HOOFDSTUK 26

DE MICROKOSMOS, EEN AFSPIEGELING VAN DE MACROKOSMOS. ELEMENTEN, BEGINSELEN, MANIFESTATIES VAN HET ENE LEVEN. RELATIVITEIT: EEN FUNDAMENTEEL DENKBEELD VAN DE OUDE WIJSHEID.

     ‘De mens’, zegt Van Helmont, ‘is de spiegel van het heelal, en zijn drievoudige natuur staat in relatie tot alle dingen.
     – H.P. Blavatsky, Isis Ontsluierd, 1:303

     . . . er is maar één element . . . Dit element is dus – metafysisch gesproken – de ene grondslag of blijvende oorzaak van alle manifestaties in de wereld van de verschijnselen. De Ouden spreken van de vijf kenbare elementen, ether, lucht, water, vuur, aarde en van het ene (voor de niet-ingewijden) onkenbare element, het 6de beginsel van het heelal – noem het purush sakti, terwijl het spreken over het zevende, buiten het heiligdom, met de dood werd gestraft. Maar deze vijf zijn slechts de gedifferentieerde aspecten van het ene. Evenals de mens is ook het heelal een zevenvoudig wezen – de zevenvoudige microkosmos verhoudt zich tot de zevenvoudige macrokosmos zoals de druppel regenwater tot de wolk waaruit hij viel en waarheen hij in de loop van de tijd zal terugkeren. Dat ene omvat of bevat alle neigingen nodig voor de evolutie van lucht, water, vuur, enz. (van het zuiver abstracte tot hun concrete toestand) en als deze laatste elementen worden genoemd is dat om hun vermogens aan te duiden tot het voortbrengen van talloze vormveranderingen of de evolutie van hun wezen.
     – De Mahatma Brieven, blz. 99

     Laten we vanavond beginnen met het lezen van De Geheime Leer, 1:708-9.

     In de oude symboliek werd altijd verondersteld dat de ZON (hoewel de geestelijke en niet de zichtbare zon werd bedoeld) de voornaamste Verlossers en Avatars uitzond. Vandaar de verbindende schakel tussen de Boeddha’s, de Avatars en zoveel andere incarnaties van de hoogste ZEVEN. Hoe dichter de sterveling, van wie de persoonlijkheid door zijn eigen persoonlijke godheid (het zevende beginsel) als aardse verblijfplaats was gekozen, zijn oervorm ‘in de hemel’ benaderde, hoe beter het voor hem was. Want bij iedere wilsinspanning tot loutering en tot vereniging met die ‘Zelf-god’, breekt een van de lagere stralen en komt de geestelijke entiteit van de mens steeds hoger, aangetrokken tot de straal die de eerste vervangt, totdat de innerlijke mens, van straal tot straal gaande, in de ene en hoogste straal van de Moeder-ZON wordt getrokken.

     Dit is een schitterende passage. Ze bevat in kiem de hoofdinhoud van onze bijeenkomsten van de afgelopen weken. U zult zich herinneren dat wij over de hiërarchie van mededogen hebben gesproken, de geestelijke hiërarchie waaraan we ons innerlijke leven ontlenen, zowel geestelijk als mentaal en waarvan de hoogste chef dat wonderlijke wezen is, dat in zijn geestelijke kwaliteit de dhyâni-boeddha van deze vierde ronde is. Zijn menselijke vertegenwoordiger is het hoofd van wat wij de grote witte loge noemen, hij naar wie de meesters opzien voor bezieling en verlichting, die hun vuur ontsteekt zoals zij het onze ontsteken en tot leven wekken.
     Hoe gebeurt dit bezielen en verlichten? Hoe gingen de mânasa putra’s te werk bij hun incarnatie in de tot dan toe verstandeloze mensheid – als wij de mensheid uit die tijd die naam mogen geven – om de mens te verheffen van geestelijk en mentaal onbewuste wezens tot zelfbewust mens-zijn?
     Luister: elk van de zeven beginselen van de mens, en ook elk van de zeven elementen (in de kosmos, die overeenkomen met de zeven beginselen in de mens) is zelf een afspiegeling van het heelal, dat wil zeggen, bevat in zichzelf alles wat het grenzeloze Al bevat. Alles wat in de macrokosmos bestaat, is in de microkosmos; het ene, het kleinere, weer spiegelt het andere, het grotere. Met andere woorden, elk van de elementen, elk van de beginselen, elk van de rudimenten die later tot goddelijkheid opbloeien, is zelf een zevenvoud of zevenvoudige entiteit die op haar eigen zevenvoudige gebied bestaat, dat voor haar even reëel en tastbaar, even werkelijk en substantieel is, als dit stoffelijke gebied voor ons, dat we zien met onze fysieke ogen, horen met onze fysieke oren of voelen door middel van de andere zintuigen waarvan er tussen twee haakjes nóg twee tot ontwikkeling moeten worden gebracht.
     Omdat elk een zevenvoud is, is elk van deze beginselen of elementen een kopie in miniatuur, als we dat woord kunnen gebruiken, van het geheel. Het beginsel manas bijvoorbeeld is zevenvoudig. Het heeft zijn eigen âtman, zijn buddhi en zijn manas – het manas-manas dat zijn eigen bijzondere essentie of svabhâva is; vervolgens zijn kâma of begeertebeginsel; dan zijn levensessentie; dan zijn kleed, zijn lin.ga sarîra ofwel het modellichaam, dat wat het zijn eigen bijzondere vorm en structuur geeft overeenkomstig de eigenschappen van dat gebied; en tenslotte zijn sthûlasarîra, of het laagste deel of voertuig of dat wat het draagt.
     Van deze mânasaputra’s of zonen van het denkvermogen, kinderen van mahat, wordt gezegd dat zij het manas-manas van het manas-zevenvoud bezielden en verlichtten, omdat zijzelf typisch mânasisch zijn wat hun essentiële karakteristiek of svabhâva betreft. Hun eigen vibraties konden bij wijze van spreken die essentie van manas in onszelf in sympathie doen meetrillen, zoals het aanslaan van een toon een sympathische resonantie in iets gelijksoortigs veroorzaakt, eenzelfde toon in andere dingen.
     Wie zijn deze mânasaputra’s? Ze zijn in zekere zin onszelf, maar wij zijn eerder en meer in het bijzonder diegenen die werden bezield en opgewekt. Ze zijn een mysterie; ze zijn tegelijk ons hogere zelf – niet ons hoogste zelf maar ons hogere zelf – en toch anders. We hebben op eerdere bijeenkomsten aangetoond dat aan het ene de vele en talrijke differentiaties van een kosmische (of andere) hiërarchie ontspringen, en dat er overal een volmaakte verwantschap of eenheid van zijn bestaat. Deze verheven gedachten kunnen duidelijk worden begrepen als we in onszelf dat deel van onze natuur wakker roepen waarin ze thuishoren en waarmee ze verwant zijn. Dat kunnen we doen en het hangt van onszelf af of het gebeurt. Hoe komt het dat de meesters van tijd tot tijd een bepaald persoon of bepaalde personen uitkiezen om hem of hen tot zich te nemen? Omdat ze zien dat in hen, die werden uitgezocht, de innerlijke meester althans tot op zekere hoogte al is bezield, opgewekt. Zouden ze een dier nemen? Nee. Waarom niet? Omdat het dier niet is bezield. Zouden ze een gewoon mens nemen? Nee. Waarom? Omdat die mens niet is bezield, hij is niet ontwaakt, hij is zich nog niet bewust van de innerlijke essentiële boeddha, de ontwaakte. Er is geen sprake van een willekeurige keuze. Het is een selectie en een uitverkiezing van de geschikte en juiste mensen; daarom is het rechtvaardig, daarom is het goed.
     Laten we deze gedachte wat verder uitwerken. Laten we aan de natuur en haar elementen denken. Dit woord element is aan het Latijn ontleend en betekent een van de rudimenten van dingen, het woord ‘rudiment’ in zijn oorspronkelijke betekenis genomen. De Sâm.khya in het bijzonder, een van de zes erkende filosofische scholen van India en zelfs de Vedânta – misschien de edelste van deze scholen – spreken beide over de zes oorspronkelijke ‘voortbrengers’ of elementen van de natuur als de prakriti’s, de zes prakriti’s die zijn voortgekomen uit de oorspronkelijke prakriti of wortelprakriti, de eerste en hoogste. De Sâm.khya, evenals veel aanhangers van de Vedânta, noemt ze ook de zes tattva’s of werkelijke elementen. Wat is het verschil tussen de zes elementen of prakriti’s en de zes tattva’s? Prakriti is de voertuiglijke zijde, het dragende aspect bij wijze van spreken, de substantiële kant, en tattva is de ermee overeenkomende krachtzijde. Deze twee zijn in wezen één omdat stof en kracht, geest en substantie, beide fundamenteel één zijn. De stof kan men gekristalliseerde geest noemen. We moeten steeds naar woorden zoeken wanneer we proberen deze dingen te beschrijven; daarom is dit een ontoereikende uitdrukking maar misschien geeft ze de betekenis weer. Parabrahman en mûlaprakriti – ‘voorbij-brahman’ en ‘wortelnatuur’ – van de Vedânta en de Sâm.khya staan voor dezelfde gedachte, en deze twee zijn fundamenteel één. De wortelnatuur is als het ware de sluier van de oorspronkelijke energie, het oorspronkelijke bewustzijn; en deze prakriti’s in de Sâm.khya, deze zes of zeven prakriti’s staan voor de zes of zeven elementen van de natuur, die overeenkomen met onze menselijke zeven of zes beginselen. En deze worden uit elkaar geboren, of beter ze komen uit elkaar voort. Die prakriti die het hogere gebied is, is de ouder van de prakriti die het lagere gebied is. Eerst schenkt het oorspronkelijke ene het leven aan het tweede: âtman, bijvoorbeeld, schenkt leven aan buddhi. En âtman en buddhi samen schenken leven aan manas, dat uit de twee eerstgenoemde voortkomt en de eigenschappen van de beide voorafgaande en van zichzelf bevat. En âtman, buddhi, manas schenken vervolgens leven aan kâma, de vierde van de reeks; en zo omlaag tot de zevende of laagste.
     Op overeenkomstige wijze schenkt bol A, de eerste op de neergaande boog, het leven aan bol B en B schenkt het leven aan bol C; maar hij doet dit met het svâbhâvische tattva van bol A, dat hierin eveneens werkzaam is. En bol C schenkt het leven aan bol D, onze aarde, maar met daarin tevens de tattva’s of intrinsieke individualiteiten of sva bhâva’s van A en B. In bol D zijn daarom de tattva’s van de bollen A, B en C inherent aanwezig naast de eigen individuele karakteristiek of svabhâva.
     Wanneer de evolutionaire impuls in een bepaald manvantara zijn grens heeft bereikt – en de grenzen variëren in ieder manvantara, want er is geen absoluut punt of absolute plaats in de ruimte, of een bepaald gebied waar elke evolutionaire manvantarische impuls in het grenzeloze moet stoppen, want zoveel monaden als er zijn, zoveel hiërarchieën zijn er, met hun respectieve evolutionaire impulsen en respectieve einden – dat wil zeggen, wanneer die uitstromende impuls die vanboven komt en deze prakriti’s en beginselen naar omlaag meevoert in een ruimere manifestatie van stof de grens heeft bereikt die voor dat bepaalde manvantara mogelijk is, dan draait ze als het ware om het doel heen en begint aan de wederopstijging.
     Wij in onze planeetketen zijn dat doel of keerpunt van de ronden gepasseerd. Bovendien is er in elk van de rassen op een bol van de keten, op elk van de bollen in een ronde, en voor elk van de ronden die door alle zeven bollen gaan een centraal punt in de betreffende evolutiebaan, en dat centrale punt is het respectieve doel of keerpunt, waar de respectieve cyclus de reis omhoog begint. Vanaf dat moment vindt er een plotselinge opgang plaats van de evoluerende monaden of entiteiten; en dat gaat gepaard met het ontwikkelen van zintuigen die tot dan latent en onontwikkeld waren, en de beginselen in de natuur die wij nu niet waarnemen zullen dan waargenomen en gekend worden. Ether bijvoorbeeld, waarvan wij nu in het midden van ons vijfde ras in de vierde ronde niet meer dan een vermoeden hebben en dat zelfs door de wetenschap wordt erkend, zal in de vijfde ronde een werkelijkheid worden in wat dan de atmosfeer zal zijn, even tastbaar en duidelijk voor de zintuigen als de lucht voor ons nu is.
     Wanneer we dus over de elementen of de prakriti’s spreken, bedoelen we niet dat aarde en water en lucht en vuur, die de Ouden de elementen noemden, de werkelijke elementale prakriti’s van de natuur zijn. Dat is absurd. De Ouden gebruikten die woorden symbolisch. Deze vier (of vijf dingen, ether meegerekend) zijn slechts manifestaties – waarvan er tot dusver vier zijn ontwikkeld – van vier of vijf van de zeven subprakriti’s of subbeginselen, die tot het laagste prakritische element behoren, zoals dit in dit stadium op onze vierde bol aan de dag treedt en dat overeenkomt met het zevende of laagste kosmische gebied of de zevende of laagste prakriti.
     Zoals elk beginsel zelf een subzevenvoud is en het grenzeloze weerspiegelt, zo weerspiegelt elk element alle andere elementen; en aan elk element kan het leven en de aard en de karakteristiek van alle andere zes worden ontleend, zij het natuurlijk in mindere mate. Boven ge noemde eigenschappen van de stof van de zevende of laagste prakriti van onze bol, dat wil zeggen, vastheid, vloeibaarheid, lucht (er schijnt geen overeenkomstig adjectief in onze taal te bestaan voor lucht, of voor het volgende), vuur, zijn niet anders dan eigenschappen die overeenkomen met de soortgelijke subprakriti’s van de vier kosmische elementen of prakriti’s, waarin onze planeetketen nu bestaat. Ether als element is het eerstvolgende; en in de zesde ronde zal het zesde element worden ontwikkeld; en gedurende de zevende ronde zal het zevende worden ontwikkeld. Wanneer de oude filosofen uit de landen rond de Middellandse Zee over aarde, lucht, vuur en ether spraken, of als de hindoes het bijvoorbeeld over âkâsa of over âdi-tattva hadden, bedoelden ze geen van allen de materiële dingen die we gewaarworden, zoals aarde en water. Ze bedoelden de wortelelementen van de natuur, die door deze vier of vijf dingen die we gewaarworden als het ware worden vertegenwoordigd of gesymboliseerd.
     De Grieken noemden de elementen stoicheia, een meervoudsvorm van een verkleinwoord van de term stoichos die ‘reeks’ betekent, met andere woorden een hiërarchie. Het enkelvoud stoicheion zou dan een entiteit van een hiërarchie zijn, een deel hiervan, een van de samenstellende delen van de hiërarchie, hoewel de geleerden van deze tijd geen duidelijke reden kunnen vinden waarom deze naam is gegeven aan wat zij als de oude opvatting over de elementen van de natuur zien. Maar onze filosofie toont aan waarom, en verklaart dat de stoicheia de zeven prakriti’s van de kosmos zijn. Elk van de bollen van onze planeetketen is een belichaming van al deze elementen of zeven prakriti’s, maar op de hierboven geschetste wijze, te weten dat elk element in parvo alle andere omvat. Onze aarde bijvoorbeeld is een belichaming of verschijningsvorm van de laagste prakriti, maar er is ook water en er is lucht en er is vuur en wij weten dat ether in ontwikkeling is. We kennen er vier en erkennen er vijf, dit om toe te lichten wat zojuist is gezegd. Niettemin komen de zeven respectieve bollen van onze planeetketen niet overeen met de zeven kosmische elementen. Dit zou een onjuiste analogie zijn.
     Elk van de graden van inwijding, waarover we al eerder hebben gesproken, correspondeert met een van deze zeven kosmische elementen; en de beproevingen die de initiant of kandidaat moet doormaken om zijn geschiktheid te bewijzen, worden respectievelijk geregeld en beheerst door de aard van elk van de zeven prakriti’s. Er zijn in feite tien stadia of graden van inwijding en tien kosmische prakriti’s – zeven gemanifesteerd en drie wortelprakriti’s of de hoogste; maar de allerhoogste drie staan nu nog zo ver boven ons hoogste begripsvermogen, dat we niet meer kunnen doen dan het feit vermelden. Altijd tien: drie arûpa of vormloos (voor ons, begrijp dit goed) en zeven gemanifesteerd; en van deze zeven is de hogere triade, relatief gezien, eveneens arûpa.
     Laten we hier op iets belangrijks wijzen – en wel dat bij alle leringen van de oude wijsheid wordt uitgegaan van ons gebied; wanneer we arûpa of ‘vormloos’ zeggen, betekent dit dus niet dat deze hogere gebieden of entiteiten op zichzelf, an sich, per se, vormloos zijn, wat absurd zou zijn. Maar voor ons zijn ze vormloos precies zoals ether vormloos is, omdat hij (voor ons) nog niet is ontwikkeld. We hebben er in deze vierde ronde nog slechts een vermoeden van, en alleen omdat we in het vijfde wortelras zijn dat correspondeert met dat vijfde element, ether. Daaruit vloeit voort en dat is een belangrijke gevolgtrekking ten aanzien van de wezens die elk element, elk beginsel van de universele kosmos bewonen: dat hun woonplaatsen, hun landen, alles wat daarin bestaat voor hen even werkelijk en tastbaar zijn als de tast bare en materiële dingen op ons gebied voor ons. Kracht is voor ons substantie in beweging. Beseft u wel dat onze meest dichte en vaste stof kracht is voor wezens in de hiërarchie onder ons? Beseffen wij wel dat als wij stof dicht en vast noemen, dit alleen zo is voor onze zintuigen, en dat juist deze dichtheid en deze vastheid aantonen en bewijzen dat onze dichte en vaste stof niets anders is dan een evenwicht van tegengestelde krachten? Veel wetenschappers zeggen nu, en dat betekent een volle dige ommezwaai vergeleken met wat zo’n vijftig jaar geleden voor de wetenschap volstrekte waarheid was, dat zoiets als stof per se niet bestaat, dat er niets dan kracht is. De stof is dus voor haar een mâyâ, een illusie, en dat is ook zo. Maar ook kracht is een mâyâ, omdat ze niets anders dan stof is voor iets dat nog hoger staat. Alle dingen zijn relatief, is een uitspraak die tot de fundamentele denkbeelden van de oude wijsheid behoort.
     Wanneer we dus over deze verschillende prakriti’s en beginselen spreken, laten we dan beseffen dat al deze elementen, deze tattva’s of beginselen, vanuit welk standpunt we ze ook beschouwen, manifestaties zijn van het ene universele leven dat in zijn lagere aspect ook universele substantie is. Geest en substantie, kracht en stof zijn fundamenteel één, twee kanten van hetzelfde ding.
     We zouden bij dit punt, dat zo belangrijk is, het liefst veel langer stilstaan en we zouden voorbeelden willen geven van de toepassing hiervan op de onderwerpen die we bestuderen. Laten we tenslotte nog één toepassing hiervan noemen. Wat is het verschil tussen een meester, en mij en u? Bij eerstgenoemde zijn de hogere beginselen ontwaakt en hij leeft daarin. Bij ons niet. Vanuit het wetenschappelijke standpunt is dit alles wat erover valt te zeggen; vanuit het filosofische standpunt kunnen we zeggen dat een meester, voorzover hem dat mogelijk is, meer één is geworden met het universele leven; en vanuit het religieuze standpunt of het geestelijke standpunt kunnen we zeggen dat een meester een individueel besef van of inzicht in zijn eenheid met het grenzeloze heeft ontwikkeld. Dit is de grondslag van de ethiek, en zonder dat is er niets van waarde in de oude wijsheid. Niemand kan zich misdragen zonder disharmonie te brengen in de menselijke hiërarchie waarvan hij een deel is, en hij zal hiervoor tot de laatste penning moeten betalen. Dit is evenwel geen wraak of straf van de natuur, die slechts het verstoorde evenwicht of de verstoorde harmonie herstelt. Het ontstond door het uitoefenen van de vrije wil. En de meesters hebben geleerd hun wil te beheersen en met de natuur als geheel samen te werken; vandaar dat zij in zielskracht toenemen en in eenheid leven met het goddelijke. Dat is het verschil tussen hen en ons; zij zijn in hun leven één met de geestelijke top van onze hiërarchie. Wij kunnen hetzelfde doen. Het is eenvoudig een kwestie van het openen van onze innerlijke ogen, het reinigen van onze ziel, het opruimen in ons brein van het afval waarmee we ons mentaal voeden, het kaf waarmee de ‘zwijnen zich voeden’, en het binnenlaten van het zuivere heldere leven, de ‘wijn des levens’.
     Het zijn alleen de vaste denkpatronen die ons belemmeren, niets anders dan de denkpatronen; en wanneer we denkpatronen zeggen, bedoelen we niet de vormen van submentale stof waarin het denkvermogen werkt. Dat is volgens mij een verkeerde manier om het onder woorden te brengen. We bedoelen de verstarring van het denkvermogen zelf, wanneer mentale kracht tot mentale stof wordt. Doorbreek daarom deze patronen; niemand anders kan het voor u doen dan uzelf. De denkpatronen van de mens zijn zijn grootste vijanden, zijn krachtigste tegenstanders, omdat deze patronen uit levende substantie bestaan. Uw denkvermogen is stof, maar het is levende stof; en iedere gedachte die u denkt, hecht zich aan het denkvermogen en verblijft daar, en wordt wat de oude wijsheid een elementaal noemt, en zij zal zich tenslotte tegen u keren en een kwelling worden, tenzij u uw denkpatronen vernietigt. Wie zou de kans niet grijpen, als er vrijheid en licht en wijsheid en vrede en heerlijkheid en onuitsprekelijke kennis te krijgen zijn, en voor het oprapen liggen, mits wij inderdaad het koninkrijk der hemelen met geweld nemen!


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 347-54

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag