![]() | ![]() |
![]() |
| Twijfelachtige waarde van bepaalde visioenen
Ik heb soms prachtige ervaringen op innerlijke
gebieden en ontvang innerlijke visioenen. Soms voel ik me angstig
of ben ik verontrust. Betekent dit dat ik geestelijk vorderingen maak? Deze zogenaamde ‘innerlijke visioenen’ zijn niet
ongewoon in het geval van heel toegewijde mensen en betekenen gewoonlijk
dat ziel en geest veranderingen in het innerlijke leven ondergaan en
dus in aanraking komen met gebieden tussen ons gewone aardse gebied
en het geestelijke gebied, en daarom gewoonlijk met psychische gebieden;
maar men moet in deze dingen heel voorzichtig zijn.
Het zou in feite veel beter zijn als u zich kunt
afwenden van deze dingen, omdat ze zo verwarrend zijn voor de rust en
vrede van het geestelijke leven. Probeer rust – aangename, plezierige
rust – en een geestelijke levensvisie en goddelijke schoonheid in uw
denken te brengen; en als dan deze ‘visioenen’ komen, wend dan resoluut
uw ogen af en weiger in alle rust en vrede ze te zien, probeer steeds
hart en ziel te verruimen met gedachten en gevoelens van liefde voor
al wat is, zowel groot als klein, ver en nabij, hoog en laag. Dan zal
het gezegende licht geleidelijk uw hart binnenkomen, eerst weinig en
heel stilletjes, maar naarmate u deze ‘yoga van de geest’ beoefent zal
het licht langzaam maar zeker sterker worden.
Het geheim is deze innerlijke rust die tot de geest behoort,
deze innerlijke vrede van de ziel, te cultiveren en dan ontstaat er een
kalme en rustige en ritmische trilling, en kunnen geen krachten van buitenaf
ons beroeren. Dan weten we dat we onder de hoede staan van de grote
wet waarvan de ‘beschermende armen’ zoals Katherine Tingley gewoonlijk
zei, voortdurend om ons heen zijn. Dan zullen ook de goden zelf en onze
innerlijke strijder met ons zijn en we zullen hun aanwezigheid voelen.
drie soorten dood
In het algemeen gesproken zijn er drie soorten
dood: Ten eerste, de natuurlijke dood als gevolg van ziekte of ouderdom.
Ten tweede, die door een ongeval. Ten derde, die door eigen hand. Ik heb
gehoord dat theosofen zeggen dat deze drie soorten mensen verschillende
ervaringen hebben na de dood, maar ik heb nooit een bevredigende verklaring
gehad waarom dat zo zou zijn, of een gezaghebbende bron voor die leer. Ik zou de vraagsteller willen adviseren onze theosofische
leringen te bestuderen. Er zijn inderdaad in het algemeen gesproken drie
soorten dood: dood door ziekte of natuurlijke oorzaken, als het lichaam
is versleten als een machine – want het is in zekere zin een machine die
verslijt; dood door geweld of een ongeval; en dood door zelfmoord. Dat
zijn drie manieren van doodgaan. De eerste vindt plaats als de natuur
zelf de ziel rustig terugtrekt uit het versleten lichaam waarna de gebruikelijke
processen plaatsvinden. Dat is de algemene regel. Dan volgt de dood door
geweld of een ongeval, en die verschilt van dood door zelfmoord; want
hoewel zelfmoord ook geweld betekent, is daarbij sprake van een heel belangrijk
element in de dader zelf, een ethisch element dat bij de dood door een
ongeval niet speelt. Daarom is het logisch en duidelijk dat zelfdoding,
waarbij een ethische factor meespeelt, verschilt van dood door geweld
of door een ongeval. Een soldaat die op het slagveld wordt gedood, of
iemand die door een of andere gek of misdadiger wordt gedood, ondergaat
niet dezelfde dood als iemand die zichzelf doodt uit lafheid – want alle
zelfmoordenaars zijn lafaards, wat men ook zegt.
Laten we proberen dit te illustreren aan de hand van de
slaap, de broeder van de dood, de andere kant van de dood. Als iemand
heel vermoeid is valt hij in slaap door de werking van de natuur zelf,
hij valt eenvoudig in slaap. Iemand kan ook een middel krijgen om te slapen,
al is het lichaam niet vermoeid. Dit lijkt op dood door geweld. Een bedwelmend
middel is een gewelddadige manier om in slaap te komen. Het kan zelfs
de dood veroorzaken als het middel in een te grote hoeveelheid wordt toegediend.
Vervolgens het geval van iemand die voortdurend slaapmiddelen neemt, niet
één keer, maar herhaaldelijk. U ziet dat dit drie verschillende manieren
zijn om in slaap te geraken: de manier van de natuur zogezegd, die van
de arts om een zieke wat slaap te geven die hij nodig heeft, en die van
iemand die aan slaapmiddelen is verslaafd. Het is duidelijk dat de natuur
hier op drie verschillende manieren werkt, die echter alle de slaap veroorzaken.
Zo is het ook met de dood. Een mens die op de manier van
de natuur sterft, gaat door alle veranderingen van kâmaloka tot hij devachan
bereikt, rustig, eenvoudig, zonder pijn, zonder bewustzijn, zoals iemand
die vermoeid is en in slaap valt. Iemand die wordt gedood zoals de soldaat
op het slagveld, sterft natuurlijk omdat hij wordt gedood; maar hij is
nog niet gereed om te sterven. Zijn tijd om te sterven volgens de wetten
van de natuur is nog niet gekomen. Hij blijft daarom misschien jarenlang
onbewust in de astrale wereld totdat na jaren de tijd aanbreekt waarop
de dood op de gebruikelijke manier zou zijn gekomen. En dan sterft ook
hij in de innerlijke werelden en gaat devachan binnen; de reden is dat
ieder mens als het ware een bepaalde hoeveelheid levenskracht heeft, en
voor deze hoeveelheid levenskracht is uitgeput, opgebrand, voordat de
machine is versleten, kan een mens niet sterven, ik bedoel volledig sterven.
De man die op het slagveld wordt gedood blijft in volmaakte vrede, maar
onbewust, in de innerlijke werelden tot de tijd is aangebroken waarop
hij, als hij niet op het slagveld was gedood, zou sterven. Dan gaat ook
hij devachan binnen.
Maar degene die zichzelf doodt doet dat omdat hij bang
is. Hij is ergens benauwd voor. Misschien is hij bang voor schande; het
kan ook zijn dat hij bang is het leven en zijn problemen als een man tegemoet
te treden en hij doodt zich. Zijn bewustzijn is vol van deze gedachten,
vol van deze dagdromen, angst, angst, angst, tot hij het niet langer uithoudt.
En omdat de mens in beginsel bewustzijn is, volgt er, als hij zichzelf
doodt, een korte periode van bewusteloosheid; en dan ontwaakt de ongelukkige
zelfmoordenaar in de astrale wereld en leeft hij daar als het ware in
een boze droom, hij ervaart in zijn bewustzijn, telkens en telkens weer,
misschien jarenlang, niet alleen de verschrikkelijke gedachten, de laffe
gedachten, de verschrikkingen, de angsten die hem ertoe brachten zich
te doden, maar ook de daad van het zichzelf doden, net als de drugsverslaafde;
want de drugsverslaafde heeft vreselijke dromen, de drugsverslaafde wordt
gek van zijn dromen.
Bedenk dat de mens in beginsel bewustzijn is; en daarom
is het proces dat op de dood van het stoffelijk lichaam volgt voor elk
van deze drie manieren van sterven anders.
de doden en onze gebeden
Is het goed voor de doden te bidden? Ik hoop dat ik de gevoelens van niemand kwets als
ik zeg dat het volgens mij niet verkeerd is, maar ik geloof ook niet dat
het enige zin heeft! De natuur, in haar wonderbaarlijk mededogen, in haar
harmonie, in de verheven muziek die in het hart van de dingen aanwezig
is, weet veel beter dan wij mensen wat goed is voor onze dierbaren die
sterven. Er wordt goed voor hen gezorgd.
Het is niet slecht om voor de doden te bidden, maar tot
wie wilt u bidden? Wilt u de grote geest van het heelal vertellen wat
u, arme man of vrouw, denkt dat goed is voor onze dierbare doden? De natuur
weet dat oneindig veel beter dan wij. Als u voor de doden bidt en het
maakt u gelukkig en het geeft u troost, dan kunt u bidden. Maar iets wezenlijk
goeds zit er niet in. Vergeet niet dat er oneindig goed voor de doden
wordt gezorgd. Belangrijk is dat we het leven zo goed mogelijk leven zolang
we leven; dan hoeven we geen angst te hebben voor de dood. De dood is
mooi, heel mooi.
Liefde, zuivere volmaakte liefde kan zelfs verder reiken
dan de grenzen van de dood en onze geliefden bereiken; maar het moet geen
zelfzuchtige liefde zijn, want die belemmert het werk van de natuur in
de onzichtbare werelden. Onze liefde voor onze dierbare doden zou onpersoonlijk
moeten zijn; en ons beste gebed voor onze doden is deze liefde. Ze helpt,
doet onszelf goed en we worden er beter door.
het leven vergeleken met een spel kaarten
Kortgeleden hoorde ik van een theosoof
dat we vlak voor de geboorte de keus hebben wat betreft het leven dat
op aarde gaat beginnen, maar ik heb altijd begrepen dat we geen keus hebben,
omdat we het resultaat zijn van alles wat we in vorige levens hebben
gedaan, en dat ons leven al voor de geboorte vaststaat, zoals een spel
kaarten in handen van de gever? Beide uitspraken zijn juist: ten eerste, dat ons
lot in het leven kan worden vergeleken met een spel kaarten, als men deze
beeldspraak wil gebruiken; ten tweede, dat we een vrije wil hebben. Is
het een tegenstrijdigheid als we zeggen dat een mens het kwaad dat hij
deed ongedaan moet maken? Hij doet dat omdat hij een vrije wil heeft.
Er is ook niet slechts één leven dat voorafgaat aan dit
leven waarin we maar één enkele weg van handelen zouden kunnen volgen,
om in de beeldspraak te blijven van een spel ‘uitgezochte kaarten’; maar
we hebben ontelbare levens gehad vóór dit leven; en in geen enkel leven
in het verleden was iemand in staat alle oorzaken uit te putten die toen
in beweging werden gezet – alle zaden die toen werden gezaaid te doen
rijpen en het is juist door deze verzamelde karmische schat dat we in
leven na leven, na leven moeten leven om deze oorzaken uit te werken.
In elk leven spelen we een nieuw spel, maar als we dat
spel spelen gebruiken we het stel kaarten dat we kiezen uit een vorig
gebruik en nemen dat stel, zoals we het vroeger hebben geschud. Het spel
kaarten is het leven; en voor de ziel zich wederbelichaamt, geleid door
de innerlijke godheid, dat wonderlijke vermogen van de vrije wil, het
vermogen om te kiezen, heeft ze dus het vermogen die bepaalde bij elkaar
passende oorzaken uit te kiezen en samen te brengen, die ze in het leven
dat dan begint het beste kan uitwerken; met andere woorden ze speelt het
stel kaarten dat ze weer in een nieuw spel opneemt in overeenstemming
met haar intelligentie. Dit is aan het begin van een nieuwe geboorte op
aarde eenvoudig het werk dat ieder normaal mens zijn leven lang doet.
Hij kiest van moment tot moment het pad dat hem het beste lijkt; en er
zijn misschien wel een miljard zijwegen of zijpaden die hij op elk moment
van keuze had kunnen kiezen; precies zoals hij met de kaarten in zijn
hand naar zijn beste oordeel speelt. Begrijpt u de gedachte? De kaarten
zijn uitgezocht, maar wanneer ze door het leven aan de speler zijn uitgedeeld,
speelt hij ze door zelf intelligent keuzes te maken.
We hebben een oneindige hoeveelheid ervaringen achter
ons; en als elk nieuw leven begint, als we op het toneel verschijnen om
onze nieuwe rol te spelen, een nieuw spel, doen we dat overeenkomstig
de rol die we uit het boek hebben gekozen – in dit geval het boek van
herinnering en inzicht.
Die oorzaken die we niet hebben gekozen zullen we moeten
opnemen in een volgende keuze wanneer we in een toekomstig nieuw leven
weer beginnen. Maar in elk leven zijn er bepaalde omstandigheden, ligt
er een bepaalde weg van handelen voor ons, bepaalde beschavingen, bepaalde
gezinnen – en het wachtende hogere zelf ziet het gebied van keuze, dit
pad en dit pad en dat pad, precies zoals iemand handelt die zijn auto
bestuurt. Als hij bij een splitsing komt, en de weg niet kent, zegt hij:
‘ik geef aan dit pad de voorkeur boven die andere twee of drie of vier
die op dit punt uiteengaan’. Hij had een andere weg kunnen kiezen; maar
in alle gevallen is het zijn keuze.
bewijs van toestanden na de dood
Er zijn veel filosofische leringen over de
toestand van de mens na de dood, maar mij schijnen ze allemaal heel willekeurig
toe omdat ze niet kunnen worden gesteund door rationele bewijzen. Gelooft
u werkelijk dat we iets kunnen weten over de toestanden na ons heengaan? Deze vraag is niet goed overwogen en steunt op
een verkeerd uitgangspunt. De theorie in deze vraag is dat wat onze zintuigen
ons niet vertellen niet bestaat; waar zouden onze moderne wetenschappers
zijn als alles wat ze van het heelal wisten alleen was wat we konden zien,
aanraken, voelen, proeven, horen of ruiken! Geen wetenschapper heeft ooit
een atoom gezien, of een elektron of een proton. Geen wetenschapper heeft
ooit het centrum van de zon gezien. Geen wetenschapper kan het menselijke
gevoel verklaren. Zoals Kant, de grote Duitse filosoof, in dit verband
zei, heeft niemand ooit met succes het gevoel voor ethiek dat in het hart
van de mens woont, tot niets herleid. Er is een manier om achter de sluier
van de uiterlijke schijn te gaan; en als een mens zich oefent en het leven
leeft, zal hij de leer kennen, er niet slechts over denken maar haar kennen.
De vraag lijkt op deze: Een blinde zegt dat er geen musea
zijn waarin grootse en prachtige voorbeelden van kunst of archeologie
zijn tentoongesteld, omdat hij niet kan zien. Maar anderen, minder blind
dan hij weten dat zulke musea bestaan. En weer anderen, helder van blik,
bouwen die musea, maken de schilderijen en scheppen de kunstwerken. Leef
het leven en u zult de leer kennen!
Deze vraag is niet goed overdacht, is niet erg zinvol,
want ze kan worden teruggebracht tot dit: Wat ik niet met mijn stoffelijke
zintuigen ervaar, bestaat niet; en we weten allen dat dit een leugen is,
want de mooiste dingen in het menselijk leven zijn onzichtbaar, onhoorbaar
en niet voelbaar. De menselijke intuďtie, zijn gevoel voor schoonheid,
zijn gevoel voor goed en kwaad, rechtvaardigheid, harmonie en zuiverheid:
zij vormen de grote drijfkracht achter menselijke beschavingen en zijn
de dingen die hart en geest van de mens in beweging brengen. Het zijn
ideeën die mensen groot maken en het zijn ideeën die beschavingen doen
ontstaan en opbouwen. En het zijn ideeën die ze te gronde richten. Plato
had gelijk: Ideeën regeren de wereld. En de grootsten van onze moderne
wetenschappers hebben de gedachte van onze jongste voorvaderen dat stoffelijke
materie de enige werkelijkheid in het heelal was, losgelaten. Nu zeggen
ze met de theosofen dat stoffelijke materie een illusie is en dat het
wezen van het heelal geest-stof is, bewustzijn. De hele theosofische stellingname
wordt hiermee erkend. We zijn opgebouwd uit geest-stof, uit bewustzijn.
De atomen waaruit een berg bestaat, zijn in wezen atomen geest-stof, atomen
bewustzijn. Het lijkt mij dat de vraagsteller niet op de hoogte is van
de moderne wetenschappelijke ontdekkingen. Zijn of haar denken ligt in
een verleden van vijftig of honderd jaar geleden.
De mysteries na de dood! We leven voortdurend temidden
van de dood. Het is iets dat ons het meest vertrouwd is. Het is even vertrouwd
als het leven omdat de dood een aspect van het leven is. Er zou geen dood
kunnen zijn als er geen leven bestond. De dood is een gebeurtenis, zoals
wetenschappers het tegenwoordig uitdrukken, een gebeurtenis in het leven,
in het bewustzijn. Als een mens slaapt sterft hij gedeeltelijk. De slaap
is een onvolkomen dood, de dood zoals wij mensen erover spreken, is een
volkomen slaap. Dood en slaap zijn broeders, zeiden de oude Grieken; maar
ik zeg u dat ze meer zijn: slaap en dood zijn één. Als de mens dat eens
wist; telkens als we slapen, telkens als we ’s nachts in bed liggen voor
rust en herstel van lichaam en geest, sterven we gedeeltelijk en daardoor
rusten we. En als we dromen hebben, mooie dromen of boze dromen, heilige
dromen of nachtmerries, komt dat omdat we in ons leven mooi, groots hebben
geleefd of onwaardig hebben geleefd. Zo is het ook met de dood!
reďncarnatie en de wereldbevolking
Hoe verklaart u de bevolkingstoename op aarde
in verband met de leer van reďncarnatie? In Nederland bijvoorbeeld is
nu een grote bevolkingsaanwas. Kijk naar de wereld. Men ziet het ene volk toenemen
in aantal en het andere volk afnemen in aantal. Kijk naar het Romeinse
Rijk, de rijken van Babylon en Perzië, Egypte en het Verre Oosten. Daar
bevolkten miljoenen en miljoenen eens hun land. Egypte is nu niet meer
dan een historische herinnering; Babylon bestaat uit grafheuvels, heuvels
van de doden; maar ons westen bevat volkeren die elke honderd jaar in
aantal zijn toegenomen. De verklaring ligt voor de hand. Als het ene volk
of de ene natie sterft of in aantal afneemt, gaan de reďncarnerende ego’s
naar elders, naar steeds nieuwere, jongere volken die groeien en toenemen
en de delen van de aarde bevolken waar ze hun woonplaats hebben.
Kijk naar het Mexicaanse rijk en de rijken van de Inca’s
in de tijd van Cortez en Pizarro – herinneringen! Kijk naar de bevolking
van Europa in de Middeleeuwen. Er is op gewezen dat de bevolking van Nederland,
naast andere landen, snel toeneemt; maar dat betekent dat enkele honderden
jaren geleden zijn bevolking kleiner was – net wat ik zei. Kijk eens naar
Europa in de Middeleeuwen. Men kon dagenlang reizen en nauwelijks één
dorp aantreffen. Waar waren de menselijke ego’s die daar nu zo talrijk
zijn? In andere delen van de wereld. Er vindt voortdurend een wentelen
van het levenswiel plaats. In de ene periode voert de ene groep volkeren
de scepter van macht en beschaving en groeien hun aantallen aan met de
binnenkomende menigten van reďncarnerende ego’s. Dan komt hun tijd om
met het levenswiel omlaag te gaan; de bevolkingen nemen af en worden kleiner
en kleiner; maar de bevolking van naties in opgaande lijn neemt in aantal
toe.
De waarheid is dat volgens onze leer de bevolking van
de aardbol beperkt is. De huidige geďncarneerde bevolking bestaat uit
ongeveer twee miljard mensen, iedereen inbegrepen, primitieve volkeren,
barbaren en beschaafde mensen. Twee miljard! Maar er zijn veel meer dan
deze twee miljard die in de innerlijke werelden de tijd afwachten om een
menselijk lichaam aan te nemen. Ik durf niet te zeggen hoeveel reďncarnerende
ego’s er zijn die naar de aarde zullen komen. Ik zou zelfs niet willen
proberen het te schatten. Misschien tien miljard, ik weet het niet, maar
wat ik wel weet is dat de bevolkingen van de aarde geografisch verschuiven.
Soms is het Azië, soms is het Amerika. Op het ogenblik laten het Europese
schiereiland en de Amerika’s een stijgende lijn zien. Azië is tijdelijk
stabiel maar het heeft er alle schijn van dat de komende grote bevolkingscentra
van het westen in de Nieuwe Wereld zullen zijn. Maar nu nog niet; misschien
over duizend jaar.
de nachtmerrie van de oorlog
Is een grote oorlog nodig om alle mensen
beter te maken en hen de fouten te doen inzien die ze hebben gemaakt? Mijn antwoord is: nee; het is een verderfelijke
leer. Het is een leer uit de hel. Beslist niet. Als mensen verstandig
genoeg zijn en hun hart en hun verstand gebruiken, zal men oorlog gaan
zien als een nachtmerrie uit het verleden. Vraag aan artsen of een mens
hoge koorts nodig heeft om gezond te worden. Hoge koorts verzwakt hem,
put zijn voorraad levenskracht uit en het lichaam is daarna voor altijd,
zolang het leeft, zwakker.
Aan de andere kant komt uit kwaad het goede voort. Lijden
en verdriet zijn onze beste vrienden. Dat is de keerzijde. Maar als me
wordt gevraagd of lijden en verdriet, in de vorm van oorlog die dwaasheid
is, nodig zijn voor de ontwikkeling van de mens, dan is mijn antwoord:
nee; het is een duivelse leer.
denken en fantaseren
Wat is het verschil tussen denken en fantaseren? Denken is de activiteit van dat deel van onze innerlijke
constitutie dat we het verstandelijke noemen, het mânasische om het Sanskrietwoord
te gebruiken. Fantasie is het product of resultaat van de activiteit van
dat deel van onze constitutie dat we de lagere menselijke ziel noemen.
We houden ons met fantasieën bezig als we dromen – ’s nachts dromen of
dagdromen als we wakker zijn. Dat is inbeelding, dat is fantasie. We maken
gebruik van het denken als we ons intellect aanwenden bij het logisch
redeneren, bij het intuďtief waarnemen en bij het functioneren van het
hogere menselijke bewustzijn.
de geestelijke toestand van nirvâna
Er is ons geleerd dat om ons geestelijk te
ontwikkelen we ons van de ‘persoonlijkheid’ moeten bevrijden. Als we werkelijk
onpersoonlijk worden en ‘het gevoel van afgescheidenheid’ overwinnen,
verliezen we dan elke eigenschap die ons van een ander onderscheidt en
worden we dan gelijk als twee druppels water? Betekent de theosofische
leer van nirvâna het uitwissen van de individualiteit? Ik hoop van niet. Nee, beslist niet! Niemand kan zich meer geprikkeld
voelen dan ik over de misvattingen omtrent nirvâna die gangbaar zijn in
het westen, dat vol is van zulke misvattingen over diepzinnige leringen
van filosofische of esoterische aard. De misvatting over nirvâna is eenvoudig
de gedachte dat, wanneer alle wezens in de loop van een mahâmanvantara
zijn geëvolueerd en individueel nirvâna hebben bereikt, daarna de hele
natuur, als wezens, ex hypothesi, wegzinkt in een doodse uniforme
gelijkheid van bewustzijn. Dit is absoluut en volkomen onjuist.
Men zou zich kunnen afvragen: Wat is het nut van alle
evolutionaire inspanningen van het heelal en van zijn enorme menigten
individuen, als zij alleen maar uit de homogeniteit voortkomen om daarin
tenslotte weer terug te vallen? Nirvâna is niet één uniform ding of één
uniforme toestand voor elke monade. Nirvâna betekent een toestand waarin
de evoluerende menigten monaden al het lagere hebben uitgewist, of liever
eraan zijn ontstegen. Maar elke monade bereikt, omdat ze individualiteit
heeft verkregen, de nirvânische toestand van kosmische vrijheid als een
goddelijk wezen; en iedere monade is, vanuit het standpunt van individualiteit,
geestelijk gesproken daarom sterker geďndividualiseerd dan ze aan het
begin van haar kosmische evolutie was als niet-zelfbewuste godsvonk, hoewel
nirvâna, als een algemene term, natuurlijk betekent het bereiken van die
geestelijke toestand door allen.
Neem devachan als een illustratie op een veel lager gebied.
Devachan betekent niet dat elke geëxcarneerde monade dezelfde, absoluut
dezelfde visioenen en dromen heeft. Helemaal niet! En zo is het ook met
nirvâna. Nirvâna betekent het uitstijgen boven alle gedifferentieerde
en dus beperkende elementen van de lagere sferen. Het proces is
voor allen hetzelfde, maar het nirvâna is uniek voor elke jîvanmukta of
bevrijde monade.
Denk er zelf verder over na en beoordeel de theosofie
niet verkeerd – en ook niet de ware leringen daarover van de Boeddha –
omdat sommige mensen die u misschien ontmoet de diepzinnige en subtiele
aspecten van deze diepere leringen, die zo suggestief en verhelderend
zijn, niet begrijpen.
het denken, de vernietiger van de werkelijkheid
Mij wordt voortdurend de vraag gesteld waarom
H.P.B. in De Stem van de Stilte zegt dat ‘het denken de vernietiger
is van de werkelijkheid’. Ik zou u willen vragen mij daarop enig licht
te geven zodat ik kan reageren op hen die, in deze eeuw van bewondering
van het verstand, van het stoffelijk intellectuele een god maken. Is dat dan niet zo! Wat veroorzaakt onder mensen
de verschillende gevoelens of meningen? Het denken, het verstand. Wat
verhindert ons een grotere waarheid te ontvangen dan die we nu bezitten?
Vooropgezette meningen, vooroordelen, gevoelens tegen dit of tegen dat,
het denken, het verstand. Wat verhindert de intuďtie in een gestadige
stroom naar ons menselijke bewustzijn te vloeien? Het denken dat ze moet
passeren. Het denken is maar een tussenorgaan of -vermogen, en houdt zich
met het hogere of het lagere bezig en de meesten van ons mensen leven
helaas in het lagere denken.
Ziet u niet waarom het denken de vernietiger is van de
werkelijkheid? Het woord ‘vernietiger’ is natuurlijk maar beeldspraak.
Men kan het anders uitdrukken en zeggen dat het denken, dat vol warrelende,
nutteloze, vluchtige, dwaze gedachten is, alle hogere intuďties, alle
hogere gedachten, alle hogere dingen buitensluit. Met andere woorden,
er is daarvoor geen plaats. U weet wat Bernard van Clairvaux, een Fransman,
daarover eens schreef: Ledig het denken van alles wat het heeft en is,
en de geest van waarheid zal binnentreden. Dat is de kern van wat hij
bedoelde. Reinig het denken van alle kleine lagere, hartstochtelijke dingen
en de geest van waarheid zal binnenkomen.
Op deze manier kan men, denk ik, gemakkelijk de uitspraak
in De Stem van de Stilte verklaren, dat het denken, bedoeld wordt
het verstandelijke denken, de vernietiger is van al het werkelijke; en
toch moet het verstand het instrument zijn van het werkelijke, het moet
het orgaan zijn waardoor het werkelijke in ons werkt, het ontvangende
orgaan, dat al het edelste dat in ons is doorgeeft, zelfs tot in ons gewone
leven.
maanpitri’s vóór de vierde ronde
Het eerste ras van deze (vierde) ronde werd
geschapen door wezens die bekend staan als de maanpitri’s of vaders –
de verst ontwikkelde wezens van de maanketen. Wat deden en waar waren
de maanpitri’s vóór de vierde ronde? De maanpitri’s waren, voor de vierde ronde begon,
in hun nirvâna, tussen bol G of de laatste van de voorgaande derde ronde,
en bol A of de eerste van de daaropvolgende vierde ronde. Dit verklaart
‘waar ze waren’ en ‘wat ze deden’. Als echter met de vraag dit wordt bedoeld:
‘Wat deden en waar waren de maanpitri’s vóór hun binnenkomst op deze vierde
bol D tijdens deze vierde ronde?’ – dan is het antwoord als volgt: Zij
bevonden zich en evolueerden op bol C van deze planeetketen; met andere
woorden, op bol C van de vierde ronde. Toen ze hun werk op bol C in deze
vierde ronde hadden beëindigd, gingen ze over naar bol D of de vierde
bol van deze vierde ronde.
mânasaputra’s vóór de vierde ronde
Tijdens het laatste deel van het derde ras
vond die wonderlijke, mystieke gebeurtenis plaats – de incarnatie van
de mânasaputra’s – de zonen van het denkvermogen – in de tot dan toe verstandeloze
wezens. Wat deden en waar waren de mânasaputra’s vóór de vierde ronde,
en ook tijdens de eerste, tweede en derde? Het antwoord is geheel gelijk aan het antwoord
op de vorige vraag, alleen gaat het hier om mânasaputra’s in plaats van
maanpitri’s. Met andere woorden, ook de mânasaputra’s waren in hun nirvâna,
na aan het einde van de derde ronde bol G te hebben verlaten en vóór ze
hun evolutie op bol A van de vierde ronde begonnen. Als de vraag echter
betekent: ‘Wat deden en waar waren de mânasaputra’s vóór de vierde ronde
begon op deze bol D, dan is het antwoord hetzelfde als voor de maanpitri’s
van de vorige vraag: ze evolueerden op de bollen B en C of de bollen die
aan bol D of onze aarde voorafgingen.
Deze vraag gaat ook over de ‘eerste, tweede en derde’,
waarmee vermoedelijk ronden worden bedoeld en dit laatste gedeelte van
de vraag vereist een ander antwoord. Tijdens de eerste, tweede en derde
ronde, evolueerden de mânasaputra’s op hogere geestelijke gebieden, op
en in bewustzijnsgebieden boven de zeven bollen van onze planeetketen.
Ze wachtten totdat de zeven bollen van de planeetketen en de maanpitri’s
die op deze zeven bollen tijdens de eerste, tweede en derde ronde evolueerden,
goede, geschikte lichamen hadden gereedgemaakt waarin de mânasaputra’s
konden incarneren en waarin ze konden werken. Deze lichamen kwamen tenslotte
gereed tijdens de vierde ronde, zoals blijkt in H.P. Blavatsky’s De
Geheime Leer.
Bedenk dat zowel de mânasaputra’s als de maanpitri’s op
alle bollen van de planeetketen evolueren, en ook dat de maanpitri’s vanaf
het allereerste begin met deze evolutie een aanvang maken en de bollen
opbouwen en de lichamen op deze bollen opbouwen, als voorbereiding voor
de incarnatie van de mânasaputra’s, die gedurende diezelfde lange tijdsperiode
ook evolueren, maar op gebieden hoger dan die waarop de maanpitri’s evolueren.
Zelfs tijdens de eerste ronde op bol A, aan het einde
van zijn bolmanvantara, waren er bepaalde mânasaputra’s die toen verschenen
en de toenmalige mensheid van bol A vormden. Dat waren mânasaputrische
voorlopers. De hele kwestie van de ronden en rassen is bijzonder ingewikkeld,
hoewel de algemene beginselen eenvoudig en duidelijk zijn.
de betekenis van fohat
Kunt u ons iets vertellen over de diepere
betekenis van fohat? Ik vraag me af of u in uw theosofische studie ooit
hebt gedacht aan de diepgaande en verhelderende kennis die zo vaak kan
worden geput uit de studie van de oorsprong en etymologie van woorden
of namen. Fohat kan worden beschouwd als een voorbeeld daarvan, want het
is in feite een term van Mongoolse oorsprong. De werkwoordswortel is fo,
of beter gezegd foh. Het is de Mongoolse term voor het woord boeddha
of ook buddhi, of vaak ook voor boeddhawijsheid. Het wordt zo genoemd
om de volgende reden: fohat, in wezen kosmische levenskracht, bewerkt,
verricht en voltrekt zijn vele wonderen met het weven van het web van
het universele zijn, omdat de kosmische buddhi – mahâbuddhi genoemd –
zich daardoor beweegt, erdoor werkt en er leiding aan geeft. Fohat is
het ros, het denken is de ruiter. Aan deze kosmische levenskracht, die
als het ware de prâna van het heelal is, en in het heelal vertegenwoordigt
wat de prâna’s in ons eigen lichaam zijn, gaven de Mongolen en Tibetanen
de naam fohat, die we, zoals hierboven gezegd, misschien mogen parafraseren
door deze weer te geven als boeddhaleven, boeddhavitaliteit.
Let wel, ik probeer u hier de reden te geven waarom de
Mongolen over de kosmische levenskracht spreken in verband met gedachten
die eigenlijk slaan op de termen buddhi, boeddha, bodha, bodhi. Hun visie
weigerde in de prachtige, symmetrische, mathematische en harmonische structuur
van het heelal dat zuiver denkbeeldige spel van blinde en zielloze krachten
op dode stof te zien, dat de vloek is van het westerse wetenschappelijke
denken in de laatste honderd jaar of meer. Voor deze oude oosterlingen
was het heelal een uitdrukking van kosmische wijsheid, van de kosmische
buddhi, van mahâbuddhi; die de elementen of materies van het heelal leidde,
d.w.z. bereed, zoals een ruiter zijn levende paard berijdt, leidt en richting
geeft. Vandaar dat zij deze kosmische levenskracht, die in hun geest onveranderlijk
was verbonden met de inwonende intelligentie, aanduidden met de term fohat,
die kan worden geparafraseerd zoals ik hierboven deed. Voor hen was fohat
niet wat kosmische energieën voor de meeste westerlingen zijn, niets anders
dan natuurkrachten zonder enige occulte, mystieke en dus werkelijke betekenis;
maar zij gaven er de naam aan die wij hier bespreken, want hun bewustzijn
zag in de kosmische levenskracht, die in het universele zijn steeds in
haar ware betekenis werkzaam is – boeddhaleven, de intelligente grondslag
van het gemanifesteerde heelal; het kosmische leven, bereden door het
universele bewustzijn, universele wijsheid en daarom terecht gezien als
het universele leven, belichaamd en geleid door universele intelligentie.
Fohat is het ros; het kosmische denken is de ruiter.
rasboeddha’s
Is Gautama de Boeddha de enige boeddha die
tijdens dit wortelras onder de mensen verschijnt? Er verschijnen in elk wortelras twee boeddha’s,
één kort voor het begin, één tegen het midden of het einde, afhankelijk
van de omstandigheden; maar een van deze twee wijdt zich in het bijzonder
aan het wortelras als ras. Dezelfde boeddha-invloed, die door de speciale
rasboeddha werkt, manifesteert zich ook in een vrij groot aantal bodhisattva’s,
die allen tot hetzelfde ras behoren en lagere boeddha’s kunnen worden
genoemd; en deze verschijnen met regelmatige tussenpozen tijdens het ras.
Gautama de Boeddha was zo’n bodhisattva in en door wie de rasboeddha zijn
alles overtreffende kracht manifesteerde.
Er is aan dit alles een echt esoterisch mysterie verbonden
dat veel meer toelichting vereist dan deze enkele regels; maar wat er
is gezegd is tot op zekere hoogte juist en geeft tenminste een kort antwoord
op de vraag.
Laat ik het herhalen: één boeddha of buddhische geest
voor en gewijd aan elk wortelras. Toch verschijnen er in elk wortelras
twee boeddha’s, één kort voor het begin ervan en één ongeveer in het midden
of tegen het einde, afhankelijk van de omstandigheden. Daarnaast zijn
er in elk wortelras een vrij groot aantal bodhisattva’s, zeer geestelijke
en intellectueel hoogontwikkelde mensen, die op weg zijn eens zelf boeddha’s
te worden en die de invloed van de rasboeddha in het ras waarin zij zelf
verschijnen belichamen of manifesteren. Deze bodhisattva’s zijn gewoonlijk
ook de wezens die aan het begin van elke zogenaamde ‘Messiaanse cyclus’
verschijnen, die gewoonlijk 2160 jaar duurt.
De boeddha die, zoals gezegd, ongeveer in het midden of
tegen het einde van een ras verschijnt, is de bijzondere boeddha van het
volgende wortelras, die dus bij wijze van spreken iets vóór zijn eigen
tijd verschijnt om, in samenwerking met de rasboeddha zelf, het einde
van het ras te begeleiden om zich te verbinden en samen te smelten met
het volgende wortelras.
een planeet en haar satellieten
In De Oceaan van Theosofie zegt Judge
dat de levensgolven op deze aarde van de maanketen kwamen. Dit verklaart
enigszins de relatie van de maan met onze aarde. Hoe moeten we dan de
relatie begrijpen van Jupiter met zijn vele satellieten? Als de vraagsteller de verschillende plaatsen bestudeert
waar ik naar deze zaak heb verwezen, ik geef toe in min of meer gesluierde
termen, zal hij het, denk ik, begrijpen. Elke planeet van het zonnestelsel
heeft maar één maanouder, en die maanouder is, gezien als een volledig
wezen, een planeetketen. De ouder van de aardketen was de maanketen; en
de ouder van bol D, onze aarde, was bol D van de maan, waarvan wij het
dode overblijfsel of de kâmarűpische schil aan de hemel zien.
Als een planeet meer dan één satelliet heeft, dan bestaan
deze satellieten door verschillende oorzaken; maar ik zou er twee kunnen
noemen. Ik noem er slechts één en wel de meest voorkomende. Met uitzondering
van de maan, die de werkelijke ouder van zo’n planeet is, van bijvoorbeeld
Jupiter, zijn de andere planeten ‘ingevangen’.
de straf voor afgescheidenheid
Als we allen onscheidbare delen van het heelal
zijn, wat is dan de straf als we ingaan tegen de fundamentele wet van
het heelal en proberen ons uit die onscheidbare eenheid los te maken? Als men probeert zich los te maken van het heelal,
wat volstrekt onmogelijk is, is de straf dat men zich daardoor beperkter
maakt dan men tevoren was. Het bewustzijn krimpt, wordt kleiner, minder
omvattend en daarom gaat men wat vermogens en kracht betreft achteruit.
Het hele doel van ontwikkeling, of het om een atoom, een mens of een god
gaat, is het ontplooien van latente krachten en vermogens die in ieder
aanwezig zijn; en vooruitgang in evolutie wordt gekenmerkt door uitbreiding
of toename van sympathie in steeds ruimere sferen. Als men de blik naar
achteren richt, in plaats van de fundamentele wet van vooruitgang van
de natuur te volgen, wat neerkomt op een zich steeds uitbreidend bewustzijn
en een zich steeds verder ontwikkelende kracht, dan zwemt men in adversum
flumen, tegen de stroom in, en faalt men verhoudingsgewijs. Men gaat
achteruit in plaats van vooruit. Het bewustzijn krimpt; en in plaats van
vooruit te gaan en meer vertrouwd te raken met de goden, onze voorouders,
wat de uiteindelijke bestemming van de mens is, gaat men achteruit, naar
de dieren, naar de planten, naar de nog onontwikkelde oneindig kleine
wezens die in de gesteenten wonen en hen vormen.
Dat is de straf als men ingaat tegen de fundamentele wet
van de natuur. Men verliest geleidelijk alles.
de betekenis van dromen
Heeft elke droom een geestelijke betekenis,
of zijn dromen eenvoudig het gevolg van wisselende gedachten tijdens de
slaaptoestand? Het is onmogelijk, denk ik, te zeggen dat alle
dromen een geestelijke betekenis hebben, want dan zouden we moeten zeggen
dat sommige verschrikkelijke nachtmerries die mensen hebben een geestelijke
betekenis hebben. Er zijn veel soorten dromen: goede dromen, slechte dromen
en neutrale dromen, heilige dromen en onheilige dromen, dromen van geestelijke
aard en dromen van zeer stoffelijke aard. Sommige dromen kunnen geestelijk
worden genoemd omdat ze, in die gevallen van geestelijke dromen, in feite
voortvloeien uit het geestelijke deel van de menselijke constitutie, de
wortel van zijn wezen, de fijnste energie in hem, die op het stoffelijke
brein inwerkt, het benadert en raakt, slechts zwak omdat de afstand bij
wijze van spreken enorm groot is tussen de geest en het stoffelijk lichaam.
Maar als de goddelijke vlam van de geest het stoffelijk brein zelfs maar
met een straal raakt, dan is de droom prachtig, zeer vredig, vol majesteit
en profetisch.
Aan de andere kant zijn er dromen die niet meer zijn dan
een reflexwerking van het dagelijkse verstand, half wakend en half slapend,
dat als het ware dwaze sprongen maakt, omdat de innerlijke mens, het werkelijke
ego, het stoffelijke brein met zijn continue stroom van wilskracht en
vaste gewoontes niet langer beheerst. Deze laatste dromen waarover ik
nu spreek zijn eenvoudig automatische herhalingen, gewoonlijk echter verwrongen,
van wat de dag heeft gebracht. Ik zal proberen het duidelijk te maken.
Neem een man die zijn leven lang in een fabriek werkt en spelden van koppen
voorziet, week in week uit. Veronderstel dat die man op een nacht droomt
dat hij aan zijn werkbank staat en spelden van koppen voorziet. Het is
duidelijk dat dit slechts een reflexwerking is van wat zijn brein overdag
in zich had. Daaraan is in het geheel niets spiritueels. Neem een andere
soort droom. Iemand droomt dat hij iets slechts doet, het maakt niet uit
wat, iets schandelijks. Ook dit is het gevolg van een verborgen deel van
de constitutie van de man dat probeert de hersenen binnen te dringen,
het gevolg van een of andere gedachte of daad in het verleden. Omdat de
gedachte of daad op de hersenen werd afgedrukt, droomt de man dit die
nacht, herhaalt hij het volmaakt of onvolmaakt.
U ziet dus dat er veel soorten dromen zijn. Dromen zijn
eenvoudig de werking van het bewustzijn op de stoffelijke hersenen; en
als een mens niet volledig slaapt, als de hersenen nog een klein beetje
wakker zijn, dan droomt hij: goede dromen of slechte dromen of neutrale
dromen; en als deze dromen mooi en heilig zijn, dan zijn ze geestelijk
omdat dan het hogere deel van het wezen van de mens dit halfslapende brein
bereikt, en als het ware aanraakt. Maar wanneer de dromen boosaardig zijn,
onedel, onzuiver, wat u maar wilt, dan zijn ze het gevolg van het dagelijks
leven van de persoon – misschien niet van de vorige dag, ze kunnen het
gevolg zijn van een gedachte of een daad die de man een maand of een jaar
geleden had of deed. Maar wat een mens ook denkt of doet, het wordt onuitwisbaar
op de hersenen afgedrukt.
de theosofische houding tegenover het spiritisme
Wat is de houding van de theosofie tegenover
het spiritisme? Theosofen hebben geen geloofsstellingen en geen
dogma’s. Daarom wordt iedereen die in universele broederschap gelooft,
uitgenodigd zich bij de Theosophical Society aan te sluiten. We hebben
in onze gelederen, denk ik, boeddhisten, brahmanen, taoďsten, christenen,
spiritualisten, materialisten, agnostici en zelfs atheďsten! Iemand kan
dus spiritist zijn en toch lid van de Theosophical Society. Als u mij
vraagt wat ik van het spiritisme denk, dan zal ik zeggen wat ik
denk. Ik waag me er niet aan te zeggen wat andere theosofen denken; want
als ik zou zeggen wat andere theosofen denken, staat dat gelijk met het
verkondigen van een dogma in de Theosophical Society; en dat kan en wil
ik niet doen.
Maar ik zal u zeggen wat ik denk. Ik geloof dat de spiritisten
in het algemeen een groep ernstige, eerlijke, goede mensen vormen, die
ervan overtuigd zijn dat ze in contact kunnen komen met de geesten van
hun geliefden die zijn heengegaan. Nu geloof ik dat dit volstrekt onjuist
is. Ik denk dat het een volslagen misverstand is. Het is zeker waar dat
er mediums zijn die goed zijn, die een psychische constitutie bezitten
die min of meer onevenwichtig is, niet in balans zoals bij gewone mensen.
Daarom kunnen zij dingen doen of voortbrengen die ongewoon zijn. Maar
om te zeggen dat deze ongewone dingen het werk van geesten zijn van de
andere zijde, is nooit bewezen.
Ik wil de gevoelens van geen enkele spiritist kwetsen.
Maar ik zou de spiritisten deze vraag willen stellen: Hebben de spiritisten,
sinds de eerste verschijnselen in Hydeville, in de staat New York, in
1848 geloof ik, hebben zij de wereld ooit iets gegeven dat van religieuze
of filosofische of wetenschappelijke waarde is voor de wereld? Een grote
waarheid over de natuur verklaard? Niet één! Een grote religieuze waarheid
toegelicht? Niet één! Een grote wetenschappelijke vooruitgang voorspeld
of zelfs verklaard? Niet één!
Ik wil nog iets verder gaan – en ik vraag mijn broeders,
de spiritisten, vergiffenis als mijn woorden hun gevoelens kwetsen; ik
wil de gevoelens van niemand opzettelijk kwetsen; maar omdat de vraag
aan mij is gesteld, is het mijn plicht te antwoorden. Ik heb deze vraag
bestudeerd en heb ontdekt dat de zogenaamde mededelingen, die via mediums
doorkomen en afkomstig zijn van wat zij ‘geesten’ noemen, in de regel
uit gezwam bestaan. Dat heb ik ervaren. Deze mededelingen bevatten vaak
gewone ethiek, maar ethiek die iedereen kent en bovendien slecht geformuleerd.
De mededelingen zijn zo waardeloos omdat ze vaak alledaags en onzinnig
zijn; en ik weiger te geloven dat mijn overleden vader bijvoorbeeld, schuldig
zou kunnen zijn aan het onzinnige gebazel dat, zoals onze beste broeders
de spiritisten zeggen, via de mediums van de andere zijde doorkomt!
Wat werkelijk gebeurt is het volgende – en dit is de leer
van alle wijzen uit vroegere eeuwen die de mens hebben gewaarschuwd tegen
deze praktijken die we necromantie noemen of voorspellen door middel van
de doden. Zij zeggen dit: dat er in de astrale wereld, de wereld onmiddellijk
boven de stoffelijke wereld, die bestaat uit minder fysieke stof dan de
onze, minder materieel, iets etherischer, de schaduwen leven, de schimmen,
de overblijfselen van de astrale lichamen van dode mensen, astrale lijken.
Zoals het stoffelijk lichaam als de ziel het heeft verlaten, een stoffelijk
lijk is, zo is het ook in de astrale wereld: als de ziel de astrale wereld
heeft verlaten, laat ze deze astrale lijken achter. Wij noemen ze schillen;
zoals ook het stoffelijk lichaam een schil is als de ziel het heeft verlaten.
Het zijn deze astrale lijken of schillen die tot de seancekamer worden
aangetrokken en zij hechten zich aan sensitieven die zulke bijeenkomsten
vaak bezoeken; en zij beďnvloeden het denken, het brein, van het medium;
en daarom gebeurt het soms dat er mededelingen worden ontvangen via mediums,
die de naam noemen van een overledene of iets van weinig belang vertellen,
gewoonlijk iets dwaas, voorvallen die de overledene heeft meegemaakt toen
hij of zij nog leefde.
Maar deze astrale overblijfselen zijn niet de glorierijke
geesten van mensen. Als de dood komt vliegt de geest van een mens als
een bliksemflits naar zijn ouderster, sneller dan de bliksem. Wat in de
stoffelijke wereld overblijft is het kadaver, het lijk. Al wat in de astrale
wereld overblijft is het lingasarîra of het astrale lichaam, een astraal
lijk. Begint u het nu te begrijpen? Ik wil liever niet meer zeggen want
ik wil de gevoelens van niemand kwetsen en ik zou willen voorstellen dat,
als men belangstelling heeft voor wat de theosofie zegt over het spiritisme,
men onze boeken bestudeert, vooral de werken van H.P. Blavatsky die aan
de behandeling van dat onderwerp speciale aandacht schonk.
Tot slot moet ik nog zeggen dat veel van de zogenaamde
echte mededelingen die in seancekamers worden ontvangen in werkelijkheid,
en natuurlijk zonder dat het medium zich daarvan bewust is, psychische
gegevens zijn, ontleend aan het brein van de aanwezigen, die zelf misschien
volkomen zijn vergeten dat ze de voorvallen, die zijn ontleend aan wat
nu algemeen, ten onrechte, het ‘onderbewuste’ wordt genoemd, ooit kenden
of meemaakten of erover hebben gehoord.
magnetische genezing op afstand
U heeft ongetwijfeld veel brieven over psychische
zaken ontvangen en dat brengt mij tot de volgende vraag. Is het volgens
u mogelijk dat er magnetische genezing op afstand plaatsvindt? Ik kan alleen maar antwoorden, ja, natuurlijk.
Maar ik doe dat met vrij veel tegenzin en ik zal u zeggen waarom. Ik geloof
dat het heel gevaarlijk is als iemand, zelfs met de beste motieven, probeert
zijn magnetisme op een ander mens toe te passen. Ik weet dat er goed kan
worden gedaan. Maar ik weet ook dat er kwaad mee kan worden gedaan. Ik
weet dat er edelmoedige mensen zijn die genezen; maar ik denk dat het
bijzonder gevaarlijk is. Ik zou het op mij niet toelaten. En als ik van
een vriend houd, zou ik hem nooit aanraden zich te onderwerpen aan het
magnetisme van een ander mens. Moet u mij vragen waarom? Vraag het uzelf.
Niemand is wijs genoeg om de geest, of zelfs het lichaam van een ander
magnetisch aan te raken. Het is spelen met vuur.
Ik weet dat dit antwoord misschien wat impopulair is;
maar het is niet mijn plicht naar populariteit te streven, maar om u te
zeggen wat ik weet of, eventueel wat ik geloof dat waar is. Magnetische
genezing is in werkelijkheid slechts een andere vorm van hypnotiseren
of biologeren, noem het zoals u wilt; en dit kan duivels werk zijn en
is dat vaak ook; zodat er zelfs nu in veel beschaafde landen wetten bestaan
tegen het zonder onderscheid hypnotiseren, in het bijzonder in medische
faculteiten.
kleinere paden naar de waarheid
De vraag is gesteld of theosofen beweren
de enige weg te zijn waarlangs men waarheid kan vinden. Kunt u dit wat
toelichten? Ik zal deze vraag beantwoorden door de woorden
te gebruiken van de grote Fransman Victor Hugo: ‘In de nacht aanvaard
ik de leiding van toortsen, al weet ik dat er een zon is’. Als, ter verduidelijking,
theosofie de formulering in menselijke taal is van de werkingen en wetten
van de natuur, dan is ze waarheid en volstrekte waarheid; en hoe meer
we van deze waarheid weten, des te meer zullen we onze theosofie kennen.
Maar er zijn mensen met een bepaalde instelling van geest en hart voor
wie de stralende zon te helder is. Zij houden van de leiding van toortsen.
Zij houden van het kleinere licht, omdat een kleiner licht gemakkelijker
kan worden gevolgd, hanteerbaarder is, gemakkelijker te begrijpen. Maar
eens verlaten ze de schaduwen, waar de toortsen hun enige licht zijn,
de grot waarover Plato sprak, waar men alleen de dansende schaduwen op
de muur zag. Zij gaan naar buiten in het zonlicht. Dan worden de toortsen
opzij gelegd.
over groepszielen
Als dieren sterven lossen zij dan op in een
algemeen ‘zielenreservoir’ en verliezen ze dan hun individualiteit in
wat een ‘groepsziel’ kan worden genoemd, of heeft ieder dier zijn eigen
afzonderlijke monade, en is het dus geďndividualiseerd? Al is ‘groepsziel’ een ongelukkige term en niet
helemaal juist, hij bevat niettemin een kern van waarheid. Als we bedenken
dat het proces van individualisering continu doorgaat vanaf de elementalen
tot de dhyâni-chohans, en dat alle monaden behoren bij, of verbonden zijn
met een van de zeven of tien of twaalf zonnelogoi, of wat door sommigen
‘stralen’ worden genoemd, dan zien we onmiddellijk de ware leer achter
dit idee van groepsziel. Niettemin is ieder dier altijd een uitdrukking
van de inwonende monade evenals de mens, evenals een plant, evenals een
chemisch atoom dat is. Maar hoe verder we teruggaan naar de chemische
elementen, des te nauwer zijn zulke monaden in families met elkaar verbonden.
We zien een voorbeeld daarvan in de mineralen die, al zijn ze verdeeld
in verschillende soorten mineralen, veel meer op elkaar lijken dan de
planten die, al zijn ze verdeeld in verschillende orden, geslachten, families,
soorten, enz., op hun beurt weer veel meer op elkaar lijken dan de dieren.
En ook de dieren, hoewel verdeeld in verschillende rassen, lijken veel
meer op elkaar dan mensen. Een beter woord dan groepszielen, of blokzielen,
een term die in H.P. Blavatsky’s tijd werd gebruikt, zou misschien rijken
zijn.
De monaden in de lagere rijken zijn onderling veel nauwer
verbonden en lijken veel meer op elkaar dan de meer geďndividualiseerde
monaden in de hogere rijken. Maar het is geheel onjuist, volkomen fout
om te zeggen dat de monade van een dier bijvoorbeeld wegzinkt in een zielenoceaan
of in een groepsziel, en er nooit meer uit tevoorschijn komt, maar dat
het slechts nieuwe differentiaties van de oceaan zijn die tevoorschijn
komen, nieuwe druppels. Houd altijd voor ogen dat de monade steeds op
reis is in ruimte en tijd, er voortdurend naar streeft zich vollediger
tot uitdrukking te brengen naarmate haar voertuigen meer geďndividualiseerd
worden, en dan heeft u de juiste leer. Maar de monade is een individu
vanaf haar eerste verschijnen in een manvantara als een niet-zelfbewuste
godsvonk, gezien vanuit ons standpunt. De monade is in feite nooit een
elementaal dat zich omzet in een mineraal, zich omzet in een plant, in
een dier en tenslotte in een mens. Dat is onjuist. Maar de monade manifesteert
zich eerst in het delfstoffenrijk, en brengt haar eigen atomaire voertuig
voort. Als ze haar zeven kringlopen in het mineralenrijk heeft voltooid,
overschrijdt ze de grens en treedt ze het plantenrijk binnen. Na daar
haar zeven kringlopen te hebben volbracht, komt ze tevoorschijn en manifesteert
ze zich als een van de dieren van de laagste soort, zoals bijvoorbeeld
een spons, of een soortgelijk schepsel, half-dier half-plant. En dan treedt
ze tenslotte het dierenrijk binnen, enz.
Denk altijd aan de uitspraak die u in de Gîtâ vindt,
en die wordt toegeschreven aan Krishna, als hij zegt: ‘Ik schiep dit hele
heelal uit een deel van mijzelf en blijf ervan gescheiden’. Precies zo
is het met de individuele monaden in al hun onberekenbare aantallen. Elk
schept, vanaf de tijd van haar eerste verschijning in een manvantara,
haar eigen veranderende voertuig uit delen van zichzelf, en blijft toch
voortdurend, door de eeuwen heen, van die voertuigen ‘gescheiden’; ze
manifesteert zich eenvoudig daarin, werkt erdoor, totdat tenslotte, zelfs
na het vergevorderde dhyâni-chohanschap, de zich ontwikkelende ziel weer
de monade wordt: de boeddha of christus wordt opnieuw zijn ‘Vader in de
Hemel’, en dat is de monade.
een verkeerde opvatting over tweelingzielen
Wilt u ons iets zeggen over de leer van de
tweelingzielen. Deze leer heeft in het verleden onheil veroorzaakt
in de Theosophical Society. Veel mensen hebben haar verkeerd begrepen
en er hebben zich in feite gevallen van immoreel gedrag voorgedaan, omdat
deze leer verkeerd werd begrepen. Ik houd niet van de term ‘tweelingzielen’,
want alle mensen zijn niet alleen zonen van vader zon, maar zoals het
mensenras is verdeeld in families, zo behoren bepaalde delen van de mensheid
als het ware tot bepaalde geestelijke energieën of krachten, die samen
de geestelijke zon vormen.
Sommige theosofen noemen deze energieën stralen. Dat is
niet zo’n goed woord omdat het doet denken aan de stoffelijke stralen
van de zon en daarmee plaatst men de gedachte op het stoffelijke vlak;
maar als men wil kan men ‘stralen’ gebruiken. Ik geef de voorkeur aan
het woord ‘energieën’ of ‘krachten’. Bepaalde rassen van de mensheid of
bepaalde groepen mensen behoren tot dezelfde energie, tot dezelfde straal;
andere groepen mensen behoren tot andere krachten of stralen. Er zijn
tien hoofdkrachten of stralen en we kunnen de mensheid dus in tien hoofdfamilies
verdelen. Dit zijn dezelfde als de tien klassen van monaden waar H.P.B.
over spreekt. En op deze wonderlijke, mystieke gedachte, een feit in de
natuur, berust de verkeerde opvatting over tweelingzielen.
Hoe ontstond deze opvatting over tweelingzielen? Eenvoudig
uit dit feit, dat tussen twee mensen die tot dezelfde energie van de zon,
dezelfde zonnekracht behoren, er sprake is van een snelle en onmiddellijke
sympathie, een gevoel alsof ze elkaar altijd hebben gekend. En als het
om dingen uit ons gewone menselijke leven gaat kunnen we zeggen dat de
gevallen van echte, werkelijke liefde tussen een goede man en een goede
vrouw op dit feit zijn gebaseerd.
Dat is alles wat er in de leer van tweelingzielen aan
waarheid zit. Zoals deze gewoonlijk wordt opgevat is ze een heel gevaarlijke
leer, omdat er zo gemakkelijk misbruik van kan worden gemaakt. Maar als
men haar begrijpt is ze, zoals u ziet, een leer vol diepe waarheid.
geen historische gegevens over jezus
Wat is er uit historische bronnen over de
persoon Jezus bekend? Er is uit historische bronnen absoluut niets over
de persoon Jezus bekend – als we de christelijke evangeliën buiten beschouwing
laten. Zelfs de verwijzing in Josephus, de joodse historicus, naar het
feit dat er een zeker iemand, Christus genaamd, in Jeruzalem leefde kort
voor zijn eigen tijd, wordt nu bijna algemeen door geleerden, buiten de
christelijke kerk, en ook door veel christelijke geleerden, gezien als
een inlassing in de werken van Josephus, mogelijk door Eusebius. Er bestaat
absoluut geen enkel historisch gegeven in een ‘heidens’ historisch werk
over zijn werkelijke bestaan, behalve de vage uitspraak in Tacitus en
bij een of twee andere schrijvers; en deze uitspraken zijn kennelijk gebaseerd
op alleen maar geruchten, die ongetwijfeld afkomstig zijn van vroege christenen.
Daarom zijn tientallen geleerden tot de conclusie gekomen dat het hele
verhaal over Jezus eenvoudig een oude ‘zonnemythe’ was – maar dat accepteren
theosofen niet. Ongetwijfeld leefde er in een tijd, die we het begin van
de christelijke jaartelling noemen, of in de eeuw voorafgaand aan de algemeen
aanvaarde datum van het begin van de christelijke jaartelling, een wijze,
een ziener, die in Palestina leefde en werkte, die waarschijnlijk Yęshűa‘
werd genoemd, wat het Hebreeuwse woord is voor ‘Heiland’. Dit is de oorspronkelijke
vorm van de naam die Ięso~us werd in het Grieks en Ięsűs in het Latijn.
Hij is degene naar wie theosofen verwijzen als de avatâra.
Ik geloof niet dat de mensen weten hoe volstrekt ongefundeerd
veel van de geaccepteerde verhalen over het christendom zijn. Er is absoluut
geen bewijs, volgens de gebruikelijke maatstaven voor bewijs, dat Jezus
ooit leefde. De christenen zijn veelvuldig uitgedaagd om met een nauwkeurig
bewijs naar voren te komen, en ze zijn daarin niet geslaagd. Maar toch
beweren ze terecht dat er een oorspronkelijke figuur moet zijn geweest
om wie de mythen, verhalen, legenden zich hebben gegroepeerd, die later
in de verschillende geschriften werden belichaamd, zoals in de vier evangeliën
die nu canoniek worden genoemd, en in de twintig of meer geschriften die
we nu de apocriefe evangeliën noemen.
Als men denkt aan de verbitterde conflicten, theologische
en andere, de eeuwen van strijd die de vroege christenen onder elkaar
voerden, een voortdurende strijd in de eerste vijfhonderd jaar of meer,
beseft men dat er nauwelijks iets bewaard kan zijn gebleven dat in oorsprong
waar was. Wat wel bewaard bleef was het resultaat: de christelijke theologie;
en ook deze viel uiteen in verschillende scholen; zoals bijvoorbeeld de
Grieks-orthodoxe Kerk, de Roomse, zogenaamd Katholieke Kerk, de Armeense
Kerk, de Nestoriaanse Kerk, de Koptische Kerk, de Syrische Kerk en andere
kleinere sekten. En daarnaast waren er de grote christelijke theologische
groeperingen, zoals de zogenaamde Orthodoxe en de Ariaanse.
De tegenwoordige christelijke theologie is eenvoudig het
resultaat van een mengelmoes van theologisch gekrakeel gedurende de eerste
vijfhonderd jaar en de veertienhonderd jaar die volgden.
duistere oorsprong van de evangeliën
Wat is er bekend over het geknoei met oorspronkelijke
teksten om ze beter te laten passen bij de ideeën van de kerkvaders? Ik
herinner me in The Theosophical Path gelezen te hebben over een
zekere Lactantius, die uit de school klapte over de manier waarop hij
met teksten goochelde, maar ik kan dit artikel nu niet vinden. De verwijzing naar Lactantius is in dit verband,
denk ik, onjuist. Lactantius was een van de latere christelijke apologeten,
die in het begin van de vierde eeuw van de christelijke jaartelling leefde,
toen de vier evangeliën waarschijnlijk al waren geaccepteerd als min of
meer canoniek. Niemand weet met zekerheid wie degenen waren die
met de evangeliën knoeiden, als er al mee werd geknoeid, zoals waarschijnlijk
het geval is – met sommige meer, met sommige minder. Het is zonder meer
een feit dat het enige wat geleerden werkelijk weten over de evangeliën
– los van meningen en hypothesen – is, dat deze vier, die nu canoniek
worden genoemd, tenslotte zegevierden over vele andere en omstreeks de
vierde eeuw van de christelijke jaartelling de aanvaarde vier canonieke
evangeliën of geschriften van de christelijke kerken werden. Dit is alles
wat met zekerheid kan worden gezegd. Al het overige is duister en bestaat
uit meningen en giswerk.
Het is voor iedereen die de vier evangeliën leest duidelijk
dat het geschriften moeten zijn, geschreven naar, d.w.z. in overeenstemming
met andere, die de originele waren en die zijn verdwenen: want de huidige
evangeliën bevatten voldoende overeenkomsten en gelijkheid van inhoud
om tot die conclusie te komen. Ze bevatten ook genoeg onderlinge tegenspraken
om te bewijzen dat verschillende handen eraan hebben gewerkt of ze hebben
geschreven. Van de christelijke kerkvaders leefden sommigen later en sommigen
eerder dan de evangeliën.
waarschuwingen in dromen
Waar komen waarschuwingen in dromen en visioenen
vandaan? Komen ze van ontlichaamde geesten? Nee, niet van ontlichaamde menselijke ‘geesten’.
Het is het innerlijke ego, het geestelijke ego van degene die het visioen
ziet of de stem hoort of de inspiratie krijgt. In veel zeldzamer gevallen
komen zulke waarschuwingen van de beschermers van de mensheid die, als
karmische verdienste van de persoon die dat in een ander leven heeft verdiend,
een waarschuwing geven of een visioen of een droom zenden.
prajâpati’s, amshaspends,
kabiri, enz.
Zijn de prajâpati’s dezelfde als de amshaspends?
H.P.B. schijnt beide termen te gebruiken en ik zie niet veel verschil
tussen beide. Prajâpati’s is een samengesteld Sanskrietwoord
dat betekent ‘ouders van het nageslacht’, ‘beginners van rassen’, waarvan
het aantal gewoonlijk wordt gerekend op 7 of 10; feitelijk 12. Wat in
India prajâpati’s worden genoemd, heetten onder de Perzen amshaspends.
In de joodse theosofie, de kabbala, werden ze sephîrôth genoemd. In de
orfische occulte leer van het oude Griekenland en Klein-Azië werden ze
kabiri genoemd, die in de mysteriescholen van Samothrace bijzonder werden
geëerd. Ze zijn alle praktisch identiek met wat in het christendom aartsengelen
werden genoemd; en als u de oorspronkelijke christelijke leer over de
aartsengelen begreep, dan zou u de functies van prajâpati’s, sephîrôth
en kabiri begrijpen. Een andere naam voor de prajâpati’s, als alleen op
de mensheid wordt gedoeld, is manu’s; en die zijn praktisch identiek
met de rishi’s.
De prajâpati’s, de sephîrôth, de kabiri, de aartsengelen,
de amshaspends en dergelijke wezens of entiteiten in andere oude stelsels,
zijn dus de beginners van rassen; en op kleinere schaal de beginners van
beschavingen, de manu’s en de sishta’s als we het in het bijzonder hebben
over ons mensenras of onze menselijke levensgolf. Elke prajâpati correspondeert,
volgens één heel interessante beschouwingswijze, met één kosmisch gebied;
of, om het anders te zeggen, elke prajâpati is het hoofd van één klasse
van monaden en er zijn 7 of 10 of 12 klassen van monaden, afhankelijk
van de manier van tellen.
Het is goed deze overeenkomsten of equivalenten te onthouden,
want u zult H.P.B.’s Geheime Leer met veel meer inzicht in wat
ze schreef kunnen lezen. Ze had de gewoonte, in zekere zin een verbazingwekkende
gewoonte voor iemand die een echte geleerde was, illustratief materiaal
overal vandaan te halen waar ze het maar kon vinden, en het bij elkaar
te voegen zonder altijd duidelijk te maken dat het om vergelijkbare dingen
ging. Vandaar dat sommige lezers van De Geheime Leer die prajâpati’s
en sephîrôth en kabiri en amshaspends en aartsengelen bij elkaar aantroffen,
dachten dat het om heel verschillende dingen ging. Het waren dezelfde
grote wezens, maar met verschillende namen, afhankelijk van het deel van
de aarde of het ras waar het om ging.
de logos als individu en hiërarchie
Is de kosmische logos een individu van waaruit
alle kleinere monadische individualiteiten waar deze uit bestaat, uitstralen?
Of is de logos slechts de verzamelde totaliteit van alle monaden?
Laat ik als antwoord de vraag formuleren door middel
van een voorbeeld: Is een boom slechts een verzameling atomen die zich
groeperen tot wortels, stam, bast, takken, twijgen, bladeren, bloemen
en vruchten, zonder zelf een wezenlijk bestaande individualiteit te zijn?
Of is het een wezenlijk bestaande individualiteit, opgebouwd uit deze
kleinere levens, zoals de levensatomen het lichaam vormen? Het lijkt gemakkelijk
dit even te beantwoorden en te zeggen dat een boom een entiteit is die
uit kleinere levens bestaat en dat antwoord zou volkomen juist zijn. Maar
toch is het niet helemaal bevredigend, want het is duidelijk dat een wortel
van de boom of de bast of de stam, een tak of een blad of een bloem daarvan,
niet de hele boom is.
Nog een voorbeeld: Is de tafel waaraan ik zit een wezenlijk
bestaande individualiteit op onzichtbare gebieden, die door tussenkomst
van duistere karmische krachten uit verschillende bomen is gehakt, door
verschillende mensenhanden is bewerkt, gepolijst en gemaakt tot het samenstel
van verschillende houtsoorten dat nu voor me staat, terwijl deze verschillende
houtsoorten zelf weer bestaan uit moleculen en atomen? Mijn antwoord is
weer dat beide juist zijn. De tafel voor me zou niet kunnen bestaan als
ze niet tevoren in het astrale licht bestond, dat wil zeggen een eigen
bestaan als entiteit had, wat voor ons mensen moeilijk is te begrijpen,
maar niettemin juist is; maar toch, als we de tafel in detail bekijken,
zoals we bij de boom deden, of als we naar de bijzonderheden van een logos
zien, die uit de verschillende hiërarchieën bestaan die hem vormen, zijn
we geneigd te denken dat zich achter de tafel of de boom of de logos geen
op zichzelf staande werkelijkheid bevindt, maar dat elk niet meer is dan
een verzameling samenstellende delen; en dat is gedeeltelijk juist en
gedeeltelijk onjuist.
De logos, de boom, de tafel en in feite elke andere entiteit
die zich in het heelal voordoet, of zijn bestaan lang of kort duurt, is
een karmische reproductie in belichaamde vorm van, als we ver genoeg teruggaan,
een wezenlijk bestaande individualiteit in de onzichtbare werelden, noem
ze de geestelijke werelden.
Ja de logos is een entiteit, een individualiteit, van
hoge geestelijke aard, die talloze kleinere hiërarchieën omvat die daaruit
voortkomende radiale groepen zijn, ofwel groepen die uit zijn stralen
zijn ontstaan. Als we daarom de zaak van bovenaf bezien, moeten we zeggen
dat de logos een individu is dat bestaat uit zijn hiërarchische monaden
of levensatomen; en als we de zaak van onderaf bezien zijn we geneigd
te zeggen dat de logos niet meer is dan een verzameling of het volledige
samenstel van ontelbare individuen waaruit het heelal bestaat.
Tot slot vraag ik me soms af of deze interessante vragen
van waarde zijn, behalve voor filosofen, en toch ben ik geneigd te denken
dat ze dat zijn, omdat ze de gedachten van de mens wegvoeren van de grove
en stoffelijke aspecten van het leven en hem ideeën en ingevingen bezorgen
van grotere dingen. Het verlies van de ziel wordt in het begin gewoonlijk
veroorzaakt door het verlies van idealen; en om dezelfde reden ben ik
altijd een groot voorstander geweest van de studie van de structuur van
de kosmos, en dus van de planeetketens, van ronden en rassen en soortgelijke
fundamentele dingen, want zij voeren het denken weg van de stof, wekken
gevoelens op van een gemeenschappelijke eenheid of een universele broederschap
en blijken daarom een grote en sterke ethische of morele waarde te hebben,
met een daaruit voortvloeiende invloed op ons.
naties en rassen als entiteiten
Is het juist om naties en rassen als werkelijk
bestaande entiteiten te zien? Deze vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden.
In zekere zin wel, omdat elke eenheid, groot of klein, raciaal, nationaal,
regionaal of op kleinere schaal zoals steden en dorpen en zelfs een gezin,
een svabhâva vertegenwoordigt dat de belichaming is van een soort eenheid
op geestelijke gebieden. De Grieken en Romeinen gingen zover dat ze van
abstracties wezens maakten, en spraken over een godin Deugd en een godin
Geduld, enz., en een godin van Strijd en soortgelijke goden, enz., die
alle enige abstracte werkelijkheid hadden, omdat geduld en strijd en liefde
en sympathie en deugd eigenschappen zijn die voortvloeien uit de kosmische
hiërarchie en dus in zekere zin tot wezens en tot individuen kunnen worden
gemaakt. Maar het moet niet zover worden doorgevoerd dat we ze gelijkschakelen
met een incarnerend en reďncarnerend menselijk ego, hoewel ze veel groter
zijn dan deze.
Dus nogmaals, is een bijenvolk de uitdrukking van een
innerlijke monade of entiteit? Of is een bijenvolk niet meer dan een verzameling
kleine bijenmonaden? Antwoord: het is beide. Er zijn beslist bijenmonaden
en deze zijn elk geďndividualiseerde, zich wederbelichamende entiteiten.
Maar het bijenvolk als een verzameling van zulke monaden vertegenwoordigt
de collectiviteit van de monaden, verenigd in een gemeenschappelijke svabhâva
of kleinere logos, die in zijn hoogste aspect een entiteit is, maar als
bijenvolk niet meer dan een collectieve en kwantitatieve uitstraling daarvan.
De Amerikanen als volk, bijvoorbeeld, zijn een groep menselijke
monaden. Hun bestemming of karma brengt hen bijeen, en na verloop van
tijd zullen ze sterker worden en zullen hun aangeboren eigenschappen duidelijker
uitkomen, wanneer de assimilatie van zoveel immigrerende volkeren in de
Verenigde Staten is voltooid. Wat is het Amerikaanse volk of wat zal het
zijn? Wat is het nu, wat zal het dan zijn? Kunnen we zeggen dat er een
geestelijk wezen, of een geestelijke entiteit of monade bestaat in de
geestelijke sferen, die zich een tijdlang, door middel van zijn uitgestraalde
kwaliteiten, op deze aarde tot uitdrukking brengt als het Amerikaanse
volk, dat bestaat uit monaden die door wederbelichaming komen en gaan
binnen deze geestelijk-astrale uitstralingsvorm? Het antwoord is ja. Maar
men moet dat niet zien als een zich wederbelichamende entiteit die zich
telkens weer op stoffelijk gebied belichaamt, want daardoor zou het –
ik bedoel hier het volk – slechts een wederbelichamende monade worden.
Aan de andere kant is het volkomen juist dat wat eens
was na lange manvantarische tijdsperioden cyclisch opnieuw wordt geproduceerd,
maar cyclisch iets hoger dan de vorige verschijning ervan. Dit is een
oude stoďcijnse leer; zodat alles wat nu bestaat, ook in een manvantarisch
ver verleden heeft bestaan op een iets minder geëvolueerd gebied dan nu,
omdat de astrale modellen toen een zekere vorm aannamen en dat in de verre
toekomst weer zullen doen, maar op een iets hoger gebied. Maar wij als
individuele monaden die nu hieraan deel hebben, zullen ons naar hogere
sferen hebben begeven. We zien dus dat deze abstracte geestelijke entiteit
zich weer als een volk zal manifesteren, maar dat zal manvantarische tijdperken
na nu gebeuren en met nieuwe monaden die, bij wijze van spreken, zijn
levensatomen vormen.
We kunnen dus zeggen dat ieder volk de uitdrukking is
van een nationaal karakter, dat wil zeggen een nationale geest, en dat
geldt voor ieder volk, ieder ras, iedere algemene bevolking van een bol;
en op kleinere schaal geldt dat evenzo voor elke abstractie: een natie,
een stad of dorp of zelfs een gezin. Het hele onderwerp is subtiel en
moeilijk te verklaren, maar het wordt voldoende duidelijk (a) als we bedenken
dat elk van deze eenheden zich op aarde tot uitdrukking brengt omdat ze
een manifestatie is van innerlijke onzichtbare geestelijke oorzaken, innerlijke
geestelijke eigenschappen die uitstralen van een geestelijk brandpunt;
en (b) als we er ook aan denken dat dit analoog is aan, maar niet identiek
met, een wederbelichamend ego zoals een menselijk ego. Verder moeten we
nooit vergeten dat iedere plaatselijke of nationale eenheid de zuster
of broeder is van alle andere lokale of nationale eenheden, zoals mensen
broeders zijn, want alle zijn geboren uit één gemeenschappelijke bron;
en wanneer we dit laatste allerbelangrijkste feit onthouden, dan verliezen
we ons fanatieke nationalisme, onze neigingen onze eigen natie of ons
eigen volk te zien als superieur aan alle andere op aarde, en beseffen
we dat wij als menselijke individuen in ons volgende leven misschien worden
geboren in het volk waarvan we nu een afkeer hebben, mits natuurlijk onze
wedergeboorte niet te lang wordt uitgesteld, want dan zou die natie tijdelijk
kunnen zijn verdwenen. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 598-627 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |