HOOFDSTUK 14

‘HEMELEN’ EN ‘HELLEN’: LERINGEN VAN DE ESOTERISCHE FILOSOFIE EN VAN DE EXOTERISCHE RELIGIES.

    Devachan [‘hemel’] gaat van zijn hoogste trap over in zijn laagste – met onmerkbare gradaties; terwijl de laatste trap van devachan [omlaag] voor het ego vaak leidt naar de zwakste toestand van avîchi [‘de hel’], die tegen het einde van de ‘geestelijke selectie’ van de gebeurtenissen een bona fide ‘avîchi’ kan worden. – De Mahatma Brieven, blz. 205

    Vanuit kâmaloka . . . gaan dus alle pas overgegane ‘zielen’ (op de schillen na), . . . naar het gebied waartoe zij worden aangetrokken, hetzij devachan of avîchi. – Op. cit., blz. 218

    U lijdt door uzelf. Niemand anders dwingt, . . .
    – Sir Edwin Arnold, Het Licht van Azië, bk. 8

    Vanavond lezen we eerst het volgende uit De Geheime Leer (2:308):

    Want de evolutie van de geest in de stof zou nooit kunnen zijn volbracht en evenmin zou deze haar eerste impuls hebben gekregen, indien de stralende geesten hun eigen respectievelijke super-etherische essenties niet hadden opgeofferd om de uit aarde bestaande mens te bezielen, door elk van zijn innerlijke beginselen een deel, of liever een weerspiegeling, van die essentie mee te geven. De Dhyani’s van de zeven hemelen (de zeven gebieden van het Zijn) zijn de noumenoi van de huidige en de toekomstige elementen, evenals de Engelen van de zeven Natuurkrachten – waarvan wij de grovere uitwerkingen waarnemen in wat de wetenschap graag noemt de ‘bewegingsvormen’, de niet meetbare krachten en wat al niet – de nog hogere noumenoi zijn van nog hogere hiërarchieën.

    Dit is een bijzonder interessante alinea. Ze bevat in klein bestek een volledig beeld van de onderwerpen die we de laatste weken hebben bestudeerd.
    Nu we vanavond de zogenaamde hemelen en hellen gaan bestuderen, is het misschien goed eerst te herhalen dat er geen hemelen en geen hellen zijn zoals deze in de exoterische religies worden geschetst. Deze begrippen berusten echter op leringen die in feite uit die van de mysteriën zijn voortgekomen, en wanneer ze goed worden begrepen, bevatten ze een beknopte weergave van een waarheid, ja van een diepe waarheid. Hoewel we de hemel en de hel van de christenen niet aanvaarden, evenmin als de hemelen en de hellen van de islam, of de letterlijke exoterische leringen daarover zoals we die bij de boeddhisten en de oude Grieken en Romeinen aantreffen, zijn er in de natuur niettemin bepaalde bestaansgebieden waarin die delen van de constitutie van de mens, die de dood van het stoffelijk lichaam overleven, een passende verblijfplaats vinden. Dit zijn in feite gebieden of sferen van vergelding waar die delen van zijn constitutie, die van overeenkomstige of identieke geaardheid zijn, magnetisch toe worden aangetrokken.
    In het Evangelie ‘naar Johannes’ (14:2) zegt Jezus het volgende: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – als dat niet zo was, zou ik het u gezegd hebben – want ik ga heen om u plaats te bereiden’. Volgens de christelijke legende zei hij dit in een laatste lange toespraak tot zijn discipelen voor hij gevangen werd genomen en voor de autoriteiten moest verschijnen.
    Er is geen enkele grote religie uit de oudheid die niet in min of meer duidelijke en wel omschreven vorm het bestaan onderwijst van bepaalde krachten van belonende of vergeldende aard die na de dood van de mens werkzaam zijn in voor die krachten geëigende sferen waarin de zogenaamde ziel van de mens na de stoffelijke dood vergelding vindt of, zoals sommigen zeggen, ‘straf’ of ‘beloning’ ontvangt. Die sferen waarin de ziel als vergelding een passende loutering of straf ondergaat worden in onze taal hellen genoemd; die waarin de ziel als vergelding passende rust vindt en een beloning ontvangt, heten gewoonlijk hemelen; en omdat deze woorden voor Europeanen vertrouwd klinken, en tamelijk nauwkeurig de algemene gedachte van een vergelding na de dood weergeven die in alle grote religies voorkomt, kunnen we ze beter maar gebruiken. Als we echter een juist inzicht willen verkrijgen in wat de esoterische filosofie hierover leert, moeten we alle denkbeelden die ons door het verkeerde onderricht van de dogmatische theologieën zijn ingeprent, beslist uit ons denken bannen en het daarvan zuiveren.
    We moeten bedenken dat we hier het occultisme uit archaďsche tijden bestuderen. Dit woord occultisme betekende oorspronkelijk alleen de wetenschap van verborgen dingen; zelfs in de middeleeuwen van Europa noemden de filosofen die de voorlopers waren van de tegenwoordige wetenschapsmensen en die toen de stoffelijke natuur bestudeerden, hun wetenschap occultisme en hun studies occult, waarbij ze op de dingen doelden die ‘verborgen’, of aan het grote publiek onbekend waren. Zo’n middeleeuwse filosoof was Albertus Magnus, een Duitser; en ook Roger Bacon, een Engelsman, was er een; beiden leefden in de dertiende eeuw van de christelijke jaartelling.
    Daarom betekent occultisme, zoals wij de term gebruiken en zoals hij moet worden gebruikt, de studie van de verborgen dingen van het zijn, de wetenschap van het leven of van de universele natuur. In zekere zin kunnen we dit woord gebruiken om er de studie van ongewone ‘verschijnselen’ mee aan te duiden, en die betekenis heeft het tegenwoordig gewoonlijk bij mensen die niet denken, of niet willen denken, aan het enorm veel grotere terrein van oorzaken dat in feite door het occultisme wordt onderzocht. Verschijnselen hebben ongetwijfeld hun plaats in de studie, maar ze liggen als oppervlakkigheden als het ware op de grens, aan de rand van het occultisme. Als we het ware occultisme bestuderen, moeten we diep in de oorzakelijke mysteriën van het zijn doordringen; in deze studies hebben we dat inderdaad gedaan: stap voor stap zijn we dieper in het rijk van de oorzaken doorgedrongen.
    Om de bestemming van de ziel na de dood en vóór haar volgende wedergeboorte in een stoffelijk lichaam op dit gebied volledig te begrijpen, moeten we eerst opmerken dat er een groot aantal leringen over de dood bestaat waar we nu niet op in kunnen gaan. De reden voor onze noodzakelijke terughoudendheid en ons stilzwijgen is dat de leringen over de diepere mysteriën van de dood de sleutels verschaffen tot mysteriën van nog grotere betekenis en strekking, die vroeger altijd alleen aan enkele uitverkorenen werden medegedeeld. Ieder van u die de religieuze, mystieke wereldliteratuur wil onderzoeken, kan de bewijzen daarvan zelf vinden.
    Op eerdere bijeenkomsten hebben we de monade gevolgd op haar reis vanuit de latente toestand naar die van manifestatie, gezien van onder af. De monade is als het ware een geestelijk ‘atoom’; laten we haar vanavond een geestelijke radicaal noemen en dit woord radicaal in precies dezelfde betekenis gebruiken als H.P. Blavatsky deed toen ze over kometen sprak als ‘die langharige siderische radicalen’ – met enerzijds een tikje echte humor maar ook, door dit woord radicalen te gebruiken, doelend op een grote waarheid van de esoterische filosofie over kometen. U weet wat radicaal oorspronkelijk betekende. Het betekende een (kleine) ‘wortel’, van het Latijnse radix, en vandaar zijn toepassing op een komeet als de wortel of de kiem van een toekomstige wereld. Zo is ook een monade een radicaal in de beide betekenissen waarin zij het woord gebruikte: een ‘agressieve’ (in de zin van een uit zichzelf werkzame, zichzelf ontplooiende) entiteit, en ook een wortel, een kiem van een toekomstige god.
    Deze radicaal moet, om zelfbewustzijn en bewust zelfbewustzijn te verkrijgen, de schaduwboog omlaag volgen tot hij, als een integrerend deel van en behorend tot de hiërarchie die zich in dat manvantara ontwikkelt, het keerpunt van de grote cyclus in dat manvantara bereikt. Als het zijn karma is, heeft hij tegen die tijd bewust zelfbewustzijn verkregen en manifesteert hij zich op ons gebied als een mens. Daarna klimt hij omhoog langs de lichtende of opgaande boog, en als zijn cyclische pelgrimstocht voorspoedig verloopt, ontwikkelt hij zich tenslotte tot een god. Als we goed willen begrijpen wat we met hemelen en hellen bedoelen, moeten we deze algemene schets in gedachten houden.
    Het hele doel van de evolutie en de bestemming van de geestelijke radicaal is de verheffing van het bewust persoonlijke tot het bewust onpersoonlijke – een zo belangrijke gedachte dat we moeten zeggen dat ze het voornaamste denkbeeld en de wortel van de hele esoterische filosofie is. Een zelfbewuste god kan dit alleen zijn omdat hij een zelf als voertuig heeft waardoor hij kan werken; de geestelijke radicaal mist dit wanneer hij zijn cyclische pelgrimstocht begint. Het menselijke moet tot het goddelijke worden verheven.
    We gaan nu misschien de betekenis inzien van wat H.P. Blavatsky het verlies van de ziel noemde. Bij elke stap omlaag en naarmate het zelfbewustzijn van de monade zich in een manvantara langzaam en geleidelijk ontplooit, vormt ze zich voertuigen of ontwikkelt ze deze door afscheiding en uitscheiding, voertuigen die geschikt zijn om de krachten en de stof te leren kennen op de verschillende gebieden waar ze doorheen trekt en waarop ze zich manifesteert. Die op de hogere gebieden zijn ego’s en elk ego vormt door afscheiding zijn eigen bijzondere voertuig, ziel genoemd. Daarom is er voor elke stap omlaag een ego en een ziel; een tweevoudig voertuig voor de manifestatie van de monadische essentie op elk gebied. Het zelf, het innerlijkste bewustzijn, het geestelijk ‘ik ben’ loopt als een gouden draad door alles heen. De ego-ziel geeft de monade het besef van ‘ik ben ik’. Het zelf is echter in ons allen hetzelfde. Het ‘ik ben ik’ behoort alleen bij het ego. Daarom is het belangrijk het ego te ‘verlossen’. De hogere ego’s zijn verlost omdat ze in voorafgaande manvantara’s al waren verlost. Maar de lagere ego’s en hun zielen zijn opgebouwd uit de stof en het bewustzijn van dit manvantara, en zij moeten worden ‘verlost’. De toestand van menselijk bewustzijn waarin wij – de mensheid – nu in dit tijdperk en in dit manvantara leven, wordt bij het individu de menselijke ziel, het menselijke ego genoemd; en deze menselijke ziel en dit menselijke ego moeten worden ‘verlost’, omdat ons zelfbewustzijn daarin is samengetrokken. We gebruiken het woord verlost, omdat er geen betere term bij ons opkomt; het woord is in elk geval vertrouwd. Deze verlossing houdt in dat de ego-ziel moet worden bevrijd van de magnetische aantrekking van de stof.
    Maar wat gebeurt er als haar ontwikkeling niet is voltooid en ze op het laagste punt van de boog, voordat ze langs de lichtende boog omhoog begint te klimmen, niet in staat blijkt haar weg te vervolgen en faalt? Stel dat de aantrekking van de stof te sterk is en naar omlaag is gericht. In dat geval worden de banden met het hogere zelf langzaam verbroken, de gouden keten valt uiteen en alle inspanning van de monade is in dat manvantara voor niets geweest. De entiteit die de kringloop naar omlaag volgt is wat een verloren ziel wordt genoemd.
    Een verloren ziel heeft niets met de hemelen en de hellen te maken. Ook de toestand van nirvâ.na heeft niets met de hemelen en hellen te maken. De hemelen en hellen betreffen alleen de werkelijk menselijke entiteit, dat wil zeggen het menselijke ego en de menselijke ziel; alleen deze graad van bewustzijn, want daartoe behoren die bewustzijnen die gevoelens van geluk en leed kunnen begrijpen en ervaren. Het nirvâ.na gaat uit boven geluk en natuurlijk ook boven leed. Zijn tegenpool is nirvâ.na-avîchi, dat een volslagen contrast vormt met nirvâ.na; het is het laagste punt, de onderste pool van het bewuste bestaan.
    Wanneer het lichaam bij de stoffelijke dood uiteenvalt, blijven de astrale elementen in de ‘schaduwwereld’, terwijl het bewuste centrum dat tijdens het leven ermee verbonden was, met ze verbonden blijft en ze nog steeds bezielt. Bepaalde processen voltrekken zich daar, maar het is niet nodig vanavond tijd te besteden aan een bespreking van wat kâmaloka of devachan precies is. Wanneer de ‘tweede dood’ plaatsvindt na die van het stoffelijk lichaam – er zijn vele ‘doden’, dat wil zeggen, vele veranderingen van de voertuigen van het ego – wanneer de tweede dood plaatsvindt, wat gebeurt er dan met het menselijke centrum, de werkelijke mens? Er is gezegd dat het hogere deel ervan alles tot zich trekt dat naar dat hogere streeft en dat ‘alles’ met zich meeneemt naar devachan; en dat de âtman met de buddhi en met het hogere deel van manas – de zogenaamde menselijke ziel of het denkvermogen – daarna de geestelijke monade van de mens wordt. Strikt genomen is dit de goddelijke monade binnenin haar voertuig – âtman en buddhi – verbonden met het menselijke ego in zijn hogere mânasische element; maar na de dood worden ze tot één verenigd en worden dan de geestelijke monade genoemd.
    De menselijke monade ‘gaat’ naar devachan. Devachan is een Tibetaans woord en kan worden vertaald met ‘god-land’, ‘god-gebied’. Er zijn veel gradaties in devachan: de hoogste, de tussenliggende en de laagste. Maar anderzijds, wat gebeurt er met de entiteit, de lagere menselijke ziel, die zo is bezoedeld met aardse gedachten en de lagere instincten dat ze zich niet kan verheffen? Ze bezit misschien nog voldoende geestelijke kracht om haar als entiteit bijeen te houden en haar in staat te stellen een reďncarnerend wezen te worden, maar ze is bezoedeld en belast; ze neigt dan ook naar omlaag. Kan ze dan wel opstijgen naar hemels geluk? Kan ze zelfs wel naar de lagere gebieden van devachan gaan en daar iets ervaren van de heerlijkheid en vreugde van al wat edel en schoon is? Nee. Er is een passende sfeer voor elke graad van ontwikkeling van de ego-ziel; ze wordt tot die sfeer aangetrokken en blijft daar tot ze volkomen is gelouterd, tot de zonde als het ware is weggewassen.
    Dit zijn de zogenaamde hellen, die nog lager zijn dan de laagste delen van devachan; de hoogste delen van devachan zijn de arűpahemelen. Nirvâ.na is iets heel anders dan de hemelen. Nirvâ.na is een toestand van volstrekt geluk en volledig onbelemmerd bewustzijn, het opgaan in zuiver zijn; het is de wonderbaarlijke bestemming van hen die bovenmenselijke kennis, zuiverheid en geestelijke verlichting hebben verworven. Het is in feite een persoonlijk opgaan in of een vereenzelviging met het zelf – het hoogste zelf. Het is ook de toestand van de monadische entiteiten in de periode tussen de kleinere manvantara’s of ronden van een planeetketen; en in nog bredere zin tussen elke periode van zeven ronden, of dag van Brahmâ, en de daaropvolgende dag of nieuwe kalpa van een planeetketen. In deze laatste perioden, na het zevende gebied in de zevende ronde, zijn de monadische essenties zelfs de hoogste toestand van devachan ver voorbij. Ze zijn zelfs te zuiver en te vergevorderd voor een toestand zoals het devachanische geluk, en gaan naar de hun passende sfeer en toestand en dat is het nirvâ.na dat na het einde van de zevende ronde volgt.
    Wat zeggen de Ouden in hun exoterische religies over deze zogenaamde hemelen en hellen? Iedere oude religie leerde dat de zogenaamde hemelen zijn verdeeld in fasen of graden van steeds grotere gelukzaligheid en zuiverheid; en de zogenaamde hellen in fasen of graden van toenemende loutering of steeds groter lijden. De esoterische leer of het occultisme verklaart dat het ene geen straf is en het andere, strikt genomen, geen beloning. De leer is eenvoudig dat elke entiteit na de stoffelijke dood naar het passende gebied gaat waartoe de karmische bestemming van de entiteit haar magnetisch aantrekt. Zoals een mens in zijn leven werkt en zaait, zo en niet anders zal hij na de dood oogsten. Goed zaad brengt goede vruchten voort; slecht zaad onkruid – en misschien leidt een negatief en kleurloos leven zelfs niet tot iets dat van waarde of van geestelijk nut is. Er is geen ‘wet’ van karma; we herhalen, er is geen ‘wet’ van karma. Er zijn geen ‘wetten’ van de natuur, nogmaals, er zijn geen ‘wetten’ van de natuur. Wat is een natuurwet? Is een natuur‘wet’ een god? Is het een wezen? Is het een entiteit? Is het een kracht? Is het een energie? Als dat zo is, welke god brengt haar dan voort? Het woord wet is echter goed te gebruiken als we tenminste begrijpen wat we ermee bedoelen. Voor algemeen gebruik in begrijpelijke schrijftaal of in de spreektaal is er in onze tijd misschien geen beter woord te vinden. Maar laten we niet de fout maken door abstracties voor werkelijkheden te houden.
    Als we deze fout maken, zullen we bij onze studie van de prachtige leringen van het occultisme nooit een stap dichter komen bij een juist inzicht in de natuur. We moeten ons denken zuiveren van de verkeerde opvattingen die de westerse wetenschap en theologie ons hebben bijgebracht. De zogenaamde wetten van de natuur en de wet van karma zijn eenvoudig de verschillende werkingen van bewustzijnen in de natuur: het zijn in werkelijkheid gewoonten, gewoonten van wezens. Tegenover de abstracties van de westerse wetenschap en de theologie stellen wij de werkingen en de onontkoombare gevolgen daarvan van bewustzijnen en willen in de bestaansgebieden van de levenshiërarchieën. We doen eenvoudig onze intelligentie tekort en maken ons intellectueel belachelijk wanneer we de vicieuze cirkels van de materialistische theorie blijven volgen, en denken onze onderzoekende geest te hebben bevredigd door het werk van eindeloze reeksen wezens in de natuur te vervangen door een abstractie die wet of wetten heet. Denk erover na! Beseffen we wel dat geen enkele grote denker uit de oudheid voor het begin van de christelijke jaartelling ooit over natuurwetten heeft gesproken, alsof deze wetten levende wezens en deze abstracties werkelijke, handelende entiteiten waren? Hebben de navigatiewetten ooit een schip bestuurd? Trekt de wet van de zwaartekracht de planeten tot elkaar aan? Verenigt ze de atomen of brengt ze ze bijeen? Onzin. Dit woord wet is eenvoudig een abstractie, een uitdrukking voor het handelen van entiteiten in de natuur. De Ouden stelden werkelijkheden, levende wezens, in de plaats van wetten die, zoals wij de term gebruiken, slechts abstracties zijn; ze lieten zich niet zo gemakkelijk door woorden voor de gek houden. Ze noemden ze goden. Goed, laten we ze goden noemen. Ze noemden ze geestelijke entiteiten. Goed, noem ze zo. Noem ze dhyâni’s of geef ze een andere naam als u wilt. Maar geloof in reële levende wezens, in werkelijkheden en richt daarop uw aandacht en niet op nietigheden en abstracties, die behalve in het spraakgebruik geen betekenis hebben.
    Laten we als voorbeeld de oude brahmaanse leringen nemen. Daarin komen veel verdelingen van hemelen en hellen voor; maar de gebruikelijke verdeling is die in zeven lagere gebieden of loka’s of hellen, of oorden van helse verschrikking, en zeven hogere loka’s die we hemelen kunnen noemen. De boeddhistische leer telt meestal 21 hellen, gewoonlijk nâraka’s genoemd. De boeddhisten gebruikten het woord loka’s ook voor de hogere gebieden; maar bedenk dat deze hogere en lagere gebieden of graden in alle oude stelsels verschillende niveaus naar omhoog en omlaag kenden. Op het hoogste volgden alle andere, die bij elke stap omlaag minder gelukzaligheid en zuiverheid vertoonden en steeds stoffelijker en minder gelukkig werden, totdat ze onmerkbaar in de hogere hellen overgingen en daar nog verder verstoffelijkten tot het einde van de hiërarchie van deze stadia was bereikt.
    Tot de allerlaagste van deze hellen rekenden de boeddhisten avîchi. Dit is een Sanskrietwoord dat in het algemeen ‘zonder golven’ betekent, dat wat geen golven of beweging vertoont en dat een stilstand van het leven en een toestand van onbeweeglijkheid aanduidt; het betekent ook ‘zonder geluk’ of ‘zonder rust’; daaronder begint een andere hiërarchie, een nieuwe wereld. Wat een eindeloze wereld van gedachten opent zich hier voor ons!
    Omdat we vanavond niet veel tijd meer hebben, kunnen we hier slechts een schets geven van de leringen over de hemelen en de hellen. Door eerst een algemeen beeld te geven, volgen we onze gebruikelijke studiemethode. Eerst proberen we een algemene schets en een algemeen overzicht te geven om later als we verdergaan met ons onderwerp de nodige details aan te brengen, hoewel we herhaaldelijk en met opzet andere leringen zullen aanroeren die ermee verband houden. Op deze manier volgen we het oude stelsel of de oude methode om deze ver schillende onderwerpen te onderwijzen. In onze hedendaagse westerse onderwijs instellingen is het gebruikelijk, misschien wel een dwingende eis, dat de docent alle details van het onderwerp waaraan hij is begonnen tot het einde toe behandelt. Hij begint met een bepaalde lijn van onderzoek en wijkt niet daarvan af voordat alles wat de theoretische en praktische kant betreft, of wat daartoe zou behoren, bekend is of bekend wordt geacht; en wanneer dat geheel is uitgeput en het verstand in die vorm geheel gekristalliseerd en vermoeid is, richt hij zich op een nieuw onderzoeksobject. Deze methode is volstrekt tegennatuurlijk. Geen enkel kind of volwassene leert de levenslessen op zo’n gekunstelde manier. De Ouden kenden de psychologie van het onderwijs geven en ontvangen beter. Zij gaven eerst een algemeen overzicht, zoals iemand heeft die op de top van een berg staat en de hele omgeving overziet; hij vormt zich daarvan in grote lijnen een beeld dat hij in zijn denken vasthoudt; en wanneer hij in het dal afdaalt, kan hij gemakkelijk daarin alle noodzakelijke bijzonderheden invullen. Dit is de methode van de natuur, als we het zo mogen uitdrukken; het wordt de platonische methode genoemd: eerst het algemene, dan het bijzondere. In de logica heet dit de deductieve methode die tegenover de aristotelische of inductieve methode staat, waarop het moderne westerse onderwijs berust.
    De Egyptenaren leerden, zoals we uit hun papyrusrollen weten, het bestaan van vele sferen na de dood, van vele gebieden van gelukzaligheid en schoonheid en van vele gebieden van lijden of loutering, sferen waar de gestorven entiteit doorheen moest gaan voordat ze een van de beide bestemmingen van het leven na de dood bereikte: de hemel of de hel. De leraren uit de oudheid stelden de loop van het leven na de dood allegorisch voor, en op die manier hielden ze de intuďtie levend en werkzaam zonder verboden zaken, geheimen of mysteriën van de heiligdommen aan te roeren. Laten we in dit verband als illustratie de leer van de mithra ďstische religie nemen, die er eens bijna in slaagde de christelijke leer volledig te verdringen. De mithraďsten onderwezen het bestaan van zeven (en negen) hemelen, elk voorafgegaan en gevolgd door een andere van respectievelijk lagere en hogere aard; en elk moest worden bereikt met een ‘ladder’, wat slechts een aanschouwelijke, kernachtige manier van uitdrukken was. Natuurlijk bedoelden ze alleen dat de ladder een voorstelling was van de stappen, treden of stadia die de ziel omhoog moest beklimmen om het doel te bereiken; de ladder stelde bovendien de stadia van de hiërarchie voor – de treden, gebieden en sferen waaruit ze is opgebouwd. Ze hadden ook hun zeven graden van inwijding, gebaseerd op de in de natuur bestaande opklimmende schaal; en nog twee andere graden die als te heilig werden beschouwd om er openlijk over te spreken; in totaal dus negen graden.
    Hoe dachten de Scandinaviërs erover? Neem het geval van hun Niflheim, een woord dat ‘nevelachtige (of mistige) verblijfplaats, tehuis’ of ‘woning’ betekent. Dit nevelachtige gebied was het negende, in hun stelsel het laagste, en het bestond zelf uit negen kleinere werelden of sferen. De schrijvers van de Edda’s gingen bij hun onderricht voorzichtig te werk, maar ze gaven ons voldoende stof om ons duidelijk te maken dat ze precies dezelfde leringen bezaten als elders in de wereld worden aangetroffen. Ik spreek nu meer in het bijzonder over de Edda in proza, die in haar esoterische toespelingen meer onthult dan de poëtische Edda, de Edda in dichtvorm. Volgens het prozawerk was het aan de ene kant van de kosmische ruimte, de noordkant, koud en somber, en het geeft aan deze sfeer de naam van Nifl, ‘nevelachtig gebied’, wat de betekenis van die naam generaliseert. Nifl had negen verdelingen of graden, maar Nifl was speciaal de naam van de laagste van de negen, al gaf de Edda die naam aan de hele reeks van negen sferen aan de noordkant. Een tussengebied was het Ginnungagap, een Oudnoors woord dat misschien kan worden vertaald met ‘gapende afgrond’, of diepste afgrond (of kloof); dit was de middelste of tussenliggende sfeer. Dan kwam Muspellheim in het zuiden, een plaats van vuur en vlammen en warmte, niet noodzakelijk zoiets als de christelijke hel, want ze leek inderdaad meer op een hemel dan op een hel; er woonden elementale of goddelijke wezens, wat voor de Scandinaviërs, die zoveel koude moesten verduren, een natuurlijke gedachte was. Hun hel was koud, en de hellen van de volkeren die zuidelijker woonden, waren heet – woorden die slechts een geschikt middel waren om dingen te zeggen die door het volk gemakkelijk konden worden begrepen.
    Wat geloofden de eerste christenen of de christenen uit de middeleeuwen met betrekking tot hemel en hel? Laten we als voorbeeld de beschrijvingen nemen van Dante, de grote Italiaanse dichter, want hij geeft de oude heidense leer in sommige opzichten bijzonder goed weer, weliswaar steeds in enigszins verdraaide vorm, maar toch zo dat we in alles wat hij schreef de oude waarheid kunnen herkennen. Het is veelbetekenend dat hij in zijn inferno’s of hellen en in zijn vagevuur de grote Latijnse dichter Virgilius tot zijn leidsman maakte, maar toen hij toe kwam aan de beschrijving van de hemelen, had hij uit gepaste eerbied voor zijn christelijke leermeesters en de christelijke tijd waarin hij leefde, een christelijke gids, zijn Beatrijs, en moest hij natuurlijk zijn christelijke leringen volgen. Dante verdeelt zijn hellen in negen kringen. Zijn vagevuur verdeelt hij in zeven kringen, voorafgegaan door het voorvagevuur en gevolgd door het aardse paradijs, wat in totaal ook negen is. Hij laat zien dat van deze hellen en van deze verdelingen van het vagevuur – plaatsen van loutering – de laagste de verschrikkelijkste is; de tweede erboven is niet zo afschuwelijk, de derde weer minder dan de tweede, en zo verder omhoog door de achttien kringen of graden van hellen en vagevuur tot de hoogste van het vagevuur, die nauwelijks of helemaal niet onaangenaam is. Tenslotte verdeelt Dante zijn hemelen in negenen en daarboven is het empyreum, de verblijfplaats van God en zijn engelen!! Er zijn dus negen hellen, zeven verdelingen van het vagevuur met het voorvagevuur en het aardse paradijs – eveneens negen; negen hemelen; het empyreum: 9+9+9+1 = 28 afdelingen van niet-stoffelijk leven, waarvan elk is bestemd om na de dood bepaalde ondeugden te straffen of bepaalde deugden te belonen. Een merkwaardig getrouwe, merkwaardig verwrongen en vaak groteske parodie van de archaďsche leer.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 163-73

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag