|
HOOFDSTUK 11
DE
KOSMISCHE PELGRIMSTOCHT. VAN NIET-ZELFBEWUSTE GODSVONK TOT VOLLEDIG ZELF
BEWUSTE GOD.
Ontsluier, o gij die het heelal
in stand houdt, uit wie alles voortkomt, en tot wie alles moet terugkeren,
het aangezicht van de ware zon, die nu verborgen is in een vaas van
gouden licht, opdat we de waarheid mogen zien en onze plicht volledig
vervullen op onze reis naar uw gewijde verblijf.
– Parafrase van de gâyatrî
In De Geheime Leer (1:669-70) lezen we het volgende:
Maar men moet de manier van uitdrukken van het occultisme begrijpen, voor men zijn uitspraken bekritiseert. De Geheime Leer weigert bijvoorbeeld (zoals ook de wetenschap in een bepaald opzicht doet) om met betrekking tot onzichtbare sferen de woorden ‘boven’, ‘beneden’, ‘hoger’ en ‘lager’ te gebruiken, omdat deze geen betekenis hebben. Zelfs de termen ‘oost’ en ‘west’ zijn alleen maar conventioneel en slechts nodig als hulpmiddel voor onze menselijke waarnemingen. Want hoewel de aarde in het noorden en het zuiden haar twee vaste punten in de polen heeft, zijn toch zowel oost als west veranderlijk naar gelang van onze eigen plaats op het aardoppervlak, en tengevolge van haar draaiing van west naar oost. Wanneer dus over ‘andere werelden’ wordt gesproken – of die nu beter of slechter, geestelijker of nog stoffelijker, hoewel in beide gevallen onzichtbaar zijn – plaatst de occultist deze sferen niet buiten of binnen onze aarde, zoals de theologen en de dichters doen, want hun plaats is nergens in de ruimte die aan de niet-ingewijde bekend is en waarover deze zich een idee vormt. Ze zijn als het ware met onze wereld vermengd – ze doordringen deze en worden door haar doordrongen. Er zijn miljoenen en miljoenen werelden en firmamenten voor ons zichtbaar; er zijn nog grotere aantallen die niet meer door middel van telescopen zichtbaar zijn, en veel van deze laatste soort behoren niet tot onze objectieve bestaanssfeer. Hoewel ze even onzichtbaar zijn als wanneer ze zich miljoenen mijlen buiten ons zonnestelsel zouden bevinden, zijn ze toch met ons, bij ons, binnen onze eigen wereld en voor hun eigen bewoners even objectief en materieel als onze wereld voor ons is. Maar nogmaals, de relatie van deze werelden met de onze is niet zoals tussen een reeks eivormige dozen die in elkaar passen, zoals het speelgoed dat men Chinese poppen noemt; elk van deze werelden wordt geheel beheerst door haar eigen speciale wetten en omstandigheden en heeft geen rechtstreeks verband met onze sfeer. Zoals wij al zeiden, en voor zover wij weten of voelen, bewegen de bewoners van deze werelden zich misschien dwars door en rondom ons heen alsof ze door een lege ruimte gaan, terwijl hun woonplaatsen en landen de onze doordringen, hoewel ze ons gezichtsvermogen niet verstoren, omdat wij nog geen zintuigen hebben om hen te onderscheiden.
Dit lijkt een heel geschikte algemene
tekst om ons overzicht van de hiërarchieën mee te besluiten en meer in
het bijzonder onze uiteenzetting van de leer van svabhâva, waaraan we
op de vorige bijeenkomst aandacht hebben besteed: de leer van de karakteristieke
aard, van de individualiteit of het wezenskenmerk van iedere individuele
monade, die zich ontwikkelt en manifesteert en zichzelf wordt in de gemanifesteerde
wereld waarin ze zelf het zaad van haar eigen individualiteit is. De betekenis
van dit begrip voor de leer van de evolutie – ‘het ontrollen of ontvouwen
van wat zich in het binnenste bevindt’ – en vooral voor het veelbesproken
en lastige vraagstuk van het zogenaamde ontstaan van de soorten, is eenvoudig
enorm, omdat het de sleutel ertoe is.
Om de betekenis van svabhâva weer te geven, kunnen
we gebruik maken van het woord individualiteit, als we het maar
niet gebruiken als tegengestelde van de persoonlijkheid. Het is
de individualiteit in de betekenis van het bestaan en de ontplooiing van
die bijzondere eigenschap of essentiële karakteristiek die de ene monade,
de ene mens, de ene kosmos, het ene atoom van een andere van dezelfde
soort onderscheidt. Hoe fundamenteel de leer van de hiërarchieën ook is
en hoeveel verhelderend licht ze ook op andere problemen werpt, ze kan
zelf niet goed worden begrepen zonder de haar aanvullende leer van svabhâva;
en omgekeerd kunnen we de leer van svabhâva niet goed begrijpen als we
geen inzicht hebben in de leer van de hiërarchieën.
We hopen vanavond de werkelijke betekenis van
svabhâva uiteen te zetten, en daarmee dit gedeelte van onze studie te
besluiten, omdat we nu als het ware de grenzen van kosmische manifestatie
hebben bereikt. Nu we met onze meer gedetailleerde studie ervan beginnen,
moeten we een essentieel aspect van de leer aanroeren, een aspect dat
voor een juist begrip van dit gedeelte van de leer van de oude wijsheid
van wezenlijk belang is; het is een deel dat betrekking heeft op de psychologie.
Deze leer van de hiërarchieën en de aanvullende leer van svabhâva zijn
beide fundamenteel en in hoge mate psychologisch.
Svabhâva is een Sanskrietwoord, een zelfstandig
naamwoord afgeleid van de wortel bhû, die ‘worden’ betekent, en
daarom ‘zijn’, een psychologische samenhang, die ook in verschillende
andere talen is te vinden, zoals bijvoorbeeld in het Grieks en het Engels.
In het Grieks is het woord gignomai, in het Engels be. In
het Angelsaksisch is dit woord volledig bewaard in de betekenis van de
toekomende tijd, en het wordt ook zo aangevoeld, te weten: ic beo,
thu bist of byst, he bith of biath, enz., wat betekent
‘ik, jij, hij zal zijn’, in de betekenis van ‘worden’. Hieruit blijkt
dat de psychologische kracht ervan is dat zijn in wezen een worden
is – een ontwikkeling, evolutie of ontplooiing van innerlijke vermogens.
Het Engels had oorspronkelijk en heeft nog steeds
slechts twee natuurlijke grammaticale tijden – de onvoltooide tijd, of
de tijd van de onvoltooide nog niet afgelopen handeling, gewoonlijk de
tegenwoordige tijd genoemd; en de voltooide tijd van de voltooide of afgelopen
handeling, de verleden tijd.
Hoe komt het dat de ene hiërarchie in wezen –
of svabhâva – van de andere verschilt? Het is haar svabhâva, of het zaad
van de individualiteit dat ze is en dat in haar is. Het is dat
zaad dat, als het zich ontwikkelt, een hiërarchie voortbrengt,
en dat zich ontwikkelende zaad volgt de wetten (of liever de aard) van
zijn eigen essentiële wezen, en dat is zijn svabhâva. In De Geheime
Leer spreekt H.P. Blavatsky vaak van een bepaalde gesteldheid of een
bepaald gebied van universeel zijn, dat ze svabhavat noemt, het
onzijdig tegenwoordig deelwoord van de wortel bhû, gebruikt als
zelfstandig naamwoord. Svabhavat en svabhâva zijn afgeleid van dezelfde
wortel en hebben hetzelfde voorvoegsel; svabhavat betekent dat bepaalde
iets dat uit en in zijn eigen wezenlijke essentie bestaat en wordt,
noem het het ‘zelf-bestaande’, als u wilt. Hoewel het een Sanskrietwoord
is, is het een boeddhistische term, en het brahmaanse equivalent ervan
in de Vedânta is waarschijnlijk de kosmische kant van paramâtman, het
hoogste zelf, het geïndividualiseerde aspect van parabrahman-mûlaprakriti:
supergeest – wortelstof.
Svabhavat is de geestelijke essentie, de fundamentele
wortel- of geest-substantie, de vader-moeder van het begin van manifestatie,
waaruit alle dingen ontstaan of worden. Het kan worden opgevat,
zoals Spinoza, de Nederlands-joodse filosoof, deed, als God, als de enige
aan alles ten grondslag liggende essentie of substantie, hoewel we in
onze studies het gebruik van de term ‘God’ om een later aan te geven reden
hebben vermeden. Men kan het ook opvatten, zoals Leibniz deed, als een
collectieve eenheid van een oneindig aantal geëmaneerde monaden of ‘entelechieën’,
om de term van Aristoteles te gebruiken. Spinoza was een absoluut idealist,
terwijl Leibniz een objectief idealist was, wat wij, tussen haakjes, ook
zijn. Svabhâva is de karakteristieke aard, het wezenskenmerk, de individualiteit,
van svabhavat – van elk svabhavat, want elk sva bhavat heeft zijn eigen
svabhâva.
De voornaamste en essentiële betekenis van de
leer van svabhâva is de volgende – en ze is zo fundamenteel, zo belangrijk
dat we om wat volgt goed te kunnen begrijpen, haar nadrukkelijk onder
ieders aandacht willen brengen. Wanneer de kosmische manifestatie begint,
gebeurt dat niet in het wilde weg, op wanordelijke wijze of bij toeval;
ze begint in overeenstemming met de karakteristieke levenszaden,
die gewoonlijk wetten worden genoemd, en die gedurende de hele periode
van de mahâ pralaya, voorafgaand aan het begin van het nieuwe manvantara,
latent hebben bestaan. Deze wetten – we gebruiken de term onder een krachtig
protest – zijn in werkelijkheid de intrinsieke en onontkoombare karmische
gewoonten van de natuur om dit of dat te zijn, kortom haar
svabhâva’s, haar ontelbare wezens of essentiële naturen; en deze wetten
worden in feite door de monadische essenties of de monaden op de etherische
en fysieke stof afgedrukt, erin gegrift. De svabhâva’s van de monaden
schenken de natuur hun svâbhâvische aard! De monaden zijn individuele
eenheden, en Leibniz, die zich voorstelde dat ze tot een eenheid zijn
verenigd en het lichaam van een nog grotere monade vormen, gaf deze grootste
monade de Latijnse naam monas monadum – de ‘monade der monaden’.
Deze monade is, kort gezegd, onze hiërarchische top, waarover we al verschillende
keren eerder hebben gesproken. Maar waarom moet deze ‘monade der monaden’,
dit hiërarchische toppunt of hoogste punt God worden genoemd? We kunnen
ons iets voorstellen dat nog hoger is, en zo verder, bijna zondere einde.
Als we bij een bepaald punt ophouden en dat God noemen, betekent dat eenvoudig
dat we een godheid hebben geschapen – in feite een door de mens gemaakte
god!
Een mens heeft echter in zijn denken een rustpunt
nodig. Daarom beginnen we met svabhâva, dat als abstracte term op zichzelf
geen beperking of begrenzing inhoudt. Het is zuivere individualiteit die
in de geest-stof werkt, waarvan ze het hoogste deel of toppunt vormt.
Deze essentiële natuur (of svabhâva) van een monade ontwikkelt en wordt
in de stof een hiërarchie, of die hiërarchie nu een atoom, een mens, een
planeet, een zon, een zonnestelsel of een kosmisch heelal (of een universele
kosmos) is, zoals we die binnen de gordel van de melkweg aantreffen. De
monade volgt daarbij de drang van haar eigen innerlijke wezen, haar individualiteit,
haar svabhâva. Omdat de monaden individuele eenheden zijn, zijn ook de
daaruit voortvloeiende hiërarchieën geïndividualiseerd. En wanneer, in
algemene termen gesproken, de monade zich ontwikkelt tot de hiërarchie
of deze wordt, terwijl ze afdaalt langs de schaduwboog – dat wil zeggen
afdaalt in de stof – wanneer ze in haar lagere delen stof wordt
(het hoogste deel van de monade blijft steeds in haar eigen zuivere onbezoedelde
toestand), bereikt ze een zeker punt dat het einde is van haar cyclische
ontwikkeling voor die periode van evolutie of voor dat manvantara, en
dan begint ze haar kringloop weer naar omhoog en terug; dit gedeelte van
haar reis wordt de lichtende boog genoemd, omdat hij naar het licht of
de geest voert, om de manier van uitdrukken van de oude wijzen te volgen.
Enige tijd geleden hebben we de verzen 26 en
27 uit hoofdstuk 1 van de Hebreeuwse bijbel bestudeerd en gelezen dat
de elohîm zeiden: ‘Laten we ‘de mens’ maken naar ons eigen schaduwbeeld
(naar onze eigen schaduw), en naar ons oorspronkelijke model’. Deze elohîm
die zo ‘spraken’, waren monaden die met elkaar een hiërarchie vormden,
terwijl ieder op zichzelf ook een hiërarchie was. Zoals ieder individueel
mens een ondergeschikte hiërarchie is in de grotere hiërarchie van de
mensheid, zo is de mensheid een ondergeschikte hiërarchie in de nog grotere
hiërarchie van de planeet, en de planeet Terra een ondergeschikte hië
rarchie van de nog grotere hiërarchie van het zonnestelsel, enz., zover
men de gedachte maar wil doorvoeren. De mens zelf bestaat uit lagere wezens;
hijzelf is een microkosmos of klein heelal; voor deze lagere wezens is
hij als een god – voor hen is hij de monas monadum, de monade der
monaden. We zullen later zwaarwegende redenen aanvoeren waar om wij angstvallig
hebben vermeden dit woord god te gebruiken. Het is een gekleurd woord,
dat aan betekenis heeft ingeboet door de gedachten die eraan zijn verbonden;
deze hebben het gekleurd en het is om deze reden een gevaarlijk woord
om te gebruiken; het is zowel misleidend als ontoereikend.
Wanneer deze monade in het begin van de manifestatie
in de kosmos door het layacentrum heenbreekt, dat wil zeggen door het
neutrale punt, het verdwijnpunt, waar geest stof wordt, of omgekeerd (men
kan het de âtman van de zes lagere graden of beginselen noemen die in
evolutie op elkaar volgen) – wanneer de neerdalende monade door de stof
van de haar omringende kosmos heendringt, volgt ze op haar weg haar eigen
innerlijke drang, of liever, wordt ze erdoor voortgedreven; ze bezit het
vermogen tot zelfexpressie, maar is zich nog niet van zichzelf
bewust. Maar wanneer een bepaald ‘atomair’ deel van deze kosmische monade
tot zelfbewustzijn komt en een mens wordt, volgt het vanaf die tijd het
pad van bewuste zelfgeleide evolutie. Tot de tijd dat het zelfbewuste
denken in de mens verschijnt, staat de zich ontplooiende entiteit onder
de leidende, stuwende invloed van de onontkoombare en onverbiddelijke
noodzaak, die echter nadrukkelijk geen noodlot is; en dat komt
omdat de zich ontwikkelende entiteit tot dat kritieke punt in de evolutie
nog een onvolmaakt wezen is: ze is niet een zelfbewust iets, maar
een niet-zelfbewuste godsvonk. Ze kan nog niet haar eigen lot bepalen
op de gemanifesteerde gebieden, maar volgt automatisch de loop van de
hiërarchie waartoe ze behoort. Dit geestelijk-mentale onvermogen houdt
op wanneer de toestand van zelfbewustzijn is bereikt en dat is bij de
mens. Vanaf dat moment wordt de mens in toenemende mate zelf een schepper
– zelfbewust een schepper van zichzelf; hij reikt omhoog of naar binnen
of naar buiten (de woorden doen er niet toe) en wordt wat hij in wezen
is, terwijl hij voortdurend naar het innerlijkste van het innerlijkste
streeft! Tenslotte bereikt hij aan het einde van deze dag van Brahmâ –
na zeven planetaire ronden – het punt waarop hij zich ontplooit tot een
zelfbewuste god, nog niet ‘God’, of de top van de hiërarchie waartoe hij
door karmische afkomst behoort, maar een god. Hij is niet langer
een niet-zelfbewuste monade, maar een zelfbewuste monade, een planeetgeest,
een dhyân-chohan, om een prachtige boeddhistische term te gebruiken, een
‘heer van meditatie’, een van die wonderlijke geestelijke wezens die de
bloem vormen van vroegere wereldperioden of manvantara’s. Deze wonderlijke
wezens zijn de volmaakte mensen van die vroegere wereldperioden; zij leiden
de evolutie van deze planeet in haar tegenwoordige manvantara. Ze zijn
onze geestelijke meesters, leiders en heilanden. Ze houden nu toezicht
op ons in onze evolutie hier, en wij volgen het pad van de algemene evolutie
dat zij voor onze tegenwoordige cyclische pelgrimstocht hebben geschetst.
Toen we onze pelgrimstocht als niet-zelfbewuste
godsvonken begonnen, voorbestemd om in dit, ons manvantara, zelfbewuste
mensen te worden, waren het deze dhyân-chohans – de bloem van het vorige
manvantara – die ons de weg wezen en die toen wij mensen werden, incarnaties
van ons hoogste zelf, ons op onze onzekere schreden leidden. Maar toen
we zelfbewuste entiteiten of mensen waren geworden, begonnen we onszelf
te leiden; en het is onze hoogste plicht en onze vurigste hoop bewust
met hen samen te werken overeenkomstig onze evolutie of, zoals H.P. Blavatsky
het zo prachtig uitdrukte, ‘samen te werken met de natuur’. Het is onze
bestemming zelf zulke goddelijke wezens te worden, om daarna op onze beurt
minder ontwikkelde entiteiten in toekomstige manvantara’s te bezielen,
te inspireren en te leiden, zoals wij door hen zijn bezield, geïnspireerd
en geleid; en tenslotte, na vele kalpa’s, na vele dagen van Brahmâ – en
elk van deze dagen omvat een periode van zeven planetaire ronden – zullen
we een bewust deel van de kosmische logos, de brâhmische logos worden,
waarbij we de term brâhmische logos gebruiken in de betekenis van de hoogste
bewuste belichaamde intelligentie van het zonnestelsel; en om daarna steeds
hoger te klimmen.
Keren we tot ons hoofdonderwerp terug. Wanneer
de monade het eerste punt van de kosmische manifestatie heeft bereikt,
is ze al door de eerste drie van de tien gebieden, graden of fasen afgedaald,
dat wil zeggen, door de drie gebieden, graden of fasen, die de bovenste
driehoek of triade vormen van de tien gebieden waarin en waarop het heelal
is gebouwd. Dan begint ze definitief haar kringloop naar omlaag. Zoals
al is opgemerkt, komt ze tot kosmische manifestatie via het layacentrum
dat de âtman of universele geest is, en dat evenmin aan een wezen of mens
in het bijzonder toebehoort als de âtman van een wezen of mens op een
andere planeet van een ander zonnestelsel. âtman is onszelf alleen omdat
het de schakel is die ons met het hogere verbindt. De mens bestaat in
feite uit vijf beginselen, want de âtman is niet van hem, behalve als
‘reddingsplank’; terwijl zijn grofstoffelijk lichaam in werkelijkheid
helemaal geen beginsel is. Op deze kwestie van de samenstellende beginselen
in de mens zullen we dieper moeten ingaan wanneer we de psychologische
samenstelling van de mens gaan bestuderen.
De bovenste driehoek van de bovenbedoelde tien
is feitelijk een uitbreiding of ontwikkeling vanuit de monade zelf,
zoals de kroonblaadjes en het blad van een bloem een uitbreiding of ontwikkeling
zijn vanuit haar zaad: ze put haar leven en bestaan uit zichzelf. Het
is de wereld van de elementalen, in geestelijke zin, zoals de drie
werelden onder ons delfstoffenrijk onze werelden van de elementalen zijn
in stoffelijke zin, die voor de hiërarchie onder de onze een wereld
van elementalen vormen in ‘geestelijke zin’.
Deze innerlijke drang, die de monade aanspoort
zich te manifesteren en een vorm aan te nemen, is de wil van hogere wezens
die door haar heenwerkt. Van deze hogere wezens vormt ze een integrerend
deel – precies zoals ons brein of ons lichaam de onverbiddelijke wet van
de noodzakelijkheid volgt die wij door onze gedachten en onze wil aan
het brein of lichaam opleggen, en toch zijn zowel brein als lichaam delen
van onszelf in de stof. De monade moet tot zelfbewustzijn komen om zich
te ‘bevrijden’ en op die manier een zelfbewuste, zelfgeleide, god te worden.
Om onze verdere studie goed te kunnen volgen,
zijn deze dingen zo belangrijk dat we telkens weer genoodzaakt zijn erop
terug te komen. Ze zijn van wezenlijke betekenis en liggen ten grondslag
aan al onze leringen. Begrijp goed dat dit geen fatalisme is. Die
leer gaat lijnrecht in tegen de leer van svabhâva, de leer van zelfontplooiing.
Zoals een ei de kiem in zich ontwikkelt die het
toekomstige kuiken zal worden, of zoals het menselijke ei, het ovum, de
kiem in zich ontwikkelt die het toekomstige mensenkind zal worden, zo
ontwikkelen zich ook het heelal, een atoom en een monade. Ze komt tot
ontwikkeling in het aurische ei. Het menselijke ovum en het zaad van de
plant zijn niets anders dan een ei. De uiterlijke vorm, de levensvorm,
kan verschillen, maar dat heeft niets te maken met het beginsel van ontwikkeling
waarover we nu spreken. Het omhulsel binnen het aurische ei bevat de kiem
van individualiteit – of de svabhâva – die is voorbestemd haar eigen karakteristieke
ontwikkelingslijn te volgen: wat in het ei of het zaad is, komt naar buiten,
elke soort overeenkomstig haar eigen aard, en dat is haar svabhâva. De
Griekse stoïcijnse school onderwees het bestaan van zowel kosmische als
oneindig kleine spermatische logoi, ‘zaad-logoi’, en elke spermatische
logos brengt schepselen voort naar zijn aard en overeenkomstig zijn eigen
wezen – zoals de elohîm uit de Hebreeuwse bijbel – en ook dit is svabhâva.
Bij onze studie van de kabbala zagen we hoe de
hoogste wereld zich ontvouwde en uit zichzelf de tweede wereld
emaneerde of ontwikkelde en dus in feite de tweede wereld werd,
en daarmee zowel ouder als kind was. De tweede wereld was dus het kind
van de eerste; de derde was het kind van de eerste en de tweede;
en de vierde, de ‘wereld van de omhulsels’ of van wezens die in grove
lichamen of ‘omhulsels’ leven – was het kind van de eerste, de tweede
en de derde, die alle samenwerken om deze vierde voort te brengen. Bedenk
echter dat elke hogere bol of wereld op haar eigen gebied intact blijft,
hoewel ze de volgende lagere wereld uit zichzelf ontwikkelt.
De stoïcijnen hadden een ontwikkelingsleer die
in wezen de zuivere leer van onze eigen filosofie is, al werd ze in een
andere vorm en onder andere benamingen weergegeven. In hun wijze van uitdrukken
maakten ze gebruik van mechanistische termen, waarvan het Griekse denken
zich graag bediende. Het is, tussen haakjes, opmerkelijk dat het oosterse
denken er steeds de voorkeur aan gaf de psychologische en geestelijke
gedachtegang te volgen boven de mechanistische of, zoals we nu zouden
zeggen, de wetenschappelijke. De stoïcijnen leerden in Griekenland en
later in Rome dat het mechanisme van de essentiële natuur van de godheid
– en deze essentiële natuur is ons svabhâva, wat we vader-moeder zouden
noemen – uit spanning en het afnemen van deze spanning bestond,
en dat dit afnemen van de spanning de eerste activiteit bij de bouw van
een wereld is. In hun toelichting op dit denkbeeld wezen ze bij wijze
van analogie op het bekende feit dat wanneer een metaal wordt verhit,
dit uitzet en tenslotte verdampt; en aan de hand van deze eenvoudige prozaïsche
analogie verklaarden ze dat de ‘natuurlijke’ toestand van pneuma
(‘geest’ = de godheid) vuur is – geen stoffelijk vuur, maar de kiem van
dat kosmiche element waaraan het stoffelijke vuur ontspringt. De vermindering
van deze spanning veroorzaakte de eerste differentiatie van de oersubstantie
(of pneuma = ‘god’), en deze differentiatie wekte daarna de sluimerende
of latente levenszaden, afkomstig uit de voorafgaande periode van gemanifesteerd
bestaan, tot actief leven. De aldus ontwaakte levenszaden, of zaadlevens
– hun spermatische logoi – begonnen daarop met de bouw en de leiding van
de komende wereldperiode en alle entiteiten daarin, waarbij elk zaadleven
uit zichzelf zijn wezenlijke soort of karakteristieke essentie, dat wil
zeggen zijn svabhâva, voortbracht. Dit is in het kort de leer van de esoterische
filosofie, maar zoals de stoïcijnen die onderwezen.
Toen het heelal uit zijn eigen wezen tevoorschijn
moest komen, zo leerden de stoïcijnen, verminderde de spanning van de
oersubstantie of het goddelijke vuur, of trok die zich als het ware samen.
Deze samentrekking gaf door verdichting het aanzijn aan de æther; naarmate
vervolgens de spanning in de æther afnam, deed dit lucht ontstaan; en
deze vervolgens water; en dit tenslotte aarde. We spreken hier niet over
vuur, lucht, water en aarde in stoffelijke zin, zoals we die om ons heen
zien; we doelen op de elementen of zaden ervan. Aarde, water,
lucht en vuur zoals wij die om ons heen zien, zijn als het ware slechts
de stoffelijke vertegenwoordigers of eindproducten van de elementale zaden
waaruit deze respectievelijk zijn voortgekomen. ‘Vuur’ deed ‘æther’, zijn
schaduw, ontstaan, zijn eigen schaduw. ‘Æther’ gaf het aanzien aan zijn
schaduw, of ‘lucht’, zijn omhulsel of lichaam; ‘lucht’ aan ‘water’; en
‘water’ aan ‘aarde’. De stoïcijnen leerden verder dat al deze dingen respectievelijk
in elkaar kunnen worden omgezet – de droom van de alchemist, en ook de
droom, psychologisch, van ingewijden die ernaar streven het onedele in
het zuivere, het stoffelijke in het geestelijke om te zetten.
We keren weer tot ons hoofdonderwerp terug en
merken op dat als de monade – de wortel of de individualiteit van een
hiërarchie – haar kringloop in de stof omlaag volbrengt, ze op natuurlijke
wijze haar eigen schaduwen (of lagere voertuigen) uit zichzelf voortbrengt
en naar buiten ontwikkelt, schaduwen die zich steeds meer verdichten naarmate
de monade verder afdaalt. Omdat er in de hogere gebieden ongetwijfeld
werelden van geluk, werelden van vrede bestaan, rijst in dit verband de
vraag hoe het met die lagere werelden is gesteld; en hoe staat het met
die laagste toestanden van zijn, waarover H.P. Blavatsky spreekt als de
avîchi? Er is geen hel in de christelijke betekenis. Een dergelijke
hel is een vaag schrikbeeld van de verbeelding, maar er zijn wel degelijk
lagere gebieden; zoals er hogere zijn, moeten er ook lagere zijn. Er kan
geen goed zijn zonder kwaad, want het ene is de schaduw van het andere
en houdt het in de natuur in evenwicht. Deze laagste gebieden spelen in
het grote kosmische drama een bepaalde rol. Het zijn als het ware de reinigingsplaatsen
van de zielen van hen die in het kwaad volharden. Het gelijke trekt het
gelijke aan. Zij die gedurende een lange reeks incarnaties willens en
wetens weigeren het geestelijke licht in zich te volgen, gaan onvermijdelijk
naar deze lagere gebieden. We herhalen, het gelijke trekt het gelijke
aan. Dergelijke door het kwaad bezoedelde en belaste zielen volgen in
feite hun eigen cyclische pelgrimstocht en worden tot soort gelijke gebieden
en verblijfplaatsen aangetrokken. Gedurende de neerwaartse cyclische
pelgrimstocht van de atoomzielen in de stof, slaagden vele miljoenen er
niet in het gevaarlijke punt voorbij te komen en werden, in plaats van
daarna hun thuisreis langs de lichtende boog te beginnen, meegesleept
in de verschrikkelijke draaikolk van de stroom die verder in de stof omlaag
voert! En daarmee naar betrekkelijk groter lijden. Zij moeten wachten
totdat in het volgende manvantara hun tijd opnieuw aanbreekt en ze in
de toekomstige kalpa van de aarde een nieuwe kans krijgen. Voor deze
dag van Brahmâ, voor dit manvantara van zeven ronden is voor hen, wat
hun bewuste reis terug naar hun goddelijke bron betreft, alles
afgelopen.
Dit zijn leringen (zoals die van avîchi-nirvâna,
waarop hierboven werd gezinspeeld) die in de oude esoterische scholen
werden onderricht. Daaruit zijn als gevolg van misvattingen en verdraaiingen
de angstaanjagende leringen voortgekomen van een brandende, stoffelijke
hel, waarin de etherische zielen van halsstarrige zondaars eeuwig moeten
branden! Deze zielen zouden asbestachtig van aard zijn, altijd fel branden
zonder ooit te verteren, zoals pek dat eindeloos brandt in een eeuwig
vuur! Wat een verschrikkelijke nachtmerrie van een grove en materialistische
‘religieuze’ leer! Het is verbazingwekkend te zien welke dingen de menselijke
geest uitvindt om zich te martelen. Maar het toont tevens dat er achter
deze vreselijke, nachtmerrieachtige leringen en dogma’s een wezenlijk
feit schuilt dat door een ongeoefende denker vaag en vervormd wordt gezien,
als door een donkere wolk; een element van waarheid dat alleen op de juiste
manier moet worden verklaard om te worden begrepen.
Men moet wel een hart vol medelijden krijgen!
Begrijpen we wel hoe reëel deze leringen waren voor onze voorouders uit
een betrekkelijk recent verleden? En dat in sommige behoudende kerken
diezelfde afschuwelijke leringen nu nog als werkelijke feiten worden onderwezen,
zij het min of meer in het geheim alsof men zich ervoor schaamt, en dat
er misleide en ongelukkige mensen zijn die erin geloven en op hun sterfbed
al bij voorbaat de martelingen van de verdoemden ondergaan, martelingen
die ongetwijfeld erger zijn dan die hen wachten als vergelding van de
natuur voor hun fouten en zonden. Wat afschuwelijk is dit! Hebben we niet
de plicht tegenover onze medemensen om hen de juiste verklaring en betekenis
van deze verwrongen en verdraaide leringen te geven, in al hun zuiverheid
en hoopgevende schoonheid! Het gaat hier om een ethisch beginsel. Soms
vragen mensen welk nut het heeft De Geheime Leer te bestuderen?
Waar dient het toe zoveel tijd aan de studie van ronden en rassen te besteden?
Een voorbeeld daarvan is het volgende. In wezen kan men de mensen niet
veranderen voor men hun denken verandert. Als men de mensen leert juist
en edel te denken, dan leert men hun juist en edel te leven en juist en
edel te sterven. Niets heeft zo’n verheffende invloed op de mens als
een edele gedachte. Het is eenvoudig dwaasheid en egoïsme om te zeggen:
‘Welk nut hebben deze zogenaamd edele gedachten? Mijn eigen gedachten
zijn voor mij goed genoeg.’
Na alles wat er tot nu toe is gezegd, staan we
nog maar aan het begin van onze uiteenzetting over svabhâva. We hebben
vanavond geen tijd en gelegenheid om in te gaan op de belangrijke psychologische
aspecten ervan, zoals we hadden willen doen. We hebben echter nog enkele
ogenblikken. Laten we daarom proberen deze leer van svabhâva
nog wat duidelijker toe te lichten door de al eerder gegeven gedachtegang
te volgen. Stel u een individuele monade voor die haar straal uitzendt
of die afdaalt door de sfeer die het geestelijk-atomaire [voetnoot]
gebied van de zes gebieden eronder wordt. In de loop van de tijd vormt
deze straal zich tot de verschillende beginselen en gebieden, en verzamelt
de ervaringen van elk afzonderlijk gebied. Als hij dat geestelijk-atomaire
[voetnoot] gebied of gebied
van âtman verlaat, ontwikkelt hij uit zichzelf zijn schaduw die een soort
omhulsel is, een aura, en vormt op die manier daar zijn aurische ei; dit
tweede gebied of beginsel noemen we onze buddhi, en wanneer het monadische
leven of de monadische straal nog dieper in dat schaduwleven afdaalt,
worden dit buddhische gebied en beginsel voor hem het wezenlijke en het
ware. In de loop van de cyclussen ontwikkelt de afdalende monadische straal
(of het zaad) uit zichzelf nog een schaduw, nog een omhulsel, nog
een subtiel lichaam, nog een aura, nog een aurisch ei, en dat is ons manas.
Elk van deze drie beginselen – zoals trouwens geldt voor alle zeven –
heeft zeven graden, zeven stadia, vanaf het ‘atomaire’ [voetnoot]
van elk van de drie omlaag tot het laagste, dat zijn corpus of lichaam
is. En zo vervolgens met de overige vier lagere gebieden en beginselen
van de mens. Elk van deze beginselen wordt op onze bol in de respectieve
en overeenkomstige ronde van de zeven ronden, die de dag van Brahmâ telt,
‘volledig’ ontwikkeld. Verder wordt op elk van de zeven bollen van de
planeetketen een van de zeven beginselen in het bijzonder ontwikkeld.
Zoals zojuist is gezegd, is aan het einde van elke ronde één gebied en
één beginsel van de zeven ontwikkeld als voorbereiding voor de ontplooiing
van het daaropvolgende in een andere ronde. Er zijn bijvoorbeeld twee
volledige ronden nodig om twee gebieden en twee beginselen ten volle tot
ontwikkeling te brengen; maar bijvoorbeeld in de eerste en de tweede ronde
verschijnen geleidelijk de andere gebieden en beginselen die zich langzamerhand
ontwikkelen, stap voor stap. Het kuiken wordt niet in één dag een kip;
het kind wordt niet in één week een volwassene, en zijn ziel ontplooit
zich in hem niet in een paar weken. Als een mens zou leven zoals hij zou
moeten leven, zou hij op zijn best en op zijn hoogtepunt zijn tegen de
tijd dat hij meent dat voor hem het ogenblik is aangebroken om zich neer
te leggen en te sterven. Het stoffelijk lichaam kan gereed zijn om dan
te sterven, maar de innerlijke mens, dat wat zijn ware wezen is, moet
zich verder ontplooien en groter en edeler worden. In werkelijkheid leven
we daarvoor.
En zo zet de evolutie zich tot het einde van
de zeven ronden voort; en, zoals gezegd, brengt elke ronde één beginsel
en één gebied te voorschijn; in elke ronde wordt elk van de overige beginselen
in mindere mate tot ontwikkeling gebracht, zodat er, om het beeld van
Ezechiël te gebruiken dus ‘wielen binnen wielen’ zijn. Halverwege de vierde
ronde, de middelste ronde, komt de tijd dat de monadische straal de grootste
stoffelijkheid bereikt – dat de levensgolf een punt bereikt waarop ze
zich zowel naar beneden als naar boven vertakt, en dan, in de woorden
van Ezechiël, hoofdstuk 18, ‘zal de ziel die zondigt, sterven’, wat betekent
dat de monadische straal zich omlaag beweegt en voor dat manvantara
iedere kans om langs de lichtende boog omhoog huiswaarts te keren, verliest.
Hij volgt het pad omlaag. Maar de anderen, die de reis kunnen voortzetten
en dat ook doen, zullen het gevaarlijke punt inderdaad passeren.
Een dag van Brahmâ bestaat uit zeven ronden,
een periode van 4.320 miljoen zonne- of liever aardse jaren. Zeven van
deze dagen vormen samen een zonnemanvantara, een term die in de esoterische
filosofie in een bijzondere betekenis wordt gebruikt, omdat er zevenmaal
zeven ronden nodig zijn om elk van de zeven beginselen en zeven gebieden,
waaruit de zich manifesterende hiërarchie bestaat, tot zijn hoogste ontwikkeling
te brengen. Van het leven van Brahmâ, zo wordt ons geleerd, is de helft
al voorbij, de helft van 311.040.000.000.000 plus nog enkele miljarden
van onze jaren! Ik verwijs naar de Sûrya-Siddhânta, een oud Sanskriet
kosmogonisch en astronomisch werk dat, gezien de daarin gedane uitspraken
en gegeven feiten, iets meer dan twee miljoen jaar oud zou zijn volgens
de algemene interpretatie. Ik geloof dat onze hedendaagse oriëntalisten
de oorsprong ervan min of meer rond het begin van de christelijke jaartelling
of later plaatsen, om geen andere reden dan dat de Grieken bepaalde methoden
van berekening die in de Sûrya-Siddhânta voorkomen
naar het noordwesten van India brachten, een volkomen willekeurige theorie
die op geen enkel met zekerheid vastgesteld feit berust, behalve op de
door de oriëntalisten zelf ontwikkelde of ‘svâbhâvische’ theorieën!
Voetnoot: [âtmische?] ... terug
naar de tekst
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 131-43
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|