HOOFDSTUK 22

DE HIËRARCHIE VAN MEDEDOGEN. DE INCARNATIE VAN DE MÂNASAPUTRA’S.

    Weet dat de stroom van bovenmenselijke kennis en de deva-wijsheid die u heeft verworven vanuit uzelf, het kanaal van alaya, in een andere bedding moet worden geleid.
    Weet, o Narjol [Naljor] van het geheime pad, dat zijn reine zoete wateren moeten worden gebruikt om de bittere golven van de oceaan, die machtige zee van smart, gevormd uit de tranen van mensen, te verzachten.
    Buig nu het hoofd en luister goed, o bodhisattva – Mededogen spreekt en zegt: ‘Kan er gelukzaligheid zijn wanneer al wat leeft moet lijden? Zult u gered worden en heel de wereld horen klagen?’
    – De Stem van de Stilte, Fragment iii

    Laten we vanavond eerst lezen uit De Geheime Leer (2:317-8):

    Naarmate de ‘rokken van vellen’ van de mensen zich verdichtten en zij meer en meer tot lichamelijke zonde vervielen, werd aan de wisselwerking tussen de lichamelijke en de etherische goddelijke mens een einde gemaakt. De sluier van stof tussen de twee gebieden werd zo dicht, dat zelfs de innerlijke mens deze niet kon doordringen. De mysteries van hemel en aarde, die aan het derde Ras in de dagen van zijn reinheid door zijn hemelse leraren waren geopenbaard, werden een groot brandpunt van licht, waarvan de stralen noodzakelijk werden verzwakt naarmate deze werden verspreid en op een ongeschikte, want te materiële bodem vielen. Bij de massa ontaardden deze mysteries in tovenarij, die later de vorm aannam van exoterische religies, van afgodendienst vol bijgeloof en van mensen- of heldenverering. Slechts een handvol van de oorspronkelijke mensen – in wie de vonk van de goddelijke wijsheid helder brandde en alleen maar in sterkte toenam naarmate zij bij degenen die haar voor slechte doeleinden gebruikten, iedere eeuw zwakker en zwakker werd – bleven de gekozen bewakers van de Mysteriën, die door de goddelijke leraren aan de mensheid werden geopenbaard. Sommigen van hen bleven vanaf het begin in hun kumârische toestand, en de overlevering fluistert wat de geheime leringen bevestigen, namelijk dat deze gekozenen de kiem waren van een hiërarchie die sinds die tijd nooit is uitgestorven:
    ‘De innerlijke mens van de eerste * * * verandert slechts van tijd tot tijd van lichaam; hij is altijd dezelfde, kent rust noch nirvana, versmaadt devachan en blijft voortdurend op aarde voor de redding van de mensheid. . . .’ ‘Van de zeven maagdelijke mensen (kumâra) offerden er zich vier op voor de zonden van de wereld en het onderricht van de onwetenden, om tot het einde van het huidige manvantara te blijven. Hoewel ongezien, zijn ze altijd aanwezig. Wanneer de mensen over een van hen zeggen: ‘Hij is dood’; zie, hij leeft en in een andere vorm. Ze zijn het hoofd, het hart, de ziel, en het zaad van onsterfelijke kennis . . .’
    
. . . Er is slechts EEN hoger dan de ‘vier’, zowel op aarde als in de hemelen – dat nog geheimzinniger en eenzamer Wezen, dat werd beschreven in Deel I.

    – het wonderlijke wezen over wie wij al eerder hebben gesproken.
    Laten wij ons direct in onze studie verdiepen en eerst een vraag stellen. Waarheen zijn wij als ras, als mensen, als denkende entiteiten op weg, in welke richting gaan we? De oude wijsheid zegt ons dat wij binnenwaarts trekken, niet omhoog, niet omlaag, niet naar rechts of links, niet vooruit of achteruit, maar binnenwaarts, dat wij de rijken van de stof verlaten, ze in feite meenemen door de lagere bekleedsels te vergeestelijken: dat wij binnenwaarts gaan op dat pad, dat begon met onze afdaling (als u die term wilt gebruiken) in de stof, naar het gemanifesteerde bestaan, en dat we van toen af de stof verhieven tot geest, haar werkelijke bron of wortel, het pad volgden dat wijzelf innerlijk zijn en binnenwaarts gingen, steeds verder binnenwaarts, totdat we bij de voleinding van alle dingen een doel, een einde zullen bereiken dat zelfs nog verhevener is dan dat wat we achter ons lieten toen we onze omzwervingen omlaag in de ervaringswereld begonnen.
    De volgende gedachte die opkomt is: Staat onze hogere natuur los van onszelf, hoe paradoxaal dat ook klinkt? Zijn wijzelf onze hogere natuur? Wat is ze? Wij allen kennen als studerenden de leringen over de zeven beginselen van de mens; maar als we ons afvragen wat deze zeven beginselen werkelijk zijn – vormen ze een eenheid, of is elk ervan een entiteit op zichzelf? – dan gaan we ons inderdaad met heel moeilijke onderwerpen bezighouden. Laten we in de eerste plaats zeggen dat de vier lagere beginselen zijn geleend, of misschien beter gezegd uit onszelf zijn geëvolueerd in combinatie met elementen die aan de gemeenschappelijke voorraadschuur van de natuur zijn ontleend, zoals de mens voedsel tot zich neemt dat uit atomen bestaat, terwijl toch elk van die atomen op zichzelf het voertuig is van een monade, die zich in die levenssfeer of op dat levensgebied manifesteert. Maar elk van onze drie hogere beginselen zijn afzonderlijke entiteiten, die echter gedurende de manvantarische cyclus tot een onscheidbare eenheid zijn verenigd. De reden dat dit zo is zullen we begrijpen als we het zevende van de zeven juwelen van wijsheid bestuderen, en die zevende sleutel staat boven de zes andere.
    We beginnen enig idee te krijgen van wat ons bij deze studie te wachten staat: hoe eenheid veelheid wordt en hoe veelheid zich weer in eenheid oplost. Let in de eerste plaats op het verschil tussen één, eenheid en vereniging. Vereniging is een verzameling dingen die nauw met elkaar zijn verbonden; eenheid is een verzameling dingen maar met een gemeenschappelijk hoofd of een gemeenschappelijke bron, de top van een hiërarchie bijvoorbeeld; terwijl een monade één is, een individu en dus ondeelbaar. We zijn een vereniging in onze vier lagere beginselen; we zijn een eenheid in onze drie hogere beginselen, onze hogere triade; en we zijn één in de hoogste drie, de hoogste triade, zo genoemd om gemakkelijk te worden begrepen.
    De drie beginselen die de hogere triade vormen, bestaan alle op hun eigen gebied en we voelen hun invloed omdat we er geestelijk mee in verbinding staan. Niettemin bestaat elk op zijn eigen gebied wat bewustzijn en kracht betreft. We kennen van elk alleen wat we er tot dusver van hebben ontwikkeld; al wat we bijvoorbeeld van het derde beginsel (van bovenaf gerekend), manas, weten, is wat we er tot dusver in deze vierde ronde van hebben geassimileerd. Het zal niet voor het einde van de volgende ronde volledig tot ontwikkeling zijn gebracht. Wat we ons manas noemen is een algemene term voor het reďncarnerende ego, ik heb het nu over het hogere manas.
    We stappen even over op een onderwerp dat hiermee zijdelings verband houdt. We moeten inzien dat ons hele bewustzijn, dat is het bewustzijn van de gewone mens, tot ons tegenwoordige gebied behoort, maar dat er ontelbare andere gebieden van de kosmos zijn die ons omringen, ons volkomen doordringen, en elk van deze andere gebieden heeft zijn eigen entiteiten, zijn eigen wezens, denkende en niet denkende, zoals ons eigen gebied die ook heeft, elke soort geschikt voor zijn eigen sfeer of gebied; en dat onze eigen aarde ze geheel doordringt zoals zij ons geheel doordringen, en dat wij hen en hun leefgebieden en hun woningen en de lagere schepselen die daar leven niet zien, omdat onze zintuigen daar nog niet geschikt voor zijn, niet zijn geëvolueerd of geoefend om ze te kennen of te zien, want onze stoffelijke zintuigen hebben slechts een beperkt vermogen om de dingen waar te nemen. Maar ze zijn er wel degelijk. Sommige van deze gebieden behoren tot onze eigen hiërarchie en sommige niet. Die er niet toe behoren, maken deel uit van andere hiërarchieën, die alle hun eigen reeks gebieden of werelden hebben. Zoals in een muziekakkoord iedere toon afzonderlijk kan worden gehoord, omdat elk los staat van de ander – maar samen vormen ze een akkoord, een muzikale harmonie – zo is het ook met deze gebieden. Het is, zo u wilt, geheel en al een kwestie van verschil in trillingen, waarbij we dit woord hier in zijn wetenschappelijke betekenis gebruiken. Wanneer de trillingen zodanig zijn dat onze zintuigen ze kunnen gewaarworden, dan zien we ze, of horen we ze, of voelen we ze, of ruiken we ze als zintuiglijke waarnemingen; en als onze zintuigen ze niet onderkennen, weten we er niets van. En toch zijn ze er!
    Zo is het ook met onze drie hogere beginselen, de hogere triade. Het ego heeft zijn eigen bewustzijn en zijn eigen krachten, zijn eigen woning, een ‘ziel’, en we voelen de invloeden, we voelen de stroom die ervan uitgaat, die voor ons een instroming is; en dat geldt ook voor het buddhische beginsel en voor de âtmische straal. We zeggen dat âtman universeel is en dat is ook zo; maar hij behoort (voor ons in ons huidige stadium van evolutie) tot het vierde kosmische gebied, hoewel het ons zevende beginsel is.
    Ik wil duidelijk maken dat het de bestemming van de mens is om het brandpunt van zijn bewustzijn van het lagere naar het hogere te verheffen; en met iedere stap omhoog, of beter gezegd, binnenwaarts, vindt hij een nieuwe wereld met haar eigen bewoners, zoals boven gezegd, met haar eigen omstandigheden en ‘wetten’, met de ‘woonplaatsen’ van haar be woners. En in navolging van het oude axioma van de Hermetisten, ‘zo boven, zo beneden’, kunnen we inzien hoe volkomen juist en in overeenstemming met de feiten het is wanneer we zeggen dat deze verschillende gebieden of liever werelden – waarvan sommige oneindig veel hoger, sommige slechts een weinig hoger, sommige oneindig veel lager, sommige slechts een weinig lager zijn dan de onze –ik herhaal, dat elk van deze gebieden of werelden zijn eigen leven en denkende wezens heeft, zijn eigen bomen, zijn eigen stenen en zijn eigen stormen en zijn eigen vuur, zijn eigen bewoners en zijn eigen dieren, en de vele overige en uiteenlopende dingen en entiteiten, die overeenkomen maar niet identiek zijn met de wezens die we op ons gebied om ons heen zien. Denk aan de onmetelijke uitgestrektheid van de ruimten van bewustzijn en bestaan, waarvoor deze gedachte ons de ogen opent, de onbeperktheid van het leven, dat volstrekt en volkomen eindeloos is en de belofte inhoudt van een eindeloze evolutie vóór ons, zoals er eindeloze ervaringen en een eindeloze evolutie achter ons liggen! Dit is een veredelende gedachte.
    Zoals zo vaak gezegd, is de top van iedere hiërarchie één: en kan worden gezien als één in drie of drie in één, een filosofisch begrip van de Ouden, waaraan de christenen hun dogma van de drieëenheid ontleenden. Dat is de allerhoogste triade. Daarop volgt een eenheid die wij onze hogere triade noemen, drie afzonderlijke beginselen, maar toch verbonden tot een compacte eenheid in het zevende of hoogste beginsel, de âtman, die het zelf is, het ‘universele zelf’, niet ons ego, maar dat gevoel of bewustzijn van zelfheid dat hetzelfde is in u en mij en in ieder mens en zelfs in al de lagere wezens van de hiërarchie, ja zelfs in die van het dierenrijk en dat eveneens vaag waarneembaar is in de plantenwereld en zelfs latent in de mineralen aanwezig is. Dit is het zuivere kennen, de abstracte idee van een zelf. Het vertoont geen enkel verschil in de hele hiërarchie, alleen in graad van zelfherkenning. Wanneer iemand het woord zelf gebruikt, bedoelt hij hetzelfde als ik; maar wanneer hij ikzelf zegt, ik ben ik en niet iemand anders, dan is dat het bewustzijn van zijn ego en niet hetzelfde als wanneer ik zeg ik ben ik. Wanneer het ego zich verheft van de lagere gebieden naar de hogere, komt deze natuurlijk in aanraking met hogere dingen. Vanuit het lagere bewustzijn worden we ons door evolutie van onszelf bewust als mens, of zelf-bewust; en van een mens worden we een boeddha of een christus en bereiken we een volkomen ontplooid zelf-bewustzijn. Daarna zijn er andere gebieden, nog hogere dan dit, waarover we nu niets meer zeggen. Tenslotte zijn er de laagste vier beginselen, die een vereniging vormen, die niet blijvend is, vergankelijk is en bij de dood uiteenvalt.
    Bedenk dat deze gebieden of werelden zich als zodanig in beide richtingen uitstrekken, binnenwaarts en buitenwaarts – waarvan de ene, vanuit ons standpunt bezien, tot steeds hoger boven ons reikt, en de andere naar omlaag voert of, zoals het soms wordt uitgedrukt, langs het pad van de linkerhand.
    Laten we nu als ons volgende onderwerp nog een fragment lezen uit De Geheime Leer (1:632):

    De esoterische leer is anders: de goddelijke, zuiver adi-buddhische monade manifesteert zich als de universele buddhi (de mahâ-buddhi of mahat in de hindoefilosofieën) de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie, de hoogste anima mundi of de logos. Deze daalt neer ‘als een vlam, die zich vanuit het eeuwige vuur verspreidt, onbeweeglijk en zonder toe of af te nemen, steeds dezelfde tot het einde’ van de cyclus van het bestaan en wordt op het gebied van de wereld het universele leven. Uit dit gebied van bewust leven schieten, als zeven vurige tongen, de zonen van het licht (de logoi van het leven). Daarna komen de Dhyani-Boeddha’s van de contemplatie: de concrete vormen van hun vormloze vaders – de zeven zonen van het licht, die nog zichzelf zijn. Op hen kan het brahmaanse mystieke gezegde: ‘Gij zijt ‘DAT’ – Brahm’, worden toegepast. Deze Dhyani-Boeddha’s stralen hun chhaya’s (schaduwen) uit, de bodhisattva’s van de hemelse rijken, de oervormen van de bovenaardse bodhisattva’s, en van de aardse Boeddha’s en tenslotte van de mensen. De ‘zeven zonen van het licht’ worden ook ‘sterren’ genoemd.

    De waarheden van het leven en de mysteries van het zijn zijn verheven en gaan het gewone menselijke bevattingsvermogen te boven! Ons is geleerd dat er een hiërarchie van mededogen bestaat, die H.P. Blavatsky soms de hiërarchie van barmhartigheid of medelijden noemde. Dat is de lichtzijde van de natuur en staat tegenover haar stofzijde of schaduwzijde, haar nachtzijde. Uit deze hiërarchie van mededogen kwamen omstreeks het midden van het derde wortelras van deze ronde die halfgoddelijke entiteiten voort die in de halfbewuste, vrijwel redeloze mensen van die periode incarneerden; het waren gevorderde entiteiten, ook wel bekend als zonne-lha’s, zoals de Tibetanen ze noemen, solaire geesten, die de mensen van een vroegere kalpa waren en die zich tijdens het derde wortelras op die manier opofferden om ons het licht van het intellect te schenken; zij incarneerden in die redeloze psychofysieke omhulsels om de slapende ego’s die wij toen waren tot een goddelijke vlam van egoďteit en zelfbewustzijn aan te wakkeren. Zij zijn onszelf omdat ze tot dezelfde geest-straal behoren als wij; maar in striktere zin waren wij die halfonbewuste, halfontwaakte ego’s, die zij met het goddelijke vuur van hun eigen wezen aanraakten. Dit ‘ontwaken’ werd door H.P. Blavatsky de incarnatie van de mânasaputra’s of de ‘zonen van het denkvermogen’ of van het licht genoemd. Als die incarnatie niet had plaatsgevonden, zouden we onze evolutie door alleen ‘natuurlijke’ oorzaken hebben voortgezet, die dan bijna onvoorstelbaar langzaam, bijna eindeloos zou zijn geweest; maar die daad van zelfopoffering, ingegeven door hun onmetelijk medelijden, hun onmetelijke liefde, al handelden zij inderdaad op grond van een karmische impuls, wekte het goddelijk vuur in ons eigen zelf, gaf ons licht en begrip. Zo werden wij van die tijd af zelf ‘zonen van de goden’; het vermogen van zelfbewustzijn was in ons gewekt, onze ogen werden geopend, verantwoordelijkheid werd ons deel en wij zetten toen definitief onze voeten op het pad, dat innerlijke, kalme pad dat ons binnenwaarts voert, terug naar ons geestelijke thuis.
    U zult zich herinneren dat toen we op de vorige bijeenkomst over inwijdingen spraken, erop werd gewezen dat inwijding in feite een versnellingsproces is, maar het is ook nog iets anders; het is een kopie, een poging tot nabootsing van wat door het incarneren van die heren van intelligentie, zonen van het licht, werd gedaan. Het is een poging het innerlijke geestelijke zelf te stimuleren, actief te maken, ons sneller te doen ontwaken, ons in staat te stellen te zien en te begrijpen, waardoor zij die de beproevingen met succes doorstaan, eonen en eonen van lijden en strijd worden bespaard, en zij in wie het denkvermogen is verlicht, hetzelfde kunnen doen voor hun broeders die minder gevorderd zijn dan zij, en dat is het meest edele van alles!
    Hoe komt het dat vanaf het begin alle leraren die onder de mensen zijn verschenen ons voortdurend hebben geleerd dat zelfbeheersing en medelijden, mededogen en geestelijk begrip niet alleen een plicht maar een noodzaak zijn? Waarom? Omdat dit in feite de sleutels zijn; ze zijn het sesam open u, de dingen die de deuren ontsluiten, niet alleen om het licht binnen te laten maar om, wanneer het licht is gezien, het aan anderen door te geven, want wie zou het niet willen volgen?
    Laten we de volgende namen die in bovenstaand fragment uit De Geheime Leer worden genoemd, opschrijven en in een hiërarchische vorm onderbrengen, zodat we ze gemakkelijker kunnen onthouden:

    1. Âdi-buddhi.
    2. De tweede is mahâbuddhi, die in feite mahat is. Het is tevens de eerste logos, als we de Griekse benaming volgen.
    3. De derde is het universele licht dat ook leven is, in het Sanskriet ook wel goddelijke stof, goddelijke natuur, daivîprakriti genoemd; de tweede logos.
    4. De zonen van het licht, de logoi van het leven genoemd, de derde logos.
    5. De dhyâni-boeddha’s, de boeddha’s van contemplatie of meditatie.
    6. De hemelse bodhisattva’s, een Sanskrietwoord met de betekenis ‘hij van wie de aard in essentie hemelse wijsheid of bodhi’ is.
    7. De bovenaardse of bovenmenselijke bodhisattva’s.
    8. De mânushya-boeddha’s of de menselijke boeddha’s.
    9. Mensen.

    Dit is de hiërarchie van mededogen die uit de hoger gelegen regionen emaneert of evolueert en die de bloem van het evolutieproces vertegenwoordigt; en deze regionen zelf vormen het eerste (of het tiende) niveau of de wortel, zo u wilt, van de hiërarchie van mededogen, naar boven of naar beneden gerekend.
    De essentiële bedoeling van deze hiërarchie, het hele doel en het hele streven, zo u wilt, van de evolutie is het vergankelijke te verheffen tot het onvergankelijke, het onvolmaakte tot het volmaakte, het sterfelijke tot onsterfelijkheid, of met andere woorden de persoonlijke mens te ver heffen om de individuele mens te worden, om van de mens een god te maken. De gewone mens heeft dat hoge stadium natuurlijk nog niet bereikt en daarom, hier werd al eerder op gewezen, bestaat er in de persoonlijke mens geen enkel blijvend beginsel omdat hij slechts uit de vijf lagere beginselen is samengesteld; en wanneer wij zeggen persoonlijke mens, bedoelen wij de mens van deze periode, van dit tijdperk, de evoluerende entiteit van nu, de persoon. Maar wat deze persoon overschaduwt, wat in deze persoon incarneert (als we het woord incarneren kunnen gebruiken) is de goddelijke vlam, het goddelijke zaad, de aanhoudende impuls van de innerlijke god, die ons steeds aanmoedigt ‘Kom hoger, kom tot mij; wees het pad en bewandel het; Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ – in het hart van elk van ons. Deze bevindt zich daar; en zodra de persoonlijke mens zich bewust met deze goddelijke vonk verbindt, wordt hij daardoor onpersoonlijk en onsterfelijk in zijn innerlijke bewustzijn en daarom onvergankelijk, althans tot het einde van deze mahâkalpa; en dan is het zijn verheven bestemming dat onuitsprekelijke nirvâna in te gaan, waar hij in onbeschrijfelijke gelukzaligheid en met universeel inzicht zal blijven totdat de volgende kalpa aanvangt, waarin hij opnieuw begint, maar dan op een veel hoger gebied. Hij begint dan als een leider van die nieuwe mensheid. Hij ontdekt dan dat het zijn beurt is deel uit te maken van die kring of dat gezelschap of die groep van zonen van het denkvermogen of van het licht, en dat hij op zijn beurt aan de halfbewuste mensen van die komende cyclus zelfbewustzijn en toekomstige geestelijke onsterfelijkheid moet schenken.
    Bodhisattva: dit is een sleutelwoord. U zult zich herinneren dat op een vorige bijeenkomst erop werd gewezen dat de dhyâni-boeddha’s, die de vijfde zijn in de opsomming van deze hiërarchie van mededogen, deze heren van contemplatie, zeven in getal zijn en elk van hen voert de heerschappij over of beter heeft het toezicht op een van onze ronden. (Bedenk dat er zeven ronden in een kalpa zijn.) Hij is het hoofd ervan, de voortdurende stimulator achter die kracht in de natuur die wij steeds in ons voelen. Die ‘kracht’ is de goddelijke drang, zoals filosofen haar misschien zouden noemen. Maar ze is nog niet echt goddelijk; want hoe edel en groot die geestelijke wezens ook zijn, ze hebben nog niet de top van hun eigen hiërarchie bereikt; maar hun belangrijkste werk is wat we de goddelijke drang, de stuwkracht achter het evolutieproces noemen. Verder is elk van deze dhyâni-boeddha’s zelf een hiërarchie; zoals gezegd is ook ieder atoom een hiërarchie, ieder mens een hiërarchie en inderdaad iedere entiteit een hiërarchie van hogere of lagere graad, want alle samengestelde dingen zijn noodzakelijk te verdelen in verschillende graden van geestelijke en intellectuele ontwikkeling.
    Hoe zouden deze evoluerende wezens anders kunnen leren? Als de mens alleen uit de oorspronkelijke zuiverheid van zijn goddelijke essentie bestond, wat zou er dan voor hem te leren zijn, hoe zou hij kunnen leren? Elk van deze dhyâni’s heeft ‘zeven zonen’, waaraan hij bij wijze van spreken het leven schenkt of die hij uit zichzelf emaneert of evolueert; zij worden de hemelse bodhisattva’s genoemd, en elke hemelse bodhisattva heeft het toezicht over een van de bollen van onze planeetketen, zodat niet alleen iedere planetaire ronde, maar ook iedere bol zijn geestelijk hoofd heeft. Hij is ook in die zin een hiërarchie.
    Laten we onze aarde, de vierde bol, verder als voorbeeld nemen. De hemelse bodhisattva van onze bol schenkt op zijn beurt het aanzijn aan zeven bovenmenselijke bodhisattva’s en elk van deze bovenmenselijke bodhisattva’s of bovenaardse bodhisattva’s heeft het toezicht over een van de zeven wortelrassen in iedere ronde en schenkt door middel van een verbazingwekkend proces, dat we binnenkort zullen beschrijven, het aanzijn aan zeven menselijke boeddha’s – elke bovenmenselijke bodhi sattva aan een ras-boeddha. Volgens de exoterische uitleg betekent een bodhisattva iemand die in de volgende incarnatie of na enkele incarnaties een boeddha zal worden. Dat is waar, maar het is een exoterische leer, en dat wil zeggen dat ze onvolledig en daarom misleidend is. Vanuit het standpunt van onze occulte leringen, onze esoterische leringen, is een bodhisattva meer dan dat. Wanneer een mens het punt heeft bereikt waarop zijn ego zich van zijn innerlijke goddelijke natuur bewust wordt, volledig bewust wordt, omkleed wordt met de buddhische straal; wanneer de persoonlijke mens hier op aarde zich als het ware heeft gehuld in het kleed van innerlijke onsterfelijkheid, dan is die mens een bodhisattva. Zijn hogere beginselen hebben bijna nirvâna bereikt. Wanneer zij dit tenslotte doen, dan is zo iemand een boeddha, een menselijke boeddha, een mânushya-boeddha. Het is duidelijk dat als zo’n bodhisattva zou incarneren, hij in de eerstvolgende incarnatie of na slechts enkele reďncarnaties, een mânushya-boeddha zou zijn. Volgens de esoterische leer is een boeddha iemand van wie de hogere beginselen niets meer kunnen leren; zij hebben nirvâna bereikt en blijven daar; maar de geestelijk ontwaakte persoonlijke mens, de bodhisattva, de halfgoddelijk geworden persoon om het in gewone taal uit te drukken, blijft uit medelijden en mededogen met lagere wezens hier op aarde, in plaats van zijn beloning te verkiezen in het nirvâna van een lagere graad en wordt wat men een nirmânakâya noemt. Een nirmânakâya is een bodhisattva, een persoonlijke mens die halfgoddelijk is geworden. Hij hult zich in een nirmânakâyisch kleed. De nirmânakâya, zoals u zich zult herinneren, is iemand die een volledig, denkend, geestelijk wezen is, maar zonder een stoffelijk lichaam.
    Laten we aan de hand van een voorbeeld zien hoe dat in zijn werk gaat. Bedenk dat we wat ons onderwerp betreft, de aard van het wonderlijke wezen nu slechts terloops bestuderen als een inderdaad prachtige illustratie van het zevende juweel van wijsheid, âtmavidyâ, de kennis van het zelf. En nu onze illustratie. Enige tijd nadat Gautama Boeddha overleed, werd in het zuiden van India een man geboren die later in de Indische wereld grote bekendheid kreeg. Zijn naam was Sankarâchârya. âchârya is een Sanskrietwoord dat ‘leraar’ of ‘meester’ betekent; en de naam van de man zelf was Sankara; de twee woorden vormen samen Sankarâchârya, ‘Sankara de leraar’, zoals de hindoes van de Advaita-Vedânta of de niet-dualistische school het zeggen. Ook hier is er sprake van iets heel interessants, waarop we al eerder kort hebben gezinspeeld. Sankarâchârya was een avatâra, dat wil zeggen een incarnatie van een ‘god’ en toch was hij minder hoog dan de Boeddha (Gautama) die hem was voorafgegaan, hoewel laatstgenoemde een mens was. Hoe moeten we dat wonder verklaren? Heel eenvoudig. De Boeddha Gautama werd een boeddha door eigen inspanning, na verloop van ontelbare eeuwen; Sankarâchârya daarentegen was, in een mystiek opzicht, wat men vanuit het esoterische standpunt over het mens-zijn feitelijk een illusie zou kunnen noemen. Sankara was een mens, er was een stoffelijk lichaam, er was ook de grootse geestelijke innerlijke essentie; maar er had niet eerder een Sankarâchârya bestaan. Sankarâchârya per se was geestelijk gezien een goddelijke straal. De âtman en buddhi, geboren in het lichaam van deze brahmaan waren aanwezig, ook de kâma, de prâna, het astrale model lichaam en het stoffelijk lichaam – maar niet een verlicht persoonlijk ego; en opdat die avatâra op dat tijdstip in de geschiedenis zijn werk zou kunnen doen, trad de bodhisattva van de Boeddha dat lichaam binnen en schonk het licht, verschafte het verlichtende ego, en herhaalde op deze manier het eonenoude mysterie van zelfopoffering, nam de eventuele ‘zonden’ (of het karmische erfdeel van de ouders) van dat lichaam op zich; om zo die goddelijke straal, die avatâra de gelegenheid te geven in de wereld te werken: door het voertuig te verschaffen waardoor de goddelijke straal zich voor en in de wereld van de mens kon manifesteren.
    Dat is het geheim van een avatâra; maar niet iedere bodhisattva is noodzakelijk het voertuig van een avatâra, want de avatâra’s komen in bepaalde vastgestelde perioden. Ook boeddha’s komen in bepaalde en vastgestelde perioden, maar ze laten een bodhisattva achter, hun ego, hun verlichte denkende deel, de nirmânakâya, die zich wijdt aan het verlossen van het ras, want dat is de bewuste rol van de hiërarchie van mededogen op onze bol.
    Dit was een van de oude mysterieleringen in de oude mysterie scholen.
    Maar dat is niet alles wat er over dit ware en wonderlijke mysterie valt te zeggen. Deze zelfde bodhisattva schonk, zo wordt ons geleerd, enkele eeuwen later ook aan de persoon Jezus uit Palestina het bewuste voertuig, de egoďsche kracht. Dit zijn evenwel onderwerpen waarop wij vanavond niet dieper kunnen ingaan. Ze dienen slechts als illustratie van de manier waarop deze hiërarchie van mededogen op aarde werkt bij het vervullen van haar verheven taak van toezicht en bescherming van de mensheid.
    We zullen nu een vijftal vragen voorlezen, die ons zijn voorgelegd en die we naar beste vermogen zullen beantwoorden. Ik bespreek deze nu, voor we met ons onderwerp verder gaan, omdat juist dit thema dat wij in verband met de Boeddha Gautama en Jezus hebben aangeroerd in deze vragen wordt genoemd; het betreft dingen die wij ons allen waarschijnlijk hebben afgevraagd; vragen waarop wij antwoorden hebben gezocht.
    We hebben nu enig idee gekregen van wat we bedoelen met zelfkennis en met onze eenheid met alles, en hoe onze individualiteit als het ware uit hemel en aarde werd geboren: de innerlijke goddelijke straal en de lagere persoonlijke mens; deze laatste wordt verheven tot hij één wordt met die goddelijke straal en zo een geschikt en gezuiverd voertuig daarvoor wordt. We hebben ook gezien dat de studie van het wonderlijke wezen ons een schitterend beeld geeft van de verheven geestelijke toestand die we moeten bereiken en zullen bereiken als we de tocht met goed gevolg volbrengen.
    Laten we nu iets verder gaan in ons denken over dit wonderlijke wezen. We hebben gezien dat hij of het zowel van de hemel als van de aarde is, zoals H.P. Blavatsky dit in gewone taal uitdrukte. Hij is geworteld in de dhyâni-boeddha van deze ronde, en de straal bereikt hem als mens via de hemelse bodhisattva, geëmaneerd door de dhyâni-boeddha en ook via de bovenaardse of bovenmenselijke bodhisattva die het uiteindelijke toezicht op ons wortelras heeft. Het wonderlijke wezen wordt hier beschouwd in zijn raciale aspect. Men moet echter bedenken dat er ook een wonderlijk wezen is voor onze bol; ook één voor de hele planeetketen, enz.
    Er is een overlevering, en onze leraren zeggen ons dat ze op waarheid berust, dat er zelfs tot op deze dag in Centraal-Azië een bepaald mystiek en geheimzinnig land, of zo u wilt district, bestaat. Het wordt Sambhala genoemd. Het is een woord dat in de Sanskrietliteratuur bekend is, maar omdat de uitspraken en legenden daarover verband houden met wat de zelfgenoegzame Europese Sanskritisten en oriëntalisten ‘heidens bijgeloof’ en ‘liefde van de oosterlingen voor het vormen van een voorstellingswereld’, enz. noemen, zeggen die Europese geleerden dat het een mythe is. Blinde mensen! Het is een werkelijk bestaande streek op aarde, binnen een bepaald deel van het Tibetaanse grondgebied en is al eeuwenlang het onderwerp van veel mystieke speculaties en is dat nog steeds. Het is het ‘thuis’ van onze verheven leraren. Het is eveneens het ‘thuis’ van het wonderlijke wezen gezien als mens of in zijn raciale aspect. Dit wonderlijke wezen incarneert van eeuw tot eeuw naar eigen wil en goeddunken, maar laat de taak die hij op zich heeft genomen nooit in de steek en zal die evenmin neerleggen voor zijn werk is gedaan. Hij is de geestelijke band en schakel van de verschillende bodhisattva’s en boeddha’s van de hiërarchie van mededogen met hogere werelden en met ons en de lagere wezens van onze ronde. Dit land Sambhala wordt beschreven als een oord van grote schoonheid, omringd door een keten van hoge bergen. Men zegt dat geen menselijk oog het ooit zal zien, tenzij daarvoor toestemming is verleend. Men zegt dat degenen die naar dit land Sambhala gaan daarheen worden ‘geroepen’, soms om terug te keren en soms om er te blijven; en dat daar, verheven boven alle meesters, het menselijke aspect van dit wonderlijke wezen, de grote inwijder, het grote offer, regeert.
    Dit zijn de leringen; en verder wordt gezegd dat op cyclisch kritieke momenten vanuit dit land de meesters in geestelijke zin, voortdurend, en ook in gewone lichamelijke vorm in de wereld verschijnen. Kan iemand die nadenkt en geestelijk is ingesteld de levensloop en de geschiedenis van H.P. Blavatsky begrijpen, wat zij zegt en wat zij deed, zonder tussen de regels en achter de woorden te lezen? Hebben we ooit goed begrepen hoeveel het voor haar betekende wanneer ze sprak over ‘naar huis’ gaan? Hebben we er ooit bij stilgestaan wat er in dat vrouwenlichaam misschien is geďncarneerd? Op deze manier nemen de verlossers van eeuw tot eeuw naar eigen goeddunken soms een lichaam aan, en het geslacht doet er weinig toe, hoewel de keuze gewoonlijk op mannelijke lichamen valt. Die stoffelijke instrumenten die het meest geschikt zijn voor het werk dat moet worden gedaan, worden als lichaam gekozen.
    Ons is bovendien gezegd dat deze vier kumâra’s, over wie we vanavond hebben gelezen – ‘er is slechts EEN hoger dan de vier’ – in geestelijk opzicht en in oorsprong de vier hemelse bodhisattva’s van de vier bollen van onze ronde zijn en – naar analogie – van de vier voltooide wortelrassen van onze aarde, en daarboven bestaat op aarde geen ander dan deze ENE. Laten we deze prachtige leringen in het hart bewaren en ze tot een deel van onszelf maken! Ze bevatten oneindige schoonheid, onuitsprekelijke hoop; ze zijn vol geestelijk leven en heilzaam voor ons denken.
    Wat is er met het denken van de mens aan de hand? Weten we niet allen dat de meeste mensen de waarheid niet willen aanvaarden wanneer zij haar zien, tenzij deze met hun vooropgezette mening overeenstemt? Hoe komt dat? Omdat hun eigen verstandelijke ideeën, hun eigen meningen, die zij ver verheven achten boven iets dat uit een andere bron tot hen komt, vooral indien die bron onpersoonlijk is, hun denken geheel in beslag nemen en in verwarring brengen. We verkeren allen in diezelfde mentale toestand; we gaan gebukt onder de vloek van deze verstarde denkvormen, die ons verblinden. Ieder van ons, ongetwijfeld in verschillende mate, sommigen minder dan anderen, maar allen gaan we door eigen toedoen gebukt onder deze vloek, en het enige wat we moeten doen is onze wil oefenen en deze verstarde denkvormen doorbreken om licht, geestelijk leven en begrip en vooral heilig mededogen binnen te laten. Wat anders houdt al deze dingen als een werkzame kracht buiten onze geest en buiten ons hart dan deze denkvormen? ‘Geef uw leven op zo gij het wilt vinden.’
    Soms beschuldigt men u misschien en zegt men dat u een atheďst bent, omdat u niet in een persoonlijke god gelooft. Laat mij hier voorlezen wat een groot Grieks denker op dit punt heeft gezegd toen hij van ‘atheďsme’ werd beschuldigd. En voor ik dit lees wil ik nog zeggen dat voor de Grieken atheďst betekende iemand die de goden van het volk, de mythologische goden van de staat niet aanvaardde. Het was zeker niet een woord dat op schande of haat duidde, wat het onder de christelijke theologische overheersing wel is geworden. Het betekende eerder ‘u bent een andersdenkende!’ – niet meer of niet veel meer. Maar de christenen hebben van dit volkomen legitiem gebruikte woord – dat doelde op iemand die de goden van de staat niet aanvaardde – een term gemaakt die haat en zedelijk verval inhield. Vergeet niet dat de christenen zelf door de heidenen atheďsten werden genoemd, eenvoudig omdat zij de mythologische goden van de staat niet aanvaardden; en toen de christenen aan de macht kwamen, betaalden ze met gelijke munt terug en noemden de heidenen atheďsten, omdat deze weigerden de joods-christelijke god, Jehova, te aanvaarden.
    Maar wat zei Epicurus, die in de eeuwen na hem atheďst en sensualist werd genoemd en mogelijk iedere andere kwalijk klinkende bijnaam kreeg, waarmee mensen met haatgevoelens iemand overladen aan wie ze een hekel hebben? ‘De goden bestaan, maar toch zijn ze niet wat de menigte denkt dat ze zijn. Degene die het bestaan loochent van de goden die door de menigte worden aanbeden, is noch een ongelovige noch een atheďst; maar hij die meent dat de goden zijn zoals ze door de menigte worden opgevat, is een atheďst en een goddeloze.’
    Wij zullen nu de eerder genoemde vragen behandelen. Deze vragen zijn misschien, of zijn ongetwijfeld, bij ieder van ons opgekomen; en wellicht hebben wij naar een antwoord gezocht. Ik geef ze alsof ze door de hier aanwezigen zijn gesteld:

    Uit wat u eerder heeft gezegd, heb ik begrepen dat Jezus en Apollonius nirmânakâya’s waren. In Isis Ontsluierd (2:189) zegt H.P. Blavatsky dat terwijl Jezus en anderen blijvend met hun geest waren verenigd, Apollonius en anderen van zijn klasse slechts bij tussenpozen hiermee waren verenigd. Ik zou denken dat een nirmânakâya wanneer hij op deze aarde werkt, blijvend met zijn geest zou zijn verenigd.

    Deze vraag is grotendeels beantwoord met wat we al hebben uiteengezet over de betekenis van een bodhisattva. Een nirmânakâya is een toestand die een bodhisattva aanneemt of waarin hij komt. Wanneer er aan die toestand een einde komt, komt er een einde aan de nirmânakâya. Kâya betekent ‘lichaam, voertuig’. Daarom waren Sankarâchârya, Krishna, Lao-tse, Jezus, avatâra’s van verschillende graad. Er was een goddelijke straal die op het cyclische tijdstip voor zo’n incarnatie verscheen, en de verbindende schakel, de vlam van het denken, werd in elk van die gevallen verschaft door een lid van de hiërarchie van mededogen. Maar deze avatâra’s waren niet allen even groot. Apollonius, hoewel geen avatâra, was een nirmânakâya – een bodhisattva. Zoals eerder gezegd, staat een bodhisattva in de hiërarchie van mededogen feitelijk hoger dan een avatâra, zoals iemand die door eigen inspanning goddelijk is geworden en uit mededogen in de wereld van de mens achterblijft om haar geestelijk te helpen, in feite hoger staat dan de deva’s of goden in hun onbewogen zuiverheid.
    Jezus en anderen zoals Krishna en Lao-tse waren blijvend met hun geest verenigd. Het is duidelijk dat hiermee niet het stoffelijk lichaam van die grote zielen wordt bedoeld, maar dat de bijzondere âtmabuddhische straal die op aarde Jezus of Krishna of Lao-tse werd genoemd, mensen bezielde die van nature altijd met hun geest waren verenigd, hoewel elk zich door middel van een bodhisattva-nirmânakâya manifesteerde. Ze zouden niets anders kunnen zijn. Ze zouden geen avatâra kunnen zijn door middel van een lagerstaand wezen dan een bodhisattva. Apollonius en de bodhisattva Gautama en anderen van hetzelfde edele gehalte waren niet blijvend met hun geest verbonden, of beter zij waren niet alleen en uitsluitend âtmabuddhische stralen, omdat zij mensen waren die door ervaring volmaakt waren geworden: persoonlijke mensen, die halfgoddelijk waren geworden, en zoals gezegd, zo’n wezen staat feitelijk veel hoger dan een geestelijke straal of monade per se, omdat wezens zoals de bodhisattva’s de uitgelezen bloemen van de evolutie zijn.
    Volgende vraag:

    Op een van deze bijeenkomsten werd verklaard dat de woorden van de Bergrede niet die van Jezus waren, maar bestaan uit door een latere schrijver bijeengebrachte oude wijsheid. Ik begrijp niet goed waarom in de toespraken, enz., van Katherine Tingley, deze rede en Jezus altijd in één adem worden genoemd, alsof hij de auteur ervan is. Ik kreeg op die bijeenkomst de indruk dat Jezus slechts een ingewijde jood was, maar niet van zo’n groot formaat dat hij op de verering van alle christenen aanspraak zou kunnen maken. Maar misschien heb ik niet goed geluisterd.

    Deze vraag is heel zorgvuldig ingekleed. In de eerste plaats moet niet worden gezegd en werd ook niet gezegd, dat de Bergrede niet de logia of ‘woorden’ van Jezus bevatte. Wat wel werd gezegd en door tijdgebrek ongetwijfeld op ontoereikende wijze, was dat de Bergrede zoals wij die nu in het Nieuwe Testament bezitten naar alle waarschijnlijkheid op vrijwel dezelfde manier werd samengesteld als de vier canonieke evangeliën. Zonder twijfel berust ze op de logia en uitspraken van de meester Jezus. Er heeft ongetwijfeld een mens, Jezus, geleefd. Hij had zonder twijfel een school. Ongetwijfeld had hij zijn discipelen. Ongetwijfeld onderwees hij hen en werden zijn uitspraken door zijn discipelen op hoge prijs gesteld; maar naarmate de tijd verstreek, werd er veel van vergeten en werden ze herzien en bewerkt, en nu hebben wij ze in de vorm waarin ze in het Nieuwe Testament voorkomen. Dit werd vergemakkelijkt door het feit dat in deze geschriften voor een groot deel zaken werden behandeld die tot de min of meer algemeen filosofische of zelfs esoterische kennis behoorden, die min of meer gangbaar waren in het gedachteleven van die tijd, en er was maar weinig voor nodig om deze ideeën tot een min of meer logisch geheel te verweven. Het feit dat de welbekende tegenstrijdigheden en verschillen tussen de vier evangeliën, bij vergelijking bewerkingen door verschillende schrijvers blijken te zijn, toont aan dat bij de samenstelling van uiteenlopende theorieën werd uitgegaan. Voor een theosoof bewijzen bepaalde gebruikte uitdrukkingen dat de esoterie van Syrië bij hun samenstelling een grote rol speelde, wat volkomen voor de hand lag. Jezus onderwees universele waarheden; zijn gedeeltelijk onderrichte volgelingen hebben veel daarvan verkeerd begrepen. Die uitdrukkingen en woorden werden in de mysteriescholen van die tijd in de oostelijke helft van het gebied rond de Middellandse Zee gebruikt, maar ze behoren niet tot onze school; en omdat Jezus beslist tot onze school behoorde, bestaat het vermoeden, zoals gezegd, dat zijn uitspraken zijn ‘bijgewerkt’ en door toevoeging van vreemde bestanddelen de vorm van de vier evangeliën kregen. Ongetwijfeld was iemand of waren meerderen van mening dat de verspreide uitspraken van de leraar voor verbetering vatbaar waren – ‘duidelijker en gemakkelijker’ konden worden gemaakt.
    Dit schijnt het lot te zijn van bijna alle grote leringen. Er is absoluut geen middel om dat te voorkomen, behalve de oprechte trouw van mannen en vrouwen die bereid zijn zich op te offeren voor de zuivere leringen van hem die aan hen licht en een ontwaakt innerlijk leven schonk. Laten we dat nooit vergeten!
    De vraagsteller heeft terecht de indruk gekregen dat Jezus een ingewijde Syriër was – een jood zo u wilt. We hebben het nu over de mens Jezus; maar ik geloof niet dat we ooit hebben gezegd dat hij onder alle omstandigheden op de ‘verering’ door de christenen of wie dan ook aanspraak zou kunnen maken, omdat zo’n verering aan alle volgelingen van de waarheid – die onpersoonlijk en onuitsprekelijk is – juist is verboden. Die gedachte berust op een misvatting van onze bedoeling bij de vraagsteller.
    Hier is nog een vraag:

    Iets anders dat mij in verwarring brengt zijn de vele verschillende manieren waarop de 7, 9 en 10 beginselen van de mens en het heelal worden opgesomd. In de Instructies nrs. 1 en 2 van H.P. Blavatsky wordt gezegd dat âtman feitelijk in het geheel geen beginsel van de mens is, maar dat het aurische omhulsel het zevende vormt. Toch wordt op onze esoterische bijeenkomsten vaak over âtman gesproken alsof het tot de mens behoort. De esoterische en exoterische opsomming van deze beginselen loopt uiteen en dikwijls wordt manas slechts één beginsel genoemd, dan weer in tweeën verdeeld en wordt het lagere manas met het kâma-beginsel verbonden, enz.

    Deze goedgekozen punten moeten natuurlijk door iedereen zelf worden opgelost door de literatuur te bestuderen die we al bezitten en die op zo bekwame wijze door onze oudere bestudeerders is geschreven. Het is noodzakelijk dat de zeven beginselen volgens verschillende methoden worden gespecificeerd, omdat elke methode of voorstelling in een diagram of schema een ander beeld van de waarheid geeft, een ander facet toont of een andere manier waarop het juweel wordt bekeken. Zo zou iemand, als hij zich in India bevond en dat schitterende monument van schoonheid, de Taj Mahal, wilde bestuderen, het niet alleen aan de voorzijde bekijken en dan weggaan, maar hij zou naar binnen gaan en het in bijzonderheden bestuderen; en naar de achterzijde gaan, naar rechts en naar links en het zo aan alle kanten bekijken en intussen alle mogelijke informatie van deskundigen verzamelen. Op ongeveer dezelfde wijze kunnen de zeven of tien beginselen op verschillende manieren worden weergegeven. Het is een feit dat âtman als het zevende beginsel wordt vermeld, omdat het de blijvende wortel van ons wezen is; maar als we het kâma-beginsel als die wortel zouden kennen, dan zou dat het zevende of beter het eerste of hoogste worden genoemd, als de wortel van ons wezen; of manas zou onder soortgelijke omstandigheden het zevende moeten worden genoemd. âtman wordt als het eerste of hoogste genoemd, omdat de zeven beginselen van de mens op een algemene manier worden beschouwd, en omdat âtman of het zelf de wortel of het hoogste element van het zijn is, wordt het als een van de zeven beginselen opgevat, hoewel het in werkelijkheid een universeel beginsel is.
    De vierde vraag toont hoe diep de vraagsteller heeft nagedacht:

    De leer van de cyclussen en het juiste aantal jaren dat het mensenras in een manvantara of een dag en nacht van Brahmâ nodig heeft om het 7de ras en de 7de ronde te bereiken, gezien in samenhang met de leer van de vrije wil, is altijd enigszins een raadsel voor mij. Hoe komt het dat de vrije wil en de mislukkingen van de mens niet voortdurend verandering brengen in het exacte aantal jaren dat hij nodig heeft om toekomstige ronden en rassen te bereiken? In Theosofie: Het Pad van de Mysticus zegt Katherine Tingley dat de mensheid het ergste punt, het kritieke punt in haar evolutie is gepasseerd en dat geen machten in hemel en hel haar vooruitgang kunnen stuiten, maar toch blijft ze tot de mensheid spreken alsof deze op de rand van de ondergang staat.

    Allereerst dit, gezien in het grote verband van de zeven ronden als een kalpa of als een geheel, of in nog sterkere mate van de zonnekalpa, d.w.z. de cyclus van het zonnestelsel, is het aantal jaren zelfs van de vele incarnaties van een mens precies bepaald, op vrijwel dezelfde manier als het aantal omwentelingen (of dagen en nachten) die onze bol, de aarde, in een jaar maakt of in een omwenteling om de zon. Met andere woorden, het aantal dagen van een jaar of het aantal dagen in een maancyclus of maand staat vast. Maar al is dit in het algemeen juist, toch is de leer dat de mens een vrije wil heeft inderdaad een feit en is het falen of welslagen van de mens er de oorzaak van dat bijvoorbeeld de incarnaties van een mens trager of sneller verlopen – waarmee de vraag die werd gesteld in het kort is beantwoord.
    Het totale aantal staat vast; maar het is net als met de lichamen van het zonnestelsel, de planeten die, zoals aan de astronomen bekend is, soms als gevolg van storingen nu en dan in de tijd wat achter of wat voor zijn, maar die desondanks op de lange duur ‘op tijd aankomen’, alsof ze bewustzijn hebben en op het daarvoor vastgestelde uur het doel moesten bereiken. Zo kan de vrije wil van de mens verandering brengen in de loop of de tijdsperioden van zijn incarnaties, maar niet in hun aantal. In elke ronde, in elk wortelras, kan hij ze in dat opzicht veranderen, maar hij zal daarvoor de karmische gevolgen moeten ondergaan, want er treedt een reactie op; en er zal een tegenstroom ontstaan die de andere kant opgaat. Moeten we tenslotte zeggen dat de mens geen vrije wil heeft omdat hij aan een bol is gebonden die hij desgewenst niet kan verlaten? Natuurlijk niet, ook al wordt hij nolens volens door de jaarlijkse omloop van onze bol rond de zon meegevoerd. Er zou veel meer kunnen worden gezegd om deze kwestie toe te lichten, maar het is te zeer esoterisch om hier te bespreken.
    Wat de woorden van Katherine Tingley betreft, wijs ik erop dat onze vraagsteller haar wat de betekenis aangaat juist heeft geciteerd. Het is een feit dat wij het zwaarste punt, het kritieke punt in onze evolutie zijn gepasseerd. Dat was het midden van het vierde ras van deze vierde ronde. Vanuit een geestelijk standpunt kon het in ons hele manvantara niet slechter zijn geweest. Het was het middelste of diepste punt van verschillende cyclussen. Wij zijn er als ras met goed gevolg doorheen gekomen maar heel veel entiteiten zijn gevallen en volgden het pad omlaag. ‘Maar toch blijft zij tot de mensheid spreken alsof deze op de rand van de ondergang staat’ – weet u niet dat wij, zelfs in dit vijfde wortelras, nog niet het midden van het vierde primaire onderras daarvan hebben bereikt – het midden en dus het gevaarlijke punt? En dat de grote catastrofe van het ras die ons vijfde wortelras te wachten staat ons dus nog niet heeft getroffen? Zoals H.P. Blavatsky in 1887 of 1888 heeft verklaard, schijnen de grote vloedgolven en aardbevingen die zich de laatste paar duizend jaar hebben voorgedaan, de voorboden te zijn van wat ons over enkele duizenden jaren met toegenomen kracht zal overkomen.
    De laatste vraag is:

    De namen die aan het absolute in zijn verschillende manifestaties worden gegeven zijn voor mij verwarrend (of misschien alleen maar moeilijk te onthouden). In de Yoga Aforismen van Patańjali wordt het hogere zelf van de mens îßvara genoemd, in de Bhagavad-Gîtâ purusha; ook wordt het vaak âtman genoemd. In hoofdstuk VIII van de Bhagavad-Gîtâ worden de namen adhyâtman, adhibhűta, adhidaivata, adhiyajńa, brahman, enz., gebruikt, alle met heel subtiele verschillen in betekenis.

    Dat is zo; maar de betekenissen worden ook in het eerste deel van de Bhagavad-Gîtâ, hoofdstuk 8 verklaard. Wij wijzen er hier op dat, evenals bij de rangschikkingen van de zeven beginselen in de verschillende boeken, deze namen pogingen zijn om te wijzen op andere of verschillende kanten van een en hetzelfde ding.
    Tot besluit zullen we deze vijf Sanskriettermen vertalen; adhyâtman betekent het ‘oorspronkelijke âtman of zelf’, dat hetzelfde is als param âtman of de hoogste âtman, de hoogste van de hiërarchie. Adhibhűta betekent dat hoogste iets, of het hogere egoďsche beginsel of ‘oorspronkelijke element’ in ons, dat uit andere manvantara’s overkomt; het is, bij wijze van spreken, de incarnerende essentie van dat element. Adhidaivata betekent ‘goddelijker’, het hoogste deel van alles als reeks, als hiërarchie beschouwd, wanneer men verschillende stadia in aanmerking neemt. Adhiyajńa betekent het grotere, het ‘hoogste offer’.
    In een hoog geestelijk opzicht was Krishna het hoogste offer, het oorspronkelijke offer, de eerste inwijder van de kant van de hiërarchie van mededogen, een offer van zuivere liefde en mededogen; iets verhevener dan dat is er niet in de mens, omdat het ons tot een van de goden maakt. Brahman, het laatste woord, is zoals wij allen weten, een Sanskrietwoord waarvan de wortel in essentie ‘uitbreiding’ betekent; het is dat deel van het hemelse stelsel dat de manifestatie, de uitbreiding van het ene tot het vele, op gang brengt.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 290-309

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag