![]() | ![]() |
![]() |
| Vragen en antwoorden
de toren van babel
Heeft het verhaal van de Toren van Babel
een diepere betekenis? Er is geen historische basis voor het verhaal van
de Toren van Babel, en dat er een echte toren heeft bestaan. De Toren
van Babel zoals daarover in de Hebreeuwse bijbel wordt verteld is een
allegorie, op joodse wijze verhaald, van de late Atlantische magiërs,
die ernaar streefden zelfs de ‘hemel’ met hun menselijke magie te veroveren.
In de allegorie bouwden de Atlantische magiërs een ‘toren van denken’,
maar omdat deze aards en niet geestelijk was, typisch Atlantisch van aard,
bracht de evolutie, de gewone menselijke evolutie of de evolutie van de
mensheid, nadat die toren een zekere hoogte in de bouw had bereikt, volgens
de allegorie, verwarring teweeg in dit streven ‘de hemel te beklimmen’
door menselijke magie. De spraakverwarring betekende dat de Atlantische
rassen zich verdeelden in verschillende menselijke families, en daardoor
ontstonden verwarring en afgescheidenheid.
De ingewijden van het pad van de rechterhand bouwden ook
een ‘toren van oneindig denken’, zoals de meester vertelt in De Mahatma
Brieven, maar hun toren is gegrond op geest in plaats van stof en
is daarom overal één, waardoor verwarring onmogelijk is. Daar zijn verwarring
en misverstanden niet mogelijk, zoals wel het geval is bij zuiver menselijke
pogingen, menselijke magie, om het ‘bolwerk van de hemel’ te beklimmen.
pythagorische geboden
Waarom werd de pythagoreeërs gezegd geen
bonen te eten? Ik vraag me af of Pythagoras erg welkom zou zijn
geweest in een bepaalde stad in New England – witte bonen en bruinbrood!
Is er iets slechts of misdadigs aan het eten van bonen, of bruinbrood
en bonen ook al zijn ze soms wat onverteerbaar? Maar dat is niet de ware
betekenis. Er was, weet u, een bepaalde kleine vroegchristelijke sekte
die meende dat de vijg de vrucht was van die bijzondere boom in de Hof
van Eden waarmee moeder Eva vader Adam verleidde om daarvan te eten. En
waarom koos men de arme vijg en maakte men die zo heilig dat het degenen
van datzelfde geloof was verboden vijgen te eten? Net zo’n geval als met
‘bonen’, omdat men redeneerde dat de kleine zaden van de vijg de levenszaden
symboliseerden en daarom maakte men van de vijg een symbool; en men maakte
er iets heiligs van, een taboe, zoals men in het Zuiden zegt. Dus – eet
geen vijgen: ze zijn te heilig om te eten! En ongetwijfeld verwezen ze
naar die bepaalde zinnen in het Hebreeuwse boek Genesis waarin de engel
met het vlammende zwaard Adam en Eva verjoeg, omdat ze van de verboden
vruchten aten.
De pythagoreeërs hadden dus een leer met precies dezelfde
strekking, en zagen bonen – ze hadden erwten kunnen kiezen, of appelpitten
of iets anders dat zaden bevat, maar zij kozen nu eenmaal bonen – als
een symbool van het leven, als monaden, voortbrengers van een hele toekomst,
een plant die andere zaden voortbrengt, bonen, erwten, wat al niet. En
later, toen de school haar vroegere hoge opvattingen had verloren, vatten
de pythagoreeërs het verbod zo op dat het slecht was bonen te eten omdat
ze onrein zijn, wat het tegengestelde is van de oorspronkelijke betekenis.
Ik geloof ook niet dat Pythagoras zou hebben gezegd dat
een van zijn leerlingen geen bonenschotel zou mogen eten. Ziet u niet
hoe volstrekt belachelijk het is als men tot de kern van de zaak doordringt?
Voor hen waren bonen een soort wachtwoord, dat verwees naar een verbazingwekkende
geheime occulte leer die niet eetbaar, dat wil zeggen niet verteerbaar
was, behalve voor degenen die sterk genoeg waren om haar te verdragen,
te begrijpen, te verteren. Dus werden bonen verboden.
Elke leer die niet tot een beter leven leidt is verschrikkelijk.
Ze is niets waard. Als een leer uw leven niet in alle opzichten verbetert,
dan zou ik zeggen, om het oude Engelse woord te gebruiken ‘eschew it’
[mijd haar], verfoei haar.
Hoe komt het dat de pythagorische leringen het karakter
van hen die ze bestudeerden zo radicaal veranderden? Als gevolg van bekering,
de oude christelijke term, het veranderen van het denken, het veranderen
van het denken aan dingen hier beneden in het denken aan hogere dingen;
en dat is precies wat de wereld van nu mankeert. Ze heeft bijna vergeten
hoe nodig het is om te denken en om juist te denken opdat de mens op de
goede manier kan leven. En om juist te denken moet men regels hebben,
regels waarin men gelooft, moet men van de waarheid ervan overtuigd zijn
en van deze waarheid wordt men zich bewust als men door studie geestelijk
en intellectueel overtuigd raakt. Daarom kan de studie van religie, van
filosofie, van wetenschap, het leven van een mens veredelen, hem verheffen
uit de sfeer waarin het leven zoals hij het ziet slechts een strijd is
tegen andere mensen, die al het dierlijke in hem naar buiten brengt, waarbij
hij zijn gevechtskwaliteiten tegen zijn medemensen gebruikt. Juist denken
veredelt het karakter van een mens omdat het zijn opvattingen verrijkt
en verruimt en hem andere ideeën over zijn medemensen geeft. Waarom schreef Pythagoras vijf jaar zwijgen
voor aan zijn discipelen? Ik geloof niet dat er zo’n regel bestond. Ik denk
dat het betekende dat geen leerling, een uiterlijke of innerlijke, mocht
onderwijzen, spreken, voor hij voldoende was getraind; en vijf jaar werd
gezien als de tijd waarin men kon afstuderen, zoals wij nu zeggen, zijn
diploma kon halen en zijn vak mocht uitoefenen. En dat was inderdaad een
heel verstandige regel, want kijk in deze tijd eens naar het sentimentele
gebazel, het zinloze gepraat, allerlei volstrekt onbeschrijflijke rommel
waarvoor men moet betalen, alleen om het te lezen – geschreven zonder
enige opleiding, zonder enige kennis en vaak zonder fatsoen. Ieder die
dat wil kan het woord nemen en bijna alles zeggen en als zijn stem luid
genoeg is en zijn vindingrijkheid groot genoeg, kan hij ongestraft zijn
gang gaan. De regel van Pythagoras voorkwam zoiets.
evolutie en het beheersen van de levensatomen
Hoe is het mogelijk dat wij, die heersers
over een zonnestelsel waren, d.w.z. in de tijd toen de atomen ons thuis
vormden, nu de samenstellende delen van ons lichaam niet kunnen beheersen?
We hebben ons ontwikkeld vanuit de atomen en in de toekomst zullen we
een zonnestelsel in de macrokosmos beheersen. Is onze bewustzijnstoestand
nu lager dan in de tijd van ons leven als levensatoom? Wij mensen vinden het in dit stadium van onze evolutionaire
pelgrimstocht moeilijk de lagere elementen van ons lichaam, waaronder
atomen en elektronen, te beheersen, omdat we ons in het midden van onze
evolutiereis bevinden, want we zijn verzonken in de stoffelijke werelden,
hoewel we nu beginnen ons weer op te werken naar de geest. Deze situatie
betekent dat de stoffelijke delen van ons wezen, waaronder de atomen,
enz., zich natuurlijk meer in hun eigen sfeer bevinden en daarom een grotere
individuele kracht bezitten dan ze in de hogere sferen hebben; daardoor
handelen ze krachtiger op hun eigen individuele manier dan wanneer ze
zich weer in de geest bevinden, of in de geestelijke werelden en meer
onder de goddelijke invloed in die geestelijke werelden zijn. Daarom kan
de zon, de godheid in en achter de zon, de lagere elementen en lagere
atomen veel beter beheersen dan wij, omdat deze godheid, die ons zo ver
vooruit is, een meer geestelijke soort atomen aantrekt dan wij, omdat
wij natuurlijk veel minder geestelijk ontwikkeld zijn dan de zonnegodheid.
Daarom kunnen we in de toekomst niet alleen onze eigen
stoffelijke delen volmaakt beheersen, maar ook de atomen, enz., die deze
stoffelijke delen van ons samenstellen, omdat we na verloop van tijd aan
geestelijke kracht zullen winnen; en zelfs deze stoffelijke delen van
ons zullen hoger zijn gestegen naar de geest, en wij zowel als onze samenstellende
lagere elementen en atomen zullen dan meer aan elkaar gelijk zijn geworden,
geestelijker dan we nu zijn. Daarom zal er meer harmonie zijn, zullen
we gemakkelijker op broederlijke wijze samenwerken op onze reis terug
naar de geest.
U heeft de voornaamste gedachte goed weergegeven toen
u zei dat de mahâtma’s hun lagere elementen en atomen veel gemakkelijker
kunnen beheersen dan wij, en daarvoor zijn twee hoofdredenen die ik zojuist
heb genoemd: de mahâtma’s zijn verder geëvolueerd en daarom sterker dan
wij; en zij trekken voor hun lichaam meer vergeestelijkte atomen aan dan
wij. Daarom is er daar een grotere harmonie tussen het hogere en het lagere
dan bij ons.
de praktische betekenis van filosofisch denken
Is het voor de mens van nu nuttig of praktisch
om zich bezig te houden met gedachten van abstracte schoonheid zoals die
in de technische theosofie worden geleerd? Bereiken we iets door grote
figuren uit de geschiedenis te bestuderen zoals de Boeddha, of bijvoorbeeld
wat in de theosofie bekend is als de stille wachter? Wat kan, in de naam van de heilige waarheid, praktischer
zijn in het menselijk leven dan de mens ertoe te brengen na te denken,
hem gedachten en idealen van schoonheid te geven, van wet en orde, en
het overkritische en oneerbiedige denken dat nu zo algemeen is te doordringen
van idealen en van menselijke grootsheid en verhevenheid, als voorbeelden
die iedereen kan navolgen? De betekenis ervan ligt in het feit dat we
door zo te handelen de ziel en het hart van de mens wakker roepen en steriele
gedachten en onvruchtbare ideeën en idealen vervangen door geestelijke
zaden en ideeën die, als ze tot bloei komen, het menselijk leven edeler
maken en inspireren tot moed en hoop om de vele problemen van het leven
het hoofd te kunnen bieden. Dat is precies wat de leringen van de theosofie
doen: ze maken de mens tot een waarachtiger mens: ze schenken hem inspiratie,
zelfs voor het doen van zijn dagelijkse taak, inspiratie om de zogenaamde
levensproblemen het hoofd te bieden door een visie op de toekomst, waardoor
de mens in staat is de problemen op grootse wijze te boven te komen. Ze
leren de mens edel te leven en edel te sterven.
Zit daarin iets ‘praktisch’? De man die zijn hele leven
een geldwolf is geweest en die, als hij dood gaat met een lege ziel, sterft
en alles achterlaat wat hij in zijn leven heeft verworven – want dit ‘alles’
bestaat alleen uit stoffelijke dingen – is iemand die geen blijvende indruk
van zichzelf achterlaat in de sfeer waarin hij leefde; beslist geen indruk
die bewijst dat hij zijn medemensen ten goede heeft beďnvloed; en ik zou
graag de vraag willen stellen of zo’n man iemand is die terecht een ‘praktisch
mens’ kan worden genoemd? Volgens mij is hij heel wat anders. Hij is misschien
een harde werker geweest: wellicht heeft hij gemak en vrede en menselijk
geluk opgeofferd om zijn materiële bezittingen te vergroten; maar volgens
mij heeft hij, als het om al die eigenschappen gaat die een mens werkelijk
tot mens maken, helemaal niets bereikt en sterft hij als een menselijke
mislukking. Ik denk dat zo iemand een heel onpraktisch mens was, want
hij heeft alles opgegeven wat in het leven werkelijk de moeite waard is
en verruild voor alles wat de bijbel van de joden en de christenen een
‘schotel linzen’ noemt. Hij kan zijn geld, zijn land, zijn aandelen en
obligaties of stoffelijke bezittingen van andere aard niet meenemen; hij
laat ze alle achter om gewoonlijk te worden verkwist door hen die ze in
handen krijgen.
Dit betekent in geen enkel opzicht dat ik denk dat een
mens in het leven niet zijn plicht moet doen op deze zogenaamd ‘praktische’
manier. Integendeel. Een mens moet zijn plicht doen in de levenssfeer
waarin hij zich bevindt en moet dat op een voor hem zo oprecht, menselijk
en humaan mogelijke wijze doen. Ik bedoel dat het concentreren van al
zijn verstandelijke, psychische en materiële energieën op alleen zogenaamd
‘praktisch werk’ tot gevolg heeft dat de ziel in hem sterft. De uitgebreide
gebieden van zijn innerlijke bewustzijn hebben nooit de kans gehad in
zijn leven een rol te spelen. Daarom noem ik hem iemand die heeft gefaald.
Daar staat tegenover dat iemand die zich ‘schatten in
de hemel verzamelt’, zoals het christelijke Nieuwe Testament zegt, wat
wil zeggen in het gebied en de sfeer van zijn eigen innerlijke wezen,
die in zijn ziel een schat aan machtige en grootse gedachten heeft opgebouwd,
verheven en universeel weldadige gedachten, die niet alleen zijn eigen
leven beheersen en groot maken, maar ook het leven van anderen die met
hem in aanraking komen en door zijn voorbeeld worden beďnvloed – zo iemand,
zeg ik, heeft niet gefaald en ik zie hem als iemand die heel praktisch
heeft geleefd in de juiste zin van het woord, omdat zijn leven anderen,
zelfs op stoffelijk gebied, krachtig ten goede heeft beďnvloed. Hij is
voor anderen een voorbeeld geweest, een ideaal om naar op te zien en te
volgen – kortom te kopiëren; en dat komt omdat hij een volledig leven
heeft geleid: elk deel en elke functie van zijn samengestelde constitutie
heeft een rol gespeeld, en is actief geweest. Zijn leven is als het ware
universeel geleefd; hij heeft zijn hele bestaan niet beperkt tot slechts
één hoekje of één aspect van het menselijk leven. Tijdens zijn leven is
hij op alle gebieden van zijn wezen gegroeid, omdat hij idealen en ideeën
liefhad, bestudeerde en dus volgde. Het zijn inderdaad ideeën die de wereld
regeren; en beslist niet de jacht op materiële bezittingen. Wie zijn degenen
die beschavingen opbouwen en afbreken? Dat zijn de denkers! Het zijn die
mensen die anderen beďnvloeden en het is vooral de theosofie die de mens
leert zowel meer te denken als te zijn door aan de verschillende
mogelijkheden tot handelen, die in de constitutie van alle mensen latent
aanwezig zijn, meer ruimte te geven.
We komen nu tot nog diepzinniger gedachten: het zich oefenen
in een subtiele manier van denken, het zich oefenen in het denken van
onpersoonlijke gedachten zodat de eigen innerlijke denkprocessen meer
en meer onpersoonlijk van aard worden; het voortdurend ernaar streven
zijn gevoelens en emoties op een steeds hoger plan te brengen is een geestelijke
oefening van de eerste orde en dat is, naast andere heel praktische resultaten,
wat de studie van onze theosofische leringen voor ons doet. Leringen over
ronden en rassen, en de onderlinge relatie tussen de verschillende boeddha’s
en bodhisattva’s – om deze twee gevallen slechts als voorbeeld te noemen
– al lijken ze onpraktisch voor de gewone man die in het leven niet verder
kan zien dan de punt van zijn neus, voeren ons niet alleen weg uit de
gewone, alledaagse dingen van het menselijk leven, verkwikken niet alleen
onze ziel met moed die op hoop is gebaseerd, maar wekken in ons ook een
eeuwige geestelijke bron waaruit inspirerende en intuďtieve ideeën stromen.
lengte van het verblijf in kâmaloka
Wat is het verschil in tijd die een sterke
jongeman die aan longontsteking overleed, een lichamelijk weggeteerde
jongeman die aan tuberculose stierf en een gemiddelde oude man in kâmaloka
moeten doorbrengen?
Al zijn de stoffelijke begeerten in het geval van de
sterke stervende jongeman waarschijnlijk nog heel krachtig, men zou aan
de andere kant kunnen redeneren dat, als het zijn karmisch lot zou zijn
dan te sterven, dit het ‘natuurlijke’ einde van zijn leven is. Waar het bij de vraag om gaat is vast te stellen
hoe lang de perioden zijn die in de kâmalokatoestand worden doorgebracht
door verschillende personen die op aarde sterk waren, of door ziekte lichamelijk
wegkwijnden of op hoge leeftijd zijn overleden. Het antwoord is eenvoudig:
ieder mens blijft na de dood zo lang in kâmaloka als voor het uitputten
van de nog ongebruikte hoeveelheid levenskracht nodig is – levenskracht
betekent hier natuurlijk wat men de gewone astraal-stoffelijk-vitale energie
zou kunnen noemen.
Laat ik proberen een voorbeeld te geven: laten we de hoeveelheid
of voorraad levenskracht of levensenergie van iemand bij de geboorte X
noemen, want ieder mens wordt met een bepaalde levenskracht geboren, net
als een gewone machine die voor een bepaald werk is geconstrueerd zo lang
of zo kort werkt als de levensduur waarvoor ze werd gebouwd; een sterke
machine gaat vanzelfsprekend langer mee dan een zwakke die voor hetzelfde
doel wordt gebruikt. We noemen dus de voorraad levenskracht bij de geboorte
X. Als de man sterft, heeft hij van zijn levenskracht een hoeveelheid
gebruikt die we Y kunnen noemen. Laten we zeggen dat het verschil tussen
X en Y, Z is, dat is het saldo of het onverbruikte deel van zijn levenskracht.
X min Y is dus Z. Z is de onverbruikte levenskracht die in kâmaloka moet
worden uitgeput.
Oude mensen hebben gewoonlijk het grootste deel van hun
vitaliteit verbruikt, en praktisch alles als ze door hoge ouderdom sterven,
zodat in hun geval Y gewoonlijk bijna net zo groot is als X, of even groot;
en in dat geval is het verblijf in kâmaloka, als het om gewone mensen
gaat en niet om een bijzonder slecht mens, heel kort – misschien niet
meer dan een onbewuste gang door kâmaloka. Een jonge sterke man of vrouw
die door een ongeluk of een snel verlopende of plotselinge ziekte sterft,
zoals bijvoorbeeld longontsteking, heeft nog niet veel van zijn levenskracht
of X gebruikt, zodat in zo’n geval de factor Y klein is; en als we dezelfde
vergelijking toepassen als hierboven, X min Y is Z, dan is deze factor
Z tamelijk groot zodat er heel wat onverbruikte energie over is om in
kâmaloka, of in het astrale licht, of de astrale wereld te worden uitgeput
vóór devachan kan beginnen.
Neem anderzijds het geval van mannen of vrouwen die misschien
in het begin van hun volwassenheid, of zelfs in hun jeugd, langdurig worden
geteisterd door een slopende ziekte die hen volkomen heeft uitgeput en
tot een vroegtijdig einde leidt. In deze gevallen wordt de factor Y groot
en als we weer de vergelijking toepassen van X min Y is Z, zien we dat
Z of het resterende saldo betrekkelijk klein is en misschien bijna nihil,
zodat de vergelijking dan neerkomt op X is gelijk aan Y, of X min Y is
nul.
We zien dus dat het in alle gevallen afhangt van de hoeveelheid
levenskracht of levensenergie die werd verbruikt toen de persoon op aarde
leefde; was dit verbruik groot, dan wordt Z heel klein, misschien nul;
is deze kracht of Y heel klein, dan blijft de onverbruikte energie of
Z groot, misschien bijna gelijk aan X, zoals in het geval van doodgeboren
of jong stervende kinderen. Behalve dat we dus een algemene regel kunnen
geven voor de oorspronkelijke hoeveelheid levensenergie waarmee een mens
wordt geboren, kan men de vraag niet anders beantwoorden dan door te zeggen
dat het in alle gevallen van de persoon zelf afhangt.
Verder moeten we bedenken dat schijn vaak bedriegt, zodat
iemand die jong en ogenschijnlijk fris en gezond is, in werkelijkheid
zijn oorspronkelijke hoeveelheid levenskracht misschien snel verbruikt
zonder het te beseffen, zodat hij met het verstrijken van de jaren, deze
hoeveelheid meer en meer uitput, hoe langer hoe meer vatbaar wordt voor
ziekten en de ziekte hem of haar misschien jong of in het begin van de
middelbare leeftijd wegneemt. Het bovenstaande wordt bedoeld als theosofische
schrijvers het hebben over ‘wat de natuurlijke levensduur op aarde zou
zijn’, als de mens niet om een of andere reden voortijdig sterft, zoals
in het geval van ongelukken, zelfdoding of ziekte, enz. Het is in alle
gevallen karma dat de dood veroorzaakt, dat iemand geboren doet worden,
en dat de periode in kâmaloka voortbrengt.
De vraag ging niet over het bewustzijn in kâmaloka,
maar misschien had de vraagsteller dat wel in gedachte; als dat zo is,
dan is er onnodige verwarring en over deze kwestie heb ik op veel plaatsen
geschreven en uitleg gegeven. Het bewustzijn in kâmaloka hangt ervan af
hoe materieel de man of vrouw tijdens het leven op aarde was ingesteld
of gericht. Als de aantrekking tot de stof sterk was tijdens het leven
in het lichaam en als de dood komt vóór de levenskracht is uitgeput, zoals
hierboven beschreven, dan is er een zeker vaag en voorbijgaand bewustzijn
in kâmaloka. Als de man of vrouw heel spiritueel was op aarde, dan is
het bewustzijn in kâmaloka, na de dood door welke oorzaak ook, een ongeluk
of wat ook, of een slopende ziekte, bijzonder zwak, nauwelijks dat van
een vage droom, en misschien is er helemaal geen bewustzijn, want hoe
geestelijker iemand is tijdens het leven op aarde, des te minder heeft
hij de neiging zich bewust te worden van het droomachtige bestaan in kâmaloka.
het vormen van het kâmarűpa
Wilt u alstublieft uitleggen wat Judge bedoelt
met de uitspraak in de Oceaan van Theosofie, blz. 54, dat het astraal
lichaam, (d.w.z. lingasarîra) samensmelt met het kâmabeginsel van de overleden
entiteit en dat dit astraal lichaam aan kâma zijn rűpa geeft, bij wijze
van spreken, en het kâmarűpa vormt? Hoe moet deze uitspraak worden begrepen
in het licht van de andere uitspraak op verschillende plaatsen, maar in
het bijzonder door u op blz. 96 van uw Occulte Woordentolk dat
het lingasarîra pari passu verdwijnt met het stoffelijke omhulsel? Hier is denk ik sprake van verwarring in de geest
van de vraagsteller. Judge gebruikt de term ‘astraal lichaam’, op de bladzijde
van zijn Oceaan van Theosofie waarnaar wordt verwezen, op een tamelijk
vage manier, geheel naar de gewoonte of in de stijl van die begintijd,
toen er veel moeite werd gedaan onze technische Sanskriettermen uit te
leggen en er altijd werd gezocht naar de eenvoudigste manier van spreken.
Maar het is, denk ik, duidelijk dat Judge met de term ‘astraal lichaam’
het lingasarîra bedoelt, hoewel ‘astraal lichaam’ natuurlijk betrekking
kan hebben op alle blijvende of tijdelijke voertuigen die het ego in de
astrale gebieden zou kunnen gebruiken, zoals bijvoorbeeld het mâyâvirűpa,
dat wordt gevormd uit de hogere astrale substantie en dus in zekere zin
een ‘astraal lichaam’ is dat door een adept op het stoffelijke gebied
zichtbaar kan worden gemaakt.
Ik heb vaak gezegd, strikt in navolging van H.P.B., dat
het lingasarîra zich pari passu en bijna molecule voor molecule
ontbindt met het uiteenvallen van het stoffelijke lichaam of sthűlasarîra;
en die uitspraak is juist. Maar het kâmarűpa bestaat uit astrale substantie
die oorspronkelijk, tijdens het leven op aarde, in hoofdzaak voortkomt
uit het aurisch ei van de persoon en die, bevrijd van het stoffelijke
omhulsel, na de dood het kâmarűpa vormt; en omdat een groot deel van de
lagere of grovere gedeelten van het kâmarűpa bestaat uit astrale levensatomen,
ontleend aan het ontbonden of ontbindende lingasarîra, zien we dus dat
Judge volkomen gelijk had toen hij, op zijn algemene en tamelijk vage
wijze zei dat het ‘astrale lichaam’ van de overledene en het beginsel
van hartstocht en begeerte ‘beide het fysieke lichaam verlaten en samensmelten’.
Natuurlijk is dat zo; maar al heel gauw bevrijdt het kâmarűpa zich van
het ontbindende lingasarîra, al neemt het enkele van de levensatomen van
het lingasarîra met zich mee, omdat deze levensatomen nog sterk zijn gehecht
aan het begeertebeginsel in het kâmarűpa.
De woorden van Judge zijn volkomen terecht en juist. Maar
het is niet correct om te zeggen dat het ‘astraal lichaam kâma
zijn rűpa geeft en zo kâmarűpa vormt’. Het is de onverbruikte
levensenergie van de mens die, door astrale atomen en levensatomen van
het ontbindende lingasarîra en van elders aan te trekken, een omhulsel
of rűpa vormt rond het centrum van begeerte en zo het kâmarűpa maakt zoals
het na de dood als een vorm verschijnt. Als het ego tenslotte het kâmarűpa
afwerpt bij de tweede dood wordt het kâmarűpa slechts een lege schil –
zoals ook gebeurde met het lingasarîra en het sthűlasarîra bij de dood
en heel kort na de dood van de mens op dit gebied.
Om te herhalen: (a) Het lingasarîra verdwijnt pari
passu met het stoffelijke omhulsel; (b) bepaalde atomen of levensatomen
van het lingasarîra worden door het begeertebeginsel aangetrokken naast
andere astrale atomen ontleend aan het astrale licht en brengen samen
de vorm of het rűpa voort van kâmarűpa; (c) bij de tweede dood, als het
ego de devachanische toestand begint in te gaan, wordt het kâmarűpa afgeworpen
en begint dan, in het geval van normale mensen, uiteen te vallen, te ontbinden,
molecule voor molecule en atoom voor atoom, net zoals het stoffelijk lichaam
doet als het is begraven of zoals met het lingasarîra gebeurt. (d) Natuurlijk
zijn er de gevallen van tovenaars, dugpa’s, die door hun grove hartstochten
en stoffelijke begeerten in het astrale licht worden gehouden en naar
een onmiddellijke of heel snelle wederbelichaming in een stoffelijk lichaam
worden gevoerd; en dan nog die andere sporadische gevallen zoals van kinderen
die jong sterven, zwakzinnig geborenen en enkele andere.
de maan, een zevenvoudig kâmarűpa
De maan, die een kâmarűpa is, heeft zeven
bollen. Ze is dus een zevenvoudige entiteit. Is, naar analogie, het kâmarűpa
van een mens een zevenvoudige entiteit? Ja, het kâmarűpa van een mens is zevenvoudig; dat
geldt voor ieder beginsel, kosmisch of menselijk. De maanketen als geheel
is een kâmarűpische entiteit en iedere bol van de maanketen is een kâmarűpische
entiteit. Met andere woorden elke maan – elke bol van de aardketen heeft
zijn overeenkomstige maan van de maanketen – elke maan is een kâmarűpa
voor de ermee corresponderende bol van de aardketen. De zeven kâmarűpische
bollen van de maanketen bevinden zich op de vier kosmische gebieden waarop
onze aarde zich bevindt. Deze gebieden worden door H.P.B. in De Geheime
Leer (1:228) genoemd en zijn, gerekend van de hoogste van de vier
naar de laagste: (1) het archetypische, (2) het verstandelijke (3) het
astraal vormende, (4) het stoffelijke. Dat wij het kâmarűpa van bol D
van de maanketen zien komt omdat onze bol D van onze aardketen zich op
een subgebied hoger dan bol D van de maanketen bevindt; op overeenkomstige
wijze zijn alle bollen van de aardketen één subgebied van hun respectievelijke
kosmische gebieden hoger dan de overeenkomstige bollen van de maanketen.
Elk van de beginselen van een mens of van een bol is, zoals gezegd, zevenvoudig.
niet alle planeten hebben kâmarűpa’s
Hebben alle planeten kâmarűpa’s of wachters
op de drempel tijdens hun vroegere ronden? Nee. Sommige planeten hebben kâmarűpische wachters
evenals sommige mensen; maar die zijn in feite niet erg talrijk.
enkele problemen betreffende devachan
Ik herinner me in De Mahatma Brieven
te hebben gelezen dat K.H. ergens spreekt over het periodieke devachan
dat de adept kan ingaan, zelfs tijdens het belichaamde bestaan. Ja, dat geldt echter niet voor de hoge adepten,
maar voor de hoge chela’s die nog niet volledig zijn uitgestegen boven
de behoefte aan devachan. Er bestaat een aan adepten bekende occulte wet
dat een mens zijn devachan kan verkorten door tijdens een belichaming
bepaalde rustperioden in acht te nemen, devachanische rustperioden zo
u wilt, een bepaald aantal weken of maanden of zelfs jaren in een belichaming
te gebruiken om een tijdelijk maar intensief devachan in te gaan.
Dat kan voor een hoge chela een heel goede methode zijn.
Als hij bijvoorbeeld een bepaald werk te doen krijgt, een werk dat hem
misschien verschillende jaren achtereen bezighoudt, heeft hij zijn devachanische
rust nodig voor er weer een beroep op hem wordt gedaan. Hij profiteert
als het ware van die tijd, door dan min of meer devachan in te gaan, en
een tijdje uit te rusten. Wanneer hij daaruit komt is hij in hetzelfde
lichaam, sterk en innerlijk hersteld en gereed om weer verder te gaan.
Maar dat is natuurlijk het geval voor chela’s of adepten die de rust,
of enige devachanische rust, nog nodig hebben.
Deze kwestie van devachan is heel merkwaardig. Ik heb
mensen ontmoet, mannen en vrouwen, die hun gewone beroep uitoefenden maar
in feite in een devachanische toestand leefden. Ze droomden, ze waren
traag. Misschien heeft u allemaal wel van zulke mensen gehoord, mensen
die zich geen zorgen schijnen te maken. Zij gaan hun gang in een soort
halve slaaptoestand. Ze leven niet werkelijk. Ze zijn tot op zekere hoogte
nog steeds in devachan. Ze willen lang in bed blijven, bij wijze van spreken,
zoals kinderen soms doen. Ze hebben de devachanische toestand nauwelijks
verlaten. Ze zijn er voldoende uit om een lichaam aan te nemen, maar hun
geest is nog gedeeltelijk in de devachanische droom.
Ik heb ook theosofen ontmoet, waar ik grote eerbied voor
heb, die devachan hebben verlaten om aan ons werk deel te nemen vóór hun
devachan feitelijk was geëindigd. Ze zijn als mensen die uit de slaap
zijn ontwaakt vóór het lichaam voldoende slaap heeft gehad om uit te rusten.
Ze zijn fijnbesnaard, nerveus, actief, vlug, dat soort mensen. Dit zijn
twee uitersten die men in het leven tegenkomt: zij die nog min of meer
in devachan zijn, hoewel belichaamd – ik bedoel niet volledig in devachan,
maar in een devachanische droomachtige toestand en daarom niet volledig
aan het werk, of zich bewust van waar het leven om vraagt; en degenen
die niet lang genoeg in devachan zijn geweest; en ik merk op dat enkelen
van onze beste werkers onder die groep vallen en ze hebben een moeilijke
tijd omdat ze moeten vechten tegen een innerlijke, psychische toestand
van innerlijke vermoeidheid die bijna onmogelijk kan worden omschreven
tenzij men die heeft meegemaakt. Gewoonlijk zijn ze lichamelijk niet sterk,
het zijn fijnbesnaarde nerveuze mensen, maar ze doen een groots werk.
Ze hebben een deel van hun rust opgegeven, halfbewust als het ware, om
snel weer deel te nemen aan het verwezenlijken van de bestemming van de
mensheid.
het bekorten van devachan
Is het voor iemand van ons mogelijk zijn
devachanische periode te bekorten? Dat is heel goed mogelijk als men dat wil. Ieder
mens die bereid is zijn rust op te geven, de volstrekte vrede en kalmte
waar de vermoeide menselijke ziel het meest naar verlangt en die zich
oefent voor deze verzaking kan zijn devachan automatisch bekorten. Maar
alleen hoge chela’s kunnen het werkelijk zonder devachan stellen, omdat
zij zijn uitgestegen boven het niveau waarop het menselijke ego rust nodig
heeft en ernaar verlangt.
In de verre toekomst zullen niet alleen alle menselijke
ego’s op aarde de behoefte aan devachan na de dood zijn ontgroeid, maar
ze zullen ook de behoefte aan de huidige soort slaap voor het lichaam
te boven zijn gekomen. Wat nu onze grofstoffelijke lichamen zijn, zullen
in die tijd praktisch lichamen van gecondenseerd licht zijn geworden,
prachtige lichamen, stralend, lichtend. Die zullen geen rust nodig hebben
zoals onze grofstoffelijke lichamen van nu.
Maar ik zou iedere toegewijde leerling willen aanraden
zorgvuldig na te denken voor hij probeert de devachanische rust te bekorten,
want hij kan ingewikkelde en mogelijk rampzalige karmische gevolgen over
zich halen. Het lijkt op iemand die, omdat hij een of ander heel belangrijk
werk op het oog heeft, vrijwillig zijn slaap opgeeft, of bekort, elke
nacht opnieuw. Hij kan het doen, maar hij kan op die manier ook zijn gezondheid
ruďneren; en dan bereikt hij tenslotte toch niet zijn doel.
Het beste is bij zichzelf te denken: ‘Ik hoop dat mijn
devachan slechts zo lang zal duren als voor mijn rust absoluut nodig is.
Ik hoop dat het niet zoiets wordt als langer in bed blijven slapen dan
nodig is, alleen omdat men het prettig vindt in bed te slapen en te rusten.’
Die houding is volkomen juist en veilig.
verering van de innerlijke godheid
Welke gedachte zit er achter de afbeelding
in Egyptische hiërogliefen van de koning die zichzelf vereert of aanbidt? Er is hier geen sprake van zelfaanbidding zoals
westerse egyptologen ten onrechte zeggen – geen aanbidding van een persoon,
geen koninklijk individu die zichzelf vereert als hoofd van een beschaafde
gemeenschap. Dat zou smakeloos, goedkoop zijn. We hebben hier te maken
met een man die zichzelf ziet als vertegenwoordiger van de godheid in
hem en als de plaatsvervanger op aarde van zijn innerlijke god en door
deze is bekleed met geestelijke waardigheid en macht, iemand met een zware
verantwoordelijkheid op zijn schouders – de gids en herder van zijn volk.
De aanbidding en verering van die godheid geschiedde als
het ware symbolisch, als een vorm van het gebed: ‘Niet mijn wil’ – die
van deze zwakke mens, de koning van Egypte – ‘geschiede, maar de uwe’
– die van de Vader in de Hemel. ‘Maak mij tot een volledig voertuig van
uw koninklijke majesteit en macht, opdat ik op mijn beurt mijn plicht
kan doen jegens mijn volk, mijn schapen, mijn broeders, mijn kinderen.’
Dit was tenminste de oorspronkelijke gedachte, hoeveel die later misschien
ook is ontaard. Het was een echt vorstelijk en koninklijk gebeuren, verheven
in zijn priesterlijke waardigheid – de koningpriester, de priesterkoning,
zoals zij in langvervlogen eeuwen vóór de val van Atlantis bestonden.
Want tijdens het derde wortelras, toen de mens zelfbewustzijn
kreeg, vereerde ieder zijn eigen individuele godheid, vereerde die als
een schitterende en stralende god tot wie hij opzag: mijn zelf, mijn god
in de hemel, mijn schakel met het oneindige; zoals Jezus de Christus deed
tot zijn ‘Vader in de Hemel’. Met het verstrijken van de tijd, toen het
besef, het diepe besef van de eenheid van de mens met de innerlijke god,
verdween, verviel, verloren ging, begon de mens zichzelf te aanbidden
in de lagere zin, het zelfzuchtige zelf in plaats van het goddelijke zelf
en aanbad hij zelfs beelden van het menselijk lichaam die hij in zijn
tempels plaatste. Niet dat zij de oude verering lieten vallen, maar ze
degradeerden deze, maakten de tempel van het goddelijke tot een plaats
waar misbruikmakers een thuis vonden. Dezelfde gedachte moet hebben geleefd
in de geest van de schrijver van het christelijke Nieuwe Testament waar
hij de avatâra voorstelt als iemand die de tempel ingaat en de geldwisselaars
en ontvangers van belastingen verdreef.
Ik kan u zeggen dat iedere ingewijde, iedere adept zijn
‘Vader in de Hemel’ kent, hem erkent en hem ‘vader-zon’, of ‘vader-vlam’,
of ‘vadervuur’, of ‘vader-ster’, noemt en zichzelf, de mens zelf, niet
alleen ziet als een emanatie van deze innerlijke godheid, maar als zijn
kind, zijn vertegenwoordiger hier op aarde, die werkt aan het uitvoeren
van de opdrachten en voorschriften van de innerlijke god. En de oude ingewijden
– en de koningen van Egypte in de tijd van Egypte’s roem waren dat allen,
waren allen zonen van de zon – wisten dat nog, zelfs toen het verval al
gaande was.
Als ik vanaf een podium in het openbaar spreek en mijn
gehoor voor me zie zitten en besef dat zich achter die uiterlijke gezichten
en die helder stralende ogen levende goden bevinden, breng ik mezelf in
die geestesgesteldheid en richt ik me – of probeer me te richten – tot
dat in hen dat, naar ik weet, door een enkel woord begrijpt. O, konden
wij, wij mannen en vrouwen, maar de levende werkelijkheid beseffen van
de god in ieder van ons, ieder met zijn eigen ‘vader-vlam’, ‘vader-vuur’,
‘vader-zon’, ‘vader-ster’! Dit is de stille wachter van ieder van ons.
Als een mens zich daarop richt, of daarnaar streeft, richt hij zich op,
of streeft hij naar zijn eigen stille wachter – die stralende en lichtende
godheid die met oneindig geduld het hele zonnemanvantara aanwezig is,
wacht en wacht, weigert verder te gaan, wacht op zijn eigen kind – op
mij, op u: de christus en het christuskind: âdi-boeddha, mânushya-boeddha;
eerste, oorspronkelijke wijsheid, liefde, mededogen – de menselijke vertegenwoordiger
daarvan, de menselijke boeddha.
Dat is de ware betekenis van de Egyptische koning die
zichzelf vereert; en degeneratie van die dingen kon natuurlijk alleen
plaatsvinden toen de mens zijn oorspronkelijke staat van inzicht had verlaten,
de oorspronkelijke toestand waarin de intuďtie niet door het verstand
was verduisterd omdat het verstand nog niet tot alleen maar intellect
was uitgegroeid. Eens gebeurt dat, maar toen was dat nog niet het geval.
Ieder van u die eenmaal de aanraking van de innerlijke god heeft gevoeld
is daarna nooit meer dezelfde. U kunt nooit meer dezelfde zijn. Uw leven
is veranderd; en dat ontwaken kan elk moment plaatsvinden, elk moment
dat u ervoor openstaat.
de lamaďstische opvolging in tibet
Zit er enige waarheid in de gangbare opvatting
dat de tashi lama in Tibet altijd een reďncarnatie van de Boeddha is?
Is dit een echte opvolging of niet meer dan een traditie zonder betekenis? De opvolging in de Tibetaanse lamaďstische hiërarchie
sinds de tijd van Tsong-kha-pa in de veertiende eeuw is een werkelijkheid
en vindt plaats via verschillende individuele personen. We moeten bedenken
dat het beginsel erachter tot dat diepere boeddhisme behoort dat in
feite esoterisch boeddhisme is – wat onze westerse geleerden er ook
over zeggen.
Noch de tashi lama noch de dalai lama is een reďncarnatie
of wederbelichaming van de bodhisattva Sâkyamuni; maar bij de opvolging
die begon met Tsong-kha-pa is wel sprake van het overbrengen van een ‘straal’
in elk individueel geval van de reeks tashi lama’s die voortkomt uit de
geestelijke mahâgoeroe die door H.P.B. de stille wachter van deze bol
wordt genoemd.
Er moet een belangrijk onderscheid worden gemaakt tussen
de opeenvolgende reďncarnaties van Gautama en de opeenvolgende belichamingen
van stralen uit eenzelfde bron in de hiërarchie van mededogen die ik zojuist
de mahâgoeroe heb genoemd. Dit is precies het punt waarover alle theosofen
en ook alle esoterici struikelen en waar ze van de feiten afdwalen.
Het is inderdaad een overdracht, in een reeks, van een
straal van de ‘boeddha’; maar de ‘boeddha’ is in dit geval niet de bodhisattva
Gautama, ook al bereikte hij het boeddhaschap, wat een toestand is, maar
de dhyâni-boeddha, waarvan de bodhisattva Gautama zelf een geďncarneerde
straal was, en wel de edelste, meest complete en volledige sinds het begin
van ons vijfde wortelras. Daarom bereikte de verhevene, Gautama, later
het boeddhaschap.
Zelfs de Tibetanen van bijna alle klassen, mogelijk met
uitzondering van de tashi en dalai lama’s zelf, zien in deze overdracht
via een reeks zich herhalende en elkaar opvolgende belichamingen van de
‘boeddha’, de herhaalde incarnaties van Gautama Boeddha in de twee hoofdlama’s
van de Tibetaanse hiërarchie. Maar dat is onjuist; en dit is precies het
punt waar men struikelt, zoals al is gezegd.
De hogere leden van de Tibetaanse hiërarchie, waaronder
de khutuktu’s, en naar ik stellig geloof de tashi lama zelf en naar alle
waarschijnlijkheid ook de dalai lama, zijn in dit geval evengoed bekend
met de esoterische feiten als H.P.B.; en zij weten heel goed dat deze
reďncarnaties van ‘levende boeddha’s’, zoals westerlingen ze noemen, niet,
zoals hiervoor gezegd, de zich herhalende wederbelichamingen van Sâkyamuni
zijn, maar herhaalde belichamingen van identieke stralen of van een identieke
straal, die de ene tashi lama na de andere bezielt en verlicht; en een
soortgelijke straal bezielt en verlicht in herhaalde belichamingen de
ene dalai lama na de andere. Dat is het geval sinds de tijd van Tsong-kha-pa.
Zo is het tot nu toe geweest en er behoeft, naar het schijnt, redelijkerwijs
niet aan te worden getwijfeld dat de boven beschreven opeenvolging zal
doorgaan, tenzij en tot het moment dat menselijke voertuigen te onvolmaakt
zijn om deze esoterische lijn van opvolging voort te zetten.
Als men de ware betekenis zou begrijpen van de leringen
van het Tibetaanse boeddhisme over de dhyâni-boeddha’s en hun menselijke
vertegenwoordigers op aarde, zou men de sleutel bezitten tot dit blijvende
mysterie van de opvolging van levende stralen van ‘boeddha’ in de hogere
leden van de Tibetaanse hiërarchie; en dat is precies waarop H.P.B. doelde
toen zij, zo openlijk als ze toen durfde, erover schreef.
Om het met andere woorden te zeggen die met de feiten
kloppen en niet in strijd zijn met het gezonde verstand: Elke tashi lama
sinds de tijd van Tsong-kha-pa was de wederbelichaming van een identieke
straal van buddhi, die uitging van de dhyâni-boeddha van deze bol, met
andere woorden, het mysterieuze wezen of personage, dat volgens de esoterische
traditie in Sambhala leeft, het mysterieuze land waar elke Tibetaan, hoog
of laag wel iets over heeft gehoord; toch waren deze verschillende tashi
lama’s mensen, mensen met zeven beginselen, en waren ze dus allen afzonderlijke
individuen die verschilden van hun voorganger en van hun opvolger, en
toch was elk het voertuig of het kanaal voor overdracht van een identieke
boeddhakracht, die ik hiervoor de straal van de mahâgoeroe heb genoemd.
Er is dus sinds de tijd van Tsong-kha-pa een opvolging
van een identieke geestelijke boeddha-individualiteit in een lange reeks
van verschillende mensen die worden herkend voor wat ze zijn en worden
aangewezen of bevorderd tot opvolgers in de hiërarchie van de tashi lama’s.
Terwijl dit wonderlijke feit zich tot op heden in Tibet
heeft voortgezet, bestond er in vroegere eeuwen een identieke opvolging
van ware leraren in andere delen van de wereld, wat de basis vormde voor
de mysterieuze verhalen die algemeen de ronde deden in de oude literatuur
over hiërarchieën van ingewijden die zich door de eeuwen heen voortzetten
omdat ze verbonden waren met de meesteradept waarnaar H.P.B. in Isis
Ontsluierd en elders soms verwijst als de ‘mahâ’ of de ‘mahâgoeroe’.
geen vergeving van zonden
Wat is de betekenis van de volgende aanhaling
uit Johannes (20:23)? Indien gij de zonden van wie maar ook vergeeft,
zijn ze hun vergeven; indien gij [de zonden] van wie maar ook behoudt,
zijn ze hun behouden. Deze woorden zijn een toevoeging door de geestelijkheid
aan het oorspronkelijke thema van het evangelie, de hemel weet door wie
en de hemel weet wanneer. Ze hebben hoegenaamd geen werkelijke betekenis,
maar geven de geestelijkheid het bevredigende gevoel dat ze over speciale
door God geschonken vermogens beschikken en zijn daarom kennelijk met
dat doel door iemand ingelast of oorspronkelijk geschreven. Op zichzelf
beschouwd zijn ze volstrekt in strijd met de leer van karma – dat een
mens verantwoordelijk is voor zijn eigen goede en slechte daden. Zonden
kunnen niet worden vergeven noch door God, noch door de duivel, noch door
de mens. Het is alsof we zeggen dat het karakter van een mens kan worden
vergeven. Als men dat deed zou men de mens vernietigen.
Als ze al enige morele betekenis hebben is dat eenvoudig
het gebod te vergeven als iemand onrecht is aangedaan en het niet erger
te maken en voort te laten duren door haat of wraak.
We moeten begrijpen dat veel dingen in de christelijke
evangeliën geen heilige waarheid zijn, of natuurwetten; de christelijke
evangeliën werden niet door grote ingewijden geschreven, en zelfs nadat
de eerste schrijvers hun werk hadden voltooid, vonden er later inlassingen
plaats die nu zelfs door christelijke geleerden als zodanig worden erkend.
Daarom vindt men in de christelijke evangeliën veel dingen waarbij we
niet hoeven stil te staan, omdat het vaak min of meer onbetekenende inlassingen
zijn, soms zelfs in de manuscripten aangebracht door fanatici die het
voor het zeggen hadden: maar er is een ondergrond van echte waarheid in
alle evangeliën.
hiërarchieën binnen hiërarchieën
Niet alleen heeft ieder mens zijn eigen innerlijke
god, maar deze innerlijke goden vormen samen het lichaam waardoor een
hogere godheid werkt. De hogere godheid is op zijn beurt slechts één van
een nog verhevener leger of menigte die onder een nog verhevener godheid
vallen; enz. ad infinitum. Is deze opvatting juist? Elke individuele entiteit is een uitdrukking van
een goddelijke monade, wat slechts een andere term is voor ‘een innerlijke
god’. Elke monade is in het hart van zijn hart een geďndividualiseerde
godheid; daarom is ieder mens, en iedere andere entiteit, hoe hoog of
laag ook, een uitdrukking van een goddelijk zaad dat een innerlijke god
is.
Deze enorme kosmische verzameling innerlijke goden of
goddelijke monaden vormt het lichaam van een hiërarchie, de hiërarchie
van de kosmos; en deze hiërarchie heeft een verheven hiërarch, die al
deze menigten van innerlijke goden omvat, zoals het lichaam alle levensatomen
bevat die het samenstellen. Omdat deze hiërarchieën oneindig in aantal
zijn in de grenzeloze ruimte, is er dus vanzelfsprekend een oneindig aantal
kosmische hiërarchieën.
Een verdere conclusie uit deze premissen is dat ieder
wezen, zoals een mens, niet alleen een uitdrukking is van een geďndividualiseerde
godheid, zijn ‘innerlijke god’ genoemd, maar dat al deze ‘innerlijke goden’
worden beheerst door, leven in en deel uitmaken van een hogere godheid,
die op haar beurt als godheid deel uitmaakt van een nog groter geheel,
dat is verzameld binnen de levenssfeer van een nog veel verhevener godheid;
enz. ad infinitum. Zodat we bij elke stap de woorden kunnen gebruiken
van Paulus van de christenen die zei ‘Want in Het leven wij, bewegen wij
ons en hebben wij ons bestaan.’
iemand van het leven beroven
Is het ooit gerechtvaardigd iemand van het
leven te beroven, zoals bijvoorbeeld bij het verdedigen van het vaderland
of om je kind tegen mishandeling te beschermen? Helaas wel. In het huidige evolutiestadium en in
de omstandigheden van de wereld waarin we leven, kan het soms op de weg
van onze plicht liggen, omdat we nu en dan worden geconfronteerd met twee
manieren van handelen, twee soorten plicht. Ideaal gesproken moet het
antwoord nee zijn. Het is verkeerd een mens of dier van het leven te beroven.
Maar het is ook juist en onze plicht ons land te verdedigen en ons huis
en gezin te verdedigen. Omdat iedere burger van een land deel uitmaakt
van het volk waartoe hij behoort, is het in tijd van oorlog zijn plicht
de wetten van de regering of het land waar hij thuishoort te gehoorzamen.
Ik heb dit beantwoord vanuit mijn eigen standpunt en zoals
ik meen volgens mijn plicht te moeten handelen in elk van de in de vraag
genoemde gevallen. Wat ik hierboven heb gezegd heeft echter niets te maken
met de doodstraf, die volstrekt fout en onnodig is en uiteindelijk geen
afschrikwekkend middel is tegen misdaad. De doodstraf moet absoluut worden
veroordeeld.
zelfbewustzijn in de derde ronde
Waren wij tijdens de derde ronde op deze
aardketen ooit zelfbewuste mensen? Ja, tegen het einde van het bolmanvantara toen
het manas-vermogen zich, zo goed als in de omstandigheden van de derde
ronde mogelijk was, begon te manifesteren. Dit vermogen was toen echter
niet zo volledig gemanifesteerd als nu.
een geval van snelle reďncarnatie of helderziendheid
Wilt u uw mening geven over de volgende zaak:
In verschillende tijdschriften en kranten heeft men kunnen lezen over
een zogenaamd ‘ondubbelzinnig bewijs’ van reďncarnatie. Het gaat om het
geval van een jong hindoemeisje en haar opvallende uitspraken over haar
‘vroegere incarnatie’ die zijn beschreven en onderzocht; we krijgen daar
vragen over. U heeft er ongetwijfeld over gelezen. Volgens de leringen
van de theosofie zijn zo’n snelle terugkeer van een mens in een volgende
wedergeboorte en zulke vreemde ‘herinneringen’ onmogelijk. Kan dit een
geval van zelfmisleiding zijn of iets dergelijks? Ik denk dat u ongelijk heeft als u zegt dat volgens
de leringen van de theosofie, ‘zo’n snelle terugkeer van een mens in een
volgende wedergeboorte’ onmogelijk is. U heeft bijna gelijk, maar niet
helemaal. Zulke snelle reďncarnaties zijn heel, heel zeldzaam, vergeleken
met de honderden miljoenen normale mensen; maar ze vinden wel plaats;
en als men deze zeldzame, heel zeldzame uitzonderingen zou kunnen verzamelen,
dan zouden ze nog tamelijk talrijk schijnen.
Uit wat ik heb kunnen opmaken uit de krantenverslagen
over dit hindoemeisje, dat weinig meer is dan een kind, zijn er volgens
mij twee mogelijkheden om haar geval te verklaren; en omdat ik niet over
alle feiten beschik en ik ook niet erg was geďnteresseerd in dit geval,
geef ik u beide mogelijkheden en als u er belangstelling voor heeft kunt
u daaruit zelf kiezen.
(a) Het is waarschijnlijk een van die zeldzame gevallen
van onmiddellijke reďncarnatie van een menselijk ego die, ondanks hun
grote zeldzaamheid, vergeleken met de honderden miljoenen normale mensen,
niettemin, als men die zeldzame uitzonderingen als groep beschouwt, niet
zo vreselijk ongewoon zijn. De hele leer over reďncarnatie en het verblijf
in kâmaloka en devachan, waarvan elke leergierige theosoof de bijzonderheden
kent, spelen hierbij een rol; en deze leringen kunnen in het kort zo worden
samengevat dat hoe spiritueler een man of vrouw in het leven is, des te
langer is devachan en dus ook de tijd tussen twee opeenvolgende incarnaties.
Hoe materiëler daarentegen of hoe groter de liefde voor het stoffelijke
bestaan van een man of een vrouw is, des te korter is devachan en dus
des te korter de tijd tussen twee incarnaties.
Dan zijn er ook gevallen van zwakzinnig geborenen, van
kinderen die jong sterven en van verloren zielen – drie heel verschillende
soorten mensen weliswaar – die, omdat ze geen kans hebben gehad geestelijk
te evolueren, dat wil zeggen in een tamelijk lang leven, bijna onmiddellijk
reďncarneren. (Zie H.P.B. over dit onderwerp van onmiddellijke reďncarnatie
in Isis Ontsluierd, Deel 1, blz. 467, en haar artikel ‘Theorieën
over reďncarnatie en geesten’ [Collected Writings, 7:176-99], waarin
ze extra licht werpt op het onderwerp.)
Nu is het heel goed mogelijk dat dit hindoemeisje tot
deze laatste algemene klasse behoort, wat niet betekent
dat ze een verloren ziel is of dat ze in haar vorige leven als een jong
kind stierf of dat ze zwakzinnig is; maar alleen dat ze niet tot een van
de meer geestelijke typen mensen behoort, maar waarschijnlijk iemand is
die houdt van of in haar laatste leven hield van de materiële omstandigheden,
iemand in wie de hogere verstandelijke en geestelijke vermogens nog niet
waren ontwaakt. Het zijn die vermogens die devachan lang of kort maken,
al naar gelang van de kracht van die vermogens in het leven van een man
of een vrouw. Het gevolg is dat ze maar een geringe devachanische kracht
heeft opgebouwd en omdat ze waarschijnlijk in haar vorige leven een goede
jonge vrouw was – ze zegt heel jong te zijn gestorven – was het verblijf
in kâmaloka om gelouterd te worden niet lang.
(b) De andere mogelijkheid is er een die ik zelf niet
als de echte verklaring zou kiezen, en ik noem deze alleen omdat het een
mogelijkheid is – en waar kan zijn. Er zijn nu en dan enkele mensen die
worden geboren met een ongewoon helderziend vermogen en een sterke en
levendige verbeeldingskracht; deze combinatie van helderziendheid en een
ontzaglijk sterke verbeeldingskracht veroorzaakt dat deze mensen werkelijk
dingen ‘zien’ die tijdens hun leven op andere plaatsen op aarde bestaan;
en als ze deze dingen ‘zien’, is het hun levendige verbeeldingskracht
en hun vermogen zich mentale en denkbeeldige voorstellingen te vormen,
waardoor ze zich allerlei mogelijkheden voor de geest halen. Als dit meisje
zo’n natuurlijke helderziende is, tenminste soms en met een bepaalde vorm
van helderziendheid, dan zou ze echte visioenen kunnen hebben gehad van
deze andere plaats waar deze man en zijn huidige vrouw in India wonen
en dan kan haar fantasierijke geest, en haar romantische gevoelens, rond
dit beeld of die helderziende beelden die tot haar komen, allerlei vrouwelijke
denkbeeldige, emotionele visioenen hebben geweven over de man die in een
vroeger leven haar echtgenoot was, enz., enz.
Dit laatste geval komt vrij algemeen voor, vooral bij
jonge meisjes. Deze groep is zo goed bekend dat artsen zulke gevallen
in hun praktijk veel tegenkomen en veel van deze artsen spreken erover
als gevallen van ongewone hysterie. Zulke mensen zijn altijd abnormaal;
ze zijn bijzonder fantasierijk; ze hebben altijd ‘dromen’ en ‘visioenen’
en als ze ook nog helderziende vermogens hebben, sterke of zwakke, gaan
deze mensen door de combinatie van het helderziende vermogen en de verbeeldingskracht
denken dat ze de helden of heldinnen zijn in allerlei romantische dromen.
Het zijn juist deze psychische zaken die, door hun schijnbaar
mysterieuze aard en de moeilijkheid ze te verklaren, ‘de gewone man’ fascineren
en die in het algemeen gesproken niet zoveel nadruk moeten krijgen.
de toestand na de dood bij zelfmoord
Wat is precies de toestand na de dood van
iemand die zelfmoord pleegt om de huidige omstandigheden te ontlopen?
Blijft hij in een tijdelijke toestand vóór hij de rust ingaat die iemand
krijgt die een natuurlijke dood is gestorven? Ja, een tijdelijke toestand en het hangt af van
het karakter van de persoon die zichzelf doodt, van welke aard deze tijdelijke
toestand is. Zoals ge zaait, zult ge oogsten. Alle zelfdoding is verkeerd,
ethisch en in elk ander opzicht, want het is lafheid, een poging zich
aan dingen te onttrekken en u weet wat er met zulke mensen tijdens het
leven gebeurt. Zoals ik al vaak eerder heb gezegd, wordt ieder mens geboren
met een bepaalde voorraad of hoeveelheid levenskracht; en het samengestelde
wezen dat de mens is, blijft bijeen tot het reservoir aan levenskracht
is uitgeput. Dan valt het samenstel uiteen. De geest gaat naar vader zon;
het reďncarnerende ego gaat naar zijn devachan of hemelwereld van onuitsprekelijke
vrede en geluk; en de lagere delen vallen uiteen en ontbinden zich in
hun samenstellende atomen.
Maar in het geval van zelfdoding gaat het om iemand, een
ongelukkig mens die, mogelijk gekweld en gemarteld door leed en pijn,
zo dwaas is zich van het leven te beroven, in de mening, arme blinde,
dat hij de plannen van de natuur kan tegenhouden. Hij vernietigt eenvoudig
het lichaam, en de mens zelf blijft in de astrale wereld in omstandigheden
die op hun allerbest het tegengestelde van plezierig zijn; en in het geval
van slechte zelfmoordenaars – mensen die zelfmoord plegen en tegelijk
bijzonder slechte mensen zijn geweest – is de toestand waarin ze verkeren
verschrikkelijk, want hun hele bewustzijn brandt van alle onheilige hartstochten,
gevoelens van haat, liefde, vrees, verschrikkingen, angsten, waardoor
hij zelfmoord ging plegen. Zij hebben geen uitweg; door zich van het leven
te beroven, maakten ze de toestand duizendmaal erger.
Maar er is zelfmoord en zelfmoord en in elk individueel
geval hangt de toestand af van het individu dat deze daad verricht. Dat
is alles wat erover te zeggen valt. De mentale toestand waarin de zelfmoordenaar
zich bevond vóór hij de daad deed, zet zich voort in de astrale wereld,
maar in hoge mate versterkt. Natuurlijk komt het moment dat de voorraad
levenskracht is uitgeput; en wat er aan schoonheid, grootsheid en geestelijk
licht in de ziel van de zelfmoordenaar aanwezig was, ontvangt dan zijn
beloning in devachan. Maar zelfdoding is lafheid en dat moet men niet
vergeten.
de relatie van de mens tot het twaalfvoudige
zonnestelsel
Omdat we in feite kinderen van het hele zonnestelsel
zijn zouden we dan niet kunnen zeggen dat we evengoed aardewezens als
Venuswezens of Mercuriuswezens of wezens van andere planeten zijn? Juist. Alleen gedurende het tegenwoordige manvantara
zijn we tot de aardketen aangetrokken, en dat is het geheim van de buitenronden. Zijn wij dan zonnewezens die in verschillende
voertuigen evolueren op alle twaalf planeten van de zonnefamilie? Als we over twaalf planeten van ons zonnestelsel
spreken heeft dat alleen betrekking op onszelf. Voor ons zijn er slechts
twaalf heilige planeten in het zonnestelsel. De zon is onze gemeenschappelijke
chef. Dat is de reden – en hier krijgt u enig idee over de dertien – dat
is het geheim waarom Jezus twaalf discipelen had, terwijl hijzelf de dertiende
of de leraar was.
troost bij de dood
Ik heb de technische theosofische literatuur
bestudeerd en heb begrepen dat de mens een samengesteld wezen is. Ik heb
ook gelezen wat er met de zevenvoudige hiërarchie ‘mens’ gebeurt als hij
sterft, maar heeft de theosofie met betrekking tot de dood niet ook een
ethische kant, met liefde en mededogen?
Mijn vraag is: Welke troost voor het hart, welke inspirerende
hoop en moed geeft de theosofie aan hen die bang zijn voor de dood, aan
de stervenden, aan hen die hun dierbaren hebben verloren? Theosofie leert dat men voor de dood per se
niet bang hoeft te zijn. Het is een verandering in een betere toestand,
maar alleen als de dood op een natuurlijke manier komt. Deze vraagsteller
heeft kennelijk niet veel van onze theosofische literatuur gelezen, waaruit
hij had kunnen vernemen dat ethiek tot het wezen van elke theosofische
leer behoort. Op ethiek is het heelal gebouwd, want het betekent harmonie:
dat goed goed en verkeerd verkeerd is, en dat juiste dingen juiste dingen
zijn, wanneer en waar ook; en ook dat eerlijk eerlijk is, wanneer en waar
ook.
De ethiek van onze leer over de dood is zoals ik vaak
heb gezegd: Dat ze niet hoeft te worden gevreesd; dat ze onuitsprekelijk
zoet is, want ze betekent onbeschrijflijke rust, vrede, geluk. Als een
mens sterft gaat hij de grote stilte binnen, zoals ook gebeurt wanneer
hij in slaap valt en later ontwaakt. Deze weinige woorden vertellen u
het hele verhaal, maar zonder de bijzonderheden van het verhaal.
Herinnert u zich wat Robert Louis Stevenson in zijn Requiem
schreef? Men zegt dat hij dit voor zijn eigen graf schreef: Onder het weidse sterrenheer
Graaf mij een graf en leg mij neer;
’k Heb blij
geleefd en sterf in vree,
En leg mij gewillig
in mijn stee.
Schrijf op mijn
grafsteen dit gedicht
‘Dit is de plek
waar hij gaarne ligt.
Weer thuis is de zeeman die de zee verliet,
En de jager is thuis van zijn jachtgebied.’ Ja, heel mooi, want hierin spreekt de geest van
Robert Louis Stevenson; maar waarom zei hij: ‘Graaf mij een graf en leg
mij neer’. Ziet u hierin niet de oude verschrikkelijke gedachte dat de
mens zijn stoffelijk lichaam is? Ik zou hebben geschreven: ‘Graaf mij
een graf en laat mij vrij’. Ik, een belichaamde kracht van het heelal
– kan men mij vasthouden in een graf? Ik, een vlammende intelligentie,
een belichaamde geest, kan men mij ketenen in een kist? Zelfs de ketenen
van de wereld zijn te zwak voor mij. Mijn ziel is thuis bij de sterren
en of het Canopus of Sirius is, of de Poolster, daar ben ik vertrouwd.
Daar hoor ik thuis. Laat mij vrij! ‘’k Heb blij geleefd en sterf in vree
en leg mij gewillig in mijn stee. Schrijf op mijn grafsteen dit gedicht.
Vanhier ging hij naar groter licht.’ Neem het geval van iemand die veel van iemand
anders op aarde hield en degene die liefheeft sterft: Blijft de dode die
liefhad doorgaan met liefhebben? Inderdaad een heel natuurlijke vraag. De ware betekenis,
de essentie van de toestand van de hemelwereld, of devachan, is geluk
en liefde, want geluk en geestelijke verlangens hebben als voornaamste
drijfkracht die abstracte onpersoonlijke werking of energie van de menselijke
geest die wij mensen liefde noemen. Devachan houdt alles in wat mooi,
goed, lieflijk en heilig, waar, schoon en zuiver is. Liefde is onsterfelijk;
ze gaat altijd door; en, let wel, hoe meer men liefheeft, onpersoonlijk
natuurlijk, hoe edeler men wordt. Ik bedoel hier niet de gewone, grove,
hartstochtelijke liefde, want die kan zelfs zijn als hellevuur. Ik bedoel
die onuitsprekelijk lieflijke, goddelijke vlam die het leven met schoonheid
vult, die gedachten oproept van zelfopoffering voor anderen. Een dergelijke,
onpersoonlijke liefde is het hart van het heelal. Daarom zeg ik dat degene
die liefhad en stierf, nog steeds liefheeft, want dat behoort tot het
wezen van zijn ziel.
de dood op het slagveld of door een ongeval
Wat gebeurt er met hen die tijdens de strijd
worden gedood? Ik denk dat de vraagsteller meent dat er enige
overeenkomst moet zijn tussen wat er gebeurt met hen die in de strijd
worden gedood en zelfmoordenaars, en wel omdat in beide gevallen de dood
snel intreedt; maar dat is niet zo. Bij elke gewelddadige dood, hetzij
bewuste zelfdoding of moord, de dood in de strijd of door een ongeval,
wordt de postmortale toestand beheerst door het motief. Zij die op het
slagveld worden gedood raken in een toestand van volstrekte onbewustheid,
want er is in hen geen spoor van lafheid om zich aan hun plicht te onttrekken
zoals in het geval van zelfdoding en daarom is er geen sprake van kwellende
angst, geen kwellende en verterende vrees voor het leven zelf. Zij die
in de strijd omkomen gaan eenvoudig over in een toestand van gelukzalige
onbewustheid en blijven daarin tot de voorraad astraal-stoffelijke levenskracht
is uitgeput. Dan gaan ze devachan binnen, de hemelwereld. De natuur is
uiterst rechtvaardig in al haar regels en werkingen, omdat ze volstrekt
meedogend is. Vergeet niet dat mededogen wetmatigheid en harmonie betekent,
de ordelijke werkingen van oorzaken en gevolgen. De kern van het wezen
van de natuur is mededogen. Degene die in de strijd sterft en iemand die
zijn leven geeft om het leven van een broeder te redden lijken veel op
elkaar. Wat zij ervaren is een onbewustheid die droomloos en onuitsprekelijk
zoet is, tot de voorraad levenskracht is uitgeput; dan gaan zij devachan
of de hemelwereld binnen en blijven daar in een toestand van onuitsprekelijk
schone en gelukkige rust tot de volgende wederbelichaming op aarde.
hoe oud zijn de filosofische scholen van de
hindoes?
Kunt u mij een aanwijzing geven over de ouderdom
of de tijd van ontstaan van de zes darsana’s of filosofische scholen van
de hindoes? Wanneer leefden Kapila en Patańjali werkelijk? Er is zoveel
verschil van mening over deze twee figuren en wanneer zij leefden. U vraagt ten eerste naar de oorsprong en ten tweede
naar de ouderdom van de zes grote darsana’s of filosofische gezichtspunten,
ofwel filosofische scholen in India; en daarnaast vraagt u naar de tijd
waarin de verschillende stichters, zoals Kałâda, Kapila, Gotama (natuurlijk
niet de Boeddha), Patańjali, enz., leefden.
Eerst iets over de tijd van de stichters: het is een feit
dat alle tijden of liever dateringen die de Europese oriëntalisten hebben
gegeven, weinig meer zijn dan speculaties; ze zijn nooit bewezen, zelfs
al worden ze misschien algemeen aanvaard. Daarom weigeren theosofen die
te accepteren. Ze zijn bijna onveranderlijk te laat in de tijd, te dicht
bij onze tijd. Dat zou ik zeggen.
Aan de andere kant zou ik met veel meer eerbied een datering
accepteren die men kan vaststellen op basis van wat er door een eminente
hindoe uit de oudheid zelf daarover is gezegd. Ik weet natuurlijk dat
dit een enorm werk is, het schiften van het materiaal, en ik vermeld dit
alleen om te laten zien dat ik de voorkeur zou geven aan de hindoe-overlevering
die zegt wanneer die en die leefde, boven het getheoretiseer van moderne
westerlingen die allemaal zijn gebiologeerd door de wetenschappelijke
opvattingen over de recente ontwikkeling van de denkende mens, enz., enz.
Vroeger nam men aan dat de wereld slechts ruim zesduizend
jaar geleden werd geschapen en dat was toen een christelijke opvatting;
daarom moest ieder jaartal zo dicht mogelijk naar onze tijd worden verschoven.
Dit wat betreft de tijd van de stichters van deze scholen. Ieder van deze
stichters was niet een echte stichter in de zin van iemand die een nieuwe
school begint, maar iemand die slechts voortzette, misschien vernieuwde,
misschien wijzigde, wat de hemel weet hoeveel eeuwen vóór hij leefde al
bekend was: ongeveer op de manier waarop H.P.B. de archaďsche theosofie
naar onze tijd bracht en in haar moderne vorm weergaf, hoewel ze zo oud
is als de tijd.
Dit brengt me op de oorsprong van deze zes darsana’s.
Westerse oriëntalisten, die, zoals ik al aangaf, proberen binnen de grenzen
van hun nieuwe feiten te blijven, zeggen dat elk van deze scholen waarschijnlijk
door de genoemde filosoof werd begonnen. Maar ik heb er zojuist op gewezen
waarom dit niet zo hoeft te zijn.
Ik ben van mening, ben er eigenlijk van overtuigd, dat
elk van deze zes darsana’s enorm oud is. Het feit dat het zulke natuurlijke
producten van het menselijke intellect zijn, toont aan dat ze eeuwen en
eeuwen geleden bij andere filosofische geesten moeten zijn opgekomen.
Ik denk dat ze wat hun ouderdom betreft zelfs teruggaan tot Atlantische
tijden, niet in hun huidige weergave of vorm, maar ik bedoel de filosofische
grondgedachten die deze scholen respectievelijk vertegenwoordigen. De
verschillende zogenaamde stichters zijn van betrekkelijk recente tijd
– waarmee ik bedoel lang na Atlantis, maar niet uit onze tijd – hindoefilosofen,
die zelf door een van deze scholen werden aangetrokken en elk had zoveel
succes met het interpreteren en propageren van zijn eigen bepaalde keuze
of filosofische voorkeur, dat hij na verloop van tijd de stichter van
deze of die school werd.
Neem bijvoorbeeld de yogaschool van Patańjali. Ik denk
dat die eeuwen vóór de tijd van Patańjali bloeide, wanneer hij ook mag
hebben geleefd, omdat yoga sinds onheuglijke tijden in het denken van
de mens een rol speelt. Patańjali heeft deze niet ontdekt. Hij handelde
slechts zoals hierboven aangegeven. Hetzelfde geldt voor de Nyâyaschool
voor logische filosofie van Gotama, of de Vaiseshika, de atomistische
school van Kałâda. Gedachten als deze moeten de menselijke geest sinds
Atlantische tijden hebben beziggehouden. Zo is het ook met de Vedânta,
in het bijzonder de Advaita. De Advaita-vorm ervan werd op schitterende
wijze weergegeven en geformuleerd door de grote Sankarâchârya en dit is
slechts een voorbeeld. Sommige westerse geleerden noemen hem nu de stichter
van de Advaita-Vedânta, alsof vóór Sankarâchârya niemand ooit de gedachten
van de Advaita-Vedânta kende. Hij nam eenvoudig dit aspect van de Vedânta,
gaf er een andere vorm aan overeenkomstig de ideeën van zijn tijd en deed
dat zo prachtig dat hij bekend werd als de grote leraar ervan. Maar Advaita-Vedânta
is zo eigen aan de menselijke geest, dat hij eeuwen en eeuwen moet hebben
bestaan, vóór de heersende goden zelfs van Sankarâchârya droomden.
Volgens theosofen vertegenwoordigen de zes darsana’s de
zes verschillende vormen of methoden waarin de menselijke filosofie door
de eeuwen tot uitdrukking is gebracht, en ze verenigen ze alle in de hoogste
of zevende, die de wijsheidsreligie of theosofie is – of, beter gezegd,
uit de godswijsheid of wijsheidsreligie zijn al deze zes verschillende
darsana’s voortgekomen als zes speciale vormen of zes specialisaties van
de filosofie, elk op haar eigen manier, de wetenschappelijke, de mystieke,
de logische, de wetenschappelijk-mystieke, de objectief-idealistische,
noem ze zoals u wilt.
geneesmethoden en karma
Wat is uw mening over de verschillende geneesmethoden
door middel van vitale of zogenaamd ‘magnetische’ processen, hetzij door
‘handoplegging’ of magnetische bestrijkingen of wat sommige halfonwetende
scholen ‘genezing op afstand’ noemen, enz.? Volgens mij is dit iets van
wezenlijke betekenis geworden omdat het zich zo heeft verspreid, zelfs
geestelijken maken er gebruik van in een poging het voetspoor van hun
meester Jezus te volgen die, zoals zij zeggen, genas ‘door geloof’ en
geestelijke kracht. Al deze verschillende geneesmethoden, afgezien
van de normale medische en chirurgische behandelingen, hangen af van het
innerlijke, d.w.z. het aangeboren of inherente vermogen van de ‘genezer’
of beoefenaar, om gezonde levenskracht van zichzelf op de zieke over te
dragen. Dat is de sleutel tot succes of het gebrek aan succes, in alle
gevallen en bij alle geneesmethoden van welke zogenaamde ‘school’ ook.
Als iemand een geboren ‘magnetiseur’ is, zoals kolonel
Olcott enigszins was, of zoals Mesmer in hogere mate was, dan kan zo iemand
genezen door magnetische of zogenaamde ‘mesmerieke’ bestrijkingen van
het zieke orgaan of lichaamsdeel, soms zonder enige beweging te maken,
maar door zich er mentaal intens op te concentreren.
Is de ‘genezer’ of beoefenaar niet zo’n geboren of begiftigd
‘magnetiseur’, dan is zijn succes nihil of gering. De hele verklaring
ligt in het met succes overbrengen van prâna of levenskracht van het eigen
gezonde lichaam op het zieke lichaam of het zieke orgaan of deel daarvan,
en deze gezonde vitaliteit of levenskracht ‘drijft’ de disharmonische
trillingen van het aangetaste deel uit, of verandert die, herstelt daarin
de harmonie en brengt de gezondheid terug. Zulke genezingen kunnen
blijvend zijn; gewoonlijk zijn ze tijdelijk en duren ze enkele dagen,
weken, maanden of misschien een jaar of twee, drie. Al deze methoden en
processen waren aan de Ouden goed bekend. Voor de moderne westerling vallen
ze gewoonlijk, uit onwetendheid, in categorieën zoals ‘genezing door hypnotisme’,
‘genezing door mesmerisme’, ‘genezing door magnetisme’ en soms, als er
geen gebruik wordt gemaakt van bestrijkingen, ‘genezing door geloof’,
zoals de Christian Scientists doen en de geloofsgenezers.
Dit is de sleutel tot al die processen, alle successen
en alle mislukkingen. Hoe zit het in dit verband met karma? Is het
verkeerd op die manier te genezen of is het goed? En ‘dringt men het karma
niet terug’, waardoor het in de toekomst met toegenomen kracht tevoorschijn
komt en een ernstiger ziekte teweegbrengt dan de tijdelijk tot staan gebrachte
of gestopte? Als de magnetiseur – en dit is belangrijk – lichamelijk
gezond is, mentaal evenwichtig en, wat het belangrijkste van alles is,
moreel en intellectueel zuiver, dan steekt er geen enkel gevaar in deze
genezingen door mesmeriek magnetisme, maar alstublieft niet door hypnotisme;
als de beoefenaar moreel onzuiver, intellectueel ongezond is, zelfs in
zijn opvatting van goed en kwaad, of als de beoefenaar zelf lichamelijk
niet echt gezond is, dan kunnen ziekten zelfs in kiem worden overgeplant
of overgebracht, en kan zelfs de dood worden veroorzaakt door op die wijze
toegepaste verderfelijke magie, en dit laatste geval is zonder meer moord
en moeilijk na te speuren. Maar er zit niets verkeerds in het genezen
van zieke en lijdende mensen, door de normale chirurgische en medische
behandelingen of door een edele, gezonde en meedogende ‘vitale genezer’,
zelfs als de laatstgenoemde handelt in onwetendheid over de filosofische
achtergrond. In dit laatste geval is er geen sprake van ‘terugdringen
van karma’, omdat het karma zich al in de zieke persoon uitput en het
genezen niets anders is dan de natuur helpen het herstel van de gezondheid
teweeg te brengen en de normale toestand in de patiënt te herstellen.
Maar karma wordt wel teruggedrongen, waardoor het genezen
in een of andere vorm wel schadelijk en verkeerd wordt, in die gevallen
waarin de genezer probeert op de wil, het geweten of de morele integriteit
van de zieke, de patiënt, de persoon die lijdt, in te werken, door het
denken, de wilskracht en het geweten van de patiënt zo te hypnotiseren
dat hij gelooft dat ziekte niet bestaat of dat hij een slachtoffer is
van het noodlot, in plaats van iemand die lijdt door zijn eigen slechte
verleden. Ik vraag me af of ik mijn bedoeling duidelijk heb gemaakt. Als
de ziel, in het bijzonder de wilskracht of de morele integriteit van de
patiënt, door de beoefenaar wordt aangetast, dan wordt dit onmiddellijk
zwarte magie, en heeft dit de neiging in de patiënt verkeerde ideeën te
wekken en zo de ziekte terug te dringen, hoewel deze praktijk een tijdelijke
genezing kan brengen door de hypnotische toestand van de wilskracht en
de ziel, in de patiënt teweeggebracht op grond van een bedrieglijke, quasi-filosofische,
verkeerde leer. Zo wordt in dit laatste geval karma dat bezig is uit te
werken teruggedrongen bij zijn bron, de ziekte wordt teruggedreven in
de constitutie; het lichaam kan er baat bij hebben, maar de ziekte blijft
latent want uiteindelijk hebben alle ziekten hun oorsprong in verkeerde
gedachten die verkeerde gevoelens en verkeerde daden voortbrengen; en
dat wordt bedoeld met het terugdringen van karma. Maar iemand die alleen
magnetiseert doet dat niet. Hij behandelt alleen het zieke lichaam, zoals
een gewone arts en chirurg, hij helpt de harmonie te herstellen in de
prânische stromen van het lichaam van de patiënt maar hij tast de wilskracht
of de morele aard van de patiënt niet aan; daarom is zijn werk niet slecht
– ik bedoel in het geval van een oprecht goed mens die dit beoefent en
geneest, zoals hierboven uiteengezet.
Tenslotte dit. Tot de beste van al deze medicijnloze therapieën
of genezingsprocessen, meestal aangeduid met ‘vitale genezing’ of een
soortgelijke term, of genezing door bestrijkingen, enz., behoren die waarbij
de patiënt in een geestestoestand wordt gebracht van hoop, zelfvertrouwen,
die hogere soort van berusting die vrede en innerlijke rust met zich brengt;
en dit alles draagt ertoe bij dat het lichaam weer in een toestand van
harmonie komt, waardoor de natuurlijke genezingsprocessen in het lichaam
van de patiënt worden bevorderd. Daarom zijn sommige vormen van genezing
door geloof de beste omdat die de wil of het denken niet beďnvloeden,
maar wel innerlijke rust veroorzaken, aanvaarding van het onvermijdelijke,
de patiënt hoop geven, hem levenskracht schenken en een optimistischer
kijk op het leven, en dit alles heeft de neiging het lichaam van de patiënt
te helpen. De beste geesteshouding voor een zieke is die van hoop en het
aankweken van innerlijke vrede en zelfvertrouwen; en die komen het best
tot stand op grond van een gezonde filosofie, waarop in het christelijke
Nieuwe Testament wordt gedoeld als er wordt verwezen naar de verschillende
genezingen door Jezus die berusten op herstel van het ‘geloof’ van de
patiënt, het woord dat in het Nieuwe Testament wordt gebruikt, en het
gebod: ‘Ga heen en zondig niet meer’, en zonde betekent hier slechte gedachten,
lage gevoelens en de daaruit in het dagelijks leven voortvloeiende daden,
zoals allerlei vormen van ondeugd.
De hele situatie is bijzonder ingewikkeld. Men kan geen
grotere fout maken dan te denken dat het allemaal eenvoudig is en in een
enkele zin kan worden beantwoord. Zelfs een zwarte magiër kan een lichaam
genezen als het in het voordeel van de zwarte magiër is; maar in dat geval
wordt het lichaam genezen ten koste van de ziel, bij wijze van spreken,
en worden er mogelijk nieuwe ziekten in kiem- of zaadvorm in het lichaam
van de patiënt geplant, omdat het denken en de wil worden ontwricht, waardoor
er vanuit de patiënt mentale stromen ontstaan, die de prâna’s van de patiënt
zelf vergiftigen.
Het geheim zit dus, zoals u ziet, in het opwekken van
de aangeboren weerstands- en levenskrachten, enz., van de patiënt zelf,
waardoor deze gaan overheersen en het lichaam zichzelf geneest; en niet
in het beheersen van de wil van de patiënt of zijn verbeeldingskracht,
of morele instincten, wat tot gevolg heeft dat ze teruggetrokken, verdoofd
raken of gaan sluimeren. Het eerste is goed en wit, het laatste slecht
en zwart.
Dit is niet meer dan een haastige schets van een bijzonder
ingewikkelde situatie; de verwarring ontstaat door de volstrekte onwetendheid
van de meeste mensen over de samengestelde structuur van de menselijke
constitutie. Sommige genezingen zijn goed, sommige genezingen zijn slecht,
sommige genezers zijn goed, sommigen zijn slecht, sommigen zijn bedriegers.
stralingsoctaven op de kosmische schaal
Werken licht en radio via verschillende overdrachtsmedia
en als dat zo is, wat zijn dan die media? De vraagsteller meent dat alle energie, als één
kracht, van de ene vorm van manifestatie in een andere kan worden omgezet,
en hij schijnt te geloven dat licht en radio niet kunnen worden gecombineerd
in genezingswerk, omdat ze via verschillende media werken.
Ik denk dat hier sprake is van verwarring in het denken.
Lichtgolven, radiogolven, warmtegolven en die andere golven die we röntgenstralen
noemen, kosmische stralen, enz. – zijn verschillende delen, of verschillende
octaven van de grote schaal van de natuur; en hoewel ze alle stralingen
zijn of golfvormen (om de moderne wetenschappelijke terminologie hier
te gebruiken) verschillen ze, als gevolg van hun verschillende energieën
of frequenties, evenzeer van elkaar als bijvoorbeeld een mijl van een
duim of een centimeter.
Radiogolven bijvoorbeeld zijn heel lange golven. Dan volgen
warmtegolven die korter zijn. Dan komen lichtgolven – d.w.z. het zichtbare
licht – die nog korter zijn. Dan komen ultraviolette golven, weer korter;
dan, na een interval, komen röntgenstralen die heel kort zijn. Vervolgens,
weer na een interval, komen andere golven tot aan de kortste bekende stralingen,
waaronder gammastralen en kosmische stralen. Golven met een heel hoge
frequentie, zoals röntgenstralen en kosmische stralen, worden ‘harde’
stralen genoemd, eenvoudig omdat ze van een zo hoge frequentie zijn, d.w.z.
een zo enorm hoge trilling bezitten, dat ze op enorme stoten of schokken
lijken. Bij de lange golven daarentegen, zoals radiogolven, is de frequentie
zo klein, d.w.z. de trilling of golflengte zo lang, dat we ze ‘zachte’
golven kunnen noemen.
Dit is dus het antwoord op de vraag, een antwoord dat,
tussen haakjes, aan alle wetenschappers bekend is. Het is waar dat alle
krachten in het heelal zijn terug te brengen tot één kosmische kracht,
maar deze ene kosmische kracht valt tijdens de manifestatie in een kosmisch
manvantara in haar lagere vormen uiteen in deze talrijke verschillende
stralingen of golflengten die alle hun specifieke individuele kenmerken
bezitten.
Om een voorbeeld te geven kunnen we eventueel zeggen dat
de gezondheidsgolven een zekere lengte hebben, een bepaalde frequentie;
de ziektegolven hebben een andere frequentie. Toch zijn het beide golven
en het enige onderscheid ertussen is het verschil in frequentie of trillingsgetal.
Het is dus theoretisch mogelijk, heel goed mogelijk, de harde, korte ziektegolven
te veranderen in de langere, zachtere, vriendelijker golven van gezondheidsstraling.
Natuurlijk is het bijzonder moeilijk om dat te doen, maar gedachten kunnen
het doen, de geest kan het doen omdat gedachten en de geest boven deze
golven staan en ze daarom kunnen beheersen; de kracht van gedachten en
het denken is betrekkelijk geestelijk en gezond en de ziektegolven zijn
betrekkelijk stoffelijk. Terwijl er dus één kracht is die aan alle ten
grondslag ligt, de kosmische kracht, de grote geestelijke kracht van het
heelal, zijn er verschillende andere ondergeschikte krachten: licht, radio,
warmte, elektriciteit, enz., enz., die verschillende octaven zijn van
de ene kosmische stralingsschaal. Het is dus in theorie heel goed mogelijk
om de een in de ander om te zetten, maar het blijft een feit dat het omzetten
van bijvoorbeeld een lange radiogolf in een röntgenstraal enorm moeilijk
zou zijn, want het zou erom gaan een golfstraling met een lengte van een
of twee mijl of van een aantal mijlen, in een golfstraling, de röntgenstraal,
om te zetten die een oneindig klein deel van een centimeter lang is. Alles
welbeschouwd is het een bijna kosmische moeilijkheid zo’n kracht in een
andere om te zetten.
De manier om ziekten door straling te genezen zou zijn
door de ziekte-frequentie te bewerken met een andere frequentie of trillingsenergie
van een zachter, vriendelijker type, die sterker is omdat ze harmonischer
is. Laten we, om een andere beeldspraak te gebruiken, zeggen dat de gezondheid
van een menselijk lichaam een bepaalde grondtoon of hoofdtoon heeft. Als
een bepaald deel van dat lichaam, laten we zeggen het hart of de lever
of de hersenen, ziek is, betekent het dat dat speciale orgaan in opstand
komt tegen de grondtoon van het lichaam en een eigen kleine grondtoon
produceert; en dit veroorzaakt disharmonie in het lichaam, en dat noemen
we ziekte. De manier om die ziekte te genezen is op een of andere wijze
die hardere trilling of frequentie van het zieke orgaan te veranderen
in de grondtoon van het hele lichaam, om daardoor de grondtoon van het
lichaam te herstellen en het weer gezond te maken. Toekomstige wetenschappers
zullen leren hoe ze dit moeten doen zonder het lichaam letsel toe te brengen;
maar het is heel goed mogelijk dat het lichaam ernstig wordt verwond,
zo niet gedood, door in onwetendheid te experimenteren, want het zieke
orgaan zou kunnen scheuren of worden vernietigd als niet de juiste straling
of frequentie wordt toegepast.
Bij het antwoord op uw vraag zou u dus het volgende moeten
bedenken: Deze verschillende bovengenoemde krachten: radio, warmte, licht,
röntgenstralen, kosmische stralen en alle tussenliggende frequenties,
behoren alle tot de kosmische schaal, en elk is slechts een klein octaaf
van die grote kosmische schaal. Tegenwoordig behoort dit zelfs tot de
gewone wetenschap. Al deze krachten of vormen van straling zijn inderdaad
niets anders dan dat: verschillende stralingsvormen, zoals in een octaaf
in een piano do, re, mi, fa, sol, la, ti, do verschillende geluidsfrequenties
zijn die tot dat ene piano-octaaf behoren. Als men zo’n toon van een piano-octaaf
in een andere toon verandert, of liever dat probeert te doen, is dat heel
moeilijk, want men vernietigt één toon door de frequentie te verhogen,
of de frequentie te verlagen om een nieuwe toon te maken.
Om dus licht in stralingswarmte om te zetten, moet men
de frequentie ‘verzachten’ of verlagen. Of, in de andere richting, om
zichtbaar licht in ultraviolet licht te veranderen, zou men de frequentie
van de trilling moeten verhogen of ‘verharden’. Elk van beide zou ware
magie zijn. Niettemin is het, zoals gezegd, volstrekt juist dat al deze
verschillende frequenties in wezen stralingen zijn die tot de kosmische
schaal behoren en al is het theoretisch mogelijk de ene in de andere om
te zetten, er zou een magiër voor nodig zijn om dat te doen. Daarom zou
een genezer die dit met radio of licht of elektriciteit of geluid probeert,
moeten weten hoe hij de genezende frequentie moet toepassen op de ziektefrequentie
van een ziek orgaan.
theosofische opvatting over dichtheid
Wat is dr. De Puruckers opvatting over dichtheid?
Hangt die af van en is ze af te meten aan het trillingsgetal van de intra-atomaire
deeltjes of van de atomen zelf of van een combinatie van beide?
Hangt dichtheid, zoals dr. De Purucker het woord gebruikt,
op enigerlei wijze af van het aantal elektronen of andere deeltjes in
het atoom? De vrager schijnt te veronderstellen, of liever
te suggereren, dat ik het woord ‘dichtheid’ heb gebruikt of gebruik op
een manier die iets afwijkt van de betekenis die men er gewoonlijk aan
hecht. Ik betwijfel of dat zo is. Voorzover ik me kan herinneren gebruik
ik het woord ‘dichtheid’ altijd zoals het door de meeste ontwikkelde mensen
gewoonlijk wordt gebruikt; ik weet dat het woord een algemene betekenis
heeft, maar ook vele bijzondere toepassingen op verschillende gevallen;
en ik merk op dat deze enigszins vage manier waarop de term ‘dicht’ of
‘dichtheid’ wordt gebruikt door bijna iedereen wordt gevolgd. Dichtheid
wil in het algemeen zeggen de mate van onderlinge nabijheid van samenstellende
delen, of we nu spreken over elektronen of atomen of moleculaire groepen.
Dichtheid is gedefinieerd als ‘de massa of hoeveelheid
stof per eenheid volume’. Zo vat ik het woord op; en ik veronderstel dat
we in het algemeen gesproken dichtheid kunnen meten aan de hand van het
gewicht van een eenheid volume of door de specifieke zwaartekracht. Met
andere woorden, dichtheid is dus de hoeveelheid stof in of de massa van
een stoffelijke eenheid. Andere wat vagere definities van dichtheid zijn
compactheid of de toestand of gesteldheid van dicht bijeenliggende deeltjes.
Ik denk dat er enige verwarring is ontstaan in het denken
van hen die mijn verschillende uitspraken over dichtheid, enz., hebben
gevolgd, door de in de westerse wereld al eeuwenlang heersende opvatting
dat hoe groter de activiteit van eenheden in een systeem is, des te spiritueler
het is; terwijl juist het tegenovergestelde het geval is; en dat is precies
wat ik bij veel gelegenheden heb proberen aan te tonen, al besefte ik
heel goed dat ik daarmee in conflict kwam met de heersende opvatting.
Toch moet het duidelijk zijn dat als deeltjes met een
intense en bijna onvoorstelbare frequentie of snelheid trillen, en dat
doen als een eenheid-entiteit, het moeilijker is de daarbij betrokken
krachten te veranderen en in beweging te krijgen dan wanneer de trillingen
zwak zijn en verspreid en min of meer los voorkomen; en het zijn juist
deze compactheid van trillingen en hun nauwe wisselwerking die de massa
of hoeveelheid stof produceren.
Als we dus verschillende dichtheden van chemische elementen
vergelijken, vinden we bijvoorbeeld dat die van platina op 21,4 kan worden
gesteld, van goud op 19,3, kwik op 13,6, lood op 11,3, koper op 8,9, ijzer
op 7,8, de aarde in het algemeen op 5,6, diamant op 3,5, gewoon gesteente
op ongeveer 2,7, magnesium op 1,7, het menselijk lichaam in het algemeen
op 1,1, lithium op 0,6, lucht op 0,0013 – en dit zijn wat we desgewenst
de moleculaire dichtheden kunnen noemen; maar als het gaat om de chemische
aantrekking in deze verschillende stoffen, of het nu chemische elementen
of chemische samenstellingen zijn, dan krijgen we te maken met een ander
gebied van eigenschappen en kwaliteiten met hun eigen dichtheden; toch
schijnen de dichtheden in beide gevallen afhankelijk te zijn van het aantal
en de activiteiten van de samenstellende delen van de eenheden.
Eigenlijk geloof ik dat de vrager mijn woorden enigszins
verkeerd heeft begrepen door te denken dat ik het woord ‘dicht’ of ‘dichtheid’
wat willekeurig gebruik en anders dan men gewoonlijk doet; en op het ogenblik
dat ik dit schrijf ben ik me niet ervan bewust dat ooit te hebben gedaan.
marie corelli
Was Marie Corelli een echte mysticus? Ik denk van wel. Sommige van haar boeken zijn bijzonder
interessant en tonen een intuďtieve ontvankelijkheid voor flitsen van
licht uit de bron van de waarheid, wat in haar geval betekende uit haar
eigen hogere zelf, die als het ware haar literaire brein raakten. Toch
had ze aan de andere kant veel last van enkele dingen uit deze wereld,
zo had ze bijvoorbeeld, naar ik begrijp, een heel jaloers temperament,
was ze jaloers op andere letterkundigen, en geneigd kritiek te hebben,
zelfs op haar eigen vrienden. Maar dat behoort bijna altijd bij een artistiek
temperament en daar kunnen we aan voorbijgaan.
Ik denk dat Marie Corelli tot op zekere hoogte goed werk
deed doordat ze velen tot het besef bracht van het bestaan van mystiek
en magie, die nooit zouden zijn wakker geschud, zelfs in de geringe mate
waarop zij hen beďnvloedde, behalve door middel van een pen als de hare,
die beeldend was, boeiend en de verbeeldingskracht van dergelijke mensen
aanwakkerde; en zo zijn er miljoenen. Ze was een onbewust soort theosoof
in één helft van haar wezen.
het voorspellen van de toekomst
J.B. Priestley zegt dat het verleden, het
heden en de toekomst coëxisterende verschillende trillingen zijn die tegelijk
en op dezelfde plaats bestaan, maar dat onze geest alleen met het heden
kan meetrillen, omdat het verleden een stoffelijk effect op ons denken
heeft gehad en het veranderde en we het ons daarom herinneren. Met andere
woorden, het is een deel van ons geworden. De toekomst is geen deel van
ons geworden en daarom kunnen we die niet begrijpen behalve door te zien
wat het verleden deed met het heden en het heden met de toekomst. Hij
zegt ook dat er eigenlijk geen heden bestaat, maar dat het niet meer is
dan onze waarneming van het onontwikkelde op dit gebied (hoewel ontwikkeld
op een ander), en dat het onontwikkelde het ontwikkelde wordt.
Iets hiervan lijkt mij vreemd. Ik kan begrijpen dat
de helderziende teruggaat in het verleden en het ziet zoals H.P.B. deed,
omdat het is gebeurd en een afdruk heeft nagelaten. Maar hoe kan een helderziende
in de toekomst gaan en die zien? Als men een supergeest bezit kan men
de toekomst voorspellen zolang die een uitbreiding van het heden is. Ik
bedoel dat iemand kan afleiden wat er zal gebeuren als alle feiten bekend
zijn, zoals een bouwer de toekomst kan voorspellen van een huis dat hij
bouwt. Maar voor het zien van de toekomst met deze methode is een brein
nodig, groter dan alle bibliotheken in de wereld en een nauwkeurig apparaat
om aan alle kennis haar ware graad van betekenis te geven, en de kennis
hoeveel en hoe snel karma zich gaat ontvouwen. Algebraďsche vergelijkingen
met vier onbekenden zijn al moeilijk genoeg, maar een vergelijking met
een oneindig aantal onbekenden in combinatie met een oneindig aantal methoden
is veel te moeilijk, zelfs voor de verst gevorderde combinatie van manas
en buddhi. Ik zie dus nog steeds niet hoe iemand de toekomst kan voorspellen. De vraag over ‘het zien van de toekomst’, enz.,
schijnt verschrikkelijk moeilijk te beantwoorden, en dat is in zekere
zin ook zo, en het is in het bijzonder moeilijk voor iemand die geen enkele
training in theosofie heeft gehad. Maar dit is het antwoord:
In de occulte filosofie smelten verleden, heden en toekomst
samen in de eeuwigheid, of wat het eeuwige nu wordt genoemd, want de eeuwigheid
kent geen verleden, heden of toekomst, omdat het een eeuwig nu is. De
eeuwigheid is bovendien het fundamentele – of, zoals we zouden kunnen
zeggen, de eeuwigheid en de oneindigheid zijn twee kanten van dezelfde
uiteindelijke werkelijkheid, het fundamentele, het al.
Wat de geestelijke ziener doet is, als het ware, opstijgen
uit dit gebied, waar verleden, heden en toekomst ons zo positief en werkelijk
toeschijnen, naar de gebieden van zijn eigen geestelijke wezen die zich
bij wijze van spreken baden in het eeuwige nu; en op deze manier ontrolt
zich het verleden voor zijn ogen en wordt het heden gezien als slechts
een vervolg daarvan in wat we de toekomst noemen en beide worden gezien
als een eeuwig drama waarvan de grondtoon ‘nu’ is. Zo moeten we ook karma
zien, het karmische verleden, het karmische heden, de karmische toekomst;
en op die manier voorkomen we te vervallen tot de dwaling van fatalisme
aan de ene kant en tot de even grote dwaling van karmisch indeterminisme
aan de andere kant.
Laat ik een voorbeeld geven vanuit een andere hoek: een
atoom in mijn lichaam bevat elektronen, zoals elk atoom. Laten we zeggen
dat op deze elektronen bewoners zijn die hun eigen nietige leven leiden,
maar in een enorm tempo, vergeleken met onze tijd. Zo kan dus, bij wijze
van spreken, een heel kosmisch zonnestelsel van atomaire afmeting, vele
duizenden malen in één menselijke seconde ontstaan, zijn ontelbare eeuwigheden
leven en verdwijnen. Met andere woorden, één van onze menselijke seconden
duurt bijna ‘eeuwig’, vergeleken met de tijd voor een elektron.
Stel u een bewoner voor op zo’n elektron, die leeft in
dat enorme tempo dat voor ons mensen onvergelijkelijk veel sneller is
dan een bliksemflits. Toch gaan er voor de elektronbewoner vele jaren
voorbij. Voor hem is er een toekomst die wij, met onze langzamere tijd,
niet anders kunnen zien dan als een nu. De elektronbewoner zou dus door
zijn hoge tempo, immense snelheid, zijn verleden, heden en toekomst ondergaan,
terwijl wij, met onze veel statiger tijd met zijn langzame ritmische trillingen,
het nauwelijks zouden beseffen behalve met ons intellect. Voor ons zou
het eenvoudig nu zijn.
Op precies dezelfde manier zien de goden, die een tijdtempo
hebben dat onvergelijkelijk statig is en door ons mensen langzaam zou
worden genoemd, ons verleden, heden en toekomst, die ons zo werkelijk
voorkomen, als nauwelijks van elkaar verschillend, omdat onze tijd, vergeleken
met die van hun, zo snel is. Wij kennen volgende week, volgend jaar, een
miljard jaar na vandaag, maar dat zijn onze korte, nietige menselijke
jaren. Voor een van de hogere goden zou het volledige manvantara van ons
zonnestelsel nauwelijks een miljardste deel zijn van één seconde van die
god, van de tijd van die god. Wij in ons zonnestelsel zouden dus miljoenen
jaren vooruit en miljoenen jaren terug in het verleden zien, terwijl voor
het bewustzijn van de god de hele levensperiode van het zonnestelsel nauwelijks
een fractie van een moment duurt.
Ziet u nu hoe het mogelijk is de toekomst te lezen? De
ziener, de geestelijke ziener, niet de aanmatigende en halfbakken helderziende,
maar de geestelijke ziener, verheft eenvoudig zijn bewustzijn tot een
ander tempo, tot een ander, hoger gebied, waarin verleden, heden en toekomst
voor hem zichtbaar worden als een nu. Dit vereist natuurlijk een training
door inwijding. Maar iedere adept is getraind, afhankelijk van zijn graad
in de hiërarchie, op zijn minst enigermate getraind.
Nu iets anders: vergeet nooit dat er vrijheid van wil
bestaat voor iedere monade in de oneindigheid, groot of klein. De nietige
elektronbewoner heeft dus, net als de mens op onze grote bol, zijn eigen
deel vrije wil, bij wijze van spreken, als we tenminste op die manier
de vrije wil kunnen verdelen! Vrije wil is in feite de hoeveelheid geestelijke
levenskracht en intellect die de evoluerende mens door innerlijke groei
zich eigen heeft gemaakt. De vrije wil kan dus in belangrijke mate toenemen,
maar hij bestaat zelfs in het nietigste atoom, zij het natuurlijk op de
schaal van die gebieden. Wat ook de tijdschaal is, of iemand de toekomst
kan zien in het groot of in het klein, de entiteit, die zijn deel vrije
wil bezit, kan altijd met zijn vrije wil zijn toekomstige koers wijzigen,
dat betekent niet dat hij in strijd met de toekomst kan handelen, want
dat zou onmogelijk zijn, maar hij kan zijn eigen gedrag wijzigen met betrekking
tot de toekomst of ervan afzien dat te doen, naar gelang zijn vrije wil
sterk of zwak is.
het mysterie van de groeiende plant
Wat is er in het bewustzijn van een plant
dat haar de impuls geeft naar het licht te groeien en daarin te slagen,
welke obstakels haar groei ook belemmeren? Het bewustzijn van een plant en ook dat van een
dier of zelfs van een mens – en we mogen daaraan toevoegen het bijna latente
bewustzijn van het delfstoffenrijk – is het geestelijke fluďdum, in combinatie
met het astrale, in de constitutie van een plant, bij wijze van spreken,
dat het onsterfelijke instinct of die honger bezit vooruit en omhoog te
gaan; en het is dit instinct om te groeien, of het licht te zoeken zoals
wij zeggen, dat de stimulerende oorzaak is of de sterke drang achter alle
evolutie naar betere en hogere dingen.
Als dus het zaad van een plant toevallig op een ongeschikte
plaats terechtkomt, waar het licht moeilijk doordringt, zal het wanneer
het gaat groeien, op grond van dit monadische fluďdum dat het aanspoort
te groeien en omhoog te reiken naar wat het nodig heeft, om een steen
kronkelen of door plaveisel gaan, totdat het zijn eerste nietige groene
blaadje naar het licht stuwt. Het is iets bijzonder moois om over na te
denken en het gade te slaan en is voor de wetenschap al tweehonderd jaar
of langer een probleem.
Theosofie geeft een antwoord zoals ik dat heb geprobeerd
weer te geven. Ik heb gezien hoe een stenen plaveisel brak of barstte
door een teer plantje, dat door zijn monadische instinct wist dat er aan
de andere kant van de steen of het asfalt daarboven licht was; en in plaats
van te groeien en te groeien onder het asfalt of de steen tot het aan
de rand zou komen, om dan zijn weg naar het licht te vinden, dringt het
zich met zijn tere bladpuntjes tussen de deeltjes van het plaveisel en
duwt die langzaam uiteen, totdat het tenslotte, zoals het kuikentje om
uit het ei te komen de schaal doorboort, zijn neus uitsteekt in het licht
van de wereld daarboven. Het monadische fluďdum, of het vitaal-astrale
fluďdum – hetzelfde in lagere vorm – dat instinct plus intuďtief bewustzijn
is, brengt de plant ertoe of spoort deze aan precies het juiste te doen
om het licht te bereiken. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 627-666 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |