HOOFDSTUK 10

DE LEER VAN SVABHÂVA – ZELFWORDING – KARAKTERISTIEKE INDIVIDUALITEIT. DE MENS, ZELF-ONTWIKKELD, ZIJN EIGEN SCHEPPER. DE ‘MONADOLOGIE’ VAN LEIBNIZ TEGENOVER DE LERINGEN VAN DE ESOTERISCHE FILOSOFIE.

    De MONADE komt haar toestand van geestelijke en intellectuele onbewustheid te boven, slaat de eerste twee gebieden over – die te dicht bij het ABSOLUTE liggen om enige wisselwerking met iets op een lager gebied toe te laten – en gaat direct naar het gebied van het denken. Maar er is geen gebied in het heelal dat, in zijn bijna eindeloze gradaties van de eigenschappen van waarneming en zelfwaarneming, een grotere speelruimte of een ruimer werkterrein biedt dan dit gebied. Dit heeft op zijn beurt een geschikt kleiner gebied voor iedere ‘vorm’, vanaf de delfstoffenmonade tot het moment dat die monade zich door evolutie heeft ontwikkeld tot de GODDELIJKE MONADE. Maar zij blijft al die tijd dezelfde monade en verschilt slechts in haar incarnaties, tijdens haar steeds opvolgende cyclussen van gedeeltelijke of totale verduistering van de geest, of gedeeltelijke of totale verduistering van de stof – twee tegengestelde polen – terwijl zij opstijgt naar de gebieden van het vergeestelijkte verstand of afdaalt in de diepten van de stoffelijkheid. – De Geheime Leer, 1:204-5

    Met andere woorden, geen zuiver geestelijke buddhi (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel – of de OVERZIEL – (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelfbedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha). De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncar naties. – Op. cit., 1:47

    De algemene tekst van de bijeenkomst van vanavond is te vinden in De Geheime Leer (1:113-4), stanza 3, vers 10:

    10. VADER -MOEDER SPINNEN EEN WEB DAT VAN BOVEN AAN DE GEEST ( purusha) IS BEVESTIGD – HET LICHT VAN DE ENE DUISTERNIS – EN VAN ONDEREN AAN ZIJN ( van de geest) IN SCHADUW GEHULDE EINDE, DE STOF ( prakriti); EN DIT WEB IS HET HEELAL, GESPONNEN UIT DE TWEEDE SUBSTANTIES DIE TOT ÉÉN ZIJN GEMAAKT, DAT SVABHAVAT IS ( a).

    ( a) In de Mandukya (Mundaka) Upanishad staat geschreven: ‘Zoals een spin haar web uitwerpt en weer intrekt en zoals kruiden opkomen uit de grond . . . zo stamt het Heelal af van de onvergankelijke’ (I.1.7). Brahmâ als ‘de kiem van de onbekende duisternis’ is het materiaal waaruit alles evolueert en zich ontwikkelt’ als het web uit de spin, als schuim uit het water’, enz. Dit is alleen aanschouwelijk en waar als de term Brahmâ, de ‘schepper’, wordt afgeleid van de wortel brih, toenemen of uitzetten. Brahmâ ‘zet uit’ en wordt het Heelal, dat uit zijn eigen substantie wordt geweven.
     Hetzelfde denkbeeld is heel mooi uitgedrukt door Goethe, die zegt:
     ‘Zo werk ik aan ‘t razende weefgetouw van de tijd,
     en weef een levend kleed voor de godheid.’

    In de loop van onze studie zijn we uitgaande van algemene beginselen stap voor stap verdergegaan, en we hebben ons altijd gericht op dat punt van emanatie en evolutie dat zich aan de dageraad van de manifestatie of het begin van het manvantara bevindt. We hebben veel onderwerpen slechts terloops aangeroerd, omdat de ingewikkeldheid van het hoofdthema niet toeliet dat we ons in ons denken op zijpaden begeven en deze volgen, hoe aantrekkelijk en belangrijk die misschien ook zijn; maar we zullen deze wegen moeten verkennen wanneer we te zijner tijd, in de loop van onze studie, opnieuw voor de poorten zullen staan waaraan we zijn voorbijgegaan en waardoor we misschien slechts een vluchtige blik naar binnen hebben geworpen.
     We hebben de aandacht gevestigd op bepaalde grondbeginselen in de natuur, die even fundamenteel en belangrijk zijn als de twee hoekstenen van de theosofie, zoals die nu algemeen bekend is, namelijk reïncarnatie en karma. Een van deze beginselen is de leer van de hiërarchieën, waarover veel meer kan worden gezegd en later zal worden gezegd.
     Nog zo’n fundamenteel beginsel of leerstuk – een ware sleutel die het hart van het zijn ontsluit en, naast andere dingen, toegang geeft tot de diepere betekenis van de zogenaamde oorsprong van het kwaad en van de innerlijke drang naar recht en gerechtigheid, die de mens zijn moreel besef noemt – hangt samen met de filosofische begrippen achter het woord svabhâva, dat gewoonlijk de essentiële karakteristiek van iets betekent. De middeleeuwse scholastici spraken over deze essentie van de dingen als hun quidditas, of het essentiële – het ‘wat’ van iets: dat wat de kern, de wezenlijke aard, de karakteristieke essentie ervan is. Het woord svabhâva (een zelfstandig naamwoord) is afgeleid van de Sanskrietwortel bhû, die ‘worden’ of ‘zijn’ betekent; het voorvoegsel sva is eveneens Sanskriet en betekent ‘zelf’. Het woord heeft dus de betekenis van ‘zelfwording’, een technische term, een sleutelwoord, waaraan filosofische begrippen van grote en verstrekkende betekenis zijn verbonden. Enkele ervan zullen we verder uitwerken naarmate we met onze studie vorderen.
     In de aanhaling uit de stanza’s die we vanavond hebben gelezen, zult u het woord svabhavat hebben opgemerkt, dat uit dezelfde elementen is samengesteld als svabhâva en van dezelfde Sanskrietwortel is afgeleid. Svabhavat is het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord bhû, met de betekenis van ‘dat wat zichzelf wordt’ of wat door emanatie, evolutie van binnenuit zijn wezenlijk zelf naar buiten brengt; met andere woorden, dat wat door innerlijke drang de latente vermogens in zijn natuur, in zijn zelf, in zijn diepste wezen tot ontwikkeling brengt. We hebben vaak over het diepste innerlijk gesproken als die innerlijke schakel of wortel waardoor wij (en alle andere dingen) uit het wezenlijke hart van de dingen, dat ons diepste zelf is, te voorschijn komen. Als we erover spraken legden we soms de hand op de borst; maar we moeten er zorgvuldig voor waken niet te gaan denken dat dit diepste innerlijk in het stoffelijk lichaam zit. Laat mij uitleggen wat ik precies bedoel. De tien sephîrôth werden tot de gebieden van de natuur – hoewel dit vreemd is uitgedrukt geeft het heel nauwkeurig en juist de gedachte weer; deze gebieden van manifestatie werden door de kabbalisten in vieren verdeeld, en deze werden de vier ‘ôlâm genoemd, een woord dat oorspronkelijk de betekenis had van ‘verborgen’, ‘verscholen’ of ‘geheim’, maar ook werd gebruikt voor ‘tijd’ en eveneens, praktisch geheel in de geest van de gnostische leer van de ‘aions’ (eonen), voor sferen, in het Sanskriet loka’s. De hoogste van de kabbalistische ‘ôlâms, of sferen, was ‘ôlâm atsîlôth, wat betekent de ‘eon’ of het ‘tijdperk’ of de ‘loka’ van ‘verdichting’. De tweede werd ‘ôlâm hab-berîâh genoemd, wat de eon of het tijdperk of de loka van ‘schepping’ betekende. De derde van bovenaf en van steeds grotere stoffelijkheid droeg de naam van ‘ôlâm ha-yetsîrâh of loka van de ‘vormen’. De vierde en laatste, de stoffelijkste en meest grove was ‘ôlâm ha-‘aßîâh, de eon of wereld van ‘handelingen’ of ‘oorzaken’. Dit laatste gebied, deze laatste sfeer of wereld, is de laagste van de vier en wordt soms de wereld van de stof of ook wel van de ‘omhulsels’ genoemd, omdat de mens (en andere stoffelijke entiteiten) soms als een omhulsel wordt beschouwd in de zin van het gewaad of het voertuig of lichaam van de inwonende geest.
     Volgens deze opvatting hadden die vier sferen psychologisch hun afschaduwing of weerspiegeling of locus (plaats) in het menselijk lichaam; en om in overeenstemming te zijn met de vier grondbeginselen waarin de joodse kabbalistische filosofen de mens verdeelden, werd verondersteld dat neshâmâh (of de geest) zijn locus had in het hoofd, of beter, erboven zweefde; dat het tweede, rûahh (of de ziel) zijn locus of centrum had in de borst; en het derde, het laagste van de werkzame beginselen, nephesh (of de dierlijk-astrale ziel) zijn locus of centrum in de buik had. Het vierde voertuig was gûph of het omhullende stoffelijke lichaam. Men moet neshâmâh, het hoogste van alle, waaruit de andere geleidelijk emaneerden – rûahh uit neshâmâh, nephesh uit rûahh en gûph uit nephesh (gûph is esoterisch in feite het lin.gaßarîra en scheidt het stoffelijk lichaam van de mens af) – niet zozeer zien als een beginsel dat in het hoofd zetelt, maar dat als het ware het hoofd en het lichaam overschaduwt. Het kan worden vergeleken met een zonnestraal of met een elektrische straal, of ook wel met de zogenaamde gouden keten van de grote Griekse dichter Homerus en de veel latere neoplatonische filosofen, die Zeus met alle lagere entiteiten verbindt; of met de keten van wezens in een hiërarchie die via haar hyparxis met het laagste gebied van de volgende en hogere hiërarchie is verbonden.
     Dit diepste innerlijk bevindt zich in dat deel van ons dat ons overschaduwt, dat in fysieke zin eerder boven dan in ons is. Het is in werkelijkheid onze geestelijke monade. Voordat we dus kunnen begrijpen wat we met svabhâva bedoelen en met de prachtige leer die daarmee samenhangt, moeten we weten wat we met monade bedoelen en in welke betekenis dit woord wordt gebruikt. Zij die toen H.P. Blavatsky nog leefde haar leerlingen waren, en zij die onder W.Q. Judge en Katherine Tingley hebben gestudeerd, zullen inzien dat het nodig is onze bedoeling duidelijk te maken door woorden te kiezen die de gedachten achter de woorden helder en begrijpelijk en zonder kans op misvattingen overdragen. In de Europese filosofie schijnt monade, als een filosofisch woord, het eerst te zijn gebruikt door de grote Italiaanse filosoof, de bekende Giordano Bruno, in zijn denken een neoplatonist, die zijn inspiratie ontleende aan de Griekse filosofie, nu het neoplatonisme genoemd. Een moderner gebruik van het woord monade in geestelijk-filosofische zin maakte de Slavisch-Duitse filosoof Leibniz. Het monadisme vormde de kern van al zijn leringen. Hij verklaarde dat het heelal is samengesteld of opgebouwd uit monaden: dat wil zeggen, hij stelde zich deze voor als geestelijke centra zonder omvang, maar met een innerlijke en inherente kracht om zich te ontplooien; deze menigten monaden vertegenwoordigden verschillende graden en elk volbrengt haar eigen ontwikkeling overeen komstig haar ingeboren karakteristieke aard (of svabhâva). Zoals men onmiddellijk inziet, is dit in feite de karakteristieke individualiteit die het zelf is, dat zijn eigen ontplooiing nastreeft en door zelfontwikkeling of zelfwording (of svabhâva) geleidelijk steeds hoger klimt. Leibniz leerde dat deze monaden geestelijk, psychisch en fysisch zijn verbonden door wat hij een ‘wet van harmonie’ noemde, wat ons svabhavat is – het ‘zelf-bestaande’, dat zich tijdens manifestatie tot de vele monaden of monadische centra ontwikkelt.
     Leibniz schijnt het filosofische begrip monade, zoals dit in zijn filosofie – in zijn monadologie – is uitgewerkt, te hebben overgenomen (althans ten dele) van de Vlaamse mysticus, Van Helmont. Deze Van Helmont had het echter ontleend aan Bruno, of misschien rechtstreeks, evenals Bruno, aan de neoplatonische filosofen. De grondgedachten van Bruno, van Van Helmont en Leibniz lijken veel op elkaar; ze vertonen ook overeenkomst met de leer over dit onderwerp van de esoterische wijsheid, de esoterische theosofie, maar alleen voor zover het gaat om het gemanifesteerde, omdat de monaden zelf, hun essentie, de ‘stilte en duisternis’ ingaan, zoals Pythagoras het zou hebben gezegd, wanneer de grote mahâpralaya of kosmische ontbinding begint. In de oude leringen die nu theosofie worden genoemd – bedenk dat ‘theosofie’ in werkelijkheid de wijsheid is die door de goden of goddelijke wezens wordt bestudeerd, een werkelijk goddelijke zaak – is een monade een geestelijk atoom (we moeten hier gewone taal gebruiken); en een geestelijk atoom staat gelijk met te zeggen zuivere individualiteit, de zelfheid van het zelf, de wezenlijke aard of karakteristiek of svâbhâvische kern van elk geestelijk wezen, het zelf van zichzelf. Deze esoterische wijsheid ontleent dit zelf – niet zijn ego, wat iets volkomen anders, lagers of ondergeschikts is – ze ontleent deze goddelijke monade, dit goddelijke substantie-bewustzijn, aan de paramâtman, het zogenaamde hoogste zelf. Dit hoogste zelf is niet God in de merkwaardige tegenstrijdige christelijke betekenis, maar hoogste in de zin van absolute, onvoorwaardelijke en allesdoordringende universaliteit voor en in een kosmisch samenstel van hiërarchieën, want het is de top, het hoogste punt en de bron ervan.
     Als we terugdenken aan wat we in dit verband hebben bestudeerd en aan de begrippen waarvan we door middel van diagrammen op het bord een schematische voorstelling hebben gegeven, zullen we ons herinneren dat we het hoogste waarvan we ons verstandelijk een beeld konden vormen, als een driehoek hebben weergegeven en het op die manier in ons denken hebben vastgelegd. Niet dat dat hoogste werkelijk een driehoek is, wat absurd zou zijn, maar we stelden het ons in een schema op die manier voor. De hoogste sfeer – in wiskundige zin zonder fysieke omvang zoals wij die opvatten – vanwaar alle opeenvolgende tien fasen, gebieden of graden van een hiërarchie uitgaan, noemden we het grenzeloze, dat wat zonder grenzen is, het eyn sôph, zoals de kabbalisten zeiden; en de twee aspecten van het grenzeloze vormden als het ware de twee zijden van deze goddelijke driehoek; een van deze twee aspecten was parabrahman (voorbij brahman) en het andere mûlaprakriti (of wortel-natuur). In dit verband moet men bedenken dat elke schematische voorstelling verschillende begrippen kan en ook vaak zal weergeven wanneer de premissen verschillen. Voorts dat deze goddelijke driehoek zich als het ware weerspiegelde, zich openbaarde in de lagere schaduw, in de substantie of stof eronder, zoals bijvoorbeeld de stralen van de zon in de lagere atmosfeer schijnen en deze verlichten; en dat verder deze lagere verlichte atmosfeer of substantie de lagere monade werd genoemd, en de bovenste de hogere monade; en dat, naarmate de energie of levensgolven door de tweede of de lagere monade omlaag stroomden, het vierkant of de gemanifesteerde natuur als het derde stadium van evolutie ontstond. Uitgaande van de hierboven genoemde premissen is deze bovenste driehoek, die als een eenheid of een drieëenheid kan worden beschouwd, de hogere monade of het diepste innerlijk, het zelf van het zelf, terwijl de lagere driehoek haar emanatie is, waarbij de drie zijden Vader, Moeder en Zoon voorstellen. De Vader kan bovendien worden gezien als het beginpunt van de tweede of lagere driehoek, dat wil zeggen, het punt dat de top van de driehoek vormt en een layacentrum is waardoor de zich manifesterende krachten, die zelf het heelal worden, onze sfeer binnen stromen.
     Hierin kan men een illustratie zien van de filosofische waarde van het hiërarchische stelsel, gezien als een voorstelling van de symmetrische bouw van de natuur, omdat elk stadium op de weg omlaag, elke lagere stap of elk lager gebied wordt doordrongen van en bezield door de hogere delen, die erboven blijven; terwijl de lagere gebieden of delen in geestelijk, etherisch en stoffelijk opzicht geleidelijk, gebied na gebied, worden afgescheiden en uitgescheiden, als schuim dat op de levensgolven neerslaat. De stoffelijke natuur, zoals we deze zelfs op ons eigen gebied zien, is als het ware een gekristalliseerde vorm van het goddelijke en is in feite gekristalliseerd licht, omdat licht etherische stof of substantie is.
     Later zullen we deze kwestie van geest en substantie, kracht en stof, hun relatie tot elkaar en hun wisselwerkingen grondiger moeten bestuderen dan we tot nu toe in onze lezingen hebben kunnen doen.
     Vanuit het allerhoogste, uit wat voor ons het meest onbekende, het diepste innerlijk is, dringt de goddelijke straal als het ware door al deze gebieden heen, gaat van de ene hiërarchie naar een andere eronder, dan naar een nog lagere, vervolgens naar een derde die nog stoffelijker is, enz., totdat de grens van het kosmische geheel is bereikt, waar hij de ontzagwekkende kringloop naar omhoog begint om naar zijn oerbron terug te keren. Bedenk dat naarmate hij daalt, hij deze verschillende hiërarchieën uit zichzelf ontwikkelt en dat hij ze op zijn omhooggaande kringloop weer in zich terugtrekt. Rondom dit immense geestelijke geheel moeten we ons als het ware een aura voorstellen, zo wordt ons geleerd, die de vorm van een ei aanneemt, dat we, in navolging van de kabbalisten, de shechînâh kunnen noemen. Dit is een Hebreeuws woord dat ‘woning’ of ‘voertuig’ betekent, of wat de esoterische filosofie in het geval van de mens het aurisch ei noemt, dat in dit schema het heelal voorstelt dat we om ons heen zien in zijn hoogste aspecten, want deze aura vloeit voort uit mûlaprakriti, terwijl de mystieke lijn die we in de figuur hebben getekend en die door alle verschillende gradaties van de hiërarchie heen naar omlaag loopt, de stroom van het zelf is, het onvoorwaardelijke bewustzijn, dat opwelt in het diepste innerlijk van alles.
     Laten we nog even terugkomen op het woord svabhavat, het ‘zelf wordende’, het ‘zelfbestaande’: als we het voorgaande schema volgen, is het in het supergeestelijke, de tweede goddelijke monade of de tweede goddelijke logos; of als we het op een ander of lager plan beschouwen, de eerste kosmische monade, de weerspiegeling van de oorspronkelijke of eerste goddelijke monade erboven, en het is de eerste manifestatie of trilling van het kosmische leven wanneer, aan het einde van de universele pralaya, op de wachttoren van de eeuwigheid als het ware de roep weerklinkt, ‘Laat er manifestatie en licht zijn!’
     De elohîm waren in een vroeger stadium monaden; en u herinnert zich dat we van de verzen 26, 27 en 28 uit het eerste hoofdstuk van Genesis onze eigen vertaling maakten, en dat deze elohîm zeiden, ‘Laten we de mensheid maken naar ons eigen schaduwbeeld of onze verschijning (naar onze eigen schaduwzelven of stof-zelven), en naar ons eigen patroon’, dat wil zeggen, ze maakten de mens door hem te worden; anders gezegd, als mensheid zijn we als monaden de lagere beginselen van de elohîm zelf.
     De monade is dus ons diepste innerlijk, niet als een ziel, ‘door God gegeven’, maar als het hoogste deel van onszelf; en zelfs ons lichaam is verdichte geest, op dit gebied het laagste, de schaduwzijde, de stofzijde van de zelf-hiërarchie die ieder van ons is.
     Laten we ook bedenken dat elke hiërarchie haar svabhâva of eigen karakteristiek heeft. Om dit door middel van kleuren te illustreren: de ene hiërarchie is overwegend blauw, bij een andere overheerst het rood, bij nog een andere groen en bij weer een andere geel of goudkleur, enz.; maar elk heeft haar eigen negenenveertig wortels of verdelingen, negenenveertig aspecten van de ene daaraan ten grondslag liggende wortelsubstantie die alle gemeen hebben, zodat elk van deze negenenveertig op zijn beurt noodzakelijk een van de andere kleuren ontwikkelt. Als we dit geestelijk konden waarnemen, zouden we zien dat de hele natuur om ons heen in de meest wonderlijke mengeling van kleuren straalt en schittert – een prachtig schouwspel! Dit is pure werkelijkheid, geen beeldspraak. Verder is er voor iedere kosmos een kosmische hiërarchie, die alle lagere hiërarchieën ervan omvat, en elke hiërarchie, groot of klein, is naar boven en beneden (of naar buiten en naar binnen) met andere hogere en lagere hiërarchieën verbonden, en elke afzonderlijke individuele hiërarchie bestaat uit negen (of tien) gebieden of stadia. Zeven ervan bevinden zich volledig op de gebieden van manifestatie. Strikt genomen bestaat daarom een hiërarchie uit tien gebieden, waarin tien toestanden van stof en tien krachten huizen, en zeven ervan zijn zich manifesterende krachten; de gemanifesteerde zeven lopen van de arûpa (of vormloze) naar de rûpa (of vorm-) werelden, en ze zijn alle met elkaar verbonden, gecoördineerd en gecombineerd op een manier die het huidige begrips- en voorstellingsvermogen van de mens te boven gaat.
     Op deze punten van geestelijk denken heeft het dogmatisch religieuze of wetenschappelijke stelsel het aan de stok, als we deze uitdrukking mogen gebruiken, met de esoterische filosofie. Want dat stelsel is gebaseerd – tenminste wat het wetenschappelijke standpunt betreft – op zuiver mechanische en materialistische hypothesen, bedacht door geleerden uit de vorige eeuw, over de aard en werking van wat stof en kracht wordt genoemd, alsof er van deze twee redelijkerwijs een juiste definitie of verklaring kan worden gegeven op basis van toevallige mechanische werkingen gebaseerd op volkomen levenloze ‘stof’.
     Laten we zeggen, al wijken we daarmee enigszins van ons hoofd onderwerp af, dat kracht eenvoudig stof is op een hoger gebied – etherische stof, zo u wilt; en dat fysieke stof eenvoudig kracht is op ons gebied. Stof is in feite niets anders dan verdichte kracht of, om het denkbeeld om te keren, kracht is niets anders dan gesublimeerde of etherisch geworden stof, omdat deze twee, geest en stof, één zijn. Het is het beste en komt het dichtste bij de waarheid om te zeggen dat stof gecondenseerde of verdichte kracht is, zoals de natuur (de stof zoals we haar kennen) in evenwicht verkerende geest is.
     Na deze tamelijk lange maar noodzakelijke verklaring of inleiding keren we terug tot de prachtige leer van svabhâva. De monade is ons diepste zelf; elk mens heeft, of beter is, zijn eigen monade. Elk wezen, in welk stadium of van welke soort ook, heeft zijn bepaalde karakteristieke natuur – niet slechts de uiterlijke of voertuiglijke kenmerken die van incarnatie tot incarnatie en van manvantara tot manvantara veranderen – maar elk wezen, hoog of laag, heeft als het ware zijn eigen grondtoon. Dat is zijn svabhâva: de zelfheid van het zelf, de essentiële karakteristiek van het zelf; onder de stuwende kracht daarvan wordt het zelf tot vele zelven, die de talloze verschillende eigenschappen, typen en gradaties voortbrengen en manifesteren. Maar bedenk dat de drang achter de evolutie of ontplooiing niet buiten maar in de zich ontwikkelende entiteit ligt; en de toekomstige resultaten die in de evolutie moeten worden bereikt – dat wat de zich ontplooiende entiteit wordt – liggen in kiem of als zaad in haarzelf besloten; zowel deze drang als deze kiem of dit zaad komen uit één ding voort, en dat is haar svabhâva.
     Vergeet niet wat we op de vorige bijeenkomst hebben gezegd over de aard en de evolutie van het heelal. Wat is een heelal? Het is een gemanifesteerde, op zichzelf staande, zichzelf onderhoudende entiteit, maar slechts één uit ontelbare aantallen andere heelallen, alle kinderen van het grenzeloze. Er is bijvoorbeeld een atomair heelal en een aards of planetair heelal, een menselijk en een zonneheelal, en zo tot in het oneindige; toch hangen alle met elkaar samen, doordringen elkaar en vormen een kosmisch geheel. En hoe en waarom? Omdat elk heelal, groot of klein, een hiërarchie is, en elke hiërarchie vertegenwoordigt, heeft zich ontwikkeld uit, en is een deel van de geestelijke stuwende kracht en evoluerende kiem die uit het zelf ervan, uit het zelf van elk, voortkomen, waarbij elk zijn eigen speciale essentiële karakteristiek ontvouwt; en al deze krachten tezamen vormen de svabhâva van een entiteit. Svabhâva kan in het kort de wezenlijke individualiteit worden genoemd van een monade, die door haar eigen drang tot evolutie haar kenmerken, eigenschappen en type tot uitdrukking brengt.
     Terloops moeten we nog opmerken dat misschien de meest mystieke boeddhistische school, die volgens H.P. Blavatsky deze esoterische leer van Gautama Boeddha feitelijk het trouwst is gebleven, een school is die nog altijd in Nepal bestaat en de svâbhâvika school wordt genoemd, een Sanskriet bijvoeglijk naamwoord afgeleid van het zelfstandig naamwoord svabhâva. Tot deze school behoren diegenen die de leer van svabhâva volgen of de leer van de wording of ontplooiing van het zelf door een innerlijke impuls – de zelfwording. We ontwikkelen ons volgens deze leer niet ‘bij de gratie Gods’. We worden wat we zijn of zullen zijn door ons eigen zelf; we maken onszelf; we stammen van onszelf af, worden onze eigen kinderen; we hebben dat steeds gedaan en zullen dat altijd blijven doen. Dit is niet alleen van toepassing op de mens maar op alle wezens, overal. Hierin zien we de grondslag, de kracht en de betekenis van ethisch handelen. We zijn verantwoordelijk voor alles wat we doen, voor elke gedachte die we denken, verantwoordelijk tot de laatste cent. Nooit wordt iets ‘vergeven’, nooit iets ‘uitgewist’, tenzij we het kwaad dat we hebben begaan zelf in iets goeds omzetten. De kwestie van de oorsprong van het kwaad, die hiermee te maken heeft, zullen we te zijner tijd uitvoeriger moeten bespreken. In het voorbijgaan merken we nog op dat deze school ‘atheïstisch’ en ‘materialistisch’ wordt genoemd, eenvoudig om twee redenen: ten eerste wordt de diepzinnige gedachte van deze leer door westerse geleerden verkeerd uitgelegd en ten tweede is het geestelijke gehalte van veel van haar aanhangers inderdaad teruggelopen.
     Wanneer een leer zoals die van svabhâva goed wordt begrepen, zal men de ethische waarde ervan onmiddellijk inzien. We worden wat we in de kiem in ons diepste wezen zijn; ook volgen we, en maken we deel uit van, de aard en de loop van de evolutie van die bijzondere planeetketen waar we door affiniteit toe behoren. Eerst volgen we de schaduwboog omlaag in de stof. Door de innerlijke impuls van onze natuur, door zelfgeleide evolutie – wat de kern is van deze leer van svabhâva, een van de meest fundamentele leringen in de esoterische filosofie – zullen we, wanneer we het laagste punt hebben bereikt, langs de lichtende boog om hoog worden gevoerd (mits we het gevaarlijke punt waar we tot het lagere gebied van de stof kunnen worden aangetrokken, voorbij zijn) en weer teruggaan naar de hogere geestelijke gebieden; maar verder dan het punt van vertrek, vanwaar we voor dat manvantara onze neerwaartse cyclische reis begonnen voor het opdoen van ervaring op stoffelijke gebieden.
     We maken ons eigen lichaam, we vormen ons eigen leven, we bepalen ons eigen lot, en we zijn in geestelijk, moreel, intellectueel, psychisch en zelfs fysiek opzicht voor alles verantwoordelijk. Het is een manhaftige leer, die geen ruimte laat voor morele lafheid, geen ruimte om onze verantwoordelijkheid op de schouders van een ander te leggen – God, engel, mens of demon. We kunnen goden worden omdat we zelfs op dit ogenblik in de kiem, innerlijk, goden zijn. We beginnen onze evolutionaire reis als een niet-zelfbewuste godsvonk en keren, de grote cyclus van het mahâmanvantara volgend, tot onze oorspronkelijke bestaansbron terug als een zelfbewuste god.
     Hier zijn we op een punt gekomen dat voor de meeste westerse oriëntalisten een groot raadsel is. Ze kunnen het onderscheid niet begrijpen dat de grote oosterse filosofen uit het verleden maken tussen de ver schillende klassen van deva’s. Ze zeggen in feite: ‘Wat een vreemde tegen strijdigheden vertonen deze leringen, die toch in veel opzichten diep zinnig zijn en zo prachtig lijken. Sommige van deze deva’s (of goddelijke wezens) zouden lager staan dan de mens; enkele geschriften verklaren zelfs dat een goed mens edeler is dan een god. Toch zeggen verschillende van deze leringen dat er goden zijn die zelfs hoger staan dan de deva’s, maar toch deva’s worden genoemd. Wat betekent dit?
     De deva’s of goddelijke wezens, tenminste één klasse daarvan, zijn de niet-zelfbewuste goddelijke vonken die hun kringloop naar omlaag in de stof volbrengen om het zelf-bewustzijn, de svabhâva van het innerlijk goddelijke, uit zichzelf naar buiten te brengen, te ontvouwen of te ontwikkelen. Ze beginnen hun weg omhoog altijd op de lichtende boog, die in zekere zin nooit eindigt; het zijn voortaan goden, zelfbewuste goden, die een bepaald goddelijk aandeel hebben in het ‘grote werk’, zoals de mystici hebben gezegd, van het bouwen, ontwikkelen en leiden van hië rarchieën; met andere woorden, het zijn monaden die hun eigen diepste zelf zijn geworden, die de ring-verder-niet, die het geestelijke van het goddelijke scheidt, hebben overschreden. Vergeet deze oude gezegden in onze boeken niet en denk erover na – elk daarvan is vol betekenis en rijk aan gedachten.
     Dit is dus de leer van svabhâva: de leer van de innerlijke ontplooiing, van het naar buiten brengen van die bijzondere essentiële karakteristiek of individualiteit die in het innerlijk ligt besloten, de leer van de zelf geleide evolutie; men zal ongetwijfeld inzien hoe ontzaglijk groot haar invloed is op het moreel gedrag, op de theologie, de filosofie, ja zelfs de wetenschap, als het gaat om netelige vraagstukken zoals de evolutie, het ontstaan van de soorten, de erfelijkheid, de ontwikkeling van de oorspronkelijke typen en veel meer.
     We zullen deze goddelijke, heel goddelijke leringen later zorgvuldiger moeten bestuderen dan de hier gegeven ruwe schets toelaat, in het bijzonder voor zover ze verband houden met vraagstukken betreffende de menselijke psychologie; want een ruimer (en beter) inzicht in de leerstellingen die we vanavond en op eerdere bijeenkomsten in grote trekken hebben uiteengezet, hangt af van deze leringen. We kunnen het heelal of de werking en wisselwerking van de daarin optredende krachten pas begrijpen als we de vermaning van het orakel van Delphi, ‘mens, ken uzelf’, tenminste tot op zekere hoogte hebben begrepen en er gehoor aan hebben gegeven. Wie zichzelf werkelijk kent, kent alles, omdat hij in wezen alles is. Hij is elke hiërarchie; hij is de goden en demonen, werelden, sferen en krachten, stof, bewustzijn en geest – hij heeft alles in zich. Hij is in zekere zin gevormd uit de wortels van alle dingen en hij is de vrucht van alles; hij heeft de eindeloze tijd achter zich en de eindeloze tijd voor zich. Hoe hoopvol en verwonderlijk is deze waarheid; ze verheft de menselijke ziel, en in ons diepste innerlijk verlangen we naar iets hogers, wanneer we over deze leer nadenken! Geen wonder dat het de ‘leer (of wijsheid) van de goden’ wordt genoemd, theosophia – dat wil zeggen de leer die door de goden zelf wordt bestudeerd. Hoe wordt iemand een mahâtma of ‘groot zelf’? Door zelfgeleide evolutie, door datgene te worden wat hij in zichzelf, in zijn diepste wezen is. Dat is de leer van svabhâva.
     En hier moeten we even stilstaan bij het mysterie van de individualiteit. Bedenk dat de persoonlijkheid het ‘masker’ is (persona, in het Latijn), of de weerspiegeling van de individualiteit in de stof; maar omdat ze iets stoffelijks is, kan ze ons omlaagvoeren, al is ze in wezen een weerspiegeling van het hoogste. Het is een oud gezegde dat die dingen het gevaarlijkst zijn die iets van de werkelijkheid of waarheid in zich hebben; niet de dingen die werkelijk onwaar of onjuist zijn, omdat die vanzelf tenietgaan en na verloop van tijd verdwijnen.
     Monaden (we hebben vier monaden, de goddelijke, de verstandelijke, de psychische en de astrale, die met de vier basisgebieden van de stof corresponderen en alle uit het hoogste zijn voortgekomen) zijn, vanuit een algemeen psychologisch standpunt gezien, geestelijke, buddhische atomen. En voor de lagere gebieden zijn ze universele beginselen, waarbij buddhi misschien wel het meest mysterieuze van de zeven beginselen van de mens is en vanuit ons huidige gezichtspunt het belangrijkste. De menselijke monade, gesteld tegenover de hogere goddelijke monade, de potentieel onsterfelijke mens, omvat de drie beginselen âtman, buddhi en het hogere manas. Deze drie beginselen zijn nodig voor een zelf bewuste god. âtman en buddhi alleen kunnen geen zelfbewuste god vormen; zij zijn een godsvonk, een niet ontwikkelde of niet geëvolueerde godsvonk. We moeten in dit verband menselijke termen gebruiken; onze taal en andere Europese talen kennen geen woorden die deze subtiele gedachten goed kunnen weergeven.
     Laten we tot besluit bedenken dat, al heeft elk mens de christus in zich en kan hij slechts door die christus worden ‘gered’, hij door die innerlijke christus alleen kan worden gered wanneer hij besluit zichzelf te redden; het initiatief moet van beneden, van hemzelf komen. En hoewel sommige mensen, doordat ze deze prachtige leer van svabhâva verkeerd begrijpen, misschien van fatalisme spreken, kunnen we vanavond niet meer doen dan nadrukkelijk verklaren dat deze leer geen fatalisme is. Ze is volstrekt in tegenspraak met de fatalistische hypothese die stelt dat er buiten de mens een blinde, onbekende, bewuste of onbewuste kracht bestaat, die hem in zijn keuzen, in zijn handelen en zijn evolutie leidt, en hem voortdrijft naar de vernietiging of naar de hemel of de hel. Dat is niet de leer van svabhâva, en in de esoterische filosofie wordt dat niet onderwezen.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 117-30

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag