HOOFDSTUK 12

PSYCHOLOGIE: VOLGENS DE ESOTERISCHE FILOSOFIE. ONSTERFELIJKHEID IS VOORWAARDELIJK: HET VERLIES VAN DE ZIEL.

Buig niet omlaag, want onder de aarde,
Zeven treden naar omlaag ligt een afgrond,
Waar de troon der bittere noodzaak staat.
     – Psellus, 6 (Cory, Ancient Fragments , blz. 278)

    Duivels (asurya ) worden die werelden genoemd,
    Door diepe duistersnis (tamas ) omhuld!
    Daarheen gaan na hun dood
    Al degenen die het Zelf vernietigen.
         – Îsâ-Upanishad , 3 (naar vert. Hume)

Vanavond hebben we weer het voorrecht de heilige wetenschap te bestuderen. We lezen uit H.P. Blavatsky’s De Geheime Leer (1:299):

    (1) De Geheime Leer is de verzamelde wijsheid van de eeuwen . .

Volgende bladzijde:

    (2) De fundamentele wet van dat stelsel, het middelpunt waaruit alles is voortgekomen en waar alles omheen en naar toe wordt getrokken en waarop de hele verdere filosofie wordt gebouwd, is het ene homogene goddelijke SUBSTANTIE-BEGINSEL, de ene grondoorzaak.

    En verder:

    (3) Het Heelal is de periodieke manifestatie van deze onbekende absolute essentie.

    Volgende bladzijde:

    (4) Het Heelal met alles daarin wordt MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon.

    Vervolgens:

     (6) Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid . Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. We zien dat iedere uitwendige beweging, handeling, gebaar, hetzij vrijwillig dan wel mechanisch, organisch of mentaal, wordt voortgebracht en voorafgegaan door een inwendig gevoel of emotie, door wil of wilskracht, en door gedachte of verstand. Zoals er onder normale omstandigheden geen uiterlijke beweging of verandering kan plaatsvinden in het uitwendige lichaam van de mens, tenzij deze wordt opgewekt door een innerlijke impuls, afkomstig van één van de drie genoemde functies, kan dit evenmin geschieden in het uitwendige of gemanifesteerde Heelal. De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die – of we ze nu de ene of de andere naam geven en ze Dhyan-Chohans of engelen noemen – ‘boodschappers’ zijn, maar alleen in die zin dat ze werktuigen zijn van de karmische en kosmische wetten. Ze variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’, geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is òf een mens geweest , òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of komende cyclus (manvantara). Als ze geen beginnende mensen zijn, zijn ze vervolmaakte mensen en verschillen moreel alleen daarin van de aardse mensen in hun hogere (minder materiële) gebieden, dat ze vrij zijn van het gevoel van persoonlijkheid en van de menselijke emotionele aard – twee puur aardse eigenschappen.

En op bladzijde 51, te beginnen in het midden van de zin:

    . . . de differentiatie van de ‘kiem’ van het Heelal in de zevenvoudige hiërarchie van bewuste goddelijke machten, de werkzame manifestaties van de Ene Opperste Energie. Zij zijn de ontwerpers, vormgevers en uiteindelijk de scheppers van het hele gemanifesteerde Heelal, in de enige betekenis waarin de naam ‘schepper’ begrijpelijk is; zij bezielen en leiden het; zij zijn de intelligente wezens die de evolutie bijstellen en beheersen, terwijl zij in zichzelf die manifestaties van de ENE WET belichamen, die wij kennen als ‘de natuurwetten’.

    We vervolgen de gedachtegang van de vorige bijeenkomst en beginnen met een schets van de psychische natuur van de mens, want als de mens zichzelf begrijpt, begrijpt hij dat waaruit hij voortkwam en dat wat hijzelf is – begrijpt het heelal in de mate waarin zijn geest en denken zich hebben ontwikkeld, en zijn waarnemingsvermogens zich door die ontwikkeling hebben verscherpt. Om de essentiële kenmerken van de psychische structuur van de mens gemakkelijker te kunnen begrijpen en duidelijker uiteen te kunnen zetten, zullen we trachten aan te tonen hoe nauw deze zijn verbonden met twee fundamentele stellingen, beginselen of leringen van de wijsheidsreligie. Deze twee zijn (1) de wet of liever het feit van de hiërarchieën; en (2) de wet (we gebruiken de term opnieuw onder krachtig protest) van de essentiële aard van alles, svabhâva genoemd, wat, zoals eerder gezegd, zelf-evolutie, zelf-vorming, zelf-ontwikkeling, zelf-wording betekent. Daarin ligt de grondslag van ethische gedragsregels. Het is duidelijk dat de mens verantwoordelijk is voor zichzelf; en omdat de mens een deel is van andere dingen, is hij ook daarvoor verantwoordelijk. Uit het voorgaande volgt evenzo dat de mens na de dood niet ‘zijn Schepper ontmoet’, maar wel moet hij zijn schepping – dat wat hij tijdens zijn leven in zichzelf heeft opgebouwd, zijn astraal zelf – ontmoeten en ermee afrekenen.
     Hoe komt het dat een roos altijd een roos voortbrengt? Waarom brengt het zaad van een appel onveranderlijk appels voort? Waarom geen distels of madeliefjes of viooltjes? Het antwoord is eenvoudig, maar heel diepzinnig. Het komt door de svabhâva, de essentiële natuur in en van het zaad. Zijn svabhâva kan slechts voortbrengen wat het zelf is, zijn essentiële aard, zijn eigen innerlijke natuur. Wanneer de stoïcijnen van Griekenland en Rome over evolutie spraken, zeiden ze dat aan het begin van een periode van manifestatie de pneuma – ‘geest’ – zijn spanning vermindert; daarna verdicht of concretiseert deze pneuma of geest zich en begint de evolutie. De emanatie en evolutie beginnen beide en volgen op de oorzaken die in de voorafgaande periode van manifestatie in werking werden gesteld en actief waren. Tegelijk met het aanbreken van de nieuwe periode komen de spermatische logoi, de zaadlogoi tot leven, een ver taling van de Griekse woorden spermatikoi logoi , ‘spermatische oorzaken, zaadoorzaken’; logos betekent ‘reden’, dus onder andere ‘oorzaak’. Deze zaadlogoi waren de vruchten of resultaten, de karma’s, van vroegere perioden van activiteit. Omdat ze in het voorafgaande manvantara een bepaald stadium van evolutie of ontwikkeling, eigenschappen, of individualiteit hadden bereikt, konden ze, toen de volgende evolutieperiode aanbrak, niets anders voortbrengen dan wat ze zelf waren, hun eigen innerlijke natuur , zoals zaden doen. Het zaad kan niets anders voortbrengen dan wat het zelf is, wat het in zich heeft; en dat is de kern en de essentie van de leer van svabhâva. In filosofisch, wetenschappelijk en religieus opzicht is deze leer van verstrekkende betekenis; ze is van het hoogste belang.
     De gewoonte, of zo u wilt de ‘wet’ van svabhâva kan alleen werken in dat wat het zelf is, omdat alleen zijn eigen voertuig, zijn eigen zelf, geschikt is voor de manifestatie van zichzelf – wat voor de hand ligt! Vandaar dat de evolutie en emanatie en de ontwikkeling van de hiërarchieën zich op de al eerdergenoemde manier voltrekken: de evolutie en emanatie bewegen zich vanuit het hoogste omlaag naar het meer stoffelijke, en verder omlaag langs de schaduwboog in de stof, totdat het keerpunt in de afdaling is bereikt, waarna de opgang langs de lichtende boog begint.
     We moeten echter bedenken dat het hogere in dit proces zijn eigen sfeer niet verlaat; het hogere wordt niet ten volle het lagere en het lagere evenmin het nog lagere, waardoor erboven een vacuüm of leegte zou ontstaan. De hogere sferen blijven altijd bestaan. Het is als de vlam van een kaars die bij de pit van een andere kaars wordt gehouden; met behulp van die ene kaars kunnen we alle kaarsen in het heelal aansteken zonder dat haar energie, haar kracht of karakteristieke essentie vermindert. Het hoogste blijft altijd het hoogste; het is als het ware dat deel van zichzelf dat de ontwikkelingsenergie is die van binnenuit werkt; het zijn zijn skandha’s die, zoals de stoïcijnen zouden hebben gezegd, deze ‘vermindering van spanning’, deze verdichting of concretisering van delen van zichzelf teweegbrengen. Een volmaakte analogie vindt men in de ontwikkeling van de mens in de moederschoot en zijn afdaling om te incarneren. Zijn geestelijke natuur komt niet omlaag om zijn stoffelijk lichaam te worden; ze blijft altijd zijn geestelijke natuur. Ze zendt echter delen van zichzelf uit, haar lagere aspecten of beginselen – als we het zo mogen zeggen – en in de loop van de manvantarische cyclus wordt door elk van deze beginselen op zijn beurt door afscheiding en uitscheiding iets lagers voortgebracht. Zodat de stoffelijke mens, het lichaam, inderdaad de ‘tempel van de levende God’ is, die daarvan zelf de kroon is en daarom deel uitmaakt van die tempel, die in feite de laagste manifestatie is van de levende innerlijke god.
     Svabhâva werkt via de hiërarchieën. We komen telkens weer op deze twee uiterst belangrijke onderwerpen terug, omdat het uit een filosofisch, geestelijk en ethisch oogpunt van het hoogste belang is dat deze dingen ons zo helder mogelijk voor de geest staan. Neem bijvoorbeeld de samenhang bij het ontstaan van een kosmos. We zijn niet geschapen door een buitenkosmische God; aan de andere kant is karma geen buitenkosmische entiteit die heeft gezegd, ‘ik schep’, waarna de wereld tot aanzijn kwam. De hoogste essentie, het diepste wezen van iedere hiërarchie, van de praktisch oneindige aantallen hiërarchieën die met elkaar verstrengeld en verwant zijn, met elkaar samenwerken en de universele kosmos vormen waarin we leven – het hoogste deel van elk van deze hië rarchieën is een supergoddelijke monade, die we parabrahman-mûla prakriti kunnen noemen. Haar eerste manifestatie of omlaaggerichte energie, haar eerste doorbraak op het gebied eronder is brahman, dat op zijn beurt werkt door middel van zijn kosmische sluier, pradhâna, wat we zoals u zich zult herinneren al eerder hebben bestudeerd; dan komt Brahmâ-prakriti, ook wel purusha-prakriti genoemd, de kosmische ziel, of het kosmische wezen plus de natuur of het voertuig waarin het zich manifesteert; de logos en zijn heelal; de monade en haar omhulsels, enz.
     Nu deze dingen ons duidelijk voor de geest staan, kunnen we gemakkelijker, met meer begrip en directer beginnen met de studie van wat we bedoelen met de psychologie van de mens. Het woord wordt in onze tijd en in kringen van de westerse wetenschap gewoonlijk gebruikt om een min of meer vage studie aan te duiden, die door twijfels en hypothesen wordt verduisterd en eigenlijk op veronderstellingen berust. Het betekent weinig meer dan een soort mentale fysiologie die praktisch neerkomt op de werking van het hersenverstand in het laagste astraal- psychische orgaan van het menselijke denkvermogen. Maar in onze filosofie betekent het woord psychologie iets heel anders, iets van edeler aard: we zouden het pneumatologie kunnen noemen of de wetenschap of de studie van de geest, omdat alle innerlijke vermogens en krachten van de mens uiteindelijk aan zijn geest ontspringen. Omdat dit woord pneumatologie echter een ongebruikelijke term is en verwarring kan veroorzaken, houden we ons aan het woord psychologie. We bedoelen ermee de studie van de innerlijke constitutie van de mens, dat wil zeggen het onderlinge verband tussen zijn beginselen of centra van energie of kracht – wat de mens innerlijk, in werkelijkheid is.
     Aan de mens, evenals aan alles in het heelal, ligt het decimale of numerieke stelsel van het bestaan – het getal tien – ten grondslag. Drie van deze tien elementen, gebieden of beginselen behoren tot de arûpa of vormloze wereld en zeven tot de gemanifesteerde wereld van de vormen. Deze laatste zeven beginselen brengen elkaar tijdens het proces van manifestatie in een dalende reeks voort, net als de hiërarchieën; elke hiërarchie emaneert of ontwikkelt een lagere en deze lagere een nog weer lagere en zo omlaag tot de zevende of laagste.
     De mens kan worden beschouwd als een wezen dat uit drie essentiële grondslagen bestaat; de Sanskrietterm is upâdhi . Dit woord betekent dat wat ‘naar buiten staat’ en een model of patroon volgt, zoals een scherm waarop het licht van een projector speelt. Vergeleken met de uiteindelijke werkelijkheid is het een spel van schaduwen en vormen. Deze drie grondslagen of upâdhi’s zijn, ten eerste, het monadische of geestelijke; ten tweede, dat wat door de heren van het licht, de zogenaamde mânasa- dhyâni’s, wordt verschaft, namelijk het intellectuele en het intuïtieve aspect van de mens, het element-beginsel dat de mens tot mens maakt; en de derde grondslag of upâdhi kunnen we, zo u wilt, het vitaal-astraal-fysieke noemen.
     Deze drie grondslagen komen voort uit drie verschillende evolutie lijnen, drie verschillende en afzonderlijke hiërarchieën. Bedenk dat elke hiërarchie in embryo alles in zich heeft wat het gehele heelal is en omvat, het kleinste zowel als het grootste – als we over het ‘kleinste’ en ‘grootste’ kunnen spreken van iets dat eindeloos is – in ieder geval het kleinste en grootste uit een bepaalde periode van manifestatie. Daarom is de mens samengesteld. Hij is niet één enkel en onvermengd wezen. Hij is een samengesteld wezen, opgebouwd uit verschillende elementen en daarom zijn zijn beginselen tot op zekere hoogte scheidbaar. Elk van deze drie grondslagen kan tijdelijk van de twee andere worden gescheiden zonder dat dit de fysieke dood van de mens tot gevolg heeft. Maar de elementen, om ze zo te noemen, die elk van deze grondslagen vormen, kunnen niet worden gescheiden zonder een fysieke of innerlijke ontbinding teweeg te brengen.
     Deze drie evolutielijnen, deze drie aspecten of hoedanigheden van de mens komen, zoals gezegd, voort uit drie verschillende hiërarchieën of toestanden, waarover vaak wordt gesproken als drie verschillende bestaansgebieden. De laagste komt van de aarde, uiteindelijk van de maan, onze kosmogonische moeder; de middelste, de mânasische of intellectueel-intuïtieve, van de zon; de monadische van de monade der monaden, de meest verheven bloem, het toppunt, of liever het hoogste zaad van de universele hiërarchie die ons kosmische universum of onze universele kosmos vormt.
     Of we een goed inzicht in onze latere studie zullen krijgen, hangt af van een juist begrip van het onderlinge verband of de wisselwerking tussen deze drie afzonderlijke delen van de structuur van de innerlijke mens. Zoals we hebben gezien, komen we bij iedere stap nieuwe ideeën tegen, nieuwe gedachten, nieuwe schakels met het heelal van licht en leven om ons heen, waarvan ook wij kinderen zijn. Het zou verschrikkelijk zijn als we de grens bereikten van alle mogelijke kennis! Het tegendeel is waar, want eindeloze vergezichten van steeds grotere kennis liggen altijd voor ons, en we kunnen deze op geen andere manier bereiken dan door de weg van kennis stap voor stap te gaan.
     We hebben horen zeggen dat onsterfelijkheid voorwaardelijk is. Dat is zeker waar. Onsterfelijkheid is niet onvoorwaardelijk, en waarom niet? Om de zojuist genoemde redenen. De mens is een samengesteld wezen; de laatste woorden van de Boeddha waren: ‘Broeders, al wat is, is samengesteld en vergankelijk. Werk daarom aan uw eigen verlossing.’ Deze woorden bevatten de kern van de hele filosofie van evolutie, en zijn een occulte verwijzing naar de uiteindelijke onsterfelijkheid of de vernietiging van de mens als denkend wezen voor de duur van een manvantara.
     De onsterfelijkheid is verzekerd wanneer de centrale beginselen, die de intellectueel-intuïtieve mens vormen, erin zijn geslaagd zich tot het monadische gebied te verheffen, waar ze één worden met de monade die er als een geestelijke zon op schijnt. Het verlies van een ziel voor de duur van het manvantara is onafwendbaar wanneer haar svabhâva, haar essentiële karakteristieke energieën, naar omlaag, naar het grofstoffelijke zijn gericht.
     Van het verlies van de ziel kan echter geen sprake zijn zolang er nog één enkele geestelijke aspiratie werkzaam blijft. Alleen wanneer het ongelukkige wezen op het punt is gekomen waarop het het kwaad als zijn god aanroept, wanneer zelfs niet één enkel aarzelend verlangen naar het geestelijke is overgebleven, is het voor de duur van het manvantara ‘verloren’. Dan werkt zijn wezen als het ware omgekeerd en richt het zich omlaag naar de avîchi, waar de omstandigheden tot een bijna onmiddellijke vernietiging ervan kunnen leiden of misschien tot een manvantara van avîchi-nirvâna, een verschrikkelijke toestand vergeleken met het prachtige nirvâna van de dhyân-chohans of heren van meditatie.
     Enerzijds kunnen we ons omhoogrichten en een god worden, zelfs in het lichaam. Anderzijds kunnen we ons laten wegzinken in de achtste sfeer, waar we door de wijd openstaande poorten van de planeet van de dood gaan. Heeft iemand van ons zich ooit afgevraagd: Waarom zijn we hier? Waarom zijn we niet verder gekomen dan we nu zijn, terwijl toch een oneindigheid achter ons ligt waarin we ons hadden kunnen ontwikkelen? Is het ooit bij een van ons opgekomen zich af te vragen of wij misschien niet de ‘gevallen engelen’ zijn, die heel geestelijke ‘atleten’ die er in een vroeger groot manvantara niet in waren geslaagd dichter bij hun doel te komen, zich te verheffen en hun bestemming te bereiken, en die werden ‘omlaaggeworpen’ om hun moeizame tocht omhoog opnieuw te beginnen?
     En wat bedoelen we met ziel tegenover geest? We spreken van de menselijke en de geestelijke ziel, en ook van de astrale en de dierlijke ziel. Maar we gebruiken deze termen niet in verband met het woord geest. Leert dit ons niet dat ziel in het algemeen een voertuig, een upâdhi, betekent; dat voertuig, of een voertuig, waarin de monade in een bepaald gebied van manifestatie haar bestemming verwezenlijkt? Deze voertuigen zijn echter bewuste voertuigen, ze leven en hebben waarnemingsvermogens, en elk heeft zijn eigen bewustzijn en denkvermogen; zelfs onze grofstoffelijke lichamen zijn niet slechts onbewuste werktuigen. Het stoffelijk lichaam heeft een vage vorm van bewustzijn en leven; het kan voelen en het kan op zijn eigen gebrekkige vage manier denken.
     Het verlies van de ziel is daarom het verlies van wat we in de loop van eindeloze tijdperken met heel veel moeite hebben opgebouwd als onze innerlijke tempel, ons thuis, waarin we ons zouden moeten verheffen om de goden te ontmoeten en één met hen te worden; het is bovendien het voertuig waarmee we entiteiten met ons omhoog moeten voeren die nu nog onder ons staan, maar die via ons onze menselijke waardigheid nabijkomen – entiteiten waaruit de ziel in feite is opgebouwd, precies zoals de atomen in ons stoffelijk lichaam babyzielen zijn, stoffelijke entiteiten, embryonale wezens die wij bezielen en inspireren, als we ze tenminste niet veroordelen tot een cyclus van ellende.
     Kennis brengt verantwoordelijkheid met zich. De morele wet duldt geen tegenwerking. Ze laat niet met zich sollen. Iedere ochtend, bij elke stap, bij elke gelegenheid en bij iedere keuze staan we voor het pad naar rechts en dat naar links en zijn we gedwongen te kiezen. We moeten telkens beslissen of we de lichtende boog zullen betreden of het pad van de schaduwen dat omlaagvoert.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 144-51

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag