|
HOOFDSTUK 1
DE
DRIE GRONDSTELLINGEN
HET ZELF: DE INNERLIJKE SCHAKEL VAN DE MENS MET HET ONUITSPREKELIJKE
DE ESOTERISCHE FILOSOFIE: ONDERWEZEN IN ALLE OUDE RELIGIES
I
. . . noch de gezamenlijke menigte (demiurg) noch een
van de uitvoerende krachten afzonderlijk, zijn geschikte voorwerpen voor
goddelijke verering of aanbidding. Ze hebben echter allen recht op de
dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten
streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar
zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar
cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke Karana,
de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar
moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar,
ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons geestelijke
bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in de stilte en de
geheiligde eenzaamheid van hun ziel, terwijl ze hun geest tot enige bemiddelaar
maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de
enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve
offers aan de Tegenwoordigheid. – H.P.Blavatsky, De Geheime
Leer, 1:307
Wij allen zouden dankbaar moeten zijn voor en ons diep
bewust zijn van de gelegenheid die hier wordt geboden om langs de weg
van het denken de leringen te benaderen die sinds onheuglijke tijden het
intellect van alle zoekers hebben verlicht, moed schonken aan de sterken
van geest die werden vervolgd, en de krachten van de wereld hebben geleid
langs de wegen die de mens het dierbaarst zijn – die van de religie en
de ethische beginselen die het gedrag van de mens bepalen.
Ik ben me diep bewust van de verantwoordelijke taak die Katherine Tingley
mij heeft gegeven om in woorden te spreken die eenvoudig, kernachtig,
duidelijk en nuttig zijn. Haar opdracht is het literaire meesterwerk van
Helena Petrovna Blavatsky, De Geheime Leer, te behandelen, en zo
mogelijk elke belangrijke lering daarvan aan te roeren en er een beschrijving
en verklaring van te geven die iedereen kan begrijpen en die alle leden
van onze school zowel hier als overal elders in de wereld van dienst zal
zijn.
Het is een grote taak: groot in omvang en mogelijkheden. Ik begin het
werk dat mij is opgedragen met diep ontzag en een hart vervuld van eerbied
voor deze indrukwekkende leringen die, voortgekomen uit tijden die zover
teruggaan dat de menselijke geest zich er geen voorstelling van kan maken,
de wereld haar religies, haar filosofieën, haar wetenschappen, haar kunsten,
haar ethiek, en daarom haar regeringen heeft gegeven.
De Geheime Leer draagt precies de juiste naam. Het is de leer die
in alle tijden geheim is gehouden en esoterisch is geweest. Er kan worden
aangetoond dat de wereldreligies van vroeger en nu daaruit zijn voortgekomen,
en dat is het gemakkelijkst te doen voor de grote religieuze filosofieën
van het schiereiland India. De leringen van het vóór-Spaanse Amerika en
van het Europa uit de zogenaamde heidense perioden, de legenden, mythen
en sprookjes uit alle landen in de wereld, waarvan de leringen in de Scandinavische
Edda’s en de Angelsaksische heldendichten een voorbeeld zijn – deze prachtige
werken waarvan zoveel mensen denken dat het alleen maar sagen of verhalen
zijn – zijn oorspronkelijk voortgekomen uit de geheime wijsheid die H.P.
Blavatsky heeft verwoord en in haar meesterwerk heeft geschetst.
Het is van belang deze dingen te onthouden. In geen enkel deel van de
wereld heeft de mens ooit religieuze uitspraken gedaan die alleen maar
dwaas, ongegrond, ongefundeerd of een verdichtsel zijn. Zoals alles, begint
de religie met ideeën en eindigt ze met dogma’s en mythen. In alle dogma’s
is het zaad te vinden van de esoterische wortel waaruit ze zijn voortgekomen.
Ook de dogma’s in de christelijke godsdienst – die door de mens zijn gemaakt
maar aan God worden toegeschreven – zijn grotendeels gebaseerd op oude
heidense leringen en berusten daarom uiteindelijk op de esoterische waarheden
die in deze reusachtige verzameling leringen zijn belichaamd, en die H.P.
Blavatsky De Geheime Leer heeft genoemd. Ze heeft getracht daarin
in grote lijnen, zelden in bijzonderheden, enkele grondbeginselen van
deze archaïsche leer opnieuw onder de aandacht te brengen – een leer die
over de hele wereld en in alle tijden dezelfde is, maar door verschillende
mensen van diverse volkeren op uiteenlopende manieren is weergegeven.
In haar werk noemt H.P. Blavatsky eerst drie grondstellingen, drie fundamentele
feiten. Ik denk dat als men deze stellingen goed begrijpt, de vele misvattingen
zouden verdwijnen die tegenwoordig over de grondwaarheden in het religieuze
denken onder de mensen bestaan. Ze verenigen, ze scheiden nooit.
Ten eerste spreekt ze over een ondoorgrondelijk beginsel; de tweede stelling
in de proloog van De Geheime Leer houdt in dat het heelal als het
ware de speelplaats, het terrein, het strijdperk, het toneel is van onophoudelijke,
eeuwige, nooit eindigende periodiciteit: dat wil zeggen, van cyclische
beweging, het manifesteren van het eeuwige leven in het cyclische verschijnen
en verdwijnen van werelden – sterren, planeten en de andere hemellichamen
in het kosmische reservoir dat men vaag en onnauwkeurig de ruimte noemt.
Ze zegt ons, en daarmee geeft ze uiting aan de lering van de oude wijsheid,
dat deze werelden komen en gaan als vonken, in mystieke taal de ‘vonken
van de eeuwigheid’ genoemd. De levenscyclus van elk van de grotere lichamen
is noodzakelijk van onmetelijke duur; en wanneer we over tijd spreken,
eist het menselijke verstand dat we over een maatstaf beschikken aan de
hand waarvan we kunnen begrijpen wat we met tijd bedoelen, en men heeft
de periode van de omloop van de aarde om de zon, die we één jaar noemen,
als een willekeurige maatstaf algemeen aanvaard.
De derde stelling – deze is beslist niet de minst belangrijke, is het
gemakkelijkst te begrijpen en bevat voor ons misschien de meeste waarheid
– houdt in dat het heelal en al wat zich daarin bevindt één onmetelijk,
eeuwig organisme vormt. Laten we hier voorzichtig zijn en niet tot de
leer vervallen die het monisme wordt genoemd, en die kort gezegd leert
dat alles in het heelal uiteindelijk is voortgekomen uit één stoffelijke
oorzaak. We moeten eveneens vermijden tot de onjuiste leer van het monotheïsme
te vervallen, of de leer dat het heelal met al wat het omvat, is geschapen
door de wil en willekeur van een oneindige en eeuwige persoonlijke God.
De eerstgenoemde leer is eenvoudig materialisme; de laatste is bijna even
materialistisch.
Deze derde grondstelling zegt ons niet alleen dat het heelal één is met
al wat het omvat, maar meer in het bijzonder dat het wezen mens – zijn
lichaam, zijn lichamen; zijn ziel, zijn zielen; en zijn geest – slechts
het product, de vrucht is van krachten. Dit is een van de leringen op
het grootse en veelomvattende terrein van de theosofische filosofie die
we goed moeten begrijpen, de leer van de hiërarchieën; namelijk dat de
kosmos, het heelal, hoewel één organisme, niettemin is opgebouwd uit klassen
of gradaties van wezens, bewustzijnen of intellecten, van allerlei aard,
waarin het universele leven zich manifesteert, en dat deze met elkaar
zijn verbonden, op elkaar zijn afgestemd en in één eenheid samenwerken
aan één gemeenschappelijk doel.
Zo zien we dat we niet slechts kinderen van de aarde zijn, geen eendagsvliegen,
maar in werkelijkheid vonken uit het hart van het zijn, uit het centrale
vuur van het universele leven. Als we deze prachtige waarheid in ons hart
kunnen ervaren en dat gevoel naar ons dagelijks leven kunnen overbrengen,
dan is er geen hogere kracht dan deze die ons gedrag kan bepalen; en niets
zou beter vorm kunnen geven aan ons lot, of ons naar een edeler pad kunnen
voeren van werken en dienen.
Hoe geheel anders zou het leven van de mens zijn als we beseften dat we
een eenheid vormen met al wat is; dat universele broederschap een onvermijdelijk
feit is, geworteld in het hart van de dingen, en dat bij alles wat we
denken en doen onze daden en gedachten onontkoombare gevolgen hebben,
niet alleen voor onszelf, de denkers en doeners, maar voor alle andere
wezens overal om ons heen. Hierin, meer dan in de eerste twee grondstellingen,
ligt de ware religieuze, wetenschappelijke en filosofische grondslag van
ethisch handelen. Geen enkel mens kan alleen voor zichzelf werken; onvermijdelijk,
ontegenzeglijk beïnvloedt hij ook anderen. Wat hij doet heeft invloed
op anderen. Deze leringen zijn werkelijkheden, wezenlijke feiten.
Laten we er kennis van nemen, laten we beseffen dat elke gedachte iets
is dat nu of op een later tijdstip tot een daad leidt; dat de opeenhoping
van gedachten in een bepaalde richting haar passende gevolg of gevolgen
zal teweegbrengen; dat in de keten van het zijn het ene ding tot het andere
voert, en dat we ons nooit en te nimmer aan onze verantwoordelijkheden
op moreel en fysiek gebied kunnen onttrekken. Wanneer de mens beseft dat
hij verantwoordelijk is en onvermijdelijk rekenschap zal moeten afleggen,
en dat zijn handelen ieder ogenblik hetzij door zelfzuchtige motieven
of door goddelijke liefde en mededogen wordt bepaald, dan zullen we met
recht naar een geestelijk herboren mensheid kunnen uitzien.
II
Nu we onze bespreking van vorige week hervatten, waarin
we aandacht schonken aan de drie grondstellingen van de esoterische filosofie
die H.P. Blavatsky op de eerste bladzijden van De Geheime Leer
heeft geschetst, moeten we bedenken dat we met onderwerpen te maken hebben
die zo abstract en zo diepzinnig zijn, dat de taak ze te vereenvoudigen
vele moeilijkheden met zich meebrengt, omdat we te maken hebben met de
krachten van vooroordeel, en bovendien een zodanig woordgebruik is vereist
dat iedereen tenminste de hoofdgedachte kan begrijpen die in onze besprekingen
tot uitdrukking komt.
Wat dit woordgebruik betreft: geen enkele wetenschap of filosofie en geen
enkel religieus gedachtestelsel kan zich aan de wereld kenbaar maken zonder
te beschikken over een eigen volledige technische woordenschat; anders
krijgt men te maken met verkeerde uitleggingen, misverstanden en veelvuldige
onnodige tegenstand. Daarom zijn er bepaalde woorden gebruikt die voornamelijk
aan oosterse religies zijn ontleend, omdat, voorzover het om nog levende
religies gaat, we daarin, en alleen daarin gedachten en de juiste behandeling
daarvan aantreffen die ook in de oude wijsheid, nu theosofie genoemd,
voorkomen. Bijna geen van deze termen is echter op de juiste manier verklaard
of begrepen, omdat het in de meeste gevallen Sanskrietwoorden zijn – woorden
die niet alleen uit die taal stammen, maar die ook kleur en betekenis
kregen en toepassing vonden in religies die ze nog steeds gebruiken. Zelfs
onze taal kent termen waarvan de betekenis verschilt naar de plaats waar
men ze tegenkomt. Vandaar dat het, zoals eerder opgemerkt, bij het bestuderen
van De Geheime Leer nodig is de betekenis waarin deze woorden worden
gebruikt, zorgvuldig uiteen te zetten – namelijk in een filosofische betekenis,
een religieuze betekenis en een betekenis in het gewone spraakgebruik.
Maar misschien is het goed eerst van H.P. Blavatsky de alinea aan te halen
(GL 1:43), die aan haar bespreking van deze grondstellingen voorafgaat:
Vóór de lezer overgaat tot het beschouwen van de stanza’s
uit het boek van Dzyan, die de basis vormen van dit boek, is het beslist
nodig dat hij bekend wordt gemaakt met de weinige grondbegrippen waarop
het hele gedachtestelsel rust, die dit doordringen en waarvoor zijn
aandacht wordt gevraagd. Deze basisbegrippen zijn klein in aantal en
het goede begrip van alles wat volgt, hangt af van het zuiver aanvoelen
ervan. Er is dus geen verontschuldiging nodig om de lezer te vragen
zich eerst met deze vertrouwd te maken, vóór hij begint met het doornemen
van het boek zelf.
Deze drie stellingen kunnen een synopsis worden genoemd
van het hele stelsel van de esoterische filosofie. Ze zijn een korte samenvatting
van het religieuze en filosofische denken van de mens sinds tijden die
zijn verzonken in de grijze oudheid. Daarom zijn ze ook heel moeilijk
te begrijpen, en in enkele van hun diepere aspecten kan de menselijke
geest ze niet volledig bevatten. Hoewel we bijvoorbeeld over de eerste
stelling niet kunnen zeggen wat dit beginsel is, kunnen we er niettemin
over spreken, het bespreken, zeggen wat het niet is, zoals H.P.
Blavatsky zelf doet wanneer ze, na te hebben gezegd dat het in de woorden
van de Upanishad ‘ondenkbaar en onuitsprekelijk’ is, er vervolgens over
spreekt en de oude leer over dit beginsel geeft zoals die door de grootste
denkers uit vroeger tijden werd begrepen.
Deze eerste stelling wordt door haar als volgt onder woorden gebracht:
Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk
beginsel, waarover elke speculatie onmogelijk is, omdat het het menselijke
begripsvermogen te boven gaat en door menselijke uitdrukkingen of vergelijkingen
alleen kan worden verkleind. Het ligt buiten het gebied en het bereik
van het denken en is met de woorden van de Mandukya [Upanishad], ‘ondenkbaar
en onuitsprekelijk’.
Wat bedoelen we met het woord beginsel [principle]?
Het heeft vele betekenissen: het kan een gedragsregel betekenen; het kan
worden gebruikt in de zin van oorzaak of in zijn etymologische betekenis
van begin. Het woord prins komt van dezelfde Latijnse wortel en
betekent het hoofd van het volk van zijn land, het begin van rechtvaardigheid,
de bron van wet en orde.
Maar wat bedoelt H.P. Blavatsky als ze het woord beginsel kiest?
Moeten we aannemen dat het wordt gebruikt als een zuivere abstractie,
zoals wanneer men zes zegt of lang? Zes wat? Of wat is het dat lang is?
Woorden die zo worden gebruikt zijn zuivere abstracties; als ze niet in
verband worden gebracht met een voorwerp, zijn ze niet van toepassing
en hebben ze geen betekenis. Met andere woorden, ze betekenen niets in
het bijzonder; en als we dit door H.P. Blavatsky gebruikte woord beginsel
daarom opvatten in de zin van een zuivere abstractie zonder dat het slaat
op een denkbeeld of ding, moeten we tot de conclusie komen dat het Beginsel
waarover ze spreekt zuiver niets is – geen niet iets, maar niets
in de gewone betekenis. Als ze echter over een Beginsel spreekt, gebruikt
ze het woord met een bepaalde bedoeling en betekenis; Beginsel betekent
daarom niet niets-zijn. Toch kunnen we dit Al, dit mysterie, deze ruimte
– wat nog enkele namen zijn die ze eraan geeft – niet iets noemen.
Anderzijds is het niet een wezen, het is geen entiteit, het is niet iets
beperkts, hoe groot of ogenschijnlijk grenzeloos ook.
Om goed te begrijpen waarom en hoe denkers in de oudheid woorden als deze
gebruikten, geven we hier een sleutel tot de oude wijsheid, en wel deze:
het denken was in de oudheid over de hele wereld antropocentrisch,
wat niet betekent, zoals het tegenwoordig in woordenboeken wordt omschreven,
dat de mens het hoogste doel van de schepping is in de gewone christelijke
zin, of dat het heelal om de mens draait als het belangrijkste in de schepping.
Omdat het vaak zo wordt gebruikt, is die betekenis toegestaan, maar het
is niet de betekenis waarin het woord wordt gebruikt als we het met deze
oude sleutel in verband brengen. Die betekenis is als volgt, moeilijk
te begrijpen, maar heel belangrijk voor een juiste interpretatie van de
wijsheid die in De Geheime Leer wordt uiteengezet. Een mens denkt.
Hij denkt met zijn eigen gedachten, uitgaande van wat in hemzelf aanwezig
is. Hij kan niet denken met het denkvermogen van een ander. Door de beperkingen
van zijn eigen wezen, volgen zijn gedachten noodgedwongen de aard of de
aanleg van zijn eigen karakter: ze komen uit hemzelf voort als uit een
bron, en toegepast op het religieuze en filosofische denken van de Ouden,
is dat de betekenis van het woord antropocentrisch, zoals wij het zullen
gebruiken.
Het woord is afgeleid van het Griekse anthropos, ‘mens’ in algemene
zin, niet mens in individuele zin. Het houdt in dat volgens de Ouden hun
religieuze filosofie en hun filosofische stelsels uit de mens zelf voortkwamen,
en daarom waren ze antropocentrisch. Eenzelfde karakter had hun beschouwing
van natuurverschijnselen, die was gebaseerd op het ogenschijnlijke feit
dat de aarde het middelpunt van het zonnestelsel was. Dat geldt voor iedere
andere planeet. Onze taal bevat nu nog overblijfselen van dit stelsel,
bijvoorbeeld wanneer we spreken over het ‘opkomen’ en het ‘ondergaan’
van de zon, enz.
De denkers uit de oudheid die zich vanuit een antropocentrisch standpunt
met de oude wijsheid bezighielden, beseften dat ze, om de gedachten te
kunnen weergeven die in hen opkwamen, menselijke taal, menselijke vergelijkingen
en menselijke beeldspraak moesten gebruiken. Alleen op deze manier konden
ze tot op zekere hoogte rekenen op de aandacht en achting die ze als leraren
van deze oude wijsheid verdienden. Vandaar dat de antropocentrische gedachte
is toegepast op dit woord beginsel – een woord dat zowel in abstracte
als in concrete zin kan worden gebruikt.
Het is duidelijk dat H.P. Blavatsky het woord beginsel niet in
concrete zin gebruikte. Wat wilde ze dan zeggen? Dat dit beginsel, dat
buiten het bereik van het menselijke denken ligt, alles moet omvatten
wat het menselijke begrip te boven gaat en dat we het daarom slechts het
Al kunnen noemen – een woord dat weliswaar onze onwetendheid tot uitdrukking
brengt, maar wel uitdrukking geeft aan het feit dat dit onuitsprekelijke
beginsel het Al is. Uiteindelijk kwamen we daaruit voort en zullen we
er in de loop van de eonen van onbegrensde tijd naar terugkeren. Alle
gedachten kwamen er uiteindelijk uit voort, maar niet op gezag van een
denkend wezen, hoe groot ook. De oude filosofie zegt ons dat we de eerste
levenstekens in dit Al kunnen vergelijken met de levenskiem in een ei.
Hoe verbazingwekkend is het dat iets dat, chemisch ontleed, uit maar enkele
stoffelijke bestanddelen bestaat, als het met rust wordt gelaten en niet
wordt vernietigd, onder de juiste omstandigheden een levend wezen voortbrengt!
Veel religies hebben zich op verschillende manieren met dit beginsel beziggehouden.
Laten we, om de gedachte te illustreren, eerst de Hebreeuwse nemen, omdat
de christelijke leringen in hoofdzaak daaruit zijn ontstaan. Omdat de
meesten van ons in christelijke landen zijn geboren, zijn de leringen
die de kerk voorstaat ons het meest vertrouwd, en dat is misschien voldoende
reden om deze als ons eerste voorbeeld te kiezen. ‘In den beginne’, dat
wil zeggen, ‘In het beginsel’, en zo is het in de Griekse Septuagint vertaald,
‘maakte God de wereld en de wereld was vormloos en leeg, en de geest Gods
zweefde over de wateren.’ Dit is iets wonderlijks. De gedachte in die
regels is in geen geval filosofisch goed weergegeven, maar ze bevat wel
de esoterische lering zoals we die hier in De Geheime Leer aantreffen:
‘In den beginne’ – ‘In het beginsel’ – ‘In het Al’. Daarop volgt dat ‘God’
(het oorspronkelijke Hebreeuws is elohîm) de aarde schiep en dat
de aarde vormloos en leeg was. Wat betekent leeg? Ik wil erop wijzen
dat het woord hier meer betekent dan ‘niets bevattend’; zoals het hier
is gebruikt, betekent het eigenlijk ontastbaar, onstoffelijk, zoals
we zouden zeggen, een astrale wereld, zelfs een geestelijke wereld.
‘En de geest van elohîm zweefde over de wateren.’ Welke wateren? Waar
waren de wateren waarover ‘elohîm’ of de ‘goden’ zweefden? Waarom
zouden ze over de ‘wateren’ zweven? Water is een term die in de
oude religies werd gebruikt in de betekenis van ruimte, de wateren van
de ruimte. Het gaat hier om een onstoffelijke wereld die door krachten,
door goden zo u wilt – het woord doet er niet toe – uit het Al is voortgebracht,
en om de geest, de kracht van deze wezens die over of in deze ontastbare
en onstoffelijke bol of wereld zweeft.
Als we onze aandacht richten op het oosten en de Sanskrietleringen die
in de Veda voorkomen raadplegen – de oudste en meest vereerde religieuze
en filosofische werken van Hindoestan – vinden we het volgende [naar de
Engelse vertaling van Colebrooke]:
Noch iets noch niets bestond; . . .
Denk na over de gedachte daarin. Er bestond noch enig ding, noch geen
ding.
. . . die heldere hemel daar
Was niet, noch ’t brede hemeldak daarboven uitgestrekt.
Wat dekte ’t al? wat beschutte? wat verborg?
Was ’t van ’t water het peilloze diep?
Ook hier de verwijzing naar de wateren van de ruimte.
Er was geen dood – toch was er niets onsterfelijks,
Er was geen grens nog tussen dag en nacht;
Het enig Ene ademde stil alleen,
Behalve Dat is sindsdien niets geweest.
’t Was duister, en het al was eerst gehuld
In diepe somberheid – een lichtloze oceaan –
De kiem, bedekt nog in de schil
Barstte open, één van aard, uit hittegloed.
Let eens op deze schitterende poging om in menselijke
taal, in gewone maar mooie beelden, gedachten weer te geven die zo subtiel
en diepzinnig zijn, dat de menselijke geest wel kan proberen ze te begrijpen,
te doorgronden en te benaderen – maar daarin toch grotendeels tekort moet
schieten. Niettemin ervaren we, voelen we als het ware door een innerlijk
bewustzijn, het bestaan en de werkelijkheid van dat waarvan we weten dat
het er is, maar dat we niet onder woorden kunnen brengen.
Er wordt hier gezegd dat ‘iets’ noch ‘niets’ bestond. Gezien ons antropocentrisch
denken, kunnen we hieraan geen menselijke naam geven; toch zegt de Veda
ons, omdat het denken zich van analogieën bedient, dat in Het, zoals Het
toen was, de levenskiem ontstond. Zo is Het ook nu, niets minder, niets
ervan is verdwenen en niets is eraan toegevoegd; altijd hetzelfde voorzover
wij kunnen zien, en toch steeds veranderend. Volstrekte onbeweeglijkheid
is dood. In Het bestaat geen dood. Beweging, zoals wij die begrijpen,
is leven, en toch bestaat in Het zulk leven in werkelijkheid niet. In
wezen is Het noch in beweging, noch bewegingloos. Het enige waarmee we
Het kunnen vergelijken, als we de antropocentrische regel volgen, is volstrekte
ruimte, vervuld van eindeloze beweging, zoals wij deze begrijpen,
oneindig en eeuwig – en dit zijn allemaal slechts woorden, een openlijke
erkenning van het onvermogen van het menselijke denken ze te bevatten.
Maar wat een prachtige, indrukwekkende uiting is het van de geweldige
kracht van de menselijke geest die zich kan verheffen en zelfs enig besef
kan krijgen van het onuitsprekelijke.
H.P. Blavatsky zegt (GL 1:32): ‘Zij is het ENE LEVEN,
eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig, zonder begin of einde en
toch periodiek in haar geregelde manifestaties . . .’
Is het mogelijk zich innerlijk een beeld te vormen van de onmetelijkheid
van dit ruimtelijke Al en van onze kosmos, ons heelal – niet alleen de
aarde, ons vlekje stof, maar het heelal dat binnen de omringende gordel
van de melkweg ligt besloten – dat evenals de ontelbare andere heelallen
als het ware met een geestelijke draad met Het is verbonden? Wanneer we
daarom lezen ‘periodiek in haar geregelde manifestaties’, volgen we onvermijdelijk
de antropocentrische wet van ons wezen en redeneren we als mens.
Het Al zelf manifesteert zich nooit; Het is het ongemanifesteerde;
maar toch is het waar dat het gemanifesteerde uit Het voortkomt. Waarmee
kunnen we Het dan vergelijken? Welke beelden, welke beeldspraak, gebruikten
de Ouden om te verklaren hoe het gemanifesteerde voortkomt uit het ongemanifesteerde
– het stoffelijke uit het onstoffelijke, leven uit niet-leven, persoonlijkheid
uit niet-persoonlijkheid, bestaan, entiteit, uit niet-bestaan en niet-entiteit?
Eén zo’n beeld is het volgende: het wereldbeginsel is de zon. De zon zendt
ontelbare lichtstralen uit; we kunnen aannemen dat de uitstraling eeuwig
en in alle richtingen plaatsvindt en dat de lichtstralen deel uitmaken
van dat wat ze uitzendt. Op die manier vergeleken de Ouden de zon met
dit Al. In hun filosofie was de zon zelf slechts de stoffelijke manifestatie
op dit gebied van een hiërarchische reeks, die zelf weer was geworteld
in iets dat nog hoger was dan hijzelf, enz. Hoe beschreven zij dit beginsel,
dit onuitsprekelijke, in de Veda’s? Stilte en duisternis omgaven de gedachte
en ze noemden het eenvoudig tat; de vertaling is ‘dat’ – zelfs
niet ‘God’, zelfs niet ‘de stralende’; het werd niet beperkt door een
bijvoeglijk naamwoord; het was eenvoudig Dat.
Een ander, zelfs nog universeler beeld dan dat van de zon, was de wereldboom,
die voorkomt in de hindoegeschriften en in de oude symbolen van de Amerikaanse
Maya’s, Inca’s en Tolteken, en die ook is te vinden in het oude Europa
en tot op heden in de Scandinavische Edda’s is bewaard gebleven. Hoe stelt
men zich die wereldboom voor? Hij werd afgebeeld als een boom die van
boven naar beneden groeit, met zijn wortels in Dat, terwijl zijn stam,
zijn vele takken en twijgen, zijn bladeren en zijn bloesem, zich naar
omlaag in alle richtingen uitstrekken en het zich manifesterende en gemanifesteerde
leven voorstellen, de ontelbare dingen waar deze kosmische rivier, deze
geestelijke stroom van het zijn, doorheen vloeit.
Denk aan het uiterste puntje van een blad aan het uiteinde van de laagste
tak; het put zijn leven uit het blad, het blad uit de twijg, de twijg
uit de tak, de tak uit een grotere tak, de grotere tak uit een nog grotere,
deze uit de stam, de stam uit de wortels, de wortels – waarom zouden we
verder gaan? We kunnen eindeloos doorgaan. Maar de Ouden, met hun diep
religieuze geloof, zeiden eenvoudig Dat, wanneer ze verwezen naar
wat het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat. Als H.P.B. daarom
hier zegt, ‘toch periodiek in haar geregelde manifestaties’, moeten we
dit zo begrijpen. Het is haar eigen leer dat Het zich nooit manifesteert,
maar dat alle leven aan Het ontspringt. ‘En tussen deze perioden heerst
het duistere geheim van het niet-zijn’ – wat is dit voor toestand? Is
het het duister per se? Is het een onoplosbaar mysterie? Is het niets?
Welk recht hebben we dat te denken, het ons zo voor te stellen? Dat zijn
woorden die noodzakelijk antropocentrisch zijn gebruikt overeenkomstig
de oude regel dat de mens geen andere termen kan gebruiken die voor hemzelf
en zijn medemensen begrijpelijk zijn, dan termen die de psychologische
wetten van zijn eigen wezen volgen. Daarom, en we citeren verder (GL 1:32):
. . . heerst er tussen die perioden het duistere geheim
van het [voor ons] niet-zijn; onbewust [voor ons], en toch absoluut
Bewustzijn; niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf bestaande
werkelijkheid; inderdaad ‘een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor
de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF,
de eeuwige, onophoudelijke beweging [voor ons], wordt in esoterische
taal de ‘grote adem’ genoemd, dat is de eeuwigdurende beweging van het
Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE.
III
Op de laatste twee bijeenkomsten hebben we de drie grondstellingen
uit De Geheime Leer van H.P. Blavatsky bestudeerd. Daarin wordt
ons geleerd dat er in de mens een schakel is met het onuitsprekelijke,
een band, een relatie tussen Het en het innerlijke bewustzijn; en die
schakel – zo luidt de leer zoals die tot ons is gekomen – is het hart
van het zijn. Ze ontstaat in dat bovenzinnelijke beginsel, dat onuitsprekelijke
mysterie, waarvan H.P. Blavatsky in de eerste grondstelling zegt dat dit
het menselijke begripsvermogen te boven gaat. Als we één worden met die
schakel, kunnen we uitstijgen boven het vermogen van het gewone menselijke
intellect (namelijk door daarnaar te streven, door omhoog te streven)
en dat onuitsprekelijke bereiken dat, zoals we weten – hoewel het het
menselijke begripsvermogen en menselijke uitdrukkingen te boven gaat –
het verborgene van het verborgene is, het leven van het leven, de waarheid
van de waarheid, het al.
Deze gedachte illustreert volgens mij heel goed de woorden van Katherine
Tingley in dit verband. Ze troffen me als buitengewoon mooi en bijzonder
suggestief. Ze zei:
De gedachten richten op het ondenkbare is een wonderlijke,
vergeestelijkende kracht; men kan dit niet doen zonder geneigd te zijn
meer te denken of meer te voelen – zonder het innerlijke bewustzijn
van de mens te ontsluiten. En wanneer dat innerlijke bewustzijn is ontwaakt,
bevindt de ziel zich dichter bij de oneindige wetten, dichter bij DAT,
of dat grootse centrum dat niet in woorden is weer te geven.
Door innerlijk hiernaar te streven, naar het diepste
innerlijk, kunnen we enig idee, zo niet enig begrip, krijgen van het oneindige
beginsel van al wat is. Uit Het manifesteert zich in de loop van de eindeloze
duur, aan het einde van de grote universele of kosmische pralaya, het
begin van alle dingen. Dit begin resulteert in de vormen van leven en
zijn die in de tweede en derde grondstelling worden beschreven.
Deze innerlijke schakel met het onuitsprekelijke werd in het oude India
aangeduid met de term ‘zelf’, die vaak verkeerd is vertaald door ‘ziel’.
Het Sanskrietwoord is âtman, en is in de psychologie van toepassing
op de menselijke entiteit. Het bovenste eind van de schakel, bij wijze
van spreken, werd paramâtman of het ‘hoogste zelf’, het permanente
zelf, genoemd – woorden die voor hen die deze prachtige filosofie hebben
bestudeerd kort en duidelijk iets weergeven van de aard en essentie van
het wezen dat de mens is en van de bron waaruit hij in die begin- en eindeloze
duur is voortgekomen. Als kind van de aarde en kind van de hemel verenigt
hij beide in zich.
We gaan nu in onze beschouwing over van de eerste stelling naar de tweede
en de derde. Om te begrijpen wat we bedoelen wanneer we van bepaalde woorden
gebruikmaken, zal het nuttig zijn het gebruik van die woorden toe te lichten.
Laten we het boek nemen van Sir Edwin Arnold getiteld The Song Celestial
dat een opmerkelijk goede Engelse vertaling in dichtvorm is van de Bhagavad-Gîtâ.
Dat werk is een episode of een intermezzo uit het zesde boek van het Mahâbhârata,
het grootste van de twee prachtige hindoe-heldendichten; in de stijl van
de hindoegeschriften omvat het een verhandeling over religieuze, filosofische
en mystieke onderwerpen. In het tweede boek van Sir Edwins Song Celestial
lezen we het volgende:
. . . De ziel die onbewogen is,
De ziel die sterk en altijd rustig
Verdriet en vreugd’ gelijkmoedig aanvaardt,
Leeft in ’t onsterf’lijk leven! Dat wat is
Kan nooit ophouden te zijn; dat wat niet is
Zal niet bestaan. De waarheid inzien van deze beide
Is hun gegeven die het wezen scheiden van de schijn,
De schaduw van de werkelijkheid. Onvernietigbaar,
Let wel! is ’t Leven, dat overal leven verspreidt;
Het kan nergens, en door niets
Worden verminderd, veranderd of gestuit.
Zou het die broze vormen niet met geest bezielen
Die onsterf’lijk, eeuwig en oneindig is,
Zij vergingen . . .
De geest werd nooit geboren; noch zal de geest
ooit ophouden te zijn;
Nooit was hij niet; begin en eind
zijn dromen!
De geest blijft immer ongeboren,
onsterfelijk, onveranderlijk;
De dood heeft hem geenszins aangetast, al schijnt
zijn woning dood!
Deze woorden zijn uitzonderlijk mooi. Er staat niettemin
een onjuiste vertaling in, een onjuiste weergave van de tekst van dit
prachtige werkje. In de eerste plaats vertaalt Sir Edwin het Sanskrietwoord
tat eerst met het woord ‘ziel’ en daarna met het woord ‘geest’.
Er is natuurlijk wel een analogie met de ziel en de geest van de mens,
maar in het Sanskriet slaat het niet in het bijzonder op de ziel van de
mens. Ik zal van dezelfde versregels een vertaling in proza voorlezen,
die is gemaakt zonder een poging te doen om dichterlijk te zijn of mooie
taal te gebruiken, maar alleen om de gedachte tot uitdrukking te brengen:
De mens die door deze niet op een dwaalspoor wordt
gebracht, o stier onder de mensen! die dezelfde is in pijn en vreugde,
en standvastig van ziel is, heeft deel aan de onsterfelijkheid.
Er is geen bestaan voor het onwerkelijke; er is geen niet-bestaan voor
het werkelijke. Bovendien wordt het uiteindelijke kenmerk van deze beide
gezien door hen die zich van ware beginselen bewust zijn.
Weet dat Dat, waardoor dit hele universum werd geweven, onvernietigbaar
is.
Het Sanskrietwoord voor ‘Dat’ is tat, zoals al
werd opgemerkt. Het beeld is dat van het weven van een web.
De vernietiging van dit onvergankelijke kan niemand
teweegbrengen.
Van deze sterfelijke lichamen zegt men dat ze de belichaming zijn van
het eeuwige, het onvernietigbare, het oneindige . . .
Wie gelooft dat Het doodt en wie denkt dat Het kan worden gedood: beiden
begrijpen het niet. Het doodt niet, noch wordt het gedood.
Het wordt niet geboren, noch sterft het ooit; Het werd niet voortgebracht
en zal nooit worden voortgebracht.
Het is ongeboren, onveranderlijk, eeuwigdurend, oorspronkelijk. Het
wordt niet aangetast wanneer het lichaam wordt gedood.
De schrijver van de Bhagavad-Gîtâ doelt op de
schakel waarover we hebben gesproken, het onsterfelijke, onvergankelijke
beginsel in ons; hij geeft het aan met het woord Dat en stelt het tegenover
het gemanifesteerde heelal dat in de oude leringen van India onveranderlijk
werd aangeduid met Dit – het Sanskrietwoord is idam.
De wijzen uit de oudheid tekenden de innerlijke leer van de religies van
de volkeren waaronder ze leefden op. Deze innerlijke leer was de esoterische
filosofie, de theosofie van die tijd. In Hindoestan is deze theosofie
te vinden in de Upanishads, een deel van de vedische literatuur. Het woord
duidt op de ‘geheime leer’ of ‘geheime leringen’. Uit de Upanishads en
andere gedeelten van de vedische literatuur stelden de oude wijzen van
India de Vedânta samen, zoals die tegenwoordig wordt genoemd –
een samengesteld Sanskrietwoord dat ‘het einde (of de voltooiing) van
de Veda’ betekent – dat wil zeggen, onderricht in de uiteindelijke en
meest volmaakte uiteenzetting van de betekenis van de vedische leerstellingen.
In het oude Griekenland bestonden diverse scholen en verschillende mysteriën,
en de theosofie van het oude Griekenland werd strikt geheimgehouden; ze
werd in de mysteriën onderwezen en door verschillende leraren aan daarvoor
uitgekozen groepen discipelen onderricht. Een van deze grote leraren was
Pythagoras; een andere was Plato; en deze theosofie werd na het verval
van de zogenaamde heidense religies min of meer duidelijk geschetst en
belichaamd in wat tegenwoordig de neoplatonische filosofie wordt genoemd.
Ze vertegenwoordigt in feite de innerlijke leringen van Pythagoras en
Plato en de innerlijke betekenis van die mystieke leringen die in Griekenland
bekendstonden als de orfische gedichten.
Van de theosofie van Egypte bezitten we maar enkele overblijfselen, bijvoorbeeld
in wat ‘Het Dodenboek’ wordt genoemd. Van de theosofie van het oude Amerika
en van de rijken van de Inca’s en Maya’s is praktisch niets overgebleven.
De theosofie van het oude Europa is verdwenen. Al wat ons rest is een
aantal mystieke geschriften zoals de Scandinavische Edda’s, en de Germaanse
literatuur die wordt vertegenwoordigd door bijvoorbeeld de sagen die in
het Oudhoogduits en in het Angelsaksisch zijn geschreven.
Een studie van de leringen in de Upanishads, in ‘Het Dodenboek’, in de
neoplatonische filosofie, in de Scandinavische Edda’s, en in andere bronnen,
toont aan dat ze één gemeenschappelijke basis, één fundament, één gemeenschappelijke
waarheid, kenden. Verschillende mensen in verschillende eeuwen hebben
dezelfde waarheid onderwezen; ze gebruikten andere woorden, andere beelden
en een andere beeldspraak, maar daaraan lag steeds de oude leer, de geheime
wijsheid, ten grondslag.
De theosofie van de joden was belichaamd in wat later de kabbala werd
genoemd, naar een Hebreeuws woord dat ‘ontvangen’ betekent; dat wil zeggen,
het was de traditionele leer die (overeenkomstig de verklaringen in de
kabbala zelf) via de profeten en de wijzen van het joodse volk was overgeleverd
of ontvangen, en die voor het eerst zou zijn onderricht door ‘de almachtige
God aan een uitgelezen groep engelen in de hemel’.
Wanneer we ons bezighouden met de leringen van de oude wijsheid, moeten
we bedenken dat de leraren uit de oudheid op een antropocentrische
manier spraken, dachten en onderwezen; dat wil zeggen dat ze allen nadrukkelijk
de psychologische wetten van het menselijke denken volgden en daarom in
menselijke beeldspraak onderrichtten, waarbij ze vaak ongewone, heel vreemde
metaforen gebruikten, die als beeldspraak echter leerzaam waren. Dat was
heel wijs, want daardoor konden ze het onderricht voortzetten, en dat
deden ze op zo’n manier dat dit antropocentrische stelsel niet in het
minst aanmoedigde tot de dogmatische uitspraken die werkelijk het beste
in de leringen van de christelijke kerk hebben vernietigd. Deze tropen
en metaforen waren zo ongewoon, dat men bijna onmiddellijk begreep dat
ze slechts het voertuig van de waarheid waren. Laten we dit in gedachte
houden, want dan zal ons werk veel gemakkelijker worden.
Laten we nu de kabbala als voorbeeld nemen voor de manier waarop een bepaalde
theosofie – de joodse – het mysterie benadert hoe het ongemanifesteerde
het gemanifesteerde voortbrengt, hoe uit dat wat de begin- en eindeloze
duur is, stof, ruimte in de zin van stoffelijke uitgebreidheid, en tijd
ontstonden.
Maar laat ik eerst een ander Sanskrietwerk, de Kena-Upanishad,
citeren. Over dit onuitsprekelijke mysterie zegt het:
Het oog bereikt het niet, de taal bereikt het niet, ook het denken
bereikt het in het geheel niet; werkelijk, we weten niet en kunnen ook
niet zeggen hoe men het zou moeten onderrichten; het is anders dan wat
bekend is, het gaat het onbekende te boven. Aldus hebben wij vernomen
van de mensen uit vroegere tijden, want zij hebben het ons geleerd.
– 1, 3-4
De grote Sankarâchârya, misschien wel de beroemdste commentator uit
India van de Upanishads en het daaraan ontleende prachtige filosofische
stelsel dat de Vedânta wordt genoemd, zegt in zijn toelichting op de Aitareya-Upanishad:
Er is het ene, enig, alleen, los van alle dualiteit, waarin zich
niet de talrijke bedrieglijke voorstellingen voordoen van onwezenlijke
lichamen en omstandigheden van dit heelal van louter schijnwerkelijkheid;
zonder hartstocht, onbewogen, zuiver, in volmaakte vrede; alleen kenbaar
door het ontbreken van iedere nadere aanduiding; niet te bereiken door
woord of door gedachte.
De kabbala, de traditionele leer van de wijzen onder de joden, is een
prachtige leer; ze bevat in grote lijnen of kort samengevat elke fundamentele
leerstelling of elke lering die in de Geheime Leer voorkomt. De leringen
van de kabbala zijn vaak in ongewone en soms vermakelijke taal gesteld;
soms bereikt deze taal een verheven peil. Wat zegt de Zohar, het
tweede van de belangrijke boeken van de kabbala die nog bestaan (het woord
Zohar betekent ‘schittering’), over de manier waarop de joodse
religieuze boeken moeten worden bestudeerd? De Zohar zegt het volgende
(iii, 152a):
Wee de mensenzoon die zegt dat de Thora [de Hebreeuwse bijbel, in
het bijzonder de Pentateuch, of beter, de eerste vier boeken van de
bijbel zonder Deuteronomium, het vijfde] alledaagse gezegden
en gewone verhalen bevat. Als dit het geval zou zijn, zouden we nu uit
wereldse geschriften een stelsel van leringen kunnen samenstellen dat
grotere eerbied zou afdwingen. Als de Wet over gewone zaken zou gaan,
dan bevatten de wereldse stelsels edeler gevoelens. Laten we er een
keuze uit doen en we zullen een veel beter stelsel kunnen samenstellen.
Nee! Elk woord van de Wet heeft een verheven betekenis en sluit een
hemels mysterie in zich . . . Zoals de geestelijke engelen zich in aardse
gewaden moesten kleden toen ze naar deze aarde afdaalden, en ze niet
op aarde hadden kunnen blijven en evenmin zouden worden begrepen zonder
zich in zo’n gewaad te hullen, zo is het ook met de Wet. Toen ze op
aarde neerdaalde, moest de Wet zich in een aards gewaad hullen om door
ons te worden begrepen, en de verhalen zijn haar gewaad . . . Zij die
inzicht hebben, kijken niet naar het gewaad maar naar het lichaam [de
esoterische betekenis] eronder; terwijl de wijsten, de dienaren van
de hemelse koning, zij die op de berg Sinaï wonen, alleen naar de ziel
zien –
dat wil zeggen, naar de essentiële geheime leer of heilige
wijsheid die achter het ‘lichaam’, achter de exoterische verhalen van
de bijbel, is verborgen.
In onze tijd, waarin modernisten en fundamentalisten
met elkaar twisten – onnodig twisten over exoterische oppervlakkigheden,
over dingen die uit het egoïsme van de mens voortkomen, over de dogmatische
leringen van de christelijke kerk, die waarschijnlijk alle op de oude
heidense esoterische filosofie berusten – is het diep te betreuren dat
ze niet weten en begrijpen dat deze leer van de kabbala, zoals ze in de
Zohar tot uitdrukking komt, een ware leer is; want onder
elk gewaad is het leven. Zoals Jezus in gelijkenissen onderwees, zo werd
de bijbel in beeldspraak, in metaforen, geschreven.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 3-19
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|