HOOFDSTUK 27

DE TWEE FUNDAMENTELE KOSMISCHE HIËRARCHIEËN: STOF EN GEEST-BEWUSTZIJN. CHAOS-THEOS-KOSMOS: GODEN-MONADEN-ATOMEN.

     Er zijn inderdaad twee vormen van Brahma: het gevormde en het vormloze. Welnu, dat wat het gevormde is, is onwerkelijk; dat wat het vormloze is, is werkelijk, is Brahma, is licht.
     Dat licht is hetzelfde als de zon [de geestelijke zon, niet onze zichtbare zon die slechts een weerspiegeling, een sluier, een vorm is].
     Waarlijk, dat kreeg Om als zijn ziel (âtman). Hij verdeelde zichzelf (âtmânam) in drieën. Om bestaat uit drie prosodische eenheden (a + u + m). Door middel van deze ‘wordt de hele wereld geweven, schering en inslag, op Hem.’ – Maitri-Upanishad, 6, 3 (naar vert. Hume)

     Een overvloed aan kracht is steeds in de hoogste oorzaken aanwezig, en terwijl deze kracht boven alle dingen uitgaat, is ze evenzeer met onbelemmerde energie in alles aanwezig. Daarom en in overeenstemming daarmee verlichten de eerste de laatste dingen, en zijn immateriële naturen op immateriële wijze aanwezig in materiële naturen. Ook dient niemand het als iets verwonderlijks te beschouwen als we zeggen dat er een bepaalde zuivere en goddelijke stof bestaat. Want daar de stof door de vader en demiurgos van gehelen is voortgebracht, ontvangt ze een volmaking die aan haar is aangepast om het voertuig van de goden te worden. Tege lijkertijd is er niets dat hoger staande wezens ervan weerhoudt hun licht aan ondergeschikte naturen mede te delen. Evenmin wordt dus de stof van deelname aan betere oorzaken uitgesloten; zodat die stof die volmaakt, zuiver, en in goedgevormde staat is, niet ongeschikt is om de goden te ontvangen. Want, omdat het een vereiste is dat aardse naturen in het geheel niet van goddelijke gemeenschap zijn verstoken, ontvangt de aarde tevens een zeker goddelijk deel hiervan, dat voor de deelname van de goden vol doende is. – Iamblichus, Over de mysteriën (naar vert. Thomas Taylor; On the Mysteries, blz. 265-6)

     Het is bijna vijftig jaar geleden dat H.P. Blavatsky ons de theosofie bracht – bijna een halve eeuw is verstreken en diegenen onder ons die in de gelegenheid waren haar in die periode of althans in een deel ervan te bestuderen, zijn zich bewust van de grote veranderingen die in het denken van de wereld hebben plaatsgevonden, zodanige veranderingen dat we ze slechts kunnen toeschrijven aan de geestelijke impulsen die door H.P. Blavatsky en degenen die achter haar stonden aan de wereld werden gegeven.
     Aan het einde van deze bijeenkomst zullen we op een aantal feiten wijzen die aantonen dat deze grote theosofe, die tot de geheimen van de oude wijsheid doordrong, enkele van de grootste zogenaamd wetenschappelijke ontdekkingen voorzag, of zo u wilt voorspelde, die in de afgelopen vijftig jaar zijn gedaan.
     Dat zijn ware omwentelingen in het denken, en het is niet meer dan redelijk dat we de eer geven aan wie haar toekomt, want er bestaat geen andere oorzaak van die omwentelingen – die niet alleen nog steeds plaatsvinden maar die nog nauwelijks hun hoogtepunt hebben bereikt – dan het werk dat door H.P. Blavatsky werd verricht en de geestelijke impuls die zij destijds aan de wereld gaf.
     We lezen vanavond nog eens het laatste gedeelte van wat we op de vorige bijeenkomst uit De Geheime Leer (1:708-9) hebben gelezen:

     Hoe dichter de sterveling, van wie de persoonlijkheid door zijn eigen persoonlijke godheid (het zevende beginsel) als aardse verblijfplaats was gekozen, zijn oervorm ‘in de hemel’ benaderde, hoe beter het voor hem was. Want bij iedere wilsinspanning tot loutering en tot vereniging met die ‘Zelf-god’, breekt een van de lagere stralen en komt de geestelijke entiteit van de mens steeds hoger, aangetrokken tot de straal die de eerste vervangt, totdat de innerlijke mens, van straal tot straal gaande, in de ene en hoogste straal van de Moeder-ZON wordt getrokken.

     Op onze bijeenkomsten zijn twee fundamentele lijnen van denken naar voren gebracht die, naar we vertrouwen, voldoende duidelijk zijn, althans voor de doeleinden van het ogenblik. Deze lijnen zijn respectievelijk de uiteenzetting over de nachtzijde, de stofzijde, de voertuiglijke kant van de natuur; en ten tweede over de lichtzijde, de geestelijke kant, de goddelijke kant van de natuur, en de laatste wordt in ons stelsel ook wel de hiërarchie van mededogen genoemd. De eerste hiërarchie die de ruimte doordringt en in feite is, de stofruimte of de ruimtestof, waarin de tweede hiërarchie werkt, bestaat uit de hiërarchie van de bouwers, de metselaars van de wereld, de kosmokratores of wereldmakers van de mystieke Griekse filosofie. Ze zijn in geestelijke zin de lagere hiërarchie, maar ze voeren een betrekkelijke heerschappij over hun subhië rarchieën vanaf hun top naar beneden tot op het laagste gebied, dat bestaat uit de puur elementale of natuurkrachten op het laagste gebied van hun kosmische hiërarchie. Zulke woorden als elementale of laagste zijn slechts bijvoeglijke naamwoorden, die mysteriën van de psyche beschrijven. Zoals we lieten doorschemeren, lopen de zeven graden daarvan op tot de laagste van de hiërarchie van mededogen, die de goddelijke kant vormt. Er is geen sprake van een hiaat tussen hen; in werkelijkheid vermengen ze zich met elkaar en doordringen ze elkaar. Zoals de geest in de ziel van de mens werkt en de ziel van de mens in zijn lagere voertuig, zo werkt ook de hiërarchie van mededogen in en door middel van de hiërarchie van de bouwers.
     Deze gedachte is zo belangrijk voor het begrijpen van de oude wijsheid dat we er keer op keer de aandacht op vestigen, omdat ze de filosofische en wetenschappelijke grondslag, het structuurplan, vormt van niet alleen het heelal maar ook van het bewustzijn van de mens zelf, en zij de achtergrond is waartegen we het beeld moeten plaatsen van wat er in de processen van de kosmische evolutie en in die van de mens plaatsvindt, zoals die in de oude inwijdingen en de mysteriescholen worden geschetst.
     Op een vorige bijeenkomst werd gezegd dat de mens in geestelijke zin hoger staat dan de zon. Dat is ook zo; maar er werd niet gezegd – met opzet niet gezegd – welke mens. De zon is de vitale kern van zijn stelsel en de krachten van die inwonende goddelijke entiteit zijn zo geweldig groot, zelfs op ons gebied, dat als iemand van ons, een mens, binnen het bereik van die krachten zou komen, hij eenvoudig zou worden vernietigd, niet alleen zou uiteenvallen en zou worden verspreid zoals met het stoffelijk lichaam bij de dood gebeurt, maar tot niets zou worden teruggebracht, zou worden uitgewist. Waarom? Omdat de eerste vijf (naar boven geteld), d.w.z. de vijf lagere beginselen van zijn samengestelde natuur in hun atomen zouden uiteenvallen, en elk naar zijn eigen gebied zou gaan en worden opgenomen, opgeslorpt in het stellaire lichaam, en alleen zijn hogere deel, het goddelijke deel, het geestelijke deel dat tot de hiërarchie van mededogen behoort, het christus-deel, het boeddha-deel, zou intact blijven. Waarom? Omdat dit laatstgenoemde deel van dezelfde substantie is als de verborgen zon, waarvan onze fysieke zon op dit gebied slechts de weerspiegeling is of de manifestatie van het goddelijke wezen daarachter. Toen we dus zeiden dat de mens groter is dan de zon, bedoelden we dat hij langs het pad van evolutie verder is gevorderd dan die entiteit (beschouwd als een weerspiegeling) die de zon is. Hij is op het pad van evolutie ongetwijfeld verder gevorderd dan het punt dat zijn zon heeft bereikt – een paradox inderdaad, maar waar! In het midden van het derde wortelras in deze vierde ronde trad het manas-beginsel, dat lager is dan de twee hoogste van zijn zeven beginselen, in de onbewuste ‘schaduwen’ van zijn wezen, d.w.z. in zijn vier laagste beginselen, en daardoor werd hij het wezen dat hij nu is, zelfbewust; hij werd letterlijk een incarnatie van het goddelijke.
     Het is nu aan hem die innerlijke krachten, zijn hogere beginselen tot activiteit te brengen; zij vormen zijn innerlijke geestelijke natuur en zijn in feite niet inert, maar als het ware slechts slapende. We spreken over de hogere beginselen alsof ze ‘slapen’ in een mens, een zegswijze die als zodanig misschien juist is, maar in werkelijkheid zijn het de lagere beginselen die geestelijk in slaap zijn en moeten worden gewekt. De wortel budh van de woorden buddhi, boeddha en budha met één d, betekent ‘ontwaken’, vandaar de afgeleide betekenis ‘verlichten’. Onze hogere beginselen zijn werkelijke entiteiten die op hun eigen gebieden leven, individuele wezens, volledig bewuste en denkende entiteiten. Houd dat idee goed in uw denken vast alstublieft. Onze hogere delen zijn geen onrijpe, ongecoördineerde, onontwikkelde slapende dingen. Ze zijn een eenheid van entiteiten, een geestelijke kosmos in het klein.
     Het grote ontwaken van de lagere elementen in de mens van het derde ras, dat tot stand werd gebracht door de incarnatie van deze mânasaputra’s, werd in de oude mysteriën en in de inwijdingen herhaald, ten dele gedramatiseerd en ten dele als werkelijk feit, en dit is een nabootsing van wat er nog steeds in de natuur plaatsvindt en wat in het bijzonder in het derde wortelras in de natuur plaatsvond. En met deze inwijdingen werd gepoogd de innerlijke en hogere natuur van de mens nog meer te stimuleren, nog verder te doen ontwaken, in nog hogere mate te bezielen en naar buiten te brengen. Dat grote doel vormde de kern, het hart en de betekenis van de oude inwijdingen.
     Maar let wel, inwijding en mysterie betekenen niet precies hetzelfde. Hoewel ze wat hun doelstelling betreft veel overeenkomst vertonen en gelijkgericht zijn, betekent inwijding lering, ontwaking, het activeren van de geest; de mysteriën waren de gedramatiseerde vormen van wat in de hogere graden plaatsvond. Er waren drie vormen van dramatisering waarin de neofiet werd geoefend en opgeleid voor wat hij in de vier hogere graden moet zijn en moet doormaken. Hij werd in die hogere graden geleid en geholpen, voorzover zijn karma dit toeliet; maar de kern en de essentie van de beproeving was een toetsing en hij moest die alleen doorstaan en hij moest zijn geestkracht, de aard van zijn ziel, zelf bewijzen. Als hij bij de eerste beproeving zegevierde, werd hem het voorrecht verleend en bezat hij de innerlijke kracht om zich aan de hogere graden te wijden. Onder zulke omstandigheden kon er van een volledige bescherming of van het met zorg omringen geen sprake zijn. Juist het tegendeel hiervan gebeurde. Zijn leraar waakte over zijn bewusteloze lichaam terwijl zijn innerlijke natuur eropuit ging om de gebieden van de ruimte te onderzoeken, ja zelfs de zon binnen te gaan, de planeten en de maan en andere dingen en wezens binnen te gaan, om datgene te worden, zichzelf te verliezen en datgene te worden wat hij onder ogen moest zien en moest overwinnen, of te falen. Glorierijk waren de voorrechten van de overwinning; en aan het einde, bij de zevende beproeving, indien en zodra de eindoverwinning werd behaald, verrees hij als een verheerlijkte boeddha, een verheerlijkte christus, een ware meester van de mensen. Dan wist hij, omdat hij het had ervaren. Het was niet een puur zinnelijke ervaring, zinnelijk in de betekenis van een ervaring van de zintuigen – horen, zien, tasten, voelen, ruiken, proeven – maar het betekende de dingen en wezens te zijn waarover men hem had onderwezen, d.w.z. de volledige kennis van het leven in deze hiërarchie.
     Dat was de betekenis van de hogere inwijding, van die hogere graden die het bereik en de betekenis van de mysteriën te boven gingen, en deze laatste waren de gedramatiseerde processen van het kosmische leven, de voorbereiding voor al datgene waaraan de kandidaat het hoofd moest bieden in de vier hogere inwijdingsgraden.
     Om de zaak duidelijker te maken, zullen we een symbolische schets geven van de twee paden van groei of ontwikkeling van de twee fundamentele kosmische hiërarchieën.    
Aan de linker- of
stofzijde:
CHAOS
THEOS
KOSMOS

Aan de rechter- of goddelijke zijde, de lichtzijde:
GODEN
MONADEN
ATOMEN

die met elkaar corresponderen; en voorzover het de aard van de mens betreft: (1) het goddelijke; (2) het geestelijke of menselijke; en (3) het kosmisch-astrale.
     Chaos is een Grieks woord en wordt gewoonlijk opgevat als een soort ongeordende schatkamer van oorspronkelijke beginselen en zaden van wezens. Dat is zij in feite ook, in één diepe betekenis; maar ze is beslist en nadrukkelijk niet ongeordend. Ze is de kosmische opslagplaats van alle latente en rustende zaden van wezens en dingen uit vroegere manvantara’s. Natuurlijk is ze dat, eenvoudig omdat ze alles bevat. Ze is de ruimte; niet de hoogste ruimte, niet parabrahman-mûlapra kriti, het grenzeloze – dat niet; maar de ruimte van een bepaalde hië rarchie die om zich te manifesteren afdaalt, d.w.z. wat voor haar in die bijzondere periode van het begin van haar ontwikkeling ruimte is. Denk aan het relativiteitsbeginsel. Volstrekte absoluten bestaan nergens, ze hebben nooit bestaan en zullen nooit bestaan. De leidende beginselen in de chaos zijn de goden uit de rechterkolom.
     Theos is een Grieks woord dat ‘god’ betekent. Hiermee komen de monaden overeen.
     Kosmos is een Grieks woord dat ‘ordening’ betekent. Kosmos werd ook wel voor de persoonlijke eigendommen, de sieraden van een vrouw en al dat soort dingen gebruikt: cosmetica, kleding en juwelen. Kosmos betekende dat wat geordend was en zich hield aan de regels van de harmonie – de ordening van het heelal; en de atomen in de andere kolom corresponderen hiermee. Let op de drie overeenkomsten: chaos, goden of goddelijke wezens, de kosmische architecten; dan theos, voor de bouwers, de kosmokratores, die corresponderen met de monaden, de geest-wezens; dan kosmos, het heelal, geordend zoals wij het waarnemen; en de atomen, of vitaal-astrale zaden, aan de goddelijke zijde.
     Begrijp dat we het hier niet hebben over scheikundige atomen. Die behoren tot de kosmos. Zoals in deze schets gebruikt, bedoelen we met goden, monaden en atomen (1) het goddelijke; (2) het geestelijk-menselijke; en (3) die primaire substantiële deeltjes die de materiële kosmos opwekken, bezielen en leven schenken. Ze werken elk op hun eigen gebied: de goden werken in de chaos; de monaden werken in en door de theos, de theoi, de bouwers; en de atomen, als de halfbewuste primaire stoffelijke entiteiten werken door de kosmos of het gemanifesteerde heelal, zoals dit werd voorbereid volgens zogenaamde natuur wetten, d.w.z. de essentiële en inherente werkingen van de natuur, die voortkomen uit de goden en monaden.
     Zo’n atoom, volgens deze parallelle kolommen (die natuurlijk van H.P. Blavatsky afkomstig zijn), vertegenwoordigt het primaire deeltje stof; en dat primaire deeltje is het zevende beginsel van de stof, haar hoogste beginsel; en dat is de reden dat de zon een atoom wordt genoemd, omdat hij de zevende of hoogste graad van de stof of prakriti op dit gebied is. Prakriti betekent natuur of de ontwikkelingskracht, dat wat de manifestatie voortbracht. Er zijn zeven kosmische prakriti’s en we zijn in de eerste of laagste; de zevende als men naar beneden telt, de eerste als men naar boven telt. Elk hiervan heeft weer zeven subgebieden. De zon als een entiteit is de hoogste entiteit van het kosmische stelsel, het zonnestelsel. Maar wat wij zien is niet meer dan zijn voertuig, zijn zevende of laagste of materiële element of beginsel, naar beneden geteld. De zogenaamde zonnevlammen zijn geen vlammen. De zon brandt niet; hij is niet bezig te verbranden; hij is niet heet; wat we zien is de aura van de zon, het zesde subelement of subbeginsel van de eerste of laagste prakriti. Die aura is daarom de stoffelijke bud dhische aura van de zon en vanuit een wetenschappelijk standpunt is hij een bol van kosmische krachten. Bedenk dat kracht en stof, zoals al eerder werd gezegd, fundamenteel hetzelfde zijn; ze zijn eenvoudig ver schillende graden van manifestatie van geest-substantie. Stof is gekristalliseerde kracht; of, zo u wilt, hoewel dit niet zo’n goede manier is om het te beschrijven: geest of kracht of energie is etherisch geworden stof. Het is veel beter het op de andere manier te zeggen.
     Stof op ons gebied is gekristalliseerd licht. Licht is substantie-energie of energie-substantie, dat is allebei goed. Noem het kracht. En licht, deze kracht, is weer de stof van iets dat nog hoger is dan licht, de prakriti daarboven.
     Onze tijd is nu bijna verstreken en we willen de aandacht vestigen op dat waarover aan het begin van de avond werd gesproken: bepaalde belangrijke en fundamentele denkbeelden, die wetenschappers de door hen gedane ontdekkingen (of althans dingen die ze bezig zijn te ontdekken) van onze eeuw noemen, maar die door leden van onze school op grond van de studie van theosofische leringen werden voorzien. Begrijp goed dat wij de wetenschap, de geordende en gecoördineerde kennis, als de grootste vriend en bondgenoot beschouwen die we hebben. Maar wanneer het gaat om theorieën, of speculaties of dogma’s van wetenschapsmensen, aanvaarden of verwerpen we deze al naar gelang we denken dat ze al dan niet waarheid bevatten – niet mijn waarheid of uw waarheid, maar al naar gelang ze die fundamentele beginselen bevatten (of niet bevatten) die door hun samenhang en consistentie en het beroep dat ze op het beste in ons doen, zich aankondigen als feiten van het zijn.
     De theosofie heeft inderdaad het denken van de wereld veranderd. Praktijk zonder theorie is geestelijke leegte; theorie zonder praktijk is dwaasheid. Iemand die een mooie theorie heeft en niets doet om haar in praktijk te brengen of tot een feit te maken is laks, want hij werd niet geboren om een nietsnut te worden; een mens daarentegen die geen theorie heeft, van wie de denkbeelden niet door beginselen worden gecoördineerd en geleid, is onwijs en handelt als een dwaas. Het beste dat we kunnen doen is het denken van de wereld zo te veranderen, dat de mensen gaan beseffen dat ze één zijn met de innerlijke wezens op de verschillende gebieden van het universele leven, en zich daarnaar richten, niet alleen in de wetgeving maar in hun leringen en in hun persoonlijke gedrag en in de zorg voor hun broeders en in hun gevoel van loyaliteit en trouw aan hun leraren, degenen die, naar ze weten en geloven, die waarheid bezitten.
     We hebben een lijst van enkele van die ontwikkelingen opgesteld, die werden voorzien, en zonder twijfel zou elk van u deze lijst kunnen uitbreiden tot drie of vier keer haar lengte. Dit zijn ze:
     1. Dat het gewone materialisme, waartoe onberekenbaarheid, toeval en dode stof behoren als voortbrengers van leven en bewustzijn, als een verklaring van het leven en het zijn, onwetenschappelijk, niet filosofisch en onmogelijk is, omdat het in strijd is met de natuur en de rede en dus absurd.
     2. Dat andere planeten door intelligente wezens worden bewoond of niet, al naar gelang de omstandigheden; en dat dit wordt ontkend niet op grond van kennis over die planeten maar juist door gebrek daaraan; de enige planeet die we wel kennen, onze aarde, draagt intelligente wezens. De ontkenning is daarom irrationeel, zuiver speculatief en theoretisch en uitsluitend gebaseerd op vermoedelijk juiste feiten over de atmosfeer, koude of warmte enz., zoals deze alleen op onze planeet bekend zijn.
     3. De onwerkelijke aard van het stoffelijke heelal of de stoffelijke sfeer, d.w.z. dat alles wat we zien en kennen door middel van zintuig lijke waarnemingen, de puur uiterlijke verschijnselen daarvan zijn.
     4. Dat kracht etherisch geworden stof is; of liever dat stof in evenwicht verkerende of gekristalliseerde krachten is.
     (Deze laatstgenoemde twee worden nu door exoterische wetenschappers volledig onderschreven.)
     5. Dat elektriciteit en magnetisme uit deeltjes bestaan, d.w.z. corpusculair zijn: zijn gevormd uit deeltjes of corpuscula, en dus stof zijn. Het zijn de fenomenale gevolgen van noumenale oorzaken – stof of liever stoffen.
     6. Dat de zogenaamde ‘toestanden van beweging’ van de vroegere geleerden uit de tijd dat H.P. Blavatsky voor het eerst haar boodschap aan de wereld bracht, als een definitie van krachten een kinderlijke poging is om krachten te verklaren door ze van een nieuw etiket te voorzien, wat in het geheel niets verklaart omdat elke kracht eenvoudig bewegende stof is.
     7. Dat alle stof stralend is, radioactief, d.w.z. ze zendt stralen uit; sommige vormen of toestanden van stof meer dan andere. Vergelijk het werk en de ontdekkingen van Becquerel, Röntgen, de Curies, Rutherford en Soddy, enz. met soortgelijk werk van grote denkers uit andere landen.
     8. Dat licht corpusculair is omdat het een stof of substantie is; dat wil zeggen licht is in feite een materiële straling.
     9. Dat de transmutatie van stoffen en dus ook van metalen een feit in de natuur is dat zich ieder uur, iedere seconde, ieder ogenblik en ononderbroken in de tijd voordoet.
     10. Dat het atoom een deelbaar lichaam is – d.w.z. het atoom van de scheikunde of natuurkunde; het is bij wijze van spreken een kleinere molecule.
     (De nummers 6, 7, 8, 9 en 10 zijn alle door de wetenschap erkend of bijna erkend; in sommige gevallen volledig en in andere gevallen bijna volledig.)
     11. Dat het stoffelijke atoom een uiterst klein zonnestelsel is, en dat elk lid van zo’n stelsel op zijn beurt is samengesteld uit oneindig kleine stoffelijke deeltjes of uit subatomen of uit infra-atomen.
     12. Dat de nevelvlekhypothese, zoals deze in het algemeen werd aanvaard, als werkhypothese onvolledig en ontoereikend was, hoewel ze bepaalde elementen van natuurlijke, dat wil zeggen, van occulte, waarheid bevat.
     13. Dat de zon niet brandt en zelfs niet heet is, hoewel hij in één betekenis aan de buitenkant gloeit, d.w.z. aan zijn ‘oppervlakte’; dat hij evenmin zijn verlies aan warmte en andere krachten, zoals wordt beweerd, compenseert door inkrimping van zijn volume; en ook dat radium geen verklaring biedt voor zijn energieverbruik, wordt praktisch erkend.
     14. Dat stormen – regen, hagel, sneeuw, wind – en droogten, evenals het grootste deel van de warmte van de aarde niet worden veroorzaakt door of worden ontleend aan zonne-energie, maar het gevolg zijn van een elektromagnetische wisselwerking van krachten tussen de massa van de aarde en de meteorische massa of ‘sluier’ boven onze atmosfeer; zulke verschijnselen of gevolgen gaan, gedeeltelijk als oorzaken en gedeel telijk als gevolgen, vergezeld van periodieke uitzetting of verwijding van het atmosferische lichaam en van periodieke samentrekking hiervan; en dat de zogenaamde ijstijden grotendeels aan dezelfde oorzaken te wijten zijn.
     (Laat ik hieraan toevoegen dat enkele eminente wetenschappers in Noord-Californië een paar maanden geleden de bovenste lagen van de atmosfeer hebben onderzocht en dat zij tot dezelfde conclusie zijn gekomen, althans voor een deel en tot op zekere hoogte.)
     15. Dat het Darwinisme en het Haeckelisme de meeste biologische verschijnselen niet kunnen verklaren; en Darwins natuurlijke selectie en Spencers overleving van de geschiktsten zijn slechts een minder belangrijke en secundaire werking van de natuur; dat het transformisme zoals dit door de moderne speculatieve wetenschap wordt onderwezen geen evolutie is – die de oude wijsheid wel onderwijst – en dat het als theorie niet alleen twijfelachtig is omdat het zuiver speculatief is, maar ook onwetenschappelijk omdat het als theorie op te weinig gegevens berust; het is daarom onvolledig en onvoldoende.
     (We weten allen dat de theorieën van de transformisten opmerkelijke veranderingen hebben ondergaan sinds H.P. Blavatsky is gestorven.)
     16. En tenslotte dat alle dingen en werkingen in de kosmos van nature betrekkelijk zijn, niet absoluut omdat er geen absoluten zijn, behalve in de zin van de relativiteit van verbanden; onze leringen liepen dus vooruit op het fundamentele idee hierover van dr. Albert Einstein.
     Op de volgende bijeenkomst zullen we het atoom bestuderen.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 355-64

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag