen te misleiden en verkeerd voor te lichten, waardoor ze menselijke
zielen verlagen, opzettelijk verlagen; en ik zou niet weten welke toverij
erger is dan deze. De occultist moet een zuivere ziel hebben, een onbuigzame
wil, als hij erin wil slagen zijn verheven doel te bereiken, en een hart
waarin mededogen en liefde, zijn alter ego, een grote rol spelen; een
ziel, vrij van alle persoonlijke verlangens. Dan is hij veilig, en wat
belangrijker is, zijn medemensen zijn ook veilig en kunnen hem vertrouwen.
Een theosoof is dan ook niet iemand die over theosofie praat, of iemand
die onze exoterische theosofische boeken uit het hoofd kent, of geleerd
over theosofische onderwerpen kan spreken of lezingen kan houden; een
theosoof is hij die het in praktijk brengt. ‘Een theosoof is hij
die theosofisch handelt’, zoals H.P. Blavatsky het zo mooi heeft gezegd;
en ik denk dat dit de toetssteen is van een ware theosoof of, inderdaad,
van een ware occultist, want de twee zijn feitelijk één. Hij beoefent
de leer die hij predikt. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 375-86 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |