HOOFDSTUK 17
DE STILLE
WACHTER.
Ontelbare generaties lang heeft
de adept een tempel gebouwd van onvergankelijke stenen, een reuzentoren
van ONEINDIG DENKEN, waarin de titan woonde en,
als dat nodig is, alleen zal blijven wonen, om er slechts uit tevoorschijn
te treden aan het eind van iedere cyclus om de uitverkorenen van de
mensheid te vragen met hem samen te werken en op hun beurt te helpen
de bijgelovige mens te verlichten. En wij zullen dat periodieke werk
van ons voortzetten; we zullen ons van onze filantropische pogingen
niet laten afbrengen, tot op die dag dat de grondslagen voor een nieuw
continent van denken zo stevig zijn gelegd dat geen enkele tegenstand
en domme kwaadwilligheid, geleid door de broeders van de schaduw, de
zege zal kunnen behalen.
Maar tot die dag van de eindoverwinning zal er iemand moeten worden geofferd – al aanvaarden we alleen vrijwillige slachtoffers. De ondankbare taak heeft haar [H.P.B.] neergehaald en eenzaam in het puin van ellende, wanbegrip en afzondering achtergelaten: zij zal echter haar beloning in de toekomst ontvangen, want wij waren nooit ondankbaar. Wat de adept betreft – niet een van mijn soort, goede vriend, maar veel hoger – zou u uw boek hebben kunnen besluiten met die regels uit Tennysons ‘Wakeful Dreamer’ – u kende hem niet –
‘Hoe zou u hem kennen? U was nog in
‘Een enger cirkel; hij had welhaast bereikt
De laatste, die, in een sfeer van witte vlam,
Puur, zonder hitte, in een ruimer lucht
Opbrandend, en een ether van zwart blauw,
Alle andere levens omsluit en omvat. . . .’
– De Mahatma Brieven, blz. 57-8
We lezen eerst een gedeelte van de passages uit De Geheime Leer (1:235), die ook op de vorige bijeenkomst zijn gelezen:
De arhats van de ‘vuurnevel’ van de 7de rang zijn maar één stap verwijderd van de oorsprong van hun hiërarchie – de hoogste op aarde en van onze aardketen. Deze ‘oorsprong’ heeft een naam die alleen door een samenstel van een aantal woorden kan worden vertaald – ‘de altijd levende menselijke Waringin’. Men zegt dat dit ‘wonderlijke Wezen’ in het eerste deel van het derde tijdperk, vóór het scheiden van de geslachten tijdens het derde Ras, uit een ‘verheven gebied’ is neergedaald.
En we lezen de laatste alinea op blz. 236:
Onder de rechtstreekse, stille
leiding van deze MAHA - (grote) - GOEROE
werden alle andere minder goddelijke leraren en instructeurs van de
mens vanaf het eerste ontwaken van het menselijke bewustzijn de gidsen
van de vroege mensheid. Van deze ‘zonen van god’ kreeg de jeugdige mensheid
haar eerste kennis van alle kunsten en wetenschappen, alsmede van geestelijk
weten; en zij legden de eerste steen van die oude beschavingen die onze
huidige generatie van onderzoekers en geleerden zo verbijsteren.
Zoals we op de vorige bijeenkomst
opmerkten, zijn we toe aan een deel van onze studie waarbij we, om de
woorden van de oude denkers te gebruiken, bijna het gevoel hebben ons
van ons schoeisel te moeten ontdoen omdat we op heilige grond staan. Deze
prachtige passages geven in feite een korte omschrijving van de betekenis
van het zevende van de zeven juwelen of schatten van wijsheid, dat de
technische term âtmavidyâ draagt. Deze uitdrukking betekent letterlijk
‘zelfkennis’.
Het Sanskrietwoord âtman is bijzonder moeilijk
te vertalen, maar ons woord ‘zelf’ lijkt de betekenis ervan het meest
te benaderen. âtmavidyâ betekent veel meer dan we gewoonlijk onder de
woorden ‘kennis van het zelf’ verstaan; maar als we het zelf volledig
kenden, zouden we over alle kennis beschikken die voor een mens mogelijk
is. Daarom is die technische term eraan gegeven als aanduiding van die
tak van de esoterische filosofie die dit zevende juweel behandelt. Zoals
de zaken nu staan kunnen we slechts fragmenten van deze tak van de esoterische
filosofie kennen. Ons is verteld dat er in de oude geschriften, vooral
in het Sanskriet, op wordt gezinspeeld dat zelfs de meest geestelijke
wezens op aarde in onze tijd niet volledig weten wat dit juweel omvat.
Er zijn op het ogenblik misschien nog geen dozijn denkende wezens op aarde,
waartoe natuurlijk de allerhoogste en heiligste mensen behoren die de
aarde tot aan de huidige periode van evolutie heeft voortgebracht, die
het in enig opzicht ten volle kunnen begrijpen. Maar bepaalde gedeelten
van dit verheven wijsheidsmysterie kunnen we ons eigen maken en begrijpen,
en deze zullen we vanavond naar beste vermogen proberen toe te lichten.
Op de vorige bijeenkomst hebben we opgemerkt dat
deze zevende schat of dit zevende juweel kan worden gezien als een studie
van het probleem: hoe wordt het ene het vele? We hebben echter eraan toegevoegd
dat het ene in werkelijkheid nooit het vele wordt. Men zou evengoed kunnen
zeggen dat de zon die ons licht geeft daarvoor naar de aarde komt, maar
dat doet hij niet. Hij zendt zijn stralen uit, emanaties van zichzelf,
die onze stoffelijke wereld verlichten, bezielen en stimuleren. Hetzelfde
is het geval met het ene.
Wat bedoelen we met het ene? Het is duidelijk
dat we niet de persoonlijke God van een exoterische theologie bedoelen.
Hoe groots, hoe veelomvattend in geestelijke zin wij ons dat ene ook voorstellen,
het is niettemin een eenheid, een wezen, en daarom eindig. Voor een verklaring
van ons probleem gaan we dan ook bij een van de andere van deze zeven
schatten te rade. We vinden dan een verduidelijking van dit bijzondere
onderdeel van ons probleem in de loka’s – een technische term voor hiërarchieën,
zoals ook brahmânda of ‘ei van Brahmâ’ dat is – waarvan het
ene de oergrond is als we het beschouwen als de oorsprong van
alle wezens en dingen in die hiërarchie; of de bloem of top als we het
zien als het doel en de bestemming van onze evolutie. Dat is dus het ene.
Maar er zijn in het kosmische heelal andere enen; ontelbare enen; sommige
hoger dan ons hoogste of lager dan ons laagste niveau.
U zult zich ongetwijfeld herinneren dat toen we
de leer van de hiërarchieën bestudeerden, we erop hebben gewezen dat hun
aantal oneindig is. Elk van deze hiërarchieën kan worden beschouwd als
een eenheid; er zijn er vele boven ons en vele beneden ons; ontelbare
boven ons en ontelbare beneden ons; ontelbare binnen en ontelbare buiten
onze kosmische hiërarchie. Hun aantal is in alle richtingen onbeperkt.
Maar uit dit ene van onze hiërarchie, en we bedoelen in dit geval
de universele kosmos of het kosmische heelal, komt ons hele leven, ons
hele zijn voort, al wat wij uiterlijk en innerlijk zijn. Het is de bron
en oorsprong van alles wat we kunnen zijn en wat is te kennen, en werkt
in en op de achtergrond van het grenzeloze dat het onbegrensde geheel
van alle andere hiërarchieën omvat.
De meest uitgestrekte, de meest omvattende en
onmetelijke hiërarchie van onze onbelemmerde verbeelding is niet meer
dan een stofje, een enkel atoom, vergeleken met het grenzeloze. Het grenzeloze
kan nooit en in geen enkel opzicht als één worden beschouwd, als
slechts een eenheid. Eén betekent het eindige, het begin bij rekenen
of tellen; en we moeten over het grenzeloze denken als een nul; als een
aanduiding van de onbegrensde oneindigheid die geen enkele van de eigenschappen
bezit die eigen zijn aan al wat gemanifesteerd of beperkt is; en anderzijds
als aanduiding van de alomvattende, eindeloze, grenzeloze volheid van
het Al. Dit is de ruimte, die ňf de onbeperkte volheid van het Al, ňf
de onbeperkte leegte van het Al is, al naar gelang de manier waarop we
haar beschouwen. Laatstgenoemde zienswijze is het diepzinnige sűnyatâ
van de boeddhistische filosoof.
Laten we ons nu een ogenblik met een ander en
verwant onderwerp bezighouden. Hebben we ooit nagedacht over de betekenis
van het woord onveranderlijk, wanneer men het gebruikt, zoals soms
gebeurt, als er over onderwerpen wordt gesproken zoals de ruimte, het
grenzeloze, enz.? Hebben we er ooit bij stilgestaan dat als het grenzeloze
zelfs maar een fractie van een seconde onveranderlijk zou blijven, de
hele structuur van het universele kosmische zijn in een oogwenk zou verdwijnen,
zoals een schaduw op een muur! Al wat we van een zo oneindig veelomvattend
onderwerp als het grenzeloze kunnen weten of ons ervan kunnen voorstellen,
zijn zulke in vage bewoordingen of termen uitgedrukte gedachten als ‘grenzeloos
leven’, wat beweging is: activiteit zonder begin en zonder einde.
Onveranderlijkheid is een hersenschim, niet meer dan een weerspiegeling
in ons denken van een beperkte rustpauze. In de eindeloze gebieden van
het grenzeloze is voortdurende beweging, ononderbroken leven zonder begin
en zonder einde.
Wanneer we over het ene, de top of de oergrond
van onze eigen hiërarchie nadenken – of van een andere hiërarchie – kunnen
we de ware betekenis daarvan met onze geestelijke intuďtie begrijpen;
maar als we verdergaan dan die hiërarchie, stap voor stap hoger gaan van
lagere naar hogere gebieden, zullen en moeten we altijd een punt bereiken
waarop ons begrip en onze verbeeldingskracht machteloos staan tegenover
de grootsheid van het (voor ons) ondoorgrondelijke, omdat we het
op geen enkele manier kunnen omvatten of begrijpen; we kunnen slechts
inzien dat het oneindige leven, dat in zijn voortdurende, nooit
eindigende beweging steeds onveranderlijk hetzelfde is, in Het is
en uit Het voortkomt. Alleen in deze paradoxale zin is het woord onveranderlijk
geoorloofd. Dit wat het grenzeloze betreft. Wat het ene aangaat, dit
is naar analogie slechts onveranderlijk gedurende zijn eigen
periode van activiteit, als oorsprong van een hiërarchie en alleen voor
wat lager staat. U zult daarom zien dat in onze boeken nu en dan wordt
gesproken over de ‘onveranderlijke wet’ die zich in de ‘zeven eeuwigheden’,
die onze periode van manifestatie duurt, niet wijzigt en geen spoor van
verandering vertoont’. En waarom niet? Omdat die hoogste top, dat ene,
de verheven stille wachter is, de verheven schenker van leven, het grote
offer, om de woorden van H.P. Blavatsky te gebruiken, van onze eigen grote
kosmische hiërarchie, die de hoogste is die we ons kunnen voorstellen.
Maar verwar deze verheven stille wachter niet met de stille wachter
van de lagere hiërarchie van leraren.
Wanneer onze hiërarchie in pralaya gaat – dat
betekent dat het geheel aan leven en levens vrijkomt voor hogere en geestelijke
dingen van grotere betekenis en edeler strekking dan die we nu bezitten
of ons zelfs maar kunnen voorstellen – wanneer dat gebeurt, zeg ik, is
het alsof een wolk die tot dat ogenblik het ‘gelaat van het grenzeloze’
bedekte, wegtrekt en dan komen talloze andere heelallen tot gemanifesteerd
leven, terwijl het onze zich daaruit terugtrekt om zijn pralayische rust
te beginnen. Probeer u enig begrip te vormen van de betekenis van een
eeuwigheid zonder begin en zonder einde en van het grenzeloze, en laat
het daarbij: overal eeuwig leven, voortdurende activiteit, nooit eindigend
leven en bewustzijn in een onophoudelijke beweging. Het zijn alleen ‘delen’
– die vergeleken met het geheel, het grenzeloze, als niets zijn – het
zijn alleen zulke delen bij wijze van spreken, dit deel of een ander deel,
die in hun mâyâ van gemanifesteerd leven en ongemanifesteerde rust afwisselend
actief of passief zijn, verdwijnen en dan weer terugkeren. De wijzen uit
de oudheid braken zich nooit erg het hoofd over de dwaze poging het grenzeloze
of het onbeperkte eeuwige te doorgronden. Ze herkenden de werkelijkheid
van het zijn en lieten het daarbij, in het besef dat al wat de menselijke
intelligentie ooit kan bereiken een steeds grotere kennis is van het universele
leven.
Dit afwisselend verschijnen en verdwijnen van
werelden of hiërarchieën is de leer die in het eerste van de zeven juwelen
of schatten van wijsheid is belichaamd. Zoals de menselijke geest zijn
straal omlaag zendt en door middel van die straal reďncarneert in een
mens van astrale stof, van gedachtestof en van vlees, zo volgt een hiërarchie
relatief gezien dezelfde weg wanneer voor haar de tijd is aangebroken
om zich opnieuw te belichamen en haar taak van palingenese of herhaalde
zelf-voortbrenging weer op te vatten. Laten we nooit het oude axioma van
de esoterische wijsheid vergeten dat de hermetisten zo prachtig onder
woorden brachten: Zo boven, zo beneden. Wat in de hemel gebeurt,
wordt mutatis mutandis op aarde weerspiegeld. De palingenese van
de mens als een microkosmos is slechts een getrouwe kopie van de palingenese
van werelden, van zijn eigen kosmische hiërarchie als macrokosmos.
Laten we ons nu bezighouden met het hoofdthema
van vanavond. Zoals de top van onze hiërarchie één is, de wortel van ons
ens, waarin we ons bewegen en leven en ons bestaan hebben, zoals
de christelijke apostel Paulus het uitdrukt, zo is er ook in de geestelijk-psychische
hiërarchie een één, waarin we allen zijn geworteld en waarin we in psychische,
mystieke en religieuze zin, ja zelfs in onze aspiraties, leven. Deze
ene is de grote inwijder, het grote offer, het wonderlijke wezen, waarop
H.P. Blavatsky doelt, het verheven hoofd van de hiërarchie van leraren.
Daaraan ontspringen onze edelste impulsen die via ons hogere zelf tot
ons komen; daaraan ontspringen het leven en de aspiratie die we voelen
en die vaak ons denken en ons hart beroeren; via onze hogere natuur komt
daaruit de drang tot verbetering voort en het besef van trouw en waarheid,
alle dingen die het leven heilig, luisterrijk en edel maken en waard geleefd
te worden.
In het derde ras van de mensheid van deze vierde
ronde op deze bol ontwikkelde de geďncarneerde straal in elk van de eenheden
van de toenmalige mensheid zijn voertuig (door dit voertuig uit zichzelf
voort te brengen, geschikt om daarin zichzelf, de innerlijke, goddelijke
geest, tot uitdrukking te brengen); en toen was dat voertuig, of die ziel,
zelfbewust geworden. Met het verstrijken van de tijd brak er een periode
aan waarin het mensenras de hulp nodig had van iemand die de dingen verklaart,
een gids of leraar, omdat het met elke ondercyclus van het grote tijdperk
snel en steeds meer in de stof en de daaruit voortvloeiende illusie en
geestelijke verdorvenheid wegzonk, want dat brengt de evolutie van de
stof met zich. De dhyân-chohans, de heren van meditatie, die mensen waren
uit een vroegere lange periode van activiteit van onze planeet Terra,
wezens uit een vorig manvantara, verlieten toen deze aarde of trokken
zich terug. Ze hadden hun cyclische werk al voltooid en alles gedaan wat
ze konden om de mensheid van toen te bezielen, te inspireren en te verlichten;
maar ze hadden nu opvolgers nodig die meer overeenkomst vertoonden met
de in de stof verzinkende mens van die tijd. Door een mysterie, dat we
hier niet nader kunnen uiteenzetten, werden de edelste vertegenwoordigers
van de toenmalige mensheid, de rechtstreekse en gewillige voertuigen van
de zelfbewuste stralen van deze dhyân-chohans, heren van meditatie. Het
was niet precies wat in het brahmanisme een avatâra wordt
genoemd – een ‘nederdaling’, dat wil zeggen de overschaduwende
incarnatie van een deel van een verheven geest in een hoogstaand
mens; het betekende in feite dat een deel van de essentie van een dhyân-chohan
(volledig bewust aan beide kanten, en betrekkelijk compleet) verbleef
in een volledig bewust, bereidwillig en zich volkomen opofferende mens
van hoge ontwikkeling. Let wel: de hoogste van deze incarnaties, de edelste
vrucht die de menselijke evolutie tot die tijd had voortgebracht, werd
letterlijk het hoofd van deze geestelijk-psychische hiërarchie, en
was in zijn geval inderdaad een mens vervuld van een dhyân-chohan: wat
in feite een geďncarneerde god kan worden genoemd. Dit was – en is
nog steeds – de stille wachter, de inwijder, het wonderlijke wezen, het
grote offer – ‘offer’ om redenen die ik elders zal uiteenzetten.
Laten we hier onderbreken en even van ons onderwerp
afstappen. Laten we stilstaan bij de immense hoop, de grote intellectuele
luister en de geestelijke schoonheid die deze leringen bieden. Ze zijn
inderdaad de moeite van het overdenken waard! Als de theosofie, de esoterische
wijsheid, al iets is, dan is het een veelomvattende leer van hoop, niet
van alleen maar optimisme zoals het woord gewoonlijk wordt opgevat, maar
een leer van bezielende hoop en innerlijke verlichting. In deze schitterende
leringen ligt het pad waarlangs we omhoog kunnen klimmen. Het hangt vooral
van onszelf af of onze reis omhoog langs die straal die in ieder van ons
leeft en werkt, wordt volbracht of niet; en – luister alstublieft goed
– of we omhooggaan omdat we ons via dat wezen bewust met het hoogste
hebben verbonden of niet. Dat wezen, dat wonderlijke wezen ‘komt’ niet
‘omlaag’ en ‘daalt’ niet in ons ‘af’, want dit zou voor dat wezen een
ontoelaatbare bezoedeling betekenen; niettemin zijn wij door de straal
in ons ermee verbonden. Zoals de zon ontelbare stralen uitzendt en toch
altijd de zon blijft, zo wordt via dit wezen, als de wortel van onze geestelijk-psychische
hiërarchie, een straal uitgezonden die elk normaal kind dat ter wereld
komt, bezielt en doordringt.
Het hangt van onszelf af of we langs die straal
omhooggaan of dat we, zoals op de vorige bijeenkomst is opgemerkt, ons
goddelijke geboorterecht prijsgeven en gehoor geven aan de lokstem van
de chaos en de afgrond – ons overgeven aan de uitwasemingen van de ‘hel’.
Er zijn misschien mensen die de betekenis van het woord vernietiging zoals
wij dit gebruiken niet hebben begrepen. Laten we goed begrijpen dat vernietiging
strikt genomen een voorbeeld is van wat Katherine Tingley het ‘oneindige
mededogen van de hogere wet’ noemt. Een nachtmerrie zoals ‘eeuwig lijden’
bestaat niet. Die mensen die hun goddelijke geboorterecht hebben verspeeld
gaan te gronde; ze verliezen hun persoonlijke entiteit, en als
dat gebeurt, blijft er slechts een lege psychische schil over. Wanneer
we ons lichaam bij de dood afleggen, wanneer het uiteenvalt en de atomen
ervan worden teruggestuurd naar de aarde die het geboren deed worden,
is dat dan zoiets verschrikkelijks? Ga uit van dezelfde regel en pas deze
toe op het geval van de verloren zielen, waarover we op een eerdere bijeenkomst
hebben gesproken.
Als iemand een meesterlijke uiteenzetting over
dit onderwerp verlangt, laat hij dan De Sleutel tot de Theosofie,
blz. 84-6 en 104-6 opslaan, waar hij vindt wat H.P. Blavatsky haar lezers
over vernietiging zegt, meer in het bijzonder in verband met de boeddhistische
leer zoals de Heer Gautama de Boeddha die onderwees. Waarom ik de ‘Heer’
Boeddha zeg, zal dadelijk worden toegelicht.
Dit wonderlijke wezen is de chef, de meester-ingewijde,
het hoofd en de leider van de geestelijk-psychische hiërarchie waar de
meesters deel van uitmaken. Hij is de ‘altijd levende menselijke waringin’,
waarvan zij in geestelijke zin de bladeren en vruchten zijn. Dat zijn
ook wij, geestelijk gezien. Ons wordt geleerd dat, voorzover de grote
geestelijke zieners weten, op iedere bol, op elke door mensen bewoonde
planeet van iedere zon in de oneindigheid van de ruimte, dezelfde situatie
bestaat. Alle hebben aan het hoofd een meester-leraar aan wie steeds de
benaming het ‘GROTE OFFER’ toekomt die H.P. Blavatsky
hem geeft en die ze van haar eigen leraren heeft overgenomen. Waarom wordt
hij zo genoemd? Omdat hij uit oneindig mededogen met hen die lager op
de ladder van de evolutie staan dan hijzelf, alle hoop en kans heeft opgegeven
in dit manvatara zelf een grotere hoogte te bereiken en deze wereld vol
leed te verlaten; hij blijft achter als onze grote inspirator en leraar.
Hijzelf kan over deze hiërarchie niets meer leren, omdat hij alle kennis
die daarop betrekking heeft of daarin mogelijk is, reeds bezit. Hij heeft
zichzelf geofferd voor allen die lager staan dan hijzelf.
Sommige mensen spreken over een dergelijk offer
alsof het iets afschuwelijks of slechts is! Maar is er iets mooiers en
verheveners dan zichzelf in edele dienst aan anderen – aan allen
te geven? Is er iets dat meer kan bijdragen tot de verheffing van de mens?
Is er iets dat het hart meer ontsluit? Is er iets dat de deuren van inspiratie
wijder opent? En is er aan de andere kant iets dat deze deuren sneller
sluit of de mens meer verlaagt, het zelf sneller doet verschrompelen dan
het tegenovergestelde: persoonlijkheid, zelfzucht, egoďsme? Er schuilt
inderdaad vreugde, onuitsprekelijke vreugde, in zelfopoffering van een
zo verheven soort. Het wonderlijke wezen wordt technisch het grote offer
genoemd, omdat hij het hoogtepunt van de evolutie in deze hiërarchie heeft
bereikt en dus niets meer in of over onze hiërarchie kan leren. Hij heeft
weloverwogen van verdere vooruitgang voor zichzelf in ons manvantara afgezien,
en dat is werkelijk het grootste van alle offers. Hij heeft dat opgegeven
om zijn leven te kunnen wijden aan die lager staande wezens die vermoeid
zijn en op het pad omhoog voortstrompelen, en geeft zo gehoor aan de innerlijke
roep die ligt besloten in de edele gedachte: ‘Hoe kan ik in de hemel zijn
wanneer één enkel wezen op aarde moet lijden?’ Dit doet denken aan het
oude verhaal van de Schot die, toen zijn dominee hem vertelde dat zijn
hond niet met hem mee kon naar de hemel, onmiddellijk antwoordde: ‘Ach,
dominee, als mijn trouwe hond niet met me mee mag naar de hemel, blijf
ik hier op aarde bij hem; want hij zou mij nooit in de steek laten!
Daaruit spreekt iets van dezelfde geest van toewijding.
In het grote Indische epos, het Mahâbhârata,
komt een verhaal voor dat daarmee sterke overeenkomst vertoont. Het gaat
over een van de grote helden in dat werk die op zijn weg naar svarga
of de hemel allerlei zware beproevingen ondergaat die hij alle met succes
doorstaat; maar als hij tenslotte bij de hemel aankomt, ontmoet hij de
deva’s die hem zeggen: ‘Broeder, uw trouwe hond mag hier niet naar binnen’.
Waarop hij antwoordt: ‘O, dan ga ik met mijn hond terug, mijn trouwe metgezel
die van me hield en die me overal heeft gevolgd. Moet ik hem in de steek
laten en buitensluiten?’ Volgens de prachtige legende zetten de deva’s
daarop de hemelpoorten wijd open en de hemelse koorzangers hieven een
lofzang en welkomstlied aan voor de trouwe held die zijn eigen onuitsprekelijke
gelukzaligheid zou hebben opgegeven ter wille van een liefhebbend en trouw
schepsel dat minder ver was ontwikkeld dan hijzelf.
Dit is de geest van zelfverloochening voor anderen,
zoals die in legenden en verhalen tot uitdrukking komt. Bestaat er iets
mooiers?
Laten we nu een stap verdergaan: We laten ons
onderwerp enkele ogenblikken rusten, en nemen opnieuw een kwestie op die
misschien niet volledig is begrepen, omdat ze op de vorige bijeenkomst
mogelijk onvoldoende is uiteengezet. Wij zeiden toen dat er twee klassen
van verloren zielen zijn. Dat is volkomen juist. We moeten er echter op
wijzen dat er in de tweede van deze beide klassen twee onderverdelingen
zijn, en deze twee onderverdelingen van de tweede klasse betreffen diegenen
die zonder meer de oude christelijke benaming van ‘bewerkers van geestelijk
onrecht’ verdienen. De eerste onderverdeling omvat diegenen die gewoonlijk
bewuste tovenaars worden genoemd; de tweede omvat hetzelfde soort wezens
maar ook zij die zoveel innerlijke kracht, ja zoveel duivelse geestelijke
macht hebben verworven dat ze zelfs in staat zijn gedurende het hele manvantara
weerstand te bieden aan de ontbinding die door de natuur wordt verlangd.
Zij verdienen terecht de oude mystieke aanduiding ‘bewerkers van geestelijk
kwaad’.
Om een beter inzicht te krijgen in dit moeilijke
onderwerp kunnen we onderstaand schema, dat een beknopt overzicht geeft
van de verschillende bewustzijnen in een hiërarchie, raadplegen en overdenken:
|
Dhyân-chohans
Boeddha’s
Mahâtma’s
Chela’s
|
 |
. . . . De ‘ontwaakten’ van verschillende
graad. |
Goede mensen
Zielloze mensen |
|
. . . . Heel talrijk; de ‘levend doden’. |
|
Klasse 1
|
|
Door en door slechte
mensen; heel weinigen. |
 |
Verloren zielen: die dit zijn
of zullen zijn. Allen op weg naar vernietiging. Klasse 2 uiterst gering
in aantal. |
| |
|
|
Klasse 2
|
 |
Geestelijke tovenaars
Onderverdeling 1
Chohans van bewust kwaad
Onderverdeling 2 |
Het hele stelsel hangt als een keten aan het oorspronkelijke zaad, de oergrond van de hiërarchie.
De eerste onderverdeling omvat degenen die vernietigd
worden wanneer deze bol in verduistering gaat. Maar tot de tweede onderverdeling
behoren zij die bijna menselijke incarnaties zijn van wat de Tibetanen
lha-ma-yin noemen; soms kunnen ze zelfs worden overschaduwd door
de mâmo-chohans die tijdens de pralaya’s de heerschappij voeren.
Deze laatsten zijn evenwel geen echte ‘duivels’ of slechte entiteiten,
maar eerder wezens die gedurende die tijd het werk van vernietiging, van
verwoesting moeten uitvoeren. Wat de hogere geestelijke tovenaars en bewerkers
van het kwaad betreft, de tweede onderverdeling, hun uiteindelijke lot
is werkelijk verschrikkelijk, want aan het einde van het manvantara wacht
hun het avîchi-nirvâna, de volstrekte tegenstelling en tegenpool van het
nirvâ.na van de geest, en dan een manvantara van weergaloze ellende. Zij
zijn de tegenpolen van de dhyân-chohans. Hun einde is volstrekte vernietiging.
De natuur is bipolair; zoals de actie is, zo is de reactie.
Vernietiging betekent in de esoterische filosofie niet wat men zich gewoonlijk daarbij voorstelt. Het betekent het uiteenvallen, het ontbinden van een persoonlijke entiteit, maar nooit van de onsterfelijke individualiteit, wat onmogelijk is. We spreken terecht van de ontbinding of de vernietiging van een leger of van de vernietiging van een kudde schapen. Wanneer de afzonderlijke entiteiten zijn verdwenen, gedood of wat ook, is de kudde schapen niet meer, is de kudde ontbonden. Ze is vernietigd als kudde, als een entiteit. Zo betekent ook vernietiging in psychologische zin niet dat de onsterfelijke geest wordt vernietigd. Dat is eenvoudig belachelijk. Een onsterfelijke geest kan niet worden vernietigd. Zijn verblijfplaats, zijn woonplaats, is de oneindige ruimte; zijn tijd de eeuwigheid. Maar zoals ons lichaam uiteenvalt, als lichaam wordt vernietigd en in zijn samenstellende elementen wordt ontbonden, zo vergaat het de verloren ziel die eerst niet meer is dan een psychische schil, wanneer de impulsen, die ze kreeg toen ze met een geďncarneerde geest was verbonden, zijn uitgewerkt; dan komt haar einde, ze wordt ontbonden, vernietigd, ze houdt op te bestaan. Er blijft niets van haar over, want evenals bij een dood stoffelijk lichaam valt ze in haar samenstellende elementen uiteen. In de eerste fasen sterft ze een geestelijke dood, hoewel ze mentaal nog in leven is. Ze is een psychisch lijk, waaruit het onsterfelijke element is verdwenen. Dat is een verloren ziel.
Wie de esoterische filosofie bestudeert, weet
wat er met het kâmarűpa van een mens na de dood van het stoffelijk lichaam
gebeurt. Het wordt tenslotte ontbonden, of vernietigd. Dat ligt in de
lijn van de natuur. Toen we op de vorige bijeenkomst over de oude wijsheidsleringen
van de Heer Boeddha spraken, die erop neerkomen dat er ‘geen blijvend
beginsel in de mens’ is – waarbij we de woorden gebruikten van Rhys Davids,
de eminente geleerde uit Wales, die een literair sieraad is voor zijn
land ondanks de fouten die hij maakt, doordat hij vaak een verkeerd begrip
heeft van de innerlijke betekenis van de boeddhistische leer – bedoelden
we eenvoudig dit: het enig blijvende in de menselijke natuur behoort
tot en ligt in zijn hogere zelf, zijn hogere natuur. Zijn lichaam;
zijn levenskracht; zijn astraal dubbel, het lingasarîra; het kâma-beginsel;
het manas; al deze verdwijnen bij de dood. In de combinatie van deze vijf
is geen spoor van een blijvend beginsel; maar zolang deze vijf samenstellende
delen van de menselijke psyche in het stoffelijke leven tot een geheel
zijn verbonden, vormen ze de ‘mens’. Is er iemand onder u zo egoďstisch
te denken dat dit gebrekkige stoffelijke wezen dat nu tot u spreekt de
onsterfelijke geest is? Of het leven dat het bezielt? Of dit armzalige
stoffelijke brein dat ik als een instrument gebruik om tot u te spreken?
Nee!
De zojuist weergegeven gedachte wordt gewoonlijk – en terecht – gezien als een boeddhistische leer. Ze is ook de leer van de oude wijsheid en ze was eveneens die van de stoďcijnen en van Plato. Maar ze komt ook voor in de geschriften van het jodendom en het christendom. Twijfelt u daaraan? Sla het Boek Prediker op, een van de zogenaamde heilige canonieke boeken van de laatstgenoemde twee religies. Van de volgende passage hebben we onze eigen vertaling gemaakt omdat we in die van de theologen geen vertrouwen hebben. Hun vertaling is aan de ene kant te ruw en aan de andere kant niet voldoende duidelijk. In Prediker (3:18-21) vinden we het volgende – bedenk dat dit boek door de zogenaamde ‘wijste man van de wereld’, Salomo, zou zijn geschreven. Wat we hiervan ook mogen denken, zij die dit boek aanvaarden, geloven het. Het is ouderwetse en populaire theologie.
Ik zei bij mijzelf over de aard van de zonen van de mens (âdâm), dat de elohîm hen mogen vormen en hen laten zien dat zij dieren zijn, zijzelf. Want het lot van de zonen van de mens (âdâm) en het lot van het dier is voor hen één lot: zoals de een sterft, sterft ook de ander; en het denkvermogen [het Hebreeuwse woord is rűahh, inderdaad heel bijzonder!] is één voor allen; en de mens is niet superieur aan het dier, omdat allen illusie zijn. Allen gaan naar één plaats. Allen komen voort uit de stof, en allen keren terug tot de stof.
Maar luister nu naar het volgende, dat duidelijk maakt dat de schrijver ervan, al was hij beslist niet de mythische figuur Salomo, niettemin iemand was die wist. Luister!
Wie kent het denkvermogen van de zonen van de mens dat zelf uitstijgt boven de aarde, en het denkvermogen van het dier dat zelf afdaalt onder de aarde?
Dat is de eeuwenoude leer van de psychologie en als ze op de juiste manier wordt begrepen, zal men gemakkelijk inzien dat elk woord ervan op waarheid berust. En als de hoofdgedachte achter deze korte uiteenzetting wordt begrepen, zal blijken dat ze onbeschrijflijk mooi is. Wat een ijdele illusies hebben die verblinde aanhangers van de eerste sekten van het christendom aan de jonge westerse Europese wereld opgedrongen; wat een onreligieuze dwaasheid om te leren dat het stoffelijk lichaam van de mens zo duurzaam en onmisbaar is dat het zal worden opgewekt en dat het, als het leven van de inwonende ziel goed is geweest, met vele anderen aan de ‘rechterhand van de almachtige God’ zal zitten. Wat een ongelooflijk grof materialisme! Leringen als deze hebben de Europese rassen misschien geestelijk meer kwaad gedaan dan wat er verder uit de geschiedenis bekend is. Zoals met vele andere leringen van het vroege christendom het geval was, is ook dit een volkomen verkeerd begrepen en afschuwelijk verminkte leer van de oude wijsheid over de verheffing van de persoonlijkheid tot een onsterfelijke individualiteit – een van de oude mysterieleringen die we elders kort zullen toelichten. Aan de andere kant is het nodig de mens te leren dat zijn natuur tweevoudig is; dat hij in zijn hogere natuur werkelijk een geestelijk wezen is, een geďncarneerde god en dat hij als hij wil in het lichaam bewust die god kan worden. En hem te leren dat als hij verkiest de dierlijke natuur te volgen, hij als een dier zal worden, want het innerlijke zelf verdraagt die gedragslijn niet. De zilveren draad (die van boven van goud is) wordt in dat geval verbroken; en in plaats van de mens hebben we dan het mens-dier, want de ziel heeft het mens-dier verlaten, wat voor de zelfbewuste inwonende individualiteit een barmhartige bevrijding is door de natuur.
Nergens is er sprake van ‘eindeloze marteling’ of straf.
Over dit onderwerp van het verband tussen de zevende
schat en het wonderlijke wezen heb ik nog geen tiende gezegd van wat ik
had willen zeggen, maar voor ik besluit, voeg ik er nog enkele woorden
aan toe. Eerst de reden waarom ik de term ‘Heer Boeddha’ gebruik. Dit
wonderlijke wezen overschaduwde ongeveer vijfentwintighonderd jaar geleden
een reine en edelmoedige jongeman die in het noorden van India was geboren.
Het voertuig, deze jongeman, was in alle opzichten ontvankelijk, en de
van hem afkomstige wijsheidsleer werd aan de wereld bekendgemaakt. Dit
uitverkoren voertuig werd Siddhârtha genoemd, wat zijn eigen naam was;
zijn familienaam was Gautama; later kreeg hij de titel Sâkyamuni – wat
de Sâkya-wijze betekent; hij werd later ook de Boeddha genoemd. Dit woord
boeddha is een titel die de betekenis heeft van de ‘ontwaakte’,
zoals het woord christos of christus de ‘gezalfde’ betekent.
Het wonderlijke wezen overschaduwde, en daalde gedeeltelijk af in deze
jongeman die in strikte overeenstemming met de cyclische wet en op het
cyclisch bepaalde tijdstip in de wereld was gekomen, want het was cyclisch
bepaald dat er in die tijd een ontwaakte, een volmaakte christus, dat
wil zeggen, een boeddha, zou verschijnen. Hij maakte deel uit van de reeks
van elkaar opvolgende boeddha’s en hij was de edelste, de hoogste van
de mystieke hiërarchie in zijn periode en ook stond hij van alle anderen
van het ras het dichtst bij deze wonderlijke inwijder. We weten dat de
leraren zelf over Heer Boeddha spraken als hun leermeester. Die jongeman,
zo is ons geleerd, kwam rechtstreeks van de loge: niet zijn lichaam, maar
het heilige wezen dat dit vervulde. Hij was een van hun grootsten. Er
is over deze diepzinnige en prachtige leringen veel meer te zeggen dan
hier om voor de hand liggende redenen kan worden uitgesproken; het gaat
om een heel onderdeel van de esoterische filosofie, dat over enkele van
de zorgvuldigst bewaarde geheimen van de natuur en het zijn handelt. Wij
volstaan met erop te wijzen en gaan verder.
Zoals u misschien weet, nam H.P. Blavatsky zelf
pansil, een Pâli woord dat de ‘vijf deugden of geloften’ betekent
(in het Sanskriet pańchasîla), en werd daardoor formeel
boeddhist. Waarom deed ze dat? Omdat ze als boodschapper van de loge goed
wist dat achter de uiterlijke leringen, achter de exoterische leringen
van Gautama de Boeddha de innerlijke waarheid, het esoterische buddhisme
[boeddhisme] en ook het esoterische budhisme schuilgaan: het eerste
woord, gespeld met twee d’s, omvat de leringen van Gautama de Boeddha;
het andere woord, met één d gespeld, betekent ‘wijsheid’. Ze zijn
werkelijk één wanneer het boeddhisme op de juiste manier wordt verklaard
en begrepen. Ze wist precies wat ze deed. Let bijvoorbeeld eens op de
manier waarop ze over de Boeddha schrijft.
Maar al is het voorgaande volkomen waar, toch
moet ik hier nog een voorbehoud maken. Zijn wij boeddhisten? Nee. Niet
meer dan dat we christenen zijn, behalve misschien in die zin dat de religieuze
filosofie van Boeddha-Sâkyamuni onvergelijkelijk veel dichter bij de oude
wijsheid, de esoterische filosofie staat. Het voornaamste bezwaar ertegen
is op het ogenblik dat haar latere verkondigers haar leringen een veel
te formeel of exoterisch karakter gaven; maar niettemin blijft ze tot
op deze dag de zuiverste en heiligste van de exoterische religies op aarde
en zijn haar leringen zelfs exoterisch waar. Men heeft slechts de esoterische
sleutel nodig om ze te verklaren. Feitelijk kan hetzelfde worden gezegd
van alle grote oude wereldreligies. Aan het christendom, het brahmanisme
en andere religies ligt dezelfde esoterische wijsheid ten grondslag, die
achter de uiterlijke sluier van het exoterische formele geloof is verborgen.
U zult zich herinneren dat H.P. Blavatsky ergens
zegt dat van de twee takken van het boeddhisme, namelijk de zuidelijke
en de noordelijke, het zuidelijke boeddhisme nog altijd vasthoudt aan
de leringen van ‘Boeddha’s brein’, de ‘leer van het oog’, dat wil zeggen,
aan zijn exoterische filosofie voor de wereld in het algemeen, en het
noordelijke boeddhisme aan zijn ‘leer van het hart’.
Probeer deze twee uitdrukkingen te begrijpen. De leer van het oog en de leer van het hart zijn echte boeddhistische uitdrukkingen. Het zijn ook uitdrukkingen van de esoterische wijsheid. De leer van het oog betreft dat wat we kunnen zien; het kan onjuist en het kan waar zijn; maar in technische zin is het een ware exoterie waaraan alleen de sleutel ontbreekt. De leer van het oog wordt soms de leer van vormen en ceremoniën genoemd, dat wil zeggen, de formele uiterlijke presentatie. De leer van het hart daarentegen betreft dat wat verborgen is, maar wat het innerlijke leven, het hartenbloed, van de religie is. Zoals het oog wordt gezien en ook ziet, zo blijft omgekeerd het hart ongezien maar is de schenker van het leven, en toegepast op de religie betekent de uitdrukking de leer van het innerlijke hart van de leringen. Daarin ligt als bijgedachte besloten dat ze de edelste aspecten van het menselijke gedrag omvat, dat wat men vriendelijkheid, menslievendheid, mededogen, medelijden noemt.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 207-21
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|