HOOFDSTUK 20

HET HOGERE ASPECT VAN DE MENSELIJKE PSYCHOLOGIE. INWIJDING EN DE MYSTERIËN: AVATÂRA’S, BOEDDHA’S EN BODHISATTVA’S.
HUN RELATIE TOT BOLLEN, RONDEN EN RASSEN.

 

    Het was inderdaad ‘om het goede te redden en het kwaad te vernietigen’ dat mensen bekend als Gautama, Sankara, Jezus en enkele anderen, ieder in hun tijd werden geboren; zoals is gezegd – ‘Ik word in ieder yuga geboren’ – en zij werden allen door middel van dezelfde kracht geboren.
    Er schuilt een groot mysterie in zulke incarnaties en zij staan buiten en boven de cyclus van gewone wedergeboorten. Wedergeboorten kunnen in drie klassen worden verdeeld: de goddelijke incarnaties, avatâra’s genoemd; die van adepten die nirvâ.na opgeven om de mensheid vooruit te helpen – de nirmâ.nakâya’s; en de natuurlijke opeenvolging van wedergeboorten voor iedereen – de algemene wet. De avatâra is een verschijning die men een speciale illusie kan noemen binnen de natuurlijke illusie die zich doet gelden op de gebieden die onder de invloed staan van die kracht, mâyâ; de adept wordt bewust en uit vrije wil en verkiezing herboren[voetnoot]; zij die tot de grote massa behoren, volgen de grote wet van de tweevoudige evolutie onbewust.
    Wat is een avatâra? Want voordat men dat woord gebruikt moet men de betekenis ervan goed begrijpen. Het is een nederdaling van de gemanifesteerde godheid – hetzij onder de bijzondere naam van Siva, Vishnu, of âdi-Boeddha – in de bedrieglijke vorm van een individualiteit, een verschijning die voor de mensen op dit gebied van begoocheling objectief is, maar dat als nuchter feit niet is. Die bedrieglijke vorm, die noch een verleden noch een toekomst heeft, omdat hij geen voorafgaande incarnatie had en geen volgende wedergeboorten zal hebben, heeft niets met karma te maken, dat er daarom geen macht over uitoefent.
– H.P. Blavatsky, Collected Writings 14:373-4

    U zult zich herinneren, om direct met ons onderwerp te beginnen, dat we de aard van het wonderlijke wezen hebben bestudeerd over wie H.P. Blavatsky in Deel 1 van De Geheime Leer schrijft; en ook dat de sleutelwoorden – waardoor we enig besef kunnen krijgen van de manier waarop dit wonderlijke wezen in de mensheid en vooral in de psychische hiërarchie werkt door middel van de cyclussen van de mysteriën en inwijdingen – de ‘menselijke waringin’ waren.
    We lazen ook in De Geheime Leer (1:465), paragraaf XII, ‘De theogonie van de scheppende goden’, H.P. Blavatsky’s woorden over de hiërarchie van krachten, waar ze erop wijst dat deze krachten oorspronkelijk werden opgevat in hun juiste betekenis van intelligenties en bewustzijnen die in de natuur werken; maar dat naarmate de tijdcyclussen voorbijgingen, elk volk deze krachten en intelligenties weliswaar op dezelfde manier beschouwde, maar ze verschillende namen gaf, en een filosofisch begrip ontwikkelde van het mechanisme, om het zo te noemen, van de kosmos op manieren en in vormen die enigszins verschilden. Deze verschillende filosofische vormen waren de onderscheiden mysteriescholen, zoals bijvoorbeeld in Samothrace en Eleusis in Griekenland, en soort gelijke scholen in andere landen.
    Tot nu toe hebben we over dit wonderlijke wezen in min of meer algemene termen gesproken, maar vanavond zullen we proberen meer bijzonderheden te geven door duidelijk de vraag te stellen wie en wat dit wonderlijke wezen is.
    We nemen daarmee een uiterst moeilijke taak op ons omdat de onderwerpen die samen de waarheid over dit wonderlijke wezen weer geven, zo subtiel van aard zijn. We kunnen niet bevatten wie en wat dit wonderlijke wezen is zonder iets te begrijpen van de inwijdingen van de mysteriescholen; om die te begrijpen moeten we iets begrijpen van de hogere aspecten van de menselijke natuur; en om dat weer te begrijpen moeten we de andere leringen begrijpen die we hebben bestudeerd, zoals die van de hiërarchieën, de leer van svabhâva, enz.
    Men moet goed beseffen dat deze zeven juwelen, deze zeven schatten van wijsheid in klein bestek alles omvatten wat door de mens in deze kalpa is te kennen; dat wil zeggen, de sleutelleringen waaruit deze zeven schatten bestaan. Ze sluiten alles in wat de mens heeft geweten, wat de mensheid nu weet en wat de mensheid in deze kalpa kan weten. Deze zeven juwelen zijn inderdaad een beknopte schets in de vorm van filosofische beginselen van alles wat door de mens kan worden gekend; en het hangt van ieder van ons af hoeveel wij van die kennis kunnen be grijpen.
    U zult waarschijnlijk ook hebben opgemerkt dat niet een van deze juwelen volledig kan worden begrepen als ze op zichzelf worden be schouwd. Ze vullen elkaar aan en verklaren elkaar. Elk ervan wordt door de andere zes verklaard, en elk verklaart de andere zes en vult ze aan. Denk alstublieft geen ogenblik dat het afzonderlijke en verschillende takken van kennis zijn in materialistische zin. Er bestaat slechts één kennis, één waarheid, zoals er slechts één leven is en één uiteindelijk zijn; maar deze juwelen, deze zeven juwelen, zijn als het ware verschillende facetten van die waarheid, verschillende zuilen in de tempel van goddelijke wijsheid, om een ander beeld te gebruiken.
    U zult zich herinneren dat we op de vorige bijeenkomst hebben gesproken over de twee voornaamste redenen dat de leraren deze en andere leringen zo geheim hebben gehouden, en waarom het bekendmaken van deze kennis zo streng werd gestraft. In de eerste plaats omdat deze leringen, die we hebben bestudeerd, en vele andere die ervan zijn afgeleid, de hoge beloning vormen voor hen die zich waardig betoonden ze te ontvangen en verder door te dringen achter de sluier van het leven. Maar de belangrijkste reden is dat zelfs al werden ze verteld, de ongeoefende geest ze niet zou kunnen begrijpen; ze zouden eenvoudig niet kunnen worden begrepen. Natuurlijk zouden grote denkers er meer van begrijpen dan kleine; maar door de onvolmaakte geestelijke ontwikkeling die het menselijke denken tot nu toe in deze vierde ronde heeft bereikt, kan men ze zonder tenminste enige scholing eenvoudig niet begrijpen, en het gevolg van een onrechtmatige onthulling ervan zou een verlaging betekenen van de leringen die oorspronkelijk in de begintijd van het mensenras door de goden aan de mensen werden geschonken.
    Deze uitspraak is geen zinloze opmerking. In verschillende tijden zijn deze leringen tot op zekere hoogte bekendgemaakt, wat steeds heeft geleid tot wat wij zwarte magie noemen, het natuurlijke gevolg van een verkeerde opvatting en een verkeerd gebruik van deze leringen en van de erin besloten beginselen van de waarheid. Zelfs nu zijn er mannen en vrouwen die, hoewel ze van deze geheime leringen niets afweten, door het hele land trekken, geld vragen voor hun leringen over wat zij geestelijke werkelijkheden noemen, en beweren alles in de hemel en op aarde te kennen. Bedenk echter dat een waarachtige geestelijke leraar nooit geld of een andere beloning voor geestelijke waarheden verlangt.
    We weten allen wat H.P. Blavatsky daarover heeft gezegd. ‘Ik zou liever in de goot omkomen dan voor onderricht in geestelijke waarheden één cent aan te nemen.’ Dat is het criterium, althans een van de criteria waardoor men de ware leraar van de valse kan onderscheiden. Dat is één manier waarop een leer kan ontaarden. Onze leraren willen niet dat deze prachtige leringen verkeerd worden begrepen en neergehaald en dat menselijke zielen misschien in betrekkelijk grote aantallen worden misleid en het pad betreden dat naar omlaag voert.
    In Griekenland – we zullen eerst dit geval als voorbeeld nemen – werden de mysteriën onderscheiden in de kleine en de grote. De kleine, in Attica, werden in de lente gevierd; de grote, in Eleusis, rond de tijd van de herfstnachtevening in september. De kleine bestonden ten eerste uit uiterlijke en innerlijke louteringen van ziel en geest, voornamelijk innerlijke, want dat is de ware loutering; en ten tweede uit dramatiseringen van wat later in de grote mysteriën in werkelijkheid zou plaatsvinden. Ze gaven in dramatische, aanschouwelijke vorm weer wat de grote mysteriën de kandidaten zouden brengen.
    De mysteriën van Samothrace, ook een Griekse instelling en evenals die in Attica later een staatsinstelling, waren waarschijnlijk de oudste in Griekenland. Maar hoewel deze twee mysteriescholen dezelfde fundamentele, uiteindelijke waarheden onderwezen, leerden ze niet dezelfde dingen. De mysteriën van Samothrace bijvoorbeeld zouden wij nu eerder wetenschappelijk noemen. Ze hielden zich bezig met het wezen en het werk van de kabeiroi, die tot de klasse van geestelijke entiteiten behoorden en ‘bouwers’ werden genoemd, het lagere zevental; terwijl in Eleusis – de naam Eleusis betekent de ‘advent’ of de ‘komst’, en de eleusinia de ‘dingen die zullen komen’ – de meer theologische en mystieke leringen werden onderricht en meer in het bijzonder dat wat de mens na de dood staat te wachten. Vandaar de naam Eleusis voor de plaats waar ze werden gevierd, en de naam van de mysteriën zelf, de eleusinia, d.w.z. de dingen die zullen zijn of zullen komen.
    Elk land had zijn eigen mystieke jargon, taal, of manier van spreken over en in de verschillende mysteriën; en wat de mysteriën in Griekenland, Syrië en Palestina betreft, leken deze jargons of technische woorden veel op elkaar. In Syrië bijvoorbeeld werden buitenstaanders zwijnen en honden genoemd; verraders heetten wolven. Degenen onder u die zich het Nieuwe Testament herinneren, zullen zich waarschijnlijk nog de gevallen herinneren waarin van zwijnen en honden en ik geloof ook van wolven wordt gesproken. Vossen was een benaming voor hen die probeerden aan de mysteriën deel te nemen zonder daartoe het recht te hebben. Al deze termen zijn ontleend aan de eigenschappen van bepaalde dieren die de mens in zijn onrechtmatige handelen nabootste: de vos om zijn geslepenheid; de wolf om zijn brutale wreedheid en gewetenloosheid – tenminste dat is zijn reputatie; en de zwijnen en honden door de slechte naam die deze dieren in het oosten altijd hebben gehad.
    Maar hoewel deze termen destijds deel uitmaakten van het jargon van de mysteriën in die landen, zoals op de vorige bijeenkomst is opgemerkt, is het niet de taal die in onze school wordt gebruikt. Zoals ik al zei, geloof ik niet dat Jezus degenen die niet in de mysteriën van zijn tijd waren ingewijd ooit ‘zwijnen en honden’ heeft genoemd. Deed hij dat wel dan kunnen we met zekerheid aannemen dat hij niet tot onze school behoorde; maar omdat hij er wel toe behoorde, moeten we concluderen dat dit soort taal afkomstig was van zijn discipelen die waarschijnlijk in Alexandrië woonden, waar de evangeliën in de vorm waarin we ze nu bezitten zo goed als zeker werden samengesteld en geschreven.
    We richten nu onze aandacht op het hoofdonderwerp dat we bestuderen, ons voornaamste thema, onze hoofdgedachte. Open wijd uw hart; ban voor korte tijd alle gedachten uit uw geest die persoonlijk zijn en de atmosfeer waarin we ons nu begeven onwaardig. Op de vorige bijeenkomst hebben we vier technische termen besproken om daarmee dit prachtige onderwerp enigszins toe te lichten, al hebben we er toen meer indirect over gesproken dan rechtstreeks; vier woorden die in het transhimalayische boeddhisme een rol spelen; we deden dat ten eerste omdat het de woorden zijn die H.P. Blavatsky gebruikte, en ten tweede omdat ze in de esoterische boeken van het oosten voorkomen, die tot onze school behoren. Drie ervan zijn, âdi-boeddha, de ‘oorspronkelijke wijsheid’, of logos, zoals een Griek zou zeggen; dan dhyâni-boeddha, de ‘boeddha van meditatie of contemplatie’ – er zijn zeven van deze boeddha’s; dan de mânushya, de ‘menselijke boeddha’. Deze drie zijn echter allen met elkaar verbonden: de âdi-boeddha als de logos, de dhyâni-boeddha als de oorzakelijke boeddha en de mânushya-boeddha als de vertegenwoordiger op ons gebied van de hemelse hiërarchie. Deze boeddha’s maken deel uit van de hemelse hiërarchie in tegenstelling tot de kosmische hiërarchie of bouwers. Het vierde woord is bodhisattva.
    Op eerdere bijeenkomsten hebben we over de planeetgeesten gesproken en deze term in algemene zin gebruikt als een equivalent voor dhyâni-chohans of heren van meditatie. Vanavond gaan we een stap verder. De planeetgeesten zijn de bouwers van de astraal-stoffelijke wereld, die hun plan, hun hogere leven en hun wijsheid (afgezien van wat zijzelf hebben verworven) ontlenen aan de hemelse hiërarchie, het hogere zevental; deze hemelse hiërarchie heeft haar oorsprong in âdi-boeddha, oorspronkelijke boeddha, of de logos.
    Aan het hoofd van elke ronde van onze zevenvoudige planetaire cyclus (dat wil zeggen van deze kalpa of dag van Brahmâ die alle zeven ronden omvat) staat een dhyâni-boeddha, een boeddha van contemplatie, een oorzakelijke boeddha; en alle gebeurtenissen op alle zeven bollen van onze planeetketen staan onder toezicht of supervisie van de bepaalde dhyâni-chohan van die ronde. Onze tegenwoordige ronde, de vierde, staat onder toezicht van de dhyâni-boeddha die tot de vierde graad van de hemelse hiërarchie behoort. Voor elke bol van de planeetketen is er wat de boeddhisten een bodhisattva noemen, een Sanskrietwoord dat ‘hij van wie het wezen wijsheid is’ betekent.
    Deze bodhisattva is als het ware een uit geest geboren zoon van de dhyâni-boeddha van de ronde. Er is een dhyâni-bodhisattva voor deze bol en ook een voor elk van de drie bollen die aan deze bol op de neergaande boog voorafgaan, en er is eveneens een bodhisattva voor elk van de drie bollen die deze bol op de opgaande boog volgen – een bodhi sattva voor elk. Deze dhyâni-bodhisattva is het geestelijke hoofd van de geestelijk-psychische hiërarchie van elke bol. Neem bijvoorbeeld onze bol. Onze dhyâni-bodhisattva is het wonderlijke wezen, de grote inwijder, de stille wachter van onze bol; in één opzicht een emanatie van de dhyâni-boeddha die gedurende de hele ronde toezicht houdt, niet slechts een afscheiding of, zo u wilt, een verlengstuk van de dhyâni-boeddha. Elke bodhisattva is een entiteit op zichzelf. Hij is als het ware een straal van die dhyâni-boeddha.
    Gedurende de evolutie op onze aarde (en evenzo op de andere zes bollen) doorloopt de levensgolf zeven stadia, wortelrassen genoemd. Aan het begin van elk van deze wortelrassen verschijnt een mânushya-boeddha, een menselijke boeddha, die de ‘zoon’ is van de bol-bodhisattva, op dezelfde manier als de bol-bodhisattva een ‘zoon’ is van de dhyâni-boeddha van de ronde. Bovendien wordt elk van deze zeven wortelrassen halverwege zijn bestaan als het ware in tweeën gedeeld. Wanneer de helft van zijn cyclus is doorlopen, wordt het door een ramp getroffen, want op die manier werkt de natuur; en voordat die ramp zich voltrekt, verschijnt een andere menselijke boeddha, een mânushya-boeddha van een lagere graad.
    Is dit wonderlijke wezen een mens? Ja, dat is hij. Is hij meer dan een mens? Ja. Is hij een zevenvoudige entiteit? Inderdaad. Op welke manier wordt de invloed van dit wonderlijke wezen overgebracht op zijn vertegenwoordigers, de menselijke boeddha’s en de menselijke bodhisattva’s?
    Laten we voor we verder gaan ons een ogenblik bezighouden met een verwant onderwerp, een onderwerp uit de psychologie. We kunnen wat later bij ons thema ter sprake komt pas begrijpen als we dit psychologische onderwerp in grote lijnen hebben uiteengezet. De mens is zevenvoudig, zoals u weet. Men kan hem in drieën verdelen: een geestelijke mens, een tussennatuur of een hoog etherische mens, en een astraal-stoffelijke mens. Anders gezegd en in ‘psychologische’ termen uitgedrukt: (1) de goddelijke mens, (2) de geestelijke mens en (3) de persoonlijke mens. Wat is dan een avatâra? Zoals men gewoonlijk aanneemt, is een avatâra de nederdaling van een god in een menselijke vorm. Die gedachte is exoterisch. Ze is niet onjuist, maar op die eenvoudige manier weergegeven en zonder dat daaraan iets als verklaring wordt toegevoegd, is ze misleidend.
    U herinnert zich wat Krish.na in de Bhagavad-Gîtâ zegt: ‘Ik incarneer van eeuw tot eeuw om het kwaad te vernietigen en de gerechtigheid te herstellen.’ Krishna vertegenwoordigt hier de logos of, misschien beter, de straal van de logos. Deze logos – of zijn straal of invloed – zou op ons gebied volkomen machteloos en inactief zijn en met geen mogelijkheid met ons en ons gebied in contact kunnen komen, omdat die straal van de logos een tussenliggend en volledig bewust voertuig mist, met andere woorden, omdat hem het tussenliggende of hoog etherische mechanisme ontbreekt, het geestelijk-menselijke in ons dat in de alledaagse mens slechts in geringe mate werkzaam is. Van een avatâra is sprake wanneer een directe straal van de logos in een mens doordringt en hem geheel bezielt en verlicht door tussenkomst van een bodhisattva die in die mens is geďncarneerd en daarmee een geschikt, voor gebruik gereed en volledig bewust intermediair voertuig heeft verschaft. Deze ‘mens’ heeft geen eigen karmisch ego. De egoďteit, het ego, het intermediaire deel, de hoog etherische en volledig bewuste tussennatuur, het geestelijk-menselijke element, wordt verschaft door de incarnerende bodhisattva; dat wil zeggen, dat de hoog geëvolueerde persoonlijke beginselen van een boeddha, ofwel een nirmânakâya – niet het hoogste beginsel van die boeddha, dat in nirvâna is, maar zijn stralende, reine en verheven geestelijk-persoonlijke element, het geestelijk-persoonlijke ego – voor of kort na de geboorte van die volkomen reine mens zijn lichaam betreedt en op die manier het intermediaire voertuig verschaft dat voor de incarnatie van de straal van de logos geschikt is. Dat is een avatâra.
    Er wordt bijvoorbeeld een kind geboren. Dat kind heeft een innerlijke psycho-astrale natuur van transparante zuiverheid en schoonheid en oefent een magnetische maar in wezen geestelijke aantrekkingskracht uit op een straal van de logos. Zijn eigen hogere zelf is natuurlijk volledig werkzaam en de straal van de logos – die HETZELF is – manifesteert zich daarin. Onder de omstandigheden die heersen wanneer er op aarde een avatâra nodig is, betreedt ook een bodhisattva dat lichaam en verschaft daarmee het egoďsche element. We hebben dan dit schitterende wezen: een zuiver menselijk lichaam met zijn prâna en zijn astraal modellichaam, maar zonder een werkelijk geďncarneerd karmisch ego, terwijl een bodhi sattva dat egoďsche element verschaft dat van een nog grotere zuiverheid is dan bij gewone mensen mogelijk is en dat zo hoog is ontwikkeld als voor de incarnatie van de straal van de logos of âtman is vereist. Die straal van de logos en het hogere zelf van het geboren kind zijn in werkelijkheid één. Maar dit mysterie van het leven is een heel uitzonderlijke omstandigheid.
    Laten we nu aandacht schenken aan een ander facet van hetzelfde psychologische onderwerp. Neem het geval van Heer Boeddha. Let erop dat we hier spreken over Heer Boeddha, hoewel we over deze grote figuur spreken als Siddhârtha, wat zijn voornaam was, en over de wijze als Gautama, of Gautama-Sâkyamuni. Gautama was zijn familienaam, Sâkya de naam van het geslacht waartoe hij behoorde; Sâkyamuni, de Sâkya-wijze, was de titel die hem in zijn latere leven en daarna werd gegeven. Toen Sâkyamuni tijdens zijn leven het nirvâna inging, moet hij, exoterisch gezien, op tachtigjarige leeftijd zijn ‘gestorven’; maar volgens onze leringen heeft hij in werkelijkheid tot zijn honderdste jaar geleefd voor hij zijn stoffelijk lichaam opgaf en als een nirmânakâya op aarde bleef. We weten allen wat een nirmânakâya is; hij is een volledige mens, maar zonder het stoffelijk lichaam. Maar is dat alles wat er over dit wonderlijke mysterie te zeggen valt? Nee, dat is niet alles. De hogere delen van de Boeddha waren in nirvâna; maar het geestelijk-persoonlijke ego bleef op aarde actief als een nirmânakâya, een werkzame entiteit, een geestelijk weldoende kracht, overschaduwd door het nirvânische element, en deze nirmânakâya, let wel, was een menselijke bodhisattva. Volgens de leer was deze bodhisattva, het egoďsche element van de Boeddha Gautama, een geestelijk-menselijke straal van de dhyâni-bodhisattva van de bol, en dat was ook het geval bij vroegere boeddha’s.
    U ziet hoe moeilijk, hoe bijzonder moeilijk het is deze subtiele en in hoge mate geestelijke onderwerpen duidelijk te maken aan mensen die niet in onze metafysica zijn getraind. Ze vergen in feite jaren van diep nadenken. Laten we de zaak eens van een andere kant bekijken. Wie was Jezus? Wat was Jezus? Wie was Apollonius van Tiana? Wat was hij? De leer is dat beiden incarnaties van een nirmânakâya waren en dat beiden in dezelfde mysterieuze relatie stonden tot de bodhisattva van de Boeddha Gautama. Apollonius was geen avatâra; Jezus was dat wel. Tussen deze twee wonderlijke gevallen uit de geschiedenis bestaan grote psychologische overeenkomsten, maar hun mysterie was niet identiek. Ik merk nog op dat een boeddha in mystieke zin hoger staat dan een avatâra; de redenen daarvoor zullen we in de loop van onze studie uiteenzetten.
    Laten we een stap verder gaan. U heeft allen over de incarnaties van de boeddha’s in Tibet gelezen. We spreken nu in exoterische taal, zoals u die bij Sven Hedin en verschillende andere Europese ontdekkings reizigers zult aantreffen. Enkelen van hen hebben deze zogenaamde incarnaties van de Boeddha gezien. Begrijp eens en voor altijd dat onze school geen lamaďsme is; onze school vertegenwoordigt de archaďsche, esoterische wijsheid van de wereld, al is het aan de andere kant juist dat het esoterische aspect van het Tibetaanse lamaďsme, wanneer dit goed wordt begrepen, als leer verreweg de beste benadering is van de leringen van onze school. Ondanks alle tekortkomingen die de Tibetanen mogen hebben en ondanks de verschillende gebreken die ze volgens ons, wester lingen, misschien vertonen, staat de esoterische leer in Tibet dichter bij die van onze school dan welke andere ook.
    Maar hoe ontstond deze opmerkelijke en interessante leer van de opeenvolgende reďncarnaties van de Boeddha in de Tibetaanse tashilama en de dalailama en in vele anderen uit de boeddhistische hiërarchie in verschillende kloosters in Tibet? Ze vond haar oorsprong in de moederleer waarmee wij ons nu bezighouden. U zult zich herinneren dat H.P. Blavatsky in de passage in De Geheime Leer die we hier bestuderen, spreekt over een gebeurtenis die plaatsvond vóór de scheiding van de seksen in het derde wortelras, toen een bepaald ‘geestelijk wezen’ in de mens incarneerde; en ze zegt dat dit niet een ras was, maar na dit wonderlijke wezen ontstond een opeenvolging van grote geestelijke entiteiten. Het is in werkelijkheid het zich telkens manifesteren van het innerlijke zelf, het ego, als u wilt, de etherische mens, van dat oorspronkelijke wonderlijke wezen dat uit verheven sferen tot de mensheid kwam om haar te verlichten en te verlossen, te beginnen met het derde wortelras – en dat zich door de eeuwen heen en zelfs tot in onze tijd manifesteert in voertuigen van menselijk vlees en van een menselijke geestesgesteldheid. U zult zich herinneren dat zij over dit wonderlijke wezen spreekt als een mens, en toch niet een mens, een wezen over wie de legenden in het oosten wijdverbreid zijn. In alle tijden zijn mysterieuze toespelingen gemaakt op de meester-ingewijde, op de verhevene, op het hoofd van alle leraren, op de stille wachter, op de grote inwijder, enz., enz. Aan dat feit ontleende het Tibetaanse lamaďsme zijn leer over de opeenvolgende reďncarnaties van de Boeddha. Dit is een interessante kwestie; misschien zullen we die een andere keer nader onderzoeken, maar vanavond kunnen we op het Tibetaanse lamaďsme niet uitvoeriger ingaan.
    We moeten echter begrijpen dat het verschil tussen de overdracht van een egoďsch element, zoals in het geval van de opeenvolgende boeddha’s in Tibet, en die uitzonderlijke incarnaties die we de avatâra’s noemen, in één opzicht groot is; maar in een ander opzicht vertonen ze veel overeenkomst. Ze lijken in zoverre sterk op elkaar dat in beide gevallen de upâdhi (of het voertuig) dat voor de manifestatie van de hogere entiteit wordt gekozen, een mens is. Ook is in beide gevallen de psycho-etherische upâdhi een bodhisattva; dat wil zeggen, in het geval van een avatâra is de bodhisattva de verheerlijkte persoonlijke mens van een boed dha, van een mânushya-boeddha, terwijl de lamaďstische opeen volging eveneens van bodhisattvische aard is, maar als het ware minder krachtig – meer een bodhisattvische invloed dan een volledige incarnatie van een bodhisattva zoals bij een avatâra.
    De leringen die door onderzoekers van het boeddhisme worden uiteengezet in de boeken die zij in het westen uitgeven over het boeddhisme, ontlenen zij natuurlijk aan de boeddhistische boeken zelf, ge woonlijk zonder voldoende begrip van de subtiele punten in die meest spirituele van alle religies. Ontegenzeglijk streven deze geleerden ernaar te begrijpen wat naar hun mening de ware betekenis van de boeddhistische leringen is en deze oprecht en eerlijk weer te geven. Het wekt echter verbazing dat ze daarin niet beter slagen; dat komt omdat ze aan hun studie beginnen in een geest van westers materialisme en met materialistische westerse vooropgezette meningen en vooroordelen. Ze nemen hun studie op in een geesteshouding die zijzelf niet als zodanig herkennen en spreken dan zwaarwichtig over de ‘bijgelovige buitensporigheden van de oosterse beeldspraak’, enz., enz., terwijl de werkelijke betekenis hun ontgaat. Hoe is het mogelijk de ware aard of de werkelijke essentie van iets te begrijpen als men zijn studie begint met de vooringenomen gedachte dat wij beter en meer weten dan degenen die hebben neer geschreven wat wij bestuderen? Zo’n eigenwaan doodt gevoelens van sympathie en verduistert het juiste inzicht; en als men religieuze onderwerpen bestudeert, zal men alle gegeven verklaringen en formuleringen onvermijdelijk als ‘monnikenpraat’ beschouwen. Maar zoals op andere bijeenkomsten al is opgemerkt, bestaat er geen enkele exoterische leer van de grote oude wereldreligies die wezenlijk onjuist is. De exoterische leer is inderdaad de waarheid, maar er is een sleutel nodig om haar te verklaren. Als deze sleutel ontbreekt, kan ze en zal ze gewoonlijk verkeerd worden begrepen en uitgelegd en worden neergehaald, ongeveer op de manier zoals we aan het begin van deze bijeenkomst hebben besproken.
    Laten we ons nu bezighouden met een ander onderwerp dat hierbij zijdelings een rol speelt en een ander facet van het juweel laat zien. Men zegt ons dat de menselijke boeddha, de mânushya-boeddha Gautama-Sâkyamuni, 643 jaar voor het aangenomen begin van de christelijke jaartelling werd geboren. Onze leer zegt ons verder dat een menselijke boeddha van het ras aan het begin van een wortelras verschijnt, en een lagere boeddha vóór het midden ervan. Ik vestig uw aandacht op het feit dat we nu het midden van ons vijfde wortelras naderen. We zijn in het vierde onderras van dat vijfde wortelras, niet in het vijfde onderras ervan. Houdt dit punt scherp in het oog. Het duurt nog tussen de zestien- en twintigduizend jaar voordat het ras zal worden getroffen door de ramp die ons vijfde wortelras in tweeën zal splitsen, precies zoals gebeurde met de Atlantiërs van het vierde ras en de Lemuriërs van het derde ras die aan hen voorafgingen; en zoals met de twee wortelrassen zal gebeuren die het onze zullen volgen, het zesde en het zevende.
    Enkele onderzoekers hebben gedacht dat wij als ras nu in het vijfde onderras zijn; dit komt door een verkeerde interpretatie die echter volkomen begrijpelijk is, want het onderwerp cyclussen en getallen is – zoals we weten – altijd sterk versluierd. Deze verkeerde interpretatie of misvatting blijkt te zijn ontstaan door wat H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (2:491-2 en 503) schrijft. Ik wil uw aandacht erop vestigen dat een van de meest gebruikelijke ‘versluieringen’ waarvan een leraar zich wel moet bedienen wanneer hij in een voor ieder toegankelijk boek over esoterische zaken schrijft, is het gebruik van hetzelfde woord in verschillende betekenissen. Er is een esoterische verplichting dat te doen als dat nodig is om de waarheid te vertellen voor hen die haar kunnen en mogelijk zullen lezen en haar toch te verbergen voor de ‘honden’, de ‘zwijnen’ en de ‘vossen’, als u mij hier het gebruik van het Syrische jargon uit het Nieuwe Testament wilt vergeven. Ik vestig in dit verband uw aandacht op De Geheime Leer (1:27): ‘. . . iedere ronde bestaat uit de yuga’s [tijdperken] van de zeven perioden [wortelrassen] van de mensheid, waarvan er in onze levenscyclus nu vier voorbij zijn, terwijl het midden van de 5de bijna is bereikt.’ Ik vraag ook uw aandacht voor blz. 675 van ditzelfde deel, waar H.P. Blavatsky zegt: ‘Maar omdat we halverwege ons onderras van het vijfde wortelras zijn – in elk onderras het toppunt van stoffelijkheid – zijn de dierlijke neigingen, hoewel verfijnder’, enz. Het ‘toppunt van stoffelijkheid in elk’ betekent slechts één ding – het midden van het vierde van elke cyclische reeks: bijvoorbeeld, het vierde primaire onderras; het vierde onderras van het vierde primaire onderras van het vijfde wortelras, enz.
    Laten we gemakshalve de rassen op de volgende manier verdelen: wortelras betekent in werkelijkheid het eerste, primaire onderras dat de wortel of de oorsprong is, maar dat gewoonlijk wordt toegepast op alle zeven opeenvolgende primaire onderrassen van een wortelras en op de vele andere tot die zeven behorende kleinere onderrassen. Het eerste wortelras is dus het eerste primaire onderras, en de grote cyclus van het ras telt zeven van die primaire onderrassen; dan het secundaire onderras, waarvan er zeven in elk primair onderras zijn; dan zeven familierassen in elk secundair onderras; dan zeven nationale rassen in elk familieras. We hoeven niet verder te gaan. Na nog enkele stappen in de reeks komen we bij de afzonderlijke entiteit of individuele mens. Maar lees ook GL 2:163-4 en 807, want een nauwkeurige bestudering ervan zal de moeite lonen.
    U zult zich herinneren dat H.P. Blavatsky in een ander gedeelte van De Geheime Leer waar ze over de precessiecyclus van 25.920 jaar spreekt en daarbij de getallen uit de oudheid vermeldt, deze de cyclus van een familieras noemt, dat wil zeggen, het ras dat zeven nationale rassen omvat. Het Europese ras is een familieras; als ze daarom over de levensduur van dit familieras spreekt, zegt ze dat het nog ongeveer 16.000 jaar voor de boeg heeft. Zo ziet u dat wij vanuit ons gewone menselijke standpunt gezien de grote rascatastrofe nog niet zo dicht zijn genaderd; maar uit het oogpunt van de cyclussen van een wortelrastijdperk staat een zo korte periode als 16.000 jaar gelijk met te zeggen ‘morgen’ of zelfs ‘over een uur’. In het drama van de ziel is een korte periode van 16.000 of 20.000 jaar een onbeduidend tijdsbestek.
    H.P. Blavatsky verwijst ergens – ik geloof in haar tijdschrift Lucifer in 1887 of 1888 – heel beeldend naar de aardbevingen die toen hebben plaatsgehad en waarover in de kranten was bericht; zij noemt ze de voorlopers van wat ons als ras te wachten staat. Maar zal Amerika het toe komstige thuis zijn van het 6de onderras? Jazeker. Welk onderras? Onderras is een vage term! Zal het een zesde familieras zijn? Maar al zegt H.P. Blavatsky dat Amerika over ongeveer 16.000 jaar of in het laatste gedeelte van een precessiecyclus van 25.920 jaar het thuis van het zesde familieras zal zijn, ze leidt dan onmiddellijk op meesterlijke wijze het denken verder, zoals elke ingewijde zou doen, en zegt dat Amerika ook de bakermat, de kinderkamer zal zijn van het zesde wortelras, een uitspraak die eveneens juist is, maar dat betekent dat er een reusachtig aantal jaren ligt tussen de beide punten! Wanneer die laatst bedoelde dag in de verre toekomst is aangebroken, zal Amerika niet meer bestaan. Veel land van de Amerika’s dat nu boven water uitsteekt, zal er dan onder liggen, en nieuw land dat nu de zeebodem vormt, zal boven water zijn gekomen. Voorzover wij weten, zullen Noord- en Zuid-Amerika dan misschien over een grotere afstand met elkaar zijn verbonden. Nieuw land zal oprijzen uit wat nu de Grote Oceaan is, en zo de bodem van het oude Lemurië weer aan de oppervlakte brengen om aan Amerika’s westkust te worden toegevoegd.
    Wanneer we over onderrassen lezen, moeten we dus oppassen en voorzichtig zijn, anders zullen onze vaste denkpatronen ons misleiden, ons op een dwaalspoor brengen, alleen al door woorden die versluieren. Maak u tot elke prijs los van uw denkpatronen! Bevrijd uw denken, wees soepel! Neem geen enkele uitspraak als de enige waarheid aan, waar u die ook aantreft. Aanvaard haar, maar niet als de enige; stel haar tegenover andere en vergelijk haar daarmee, bestudeer en analyseer haar als het u om de waarheid is te doen. Dat is vooral noodzakelijk wanneer het over cyclussen gaat en over woorden die met cyclussen te maken hebben. Wees op uw hoede wanneer u het woord onderras ziet of wanneer u over de boeddha leest. Welke boeddha? Of over de bodhisattva – welke?
    De onderwerpen die we vanavond hebben geschetst, zullen we later uitgebreider behandelen. Over dit wonderlijke wezen moet en zal veel meer worden gezegd. Maar tot besluit, vat mijn woorden over dit wonderlijke wezen niet verkeerd op. Onthoud de reeks: ten eerste, de logos, de âdi-boeddha; dan de zeven dhyâni’s, van wie elk één van de zeven ronden inspireert en leidt en die de causale boeddha is, de zon, zo u wilt, die ontelbare lagere wezens van zich doet uitgaan. Dan de dhyâni-bodhi sattva’s, voor elke bol van de planeetketen, in totaal zeven; en zeven mânushya-boeddha’s, één voor elk van de zeven wortelrassen op elke bol gedurende elke ronde. Waarschijnlijk zijn er in de loop van de cyclussen bijna ontelbare gevallen waarin een bodhisattva, een buddhische straal, uitgaat van de loge van de meesters – waar de grote inwijder, de allerhoogste zich bevindt, de mens-emanatie van het wonderlijke wezen – enode ziel van een groot en rein mens zoals Jezus van Nazareth en Apollonius van Tiana, en vele, vele anderen van wie de namen in het westen onbekend zijn, inspireert met en doordringt van de oude wijsheid.
    Bij inwijdingen vinden drie dingen plaats. Ze staan rechtstreeks in verband met het onderwerp van het wonderlijke wezen en de bodhi sattva’s. Bedenk dat inwijding het opwekken of stimuleren betekent van de ziel van iemand die daartoe is voorbereid. Het is een versnelling van het evolutieproces, want het brengt een snellere ontwikkeling van de innerlijke mens teweeg, die een gewoon mens anders pas na vele eeuwen zou bereiken. Bij deze inwijdingen, om precies te zijn in de vijfde, gebeurt wat theofanie wordt genoemd. De christenen gebruiken dat woord en ook epifanie, wat een lagere vorm ervan is, en zeggen dat ze op de 4de - 6de januari moet worden gevierd. Dit houdt direct verband met de kalender van het zonnejaar waarover we op de vorige bijeenkomst hebben gesproken. Theofanie betekende oorspronkelijk de ‘verschijning van een god’. Het betreft het volgende mysterie: in de vijfde inwijding ontmoet de op de proef gestelde mens of chela zijn eigen god-zelf van aangezicht tot aangezicht en wordt er gedurende kortere of langere tijd één mee. Dan kent hij de waarheid. U zult zich herinneren dat de enige manier om iets werkelijk te begrijpen is dat iets te worden. En dat is wat er werkelijk tijdens inwijdingen plaatsvindt. Epifanie is een lagere manifestatie van theofanie. Het is een Grieks woord dat ‘schijnen op’ of ‘verlichten’ betekent, terwijl theofanie betekent de ‘zichtbare uitstraling van een god’ – het eigen innerlijke hogere zelf van de mens.
    Als de theofanie aan het eind van de inwijding of beproeving min of meer volledig is, ontvangt de chela theopneustie, wat ‘goddelijke inspiratie’ betekent. Hij is bewust verenigd met zijn innerlijke god, zijn hogere zelf. Naar gelang van de vorderingen die hij heeft gemaakt, inspireert de innerlijke god van de kandidaat hem gedurende kortere of langere tijd met de wijsheid en de kennis van het gehele heelal, en dit gebeurt in meerdere of mindere mate afhankelijk van het niveau en de ontvankelijkheid van de kandidaat.
    Het hoogste wat in alle inwijdingen in het oude Griekenland kon worden bereikt, werd theopathie genoemd, wat ‘het dulden van een god’ betekent – niet een god die duldt of lijdt, maar iemand die de bewuste intrede in zich van een god duldt of toelaat. Dit is natuurlijk niet een avatâra, wat iets heel anders is, zoals we in het voorgaande hebben aangetoond; maar het betekent dat bij de inwijding en kortere of langere tijd erna, afhankelijk van de geestelijke kracht en ontvankelijkheid van de ingewijde, deze door die heilige tegenwoordigheid in hem een levende god wordt, zijn eigen innerlijke zelf. In enkele zeldzame gevallen duren de theofanie, de theopneustie en de theopathie zolang als het leven op aarde van de ingewijde.

voetnoot:
Een werkelijke ingewijde adept behoudt zijn adeptschap, ook al kunnen er voor onze wereld van illusie talloze incarnaties van hem zijn. De stuwende kracht die aan een reeks van zulke incarnaties ten grondslag ligt is niet karma, zoals men dat gewoonlijk begrijpt, maar een nog ondoorgrondelijker kracht. Tijdens zijn levensperioden verliest de adept zijn adeptschap niet, al kan hij daarin niet tot een hogere graad opklimmen. [terug naar de tekst]


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 263-77

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag