HOOFDSTUK 23

DE ZON EN DE PLANETEN. HUN ROL IN HET EVOLUTIEDRAMA.

    De meest mystieke verhandelingen leren ons, dat hij (de zon) in zijn geheel tot de bovenaardse orden behoort: want daar bestaat een zonne-wereld en een volkomen licht, zoals de orakels van de Chaldeeën bevestigen. . . .     Onvermoeibaar heerst de natuur over de werelden en werken,
    Opdat de hemel, zich omlaag bewegend, een eeuwige loop mag hebben,
    En de andere kringlopen van de zon, de maan, de seizoenen, nacht en dag volbracht mogen worden.
     – Proclus, Commentaar op de ‘Timaeus’ van Plato (Cory, Ancient Fragments, blz. 274-5)

    De Geheime Leer (1:306-7):

    Wat ook het lot van dit geschrift in een verre toekomst zou kunnen zijn, we hopen tot dusver de volgende feiten te hebben bewezen:
    (1) De Geheime Leer verkondigt geen atheďsme, behalve in de hindoebetekenis van het woord nastika, of het verwerpen van afgoden, waaronder alle antropomorfe goden. In deze betekenis is iedere occultist een nastika.
    (2) Zij erkent een logos of een collectieve ‘schepper’ van het Heelal; een demiurg – in de zin waarin men spreekt over een ‘architect’ als een ‘schepper’ van een gebouw, hoewel die architect er nooit één steen van heeft aangeraakt, maar het bouwplan leverde en al het handwerk aan de metselaars overliet; in ons geval werd het bouwplan geleverd door het beeldende vermogen van het Heelal en werd de uitvoering overgelaten aan de menigten intelligente machten en krachten. Maar die demiurg is geen persoonlijke godheid – d.w.z. een onvolmaakte buiten-kosmische god – maar slechts de totaliteit van de Dhyan-Chohans en de andere krachten.
    Wat deze laatste betreft:
    (3) Ze zijn tweevoudig van aard, omdat ze zijn samengesteld uit (a) de redeloze brute energie, die eigen is aan materie en (b) de intelligente ziel of het kosmische bewustzijn dat die energie richting geeft en leidt en dat de gedachte van een Dhyan-Chohan is, die de verbeeldingskracht van het universele denkvermogen weerspiegelt. Het gevolg hiervan is een steeds voortgaande reeks van stoffelijke manifestaties en van morele gevolgen op aarde tijdens de manvantarische tijdperken, terwijl het geheel onderworpen is aan karma. Omdat dat proces niet altijd volmaakt is en omdat het, hoeveel bewijzen ook worden geleverd van een leidende intelligentie achter de sluier, toch hiaten en gebreken vertoont en zelfs resultaten die vaak duidelijke mislukkingen zijn, zijn noch de gezamenlijke menigte (demiurg), noch een van de uitvoerende krachten afzonderlijk, geschikte voorwerpen voor goddelijke verering of aanbidding. Ze hebben echter allen recht op de dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke Karana, de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar, ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons geestelijke bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in de stilte en de geheiligde eenzaamheid van hun ziel, terwijl ze hun geest tot enige bemiddelaar maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve offers aan de Tegen woordigheid.

    We gaan vanavond verder met de verschillende draden op te nemen die hier en daar op vorige bijeenkomsten zijn blijven liggen. Laten we eerst iets dieper ingaan op wat met een bodhisattva wordt bedoeld. U zult zich herinneren dat een bodhisattva werd omschreven als een relatief volmaakt geworden persoonlijke mens, waarbij de persoonlijke entiteit een onpersoonlijke entiteit is geworden en het sterfelijke zich in het kleed van het onsterfelijke heeft gehuld; met andere woorden, die gevallen waarin de persoonlijke mens een ontwaakte is geworden, of een boeddha die slechts één stap van het volledige boeddhaschap is verwijderd; of, om de christelijke (vroegchristelijk-Griekse) mystieke uitdrukking te gebruiken, een christus op aarde.
    Als zodanig is een bodhisattva praktisch wat wij het hogere manas kunnen noemen, het hogere zelf (niet het hoogste zelf, maar het hogere zelf) dat volledig is ontwikkeld en volledig wordt beschenen door de tweevoudige monade âtmabuddhi, en dat zo een geschikt voertuig vormt, een passend medium tussen het goddelijke en het lagere zelf van de mens; en een geschikt verbindingskanaal verschaft in die gevallen waarin een avatâra zich op aarde moet manifesteren. Een wezen zoals een avatâra zou niet onder de mensen kunnen verschijnen als dit medium niet de noodzakelijke psychospirituele schakel verschafte. Zuivere geest kan, als hij op aarde wil optreden, geen invloed uitoefenen op de mens en ook niet met hem in verbinding treden, omdat hij bij wijze van spreken de werkelijke goddelijke essentie van de kosmos is, die de twee geestelijke kwaliteiten of voertuigen buddhi en manas-taijasa nodig heeft om zich te manifesteren; en door te voorzien in de spirituele egoďsche kwaliteit, de intermediaire kwaliteit, verschaft de bodhisattva dat noodzakelijke medium of voertuig. De bodhisattva die, in plaats van zijn eigen natuurlijke karmische hogere pad in de nirvânische toestand te volgen, door het mededogen dat hem eigen is, als helper van de mensheid op aarde verkiest te blijven, wordt in zo’n geval een nirmânakâya, een volledig bewust denkend wezen op dit menselijke gebied, maar zonder het stoffelijke lichaam. In de esoterische filosofie wordt gezegd dat Gautama de Boeddha die verheven keuze heeft gedaan en het intermediaire beginsel verschafte voor de hindoe-avatâra Sankarâchârya, over wie we op de vorige bijeenkomst hebben gesproken. Er bestaat een overlevering en het is ook een bij ons vastgelegd feit, dat dezelfde bodhisattva het intermediaire beginsel verschafte voor de avatârische manifestatie, Jezus genaamd, en ook nog in twee andere gevallen die hier niet met name worden genoemd; en de reden is dat elk ras en elk onderras en ook iedere kleinere belangrijke rascyclus, zoals we weten, onder de bijzondere leiding van een boeddha staat of van minder belangrijke incarnaties of overschaduwingen door hem.
    Gautama Boeddha was zelf een avatâra plus, d.w.z. een avatâra in ruimere zin; hiermee wordt bedoeld dat, in plaats van uit zichzelf in een kleinere cyclus een intermediair voertuig te verschaffen, hij dat intermediaire voertuig zelf was in zijn psychospirituele totaliteit, bezield door zijn eigen goddelijke natuur en met zijn eigen stoffelijk lichaam als de ‘tempel’ daarvan; in dit opzicht verschilde hij van een avatâra per se, in wie het intermediaire voertuig wordt verschaft door de bodhisattva-nirmânakâya van de boeddha onder wiens heerschappij, of beter toezicht, het bepaalde ras, waarin die avatâra verschijnt, zijn weg volgt als een kleinere cyclus binnen de grotere rascyclus van die boeddha zelf. Een avatâra heeft dus de bodhisattva van de rasboeddha nodig als voertuig om zich op aarde te manifesteren op het tijdstip dat hij moet verschijnen. Dat geldt niet voor een boeddha omdat hij, hoewel hij een avatâra is in die zin dat hij rechtstreeks en ten volle wordt verlicht door zijn eigen goddelijke zelf (dat een bovenaardse bodhisattva is, die op de vorige bijeenkomst werd bestudeerd), het product is van karma. Hij is de rechtstreekse en feitelijke reďncarnatie van een goddelijke mens, wat een avatâra niet is. Een avatâra is in zekere zin een illusie of mâyâ, omdat de intermediaire of egoďsche aard – in metafysische zin het kroost van karma – daar ontbreekt en door de bodhisattvakwaliteit of het bodhi sattvavoertuig moet worden verschaft.
    Een avatâra staat alleen formeel hoger dan een bodhisattva, maar het is slechts formeel een hoger stadium van en in een hiërarchie en niet vanuit het oogpunt van evolutie. Een boeddha wordt dat door zelfgeleide evolutie, de grote waarheid waar Katherine Tingley het zo vaak over heeft. Een avatâra verschijnt op bepaalde tijdstippen in de geschiedenis van de wereld, als het karma van het ras dat nodig maakt; een boeddha doet dat ook maar bovendien als een persoonlijke keuze uit een onmetelijk mededogen met zijn lagere medeschepselen die nog in de strikken van het materiële bestaan zijn verwikkeld. Dat is het verschil en het is een heel belangrijk verschil dat we met het oog op onze verdere studie niet moeten vergeten.
    We kunnen terloops nog opmerken dat er ongeveer in deze tijd een cyclus eindigt die een Messiaanse wordt genoemd, en dat er natuurlijk een nieuwe begint – een Messiaanse cyclus duurt om precies te zijn 2160 jaar. Deze cyclussen volgen elkaar voortdurend op. Als we teruggaan in het verleden kunnen we zeggen dat de Europese Messiaanse cyclus die ten einde loopt, of waaruit wij te voorschijn komen, die cyclus is die voor Europa werd ingeluid door Jezus, de avatâra. Interessante gedachten komen in dit verband bij me op, die we beter een andere keer kunnen behandelen.
    Tot zover wat dit onderwerp betreft.
    Bedenk dat de evolutie als het ware twee lijnen van activiteit omvat, twee krachten die parallel lopen, dat wil zeggen de geest of de ontwikkelde zijde van het bestaan aan de ene kant, en die van de onontwik kelde zijde aan de andere kant: anders gezegd, duisternis en licht, of het zelfzuchtige en het meedogende wat, zoals u zich zult herinneren, een onderwerp is waarop we min of meer hebben gezinspeeld bij het bestuderen van het vijfde van de zeven juwelen van wijsheid, namelijk de hiërarchie van mededogen die de onzelfzuchtige of onsterfelijke zijde van het bestaan is.
    De werkingen en wisselwerkingen tussen deze twee energielijnen leveren de drijvende krachten achter de evolutie, achter de vooruitgang; en de loop die de evolutie neemt heeft in feite zijn oorsprong in, ontspringt aan en wordt ingeluid door de impulsen die bij het begin van de manvantarische cyclus aan de donkere of stofzijde van het bestaan worden gegeven door de dhyâni-chohans, ik bedoel door de hogere delen of entiteiten van deze hiërarchie van mededogen. Het zijn de door hen aangeslagen grondtonen, de eerste en oorspronkelijke impulsen, die natuurlijk afhangen van het lot (of karma), die het oorspronkelijke plan en de drijfkracht leveren achter al wat in dat manvantara gebeurt tijdens de hele evolutiecyclus tot het einde ervan; en hoewel de mens een vrije wil heeft zodra hij heeft leren gehoorzamen aan de geestelijke wetten van zelfbewustzijn, kan deze vrije wil zelf, die een goddelijke energie is en in zekere zin ontspringt aan de algemene dhyân-chohanische impuls, zich onder geen enkele omstandigheid keren tegen, in strijd zijn met, of een nadelige invloed uitoefenen op de algemene evolutionaire stroom, die de vele menigten van entiteiten tijdens hun manifestatie altijd naar het uiteindelijke doel voert, wat door H.P. Blavatsky werd gekenschetst met het oude gezegde, ‘De dag wees met ons’ – het einde van een manvantara of het begin van pralaya.
    Deze twee energielijnen zijn dus eeuwig en gelijktijdig werkzaam – met het woord eeuwig wordt hier bedoeld voor de gehele duur van de zonnekalpa – aan de ene kant de ‘duistere’ onontwikkelde krachten van de stof; en aan de andere kant de hiërarchie van mededogen, die met haar ontelbare eenheden de menigten evoluerende wezens in één richting voorwaarts stuwt, omdat het hele streven van de hiërarchie van mededogen erop is gericht andere minder ontwikkelde wezens of eenheden aan de stofzijde te verheffen tot de ‘lichtzijde’. De entiteiten van de hiërarchie van mededogen werden in vroegere manvantara’s zelf ook verheven door andere hiërarchieën van mededogen, die ons nu in evolutie ver, heel ver vooruit zijn; en het is onze grootse bestemming om in de toekomstige kalpa zelf de entiteiten te leiden die na ons komen, een proces dat zoals de Griekse en Latijnse dichters het uitdrukten, het ‘doorgeven van het licht’ wordt genoemd.
    Bedenk verder, en we hebben daar op de vorige bijeenkomst al kort op gezinspeeld, dat de oude inwijdingen en de mysteriescholen waarin die inwijdingen plaatsvonden, uitsluitend werden ingesteld om de evolutie van geschikte kandidaten ‘te forceren’ of te versnellen. Ze werden gesticht uit dezelfde motieven van mededogen die de daden beheersten van de grote acteurs in het oorspronkelijke drama, de eerste akten van ons manvantara. Ze kopieerden als het ware in het klein wat er in die eerste tijden plaatsvond, wat in werkelijkheid plaatsvond in de hiërarchie van mededogen op onze aarde of liever in die afdeling van de hië rarchie van mededogen die wij de grote witte loge noemen.
    Laten we ons een ogenblik met een ander onderwerp bezighouden dat hiermee verband houdt en heel belangrijk is en dat we slechts even hebben aangeroerd, want de vraagstukken die daarbij een rol spelen zijn zo diepzinnig, dat het onmogelijk was bij het behandelen van dat onderwerp de betekenis ervan voldoende duidelijk te maken zonder ons hoofdthema tijdelijk te laten rusten. Maar het is ook nodig niet te ver vooruit te lopen en deze losse draden niet te laten liggen; wij moeten ze opnemen en ze in het weefsel vervlechten, in het beeld dat we ons proberen te vormen.
    We doelen meer in het bijzonder op de rol die de zon en de planeten van ons zonnestelsel in het evolutiedrama spelen. Daarmee hangen grote mysteriën samen en ons is heel duidelijk gezegd dat het laatste woord daarover onder geen voorwaarde wordt gezegd of zelfs verklarende bijzonderheden worden gegeven, behalve aan hen die onvoorwaardelijk en onherroepelijk een gelofte tegenover de loge hebben afgelegd. En zelfs dan worden ze slechts van ‘mond tot oor’ en ‘fluisterend’ medegedeeld; en bovendien, volgens H.P. Blavatsky, alleen aan hen die hun vierde inwijding met succes hebben doorstaan, die voor een groot deel bestaat uit het persoonlijk en individueel beleven van de leringen die in de drie voorafgaande stadia zijn gegeven – drie stadia van voorbereidend onderricht en scholing die leiden tot het daadwerkelijk persoonlijk ervaren daarvan in de vierde inwijding, waarin, zo wordt ons gezegd, de kandidaat het lichaam van vlees, ja zelfs het denk-orgaan moet verlaten en dat moet worden waarover hij is onderricht, want alleen door te zijn kan hij weten. Niettemin is er over deze onderwerpen heel wat openlijk gezegd dat voor wie ze bestudeert heel verhelderend is.
    Ten eerste hebben we bij verschillende gelegenheden over de zon, over onze zonnebol gesproken als het centrum van ons zonnestelsel. Dat is hij inderdaad, niet alleen in stoffelijke zin maar ook in andere opzichten. Hoe paradoxaal het ook klinkt, het is waar dat de zon het grootste deel van onze materiële, vitale krachten verschaft; en het is interessant te constateren dat als algemene regel geldt dat hoe dichter de planeten bij de zon staan, hoe groter hun dichtheid is. Bedenk dat Mercurius, de planeet van bodha of wijsheid, de bijzondere beschermer en inwijder in de mysteriën, van onze zeven planeten, d.w.z. de zeven mysterieplaneten, het dichtst (op één na) bij de zon staat. Let op de woorden ‘op één na’. U zult zich herinneren dat de Ouden over zeven mysterieplaneten spraken: Saturnus, Jupiter, Mars – ik geef ze in de oude volgorde – zon, Venus, Mercurius en maan. Dit onderwerp zullen we later op de avond, als de tijd het toelaat, aan de hand van een diagram iets verder uit werken.
    De intra-Mercuriaanse planeet, zoals ze wordt genoemd, werd volgens onze leer voor het stoffelijke oog praktisch onzichtbaar tijdens het derde wortelras, nadat de mens verviel tot fysieke voortplanting. Op 26 maart 1859 zag men een lichaam voor de zonneschijf langsgaan dat, zoals de astronomen het noemen, een overgang (transit) maakte. Dit lichaam is daarna niet nog eens waargenomen; maar er zijn andere redenen waarom sommige astronomen zijn gaan geloven dat er inderdaad een intra-Mercuriaanse planeet bestaat (hoewel men haar ondanks het zoeken ernaar niet heeft kunnen vinden), zoals de afwijkingen in de baan van Mercurius. Er is onlangs een poging gedaan deze te verklaren op grond van de relativiteitstheorieën van Einstein en die verklaring is nu gangbaar. Niettemin zeggen onze leraren dat er een intra-Mercu riaanse planeet is; wij kunnen haar Vulcanus noemen, omdat de astronomen haar zo noemden.
    Zelfs al werd Vulcanus tijdens het derde wortelras onzichtbaar, ze kon toch zichtbaar worden tijdens haar overgang, d.w.z. bij het passeren van de zonneschijf, wat men dit lichaam in 1859 inderdaad zag doen, omdat het – hoewel onzichtbaar voor het blote oog – door de lens van een telescoop gericht op de onovertroffen luister van de zonneschijf, waarschijnlijk tegen de stralende achtergrond van de zon toch kon worden waargenomen. Het ontzaglijk sterke licht dat van de zon uitgaat zou elk lichaam van geringere helderheid, of een lichaam dat normaal te etherisch is om anders te worden waargenomen, gemakkelijk tot een schaduw maken of op een schaduw doen lijken.
    De zevende planeet is volgens onze leer een planeet die onder de juiste omstandigheden soms wordt gezien en wel schijnbaar vlak bij de maan. Men zegt dat ze een retrograde beweging maakt en dat ze langzaam sterft. Ze heeft het einde van haar cyclus bereikt. Ik vind het onjuist te zeggen dat de maan haar ‘verbergt’. Het is misschien een goede manier om een bepaalde schijntoestand te omschrijven, maar ik vind het misleidend. Laten we ons aan de feiten houden zoals die ons werden gegeven, dat ze soms ‘schijnbaar dicht bij de maan wordt gezien’, dat ze een retrograde beweging vertoont en langzaam sterft.
    Vulcanus is in één mystieke betekenis de hoogste van de zeven heilige planeten; misschien niet de minst dichte, maar in één opzicht, psychologisch, de hoogste; en wij hebben reden om te geloven dat de andere planeet die soms schijnbaar vlak bij de maan wordt gezien, misschien de laagste van de zeven heilige planeten is. Dit betekent niet dat onze leer het aantal planeten van het zonnestelsel tot zeven beperkt. Integendeel, ons wordt geleerd dat er veel meer planeten in het zonnestelsel zijn dan de astronomen kennen, sommige volkomen onzichtbaar, omdat ze zich op gebieden bevinden die hoger of die lager zijn dan het onze. Er zijn planeten in ons stelsel die hoger zijn dan de onze, hoger dan enige andere voor ons zichtbare planeet; er zijn ook planeten in ons stelsel die veel lager zijn dan de onze, veel lager dan enige andere voor ons zichtbare planeet.
    Deze zeven speciale planeten werden heilig genoemd om een reden die in het openbaar heel moeilijk kan worden uitgelegd; maar we kunnen zeggen dat de zeven planeten die we op aarde (let op het voorbehoud) heilig noemen, die planeten zijn (en de aarde behoort daar niet toe) die (voor ons) de upâdhi’s – een Sanskrietwoord dat ‘dragers’ betekent – van de zeven zonnekrachten zijn. In die zin of uit dat gezichtspunt bezien, zijn ze alle ‘hoger’ dan de aarde; en ze zijn alle nauw met deze aarde verbonden en voorzien deze aarde, niet van haar beginselen, maar bij wijze van spreken van geestelijke en intellectuele en psychische en astrale en vitale krachten. Deze zeven heilige planeten zijn bovendien onze ‘makers’ en houden toezicht op ons lot.
    Dit is een stukje echte oude astrologie. We doelen niet alleen op het stoffelijk lichaam van de zeven planeten; zonder twijfel bezit elke stoffelijke planeet, of beter bol, zijn eigen astronomische krachten, zoals zwaartekracht en magnetisme, enz.; maar we hebben het hier over hun innerlijke en occulte werking. Bovendien staat elk van de bollen van onze planeetketen, elk van zijn zeven bollen, onder de speciale hoede of zorg van een van de zeven mysterieplaneten. Verder staat elke ronde onder het speciale toezicht van een van deze zeven heilige planeten; en staat elk ras op elk van de bollen onder de bijzondere zorg en het toezicht van een van de zeven heilige planeten. Om deze redenen en andere die nog belangrijker en essentiëler zijn omdat ze rechtstreeks verband houden met onze planeetketen, werden ze de zeven heilige planeten genoemd.
    De zon en de maan behoren niet tot deze zeven, hoewel ze ten behoeve van de esoterische astrologie de plaats innamen van de echte twee, omdat er één dicht bij de maan schijnt te staan en één dicht bij de zon. Niettemin staan de zon en de maan in nauwe wisselwerking met respectievelijk deze twee planeten.
    We kunnen ons afvragen: Wat is de zon? Is de zon alleen een stoffelijk lichaam? Dat is niet zo. Hij is niet een echt stoffelijk lichaam want hij is niet van gas, hij is niet gasvormig. Hij is niet vast, evenmin is hij vloeibaar of gasvormig. De zon is een weerkaatsing. Wat bedoelen we wanneer we hem een weerkaatsing noemen? We gebruiken dit woord niet in de betekenis waarin het gewoonlijk wordt gebruikt, wanneer we het bijvoorbeeld hebben over de weerkaatsing van een beeld in een spiegel. We gebruiken het in die zin dat de ware zon een lichaam is van energie of kracht – hoe vreemd dit voor de hedendaagse wetenschappers ook mag klinken. De moderne wetenschap begint nu te begrijpen dat kracht en stof fundamenteel één zijn. Enige jaren geleden was volgens de wetenschap alles stof. Nu is volgens haar alles kracht geworden. Het is wonderlijk dat deze wetenschappers niet inzien hoe gemakkelijk ze de grondslagen van hun denken veranderen en hoe dogmatisch ze vaak zijn met betrekking tot iedere nieuwe reeks van grondslagen die ze aanvaarden! Maar zo liggen de feiten. Tegenwoordig zegt de wetenschap ons dat de stof gewoon kracht is en dat is juist. Maar ondanks dat is ze ook stof. We hoeven niet in het ene uiterste te vervallen door te proberen ons aan een ander uiterste te onttrekken. Het is niet nodig ons bloot te stellen aan de gevaren van Scylla in een poging aan die van Charybdis te ontkomen. Stof bestaat, zij is; ze is de upâdhi of drager van kracht en kracht is ook het innerlijke leven van de stof. Niettemin bestaat de stof; ze is een mâyâ, inderdaad een illusie, maar ze bestaat. Mâyâ betekent niet uitsluitend een illusie in de zin dat iets in het geheel niet bestaat. Helemaal niet. Mâyâ betekent in feite dat er iets is waardoor het wordt voortgebracht, maar dat de waarnemer niet weet wat de werkelijkheid is die erachter staat; met andere woorden, onze zintuigen zeggen ons niet de waarheid over wat zich achter de manifestatie bevindt. Dit is de betekenis van mâyâ, niet dat het ding zelf niet bestaat. Die opvatting is dwaas.
    Als u foto’s van zonnevlekken aandachtig bekijkt, als u door een goede telescoop naar de zon kijkt en de blik richt op een zonnevlek wanneer die zich bij de rand van de zon bevindt, zult u zien dat de vlek, als ze zich over de zonneschijf beweegt, zwart schijnt. Waarom lijkt ze zwart? We weten dat ze geen zwarte kleur heeft. Wetenschappers hebben dat aangetoond, maar het licht van de zichtbare zonneschijf is zo fel dat het minder sterke licht van het deel binnen de vlek, hoewel zelf heel lichtsterk, onze ogen de indruk geeft donker te zijn.
    Stel dat de zon die we zien net zoiets is als de gloed om sommige elektrische apparaten, en niet meer is dan een ‘weerspiegeling’ van de elektrische stroom als het ware, een mâyâvisch verschijnsel op ons gebied van een zo onmetelijk grote kracht dat we er ons geen juiste voorstelling van kunnen vormen. Als we ons voorstellen dat de zon in het geheel geen ruimte inneemt (of dimensie heeft), en dat wat we zien, dat schijnbaar ontzaglijk grote lichaam van licht, op een elektrische vonk lijkt, en schijnbaar een lichaam is, schijnbaar ruimte inneemt. Stel dat we nog een stap verder gaan en zeggen dat de zichtbare zon die we waarnemen stof is in haar zesde etherische toestand, en dat wat zich achter die fel stralende sluier of weerspiegeling bevindt als het ware een atoom is, een oneindig klein deeltje moedersubstantie, stof in haar zevende toestand. Het is gemakkelijk deze gedachte te volgen. De zon is een massa kracht; zoals zelfs de middeleeuwse filosofen hadden kunnen zeggen: ‘Broeder, wanneer iemand u zegt dat hij de zon heeft gezien, lach hem dan uit. Dat heeft hij niet. De zon is onzichtbaar.’ De ware zon, de oorsprong en het centrum van deze verheven krachten, bevindt zich op hogere gebieden en wij zien alleen op het zesde subgebied van ons kosmische gebied deze intense straling die zich over een zo ontzaglijk grote ruimte uitstrekt.
    Bovendien verschaft de zon, terwijl hij ons op aarde ons licht schenkt, ons waarschijnlijk nog geen 30 procent van de warmte die wij hebben, en dan niet door rechtstreekse fysische uitstraling, maar ongeveer op dezelfde manier als waarop de elektrische stroom ons van warmte voorziet, of op soortgelijke manier – op dezelfde wijze zou misschien te sterk zijn uitgedrukt. Uit het zonnehart of middelpunt emaneren krachten en deze bereiken de meteorische sluiers die de aarde omringen, wekken elektromagnetische stromen op en brengen zo een deel van de meteorologische verschijnselen teweeg die wij als stormen en mooi weer en regen en sneeuw en ijs ervaren. De aarde zelf produceert waarschijnlijk 70 procent of meer van de warmte die wij kennen; en zulke dingen als stormen worden meestal veroorzaakt door elektromagnetische actie en reactie, als ik die uitdrukking mag gebruiken, tussen de inherente prâna of de vitale krachten van de aarde en het meteorische continent dat onze bol als een sluier omgeeft. Want wij zijn in ons manvatara omringd, en iedere andere planeet van ons zonnestelsel is op overeenkomstige wijze in haar manvantara omringd, door een dikke sluier van meteoorstof, dat voor het grootste deel heel fijn is en dat voor een klein deel uit min of meer grote lichamen bestaat.
    Neem bijvoorbeeld Venus en Mercurius. Ze zijn elk omgeven door hun eigen sluier van meteoor- of kosmisch stof: elk sluiert haar of zijn gelaat. Deze sluier van meteoren werkt in één opzicht als een kussen en vormt zo een bescherming voor die planeet. Daarom zien we niet het ware gelaat van de planeet. Maar Mars heeft zo’n sluier niet. Waarom niet? Omdat de levensessentie van die planeetketen de stoffelijke bol van Mars heeft verlaten en is overgegaan naar haar andere bollen.
    We zullen het diagram dat ik u vanavond had willen geven, nu we dit punt in onze studie hebben bereikt, tot volgende week bewaren. Ik wil er kort op wijzen dat het betreffende diagram is ontleend aan het mystieke Syrische denken zoals dat vóór de christelijke jaartelling gangbaar was; het geeft een voorstelling van de exoterische astrologische denkbeelden die de Syriërs toen hadden over de relatie tussen de gebieden van het zijn – en dus noodzakelijk van de planeten – en de mystieke posities die door elk daarvan in het evolutiedrama wordt ingenomen. Zij brachten het op de volgende manier tot uitdrukking. Het eerste en hoogste was de melkweg, die voor hen de uiterste grens van deze hiërarchie of dit heelal was. Daarna kwamen de nevelvlekken en de kometen, die in de geestelijke hiërarchie door de serafijnen werden voorgesteld. De derde graad, nog lager, werd gevormd door de vaste sterren en zij werden door de cherubijnen voorgesteld. Dan maakten ze een sprong over de oneindige uitgestrektheid van de ruimte van ons heelal en begonnen deze oude denkers van Babylonië, Assyrië, Medië en zonder twijfel Perzië en natuurlijk Fenicië, en al de andere landen van Klein-Azië, de lagere reeks met de planeten van ons zonnestelsel. Eerst Saturnus, de zetel van de tronen; dan Jupiter, de zetel van de heerschappijen; dan Mars, de zetel van de krachten; dan de zon, de zetel van de machten; dan Venus, de zetel van de vorsten; dan Mercurius, van de aartsengelen; dan de maan, van de engelen; dan onze aarde. Ze gaven ook een opsomming van vijf elementen – een opsomming die exoterisch is, maar ze is tot op zekere hoogte dezelfde als de esoterische. Onze aarde, evenals de interplanetaire ruimte, omvat deze vijf elementen en wanneer we zeggen onze aarde bedoelen we niet alleen ons stoffelijke planetaire lichaam van dit element waarop we ons bewegen, maar de hele sfeer die tussen maan en aarde ligt. Deze vijf elementen werden ether, vuur, lucht, water, en grove stof of aarde genoemd. Buiten deze hiërarchie of dit heelal of deze kosmos plaatsten ze de hemelse wateren, zoals ook het eerste hoofdstuk van het Hebreeuwse boek Genesis spreekt over de ‘geest van de elohîm die over de wateren zweeft’. ‘Hemelse wateren’ was een benaming die door de Ouden vaak werd gegeven aan wat de Grieken chaos noemden, niet tot ontwikkeling gebrachte stof of, zoals wij nu zouden zeggen, de diepten van de ruimte.
    Laten we nog wijzen op het interessante feit dat deze zelfde reeks planeten ons duidelijk laat zien dat de Ouden het mechanisme van de structuur van het zichtbare zonnestelsel heel goed moeten hebben begrepen en dat, al was hun denken geocentrisch en maakten ze de aarde tot het middelpunt van de kosmos, dit toch een natuurlijke gedachte was; en dat de mens, omdat hij onwillekeurig antropocentrisch denkt, uiteraard niet vanuit een ander standpunt kan denken. Het was dan ook natuurlijk dat de oude astrologen en astronomen, omdat ze op onze aarde stonden, hun berekeningen vanuit de aarde maakten, uitgingen van de aarde, en opziende naar de bollen van het zonnestelsel, de mens op aarde plaatsten als het middelpunt van waarneming, zoals wij dit ook nu doen, en dat wil helemaal niet zeggen dat ze niets van het heliocentrische stelsel wisten, want we weten dat ze dat wel deden.
    Wat kan dat betekenen? Dat kan maar één ding betekenen, en wel dat deze planeten zo werden geplaatst op grond van en wegens de tijd die elk van hen relatief gezien nodig had om haar omloop te volbrengen, te weten: Saturnus, ongeveer 30 jaar; Jupiter, de eerstvolgende ‘daaronder’, bijna 12 jaar; Mars, de daaronder volgende, bijna twee; de zon (of de mysterieplaneet waarvoor de zon in de plaats staat), één jaar; Venus, de volgende, zeven maanden; Mercurius, drie maanden; de maan, één maand. We willen ook erop wijzen dat de dagen van onze week op deze reeks berusten.
    Als ze de planeten in de volgorde Saturnus, Jupiter, Mars, zon, Venus, Mercurius, maan plaatsten, waarom gaven ze dan hun week van zeven dagen niet diezelfde volgorde? Omdat, bij een verdeling van dag en nacht in 24 uur, elke dag, te beginnen met zonsopgang, zijn eerste uur aanvangt onder de heerschappij van een bepaalde planeet. Als men 24 uur doortelt en begint met Saturnus, komen ze (omdat er zeven heilige planeten zijn) in die 24 uur drie keer in de 24 voor en blijven er drie over. Drie keer zeven is 21 uur, met drie over: 22, 23,24, terwijl het 25ste uur het eerste uur is van de volgende dag. Omdat de 24 uur drie keer door de zeven worden doorlopen, zien we dat als het eerste uur met Saturnus begon als overheersende planeet, het 8ste uur ook onder Saturnus zou staan, het 15de eveneens, het 22ste eveneens, het 23ste zou dan onder Jupiter staan, het 24ste onder Mars en het 25ste uur, het eerste uur van de volgende dag, zou zon of zondag zijn. Als we deze lijst aanhouden, en te beginnen met de juist geëindigde, elke vierde als eerste tellen (of drie optellen bij het zojuist verstreken uur), krijgt men de dagen van de week. Dus: Saturnus, Jupiter, Mars, zon, ZONDAG; zon, Venus, Mercurius, maan, MAANDAG; maan, Saturnus, Jupiter, Mars, DINSDAG (Mars’ dag); Mars, zon, Venus, Mercurius, WOENSDAG, de Angelsaksische Woden, die overeenkomt met Latijnse en Griekse benamingen; Mercurius, maan, Saturnus, Jupiter, DONDERDAG (Thors dag); Jupiter, Mars, zon, Venus, VRIJDAG; Venus, Mercurius, maan, Saturnus, ZATERDAG, waarmee de tweede of volgende week begint.
    De volgorde en de namen van de dagen van de week zijn dus uiteindelijk gebaseerd op een heel interessante en occulte reden – oude astrologie die alleen in de mysteriën zoals wij ze kennen, werd verklaard en aan de wereld werd bekendgemaakt. De volgorde en de namen van de dagen van de week waren dezelfde in India en in Noord-Europa en in sommige delen van Azië, wat nog nooit op bevredigende manier door de samenstellers van onze kalender en door astronomen is verklaard. De reden hiervan is te vinden in het fundamenteel identieke astrologische stelsel dat overal in de oudheid hetzelfde was.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 310-22

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag