HOOFDSTUK 29

DE RUIMTE: HET GRENZELOZE AL. VOL VAN IN ELKAAR GRIJPENDE, ELKAAR DOORDRINGENDE HEELALLEN. ÉÉN WERKING, ÉÉN HIËRARCHISCHE INTELLIGENTIE, ÉÉN WERKWIJZE IN DE GEHELE NATUUR: ÉÉN ORGANISME, ÉÉN UNIVERSEEL LEVEN.

Een geordend heelal, of anders een chaotische verwarring. Dan ongetwijfeld een wereldorde. Of denkt u dat orde in uzelf verenigbaar is met wanorde in het Al? En dat terwijl alle dingen, hoe verspreid en verstrooid ook, elkaar door banden van sympathie beïnvloeden.
Marcus Aurelius Antoninus, Tot zichzelf, 4, 27 (naar vert. Rendall)

     Beschouw het heelal altijd als één levend wezen, dat één substantie en één ziel heeft; en zie hoe alle dingen verband houden met één beeld, het beeld van dit ene levende wezen; en hoe alle dingen handelen met één beweging; en hoe alle dingen de samenwerkende oorzaken zijn van alle dingen die bestaan; let ook op het ononderbroken spinnen van de draad en de structuur van het web.
– Op. cit., 4, 40 (naar vert. Long)

     Laat ik aan het begin van deze bijeenkomst nogmaals de aandacht erop vestigen dat de leringen van het occultisme op een ethische en morele grondslag berusten; en zoals al vaak is gezegd, ligt daar het onderscheid dat als het ware de scheidslijn vormt tussen de hiërarchieën aan de ene kant, de opgaande of lichtende boog, en die hiërarchieën aan de andere kant, de schaduwboog, of die wezens en intelligenties die bezig zijn in de stof af te dalen om de nodige ervaring op te doen, die hen in staat stelt de weg omhoog in te slaan.
     Ethiek is geen zaak waarover valt te twisten, zoals mensen dat doen; alleen de vormen van de ethiek zijn dat; maar in de grondbeginselen van goed tegenover kwaad, van plicht tegenover zelfzucht, van de vreugde van zelfverzaking en zelfverloochening tegenover de verschrompelende invloed van de tegenovergestelde theorieën van het zijn – en daar zijn er veel van in de wereld – daarin ligt het verschil tussen de zonen van het licht en de kinderen van de schaduw.
     U zult zich herinneren dat we ons aan het einde van de vorige bijeenkomst bezighielden met de leringen die in het woord atoom liggen besloten. Bedenk dat hier niet het atoom van de wetenschap wordt bedoeld. Het atoom van de wetenschap is een min of meer duidelijke voorstelling van fundamentele materiële deeltjes, die in het denken van wetenschappers is ontstaan in een poging de verschijnselen van de stoffelijke natuur te verklaren, verschijnselen die in de laatste honderd jaar of zo zijn bestudeerd; en bovendien zijn de wetenschappelijke leringen over het atoom voor een groot deel gebaseerd op verkeerd begrepen leringen van bepaalde Griekse filosofen.
     Maar als we het atoom opvatten volgens de leer zoals die is belichaamd in de leringen van de oude wijsheid, dan zien we dat het een intelligentie en een levend wezen van een bepaalde soort is. Laten we daarom eerst de volgende passage lezen uit De Geheime Leer (1:138):

     . . . ieder atoom in het Heelal heeft de mogelijkheid van zelfbewustzijn in zich en is, evenals de monaden van Leibnitz, een Heelal op zichzelf en voor zichzelf. Het is een atoom en een engel.

     Geen christelijke engel; geen wezen met vleugels enz., maar een geestelijke intelligentie. En vervolgens blz. 137:

     De leer zegt dat, om een volledig bewust goddelijk wezen te worden – ja zelfs het hoogste – de oorspronkelijke geestelijke INTELLIGENTIES door het menselijke stadium moeten gaan. En wanneer we zeggen menselijk, dan heeft dit niet alleen betrekking op onze aardse mensheid, maar ook op de stervelingen die elke andere wereld bewonen, d.w.z. op die intelligenties die een geschikt evenwicht tussen stof en geest hebben bereikt, zoals wij nu, sinds het midden van het vierde Wortelras van de vierde Ronde werd gepasseerd. Elk wezen moet door eigen ervaring het recht hebben verkregen om goddelijk te worden.

     Deze woorden ‘eigen ervaring’ omvatten de gedachte waarop Katherine Tingley in haar onderricht aan ons zo vaak de nadruk heeft gelegd – zelfgeleide evolutie, een leer die inhoudt dat het noodzakelijk is onze geestelijke wil en onze geestelijke intelligentie voor edele en al truïstische en onpersoonlijke doeleinden te gebruiken. Laten we hier nog eens zeggen dat de mens altijd uit twee paden kan kiezen: het rechterpad, de lichtende boog, die steeds hoger en hoger gaat; en het linker, de schaduwboog, die omlaag voert naar die sferen waarvan we natuurlijk iets weten en waarover we al verschillende keren hebben gesproken.
     Verder moet worden opgemerkt dat deze term of dit woord atoom eigenlijk niet meer dan een aanduiding is. We zeggen atoom, maar we bedoelen in feite een groot aantal gedachten die verband houden met de kosmogonie en de evolutie. Bijvoorbeeld, goden, monaden, zielen, atomen, zijn woorden die samen zowel als ieder afzonderlijk te maken hebben met diepzinnige leringen, die de kosmogonische en evolutionaire processen verklaren. En wat in het occultisme het layacentrum wordt genoemd, waarop we tijdens eerdere bijeenkomsten kort hebben gezinspeeld, hangt daar nauw mee samen. In Afdeling III van Deel 1 van De Geheime Leer wijdt H.P. Blavatsky in § 15, getiteld ‘Goden, monaden en atomen’, een van de mooiste gedeelten van haar grote werk aan een uiteenzetting van de leringen daarover.
     In de eerste plaats moet men begrijpen dat zaken als spiritualiteit, ethiek en religie in deze bijeenkomsten een grote rol spelen. Ze raken de grondslag van ons wezen. Het zijn niet alleen maar verstandelijke discussiepunten of oefeningen in welsprekendheid. Deze leringen leiden er rechtstreeks toe dat we het pad van de lichtende boog gaan betreden; en wij, die het nut van deze leringen al hebben ondervonden, moeten er ons op zijn minst enigermate van bewust zijn dat als er één hoofddoel is dat we nastreven, dan is dat het vollediger, intenser, één worden met dat luisterrijke leger waarvan de meesters als het ware de uiterlijke voorhoede vormen.
     Wat bedoelen we met de ruimte? Men denkt in het algemeen aan de ruimte als een ‘vergaarbak van dingen’ – een definitie die we verwerpen. Men spreekt over de oneindige ruimte en toch noemt men de ruimte tegelijkertijd een vergaarbak, een reservoir – een merkwaardige illustratie van de slordige manier van denken van deze tijd. Het ligt voor de hand dat als ze een vergaarbak is, ze iets eindigs is; en daar komt nog bij dat deze opvatting geheel voorbijgaat aan de kernbetekenis van het woord ruimte. Als men begrijpt wat wij met ruimte bedoelen, dan heeft men een sleutel die veel van de edele leringen ontsluit, die in een elementaire studie diep verborgen liggen. Ruimte zoals die in het ware occultisme wordt opgevat, betekent dat al wat is een volheid is, volmaakt en volstrekt continu, zonder einde en zonder begin; niet slechts een vergaarbak, niet slechts een reservoir, niet iets eindigs maar het grenzeloze Al. Verder: de ruimte IS; zij is niet alleen op of in één gebied, maar op en in zeven gebieden, de zeven kosmische gebieden van ons heelal en strekt zich bovendien eindeloos binnenwaarts en eindeloos buitenwaarts uit. Het is het oneindige pleroma van de Grieken en dat Griekse woord pleroma betekent ‘volheid’.
     Het ligt voor de hand dat al wat is deel uitmaakt van de ruimte. Omdat de ruimte niet slechts een reservoir, een abstractie van het denken of slechts een vergaarbak is, zegt H.P. Blavatsky in haar leringen: de enige ‘God’ die we erkennen is Dat – het woord uit de oude Veda’s – d.w.z. ruimte, het grenzeloze Al. Dit Al bevat kennelijk alle dingen, al wat is, zoals we al eerder hebben aangetoond toen we die prachtige leer van de hiërarchieën bestudeerden, die het derde van de zeven juwelen of schatten van wijsheid is. De ruimte is vol met een oneindig aantal op zichzelf staande heelallen, die in elkaar grijpen en elkaar doordringen. Deze heelallen zijn op hun beurt vol met eindeloos veelsoortige wezens van allerlei aard, hoge en lage, innerlijke en uiterlijke. Wij kunnen niet zeggen de hoogste en de laagste, omdat deze termen grenzen of beperkingen, eindpunten zouden inhouden, en ruimte is onbegrensd. Alleen binnen de perken of grenzen van een bepaald heelal of een bepaalde hiërarchie kunnen we de overtreffende trap van deze adjectieven gebruiken en spreken over de hoogste of de laagste.
     Neem een willekeurig heelal of een willekeurige hiërarchie als voorbeeld van de algemene regel. Elk heelal is vol wezens die hun oorsprong vinden in de top, het hoogste, of in een ander opzicht het zaad, dat bij wijze van spreken de god van die hiërarchie is; en deze god, dit geestelijke elementaire wezen, werpt aan het begin van een bepaalde periode van manifestatie uit zichzelf, evolueert uit zichzelf, brengt naar buiten uit zichzelf, een veelsoortige reeks hiërarchieën, die uit kleinere of lagere wezens bestaan, wezens die wat spiritualiteit en waardigheid betreft lager staan dan hijzelf. Ze zijn als het ware de gedachten die de god of de kosmische oorspronkelijke denker denkt. Neem als analogie het voorbeeld van een denkend mens. Hij denkt gedachten. Elke gedachte heeft haar eigen leven, elke gedachte heeft haar eigen essentie, en moet haar eigen weg volgen. Elke gedachte berust als het ware op een bijzondere trilling, om woorden te gebruiken waarmee ons begripsvermogen bekend is. Elke gedachte heeft haar eigen bijzondere sva bhâva of innerlijke essentiële natuur, die haar individualiteit is.
     Deze top van de hiërarchie ‘denkt dus gedachten’. Nu wil ik hiermee niet zeggen dat deze top een menselijk of een goddelijk wezen is, dat zoals wij gedachten denkt. Het hier gebruikte beeld is slechts een analogie. Zoals een mens gedachten denkt en zodoende de atmosfeer om hem heen met deze levende wezens vult, deze gevleugelde boodschappers die men gedachten noemt, zo worden door het oorspronkelijke elementaire wezen, de top, het zaad, het eerste dat uit de schoot van de oneindige Moeder tevoorschijn komt, deze delen van hemzelf, deze monadische aggregaten, deze kosmische ‘gedachten’ afgeworpen.
     En wat zijn deze eerste emanaties? Het zijn wat de oude wijsheid de goden noemde. En deze goden zenden op hun beurt vanuit zichzelf andere veelsoortige reeksen wezens uit die minder zijn dan zij – minder in waardigheid, minder groots, met minder begripsvermogen. En deze secundaire emanaties of evoluties zijn de monaden. En als deze monaden hun weg omlaag langs de schaduwboog vervolgen, werpen ze in het begin van het manvantara op precies dezelfde manier en volgens dezelfde methode andere entiteiten af die minder zijn dan zij, en die vormen nog meer uiterlijke hiërarchieën, intelligenties die nog stoffelijker zijn; en deze tertiaire emanaties zijn de zielen. En die zielen zullen, als ze hun weg omlaag vervolgen, evenals hun hogere voorgangers, uit zichzelf wezens afwerpen, tevoorschijn denken, uitzenden, ontwikkelen, die in wijsheid en spiritualiteit en waardigheid en macht nog lager staan dan zij. En dat zijn de atomen – maar niet het stoffelijke atoom. Laten we die gedachte onmiddellijk uit ons hoofd zetten. De atomen van de wetenschap zijn feitelijk niets anders dan moleculaire aggregaten van atomaire elementen die zich op de grens van het astrale gebied bevinden.
     Later zullen we een duidelijker uiteenzetting geven van de relatie tussen het atoom en de stoffelijke wereld van uiterlijke verschijnselen dan wij nu gezien de beschikbare tijd kunnen doen. We vestigen vanavond de aandacht erop dat er overal in de natuur één manier van handelen, één hiërarchische intelligentie, één werkwijze bestaat. Deze werkingen van de natuur, vergeet dat niet, worden door de wetenschappers en de christelijke theologen in hun onwetendheid de natuurwetten genoemd. Maar er zijn geen natuurwetten, zoals al eerder is gezegd en uitgelegd. Er bestaan geen zogenaamde mechanisch werkende wetten, omdat er geen wetgevers zijn: daarom bestaan zulke natuurwetten niet. Maar er zijn werkingen van de natuur en onze denkers zien deze werkingen van de natuur, en door gebrek aan inzicht in de oude wijsheid en misschien door gebrek aan de juiste omschrijvende woorden volgen ze de analogie van het menselijke handelen en spreken over ‘wetten van de natuur’.
     Maar dit zijn de geestelijk automatische werkingen van wezens in dat ontzaglijk grote geheel van entiteiten en intelligenties dat het heelal wordt genoemd, en dat er slechts één is uit een oneindig aantal andere heelallen in de ruimte. Al wat is, is één ontzaglijk groot organisme. Er is nergens een vacuüm of leegte – alles is gevuld en is één grenzeloze volheid. Als we die gedachte in onze geest kunnen vasthouden en onszelf zien als schakels in een keten van wezens, een oneindige keten – die Homerus de gouden keten noemde – zullen we de kracht, de filosofische diepte en de grote betekenis beseffen van de bedoeling van onze leringen als daarin wordt gesproken over universele broederschap, de fundamentele eenheid van al wat is. Ieder van ons heeft in zichzelf de mogelijkheid om een god te worden, om vanuit het godzijn nog hoger te klimmen tot wat voor ons nu onuitsprekelijke goddelijke sferen zijn. Maar het hangt van onszelf af. Ieder ogenblik moeten we kiezen tussen: het pad van de ‘rechterhand’, en het pad van de ‘linkerhand’, om de oude boeddhistische terminologie te gebruiken.
     Deze twee bogen, de schaduwboog of de boog van stof en de lichtende boog of de boog van licht of van de geest, zijn een voorbeeld van de dualiteit van de gemanifesteerde natuur; de wezens op de lichtende boog zijn wat onze leraren de dhyâni-boeddha’s noemen, de boeddha’s van contemplatie, die eens in lang vervlogen kalpa’s mensen waren, zoals wij nu zijn. De andere boog omvat de hiërarchieën die in de stof afdalen om de lessen te leren die wij van deze kalpa in het verleden hebben geleerd, zoals de dhyâni-boeddha’s, de zonen van het licht, lange, lange eonen geleden hebben gedaan, die nu echter aan de top staan van de buddhische hiërarchie, waarvan wij deel uitmaken als ons hart op recht en onze ziel sterk is.
     De schoonheid en luister van deze leringen vervullen de ziel met ontzag. Ze hoeven alleen op de juiste manier te worden begrepen om geest en ziel zo hecht aan de eeuwige waarheid te binden, dat niets in de toekomst ze ooit aan het wankelen zal brengen. Het grote mysterie van de evolutie is daarin onthuld, als we maar de ogen hadden om het te zien. Zij die langs het pad zijn gevorderd hebben hun sporen achtergelaten en daar staan zij, die glorierijke wezens, in grote aantallen: de laagsten zijn zij die net boven ons staan, de chela’s en dan nog hoger de meesters en de meesters van de meesters; en dan de chohans; en de mahâ-chohans; en dan de dhyâni-chohans; en dan de dhyâni-boeddha’s; en zo tot in het oneindige, steeds hoger, want de oneindigheid is grenzeloos en eindeloos. En dit proces van hiërarchische ontwikkeling is al een eeuwigheid in het verleden aan de gang en zal eeuwig in de toekomst voortduren.
     Men vindt het moeilijk deze verheven leer te aanvaarden, omdat het brein zo vol is van andere gedachten dat het moeite heeft deze verheven waarheden binnen te laten, er een plaats voor te vinden en ze in het geheugen vast te leggen. De mens geeft zijn vooroordelen niet graag op; hij breekt zijn denkvormen niet graag af. Hoevelen van ons komen naar een bijeenkomst als deze met vaste ideeën over wat wij ‘als waarheid kennen’, omdat we het nu eenmaal ergens zo hebben gelezen en ons verstand in dat model is verstard. Ik weet hoe moeilijk het voor elk van ons is het denken steeds vrij en plastisch te houden, en altijd bereid te zijn de waarheid te aanvaarden, wat onze vooroordelen van religieuze, filosofische of wetenschappelijke aard ook zijn. Een kritisch mens is geen wijs mens. Zonder zichzelf daarvan bewust te zijn, ziet de criticus zijn eigen kleinheid; een wijs mens, een mens die weet, zal eerder zeggen: ‘Ik zal nadenken, ik zal onderzoeken wat de leraar mij heeft gegeven. Dit is een kans; ik zal die niet afwijzen, omdat het moeilijk lijkt erin te geloven of omdat ik heb gelezen dat H.P. Blavatsky in een of andere passage dit of dat zei’. Bouw alstublieft niet om een of andere passage van H.P. Blavatsky of van Katherine Tingley of van William Q. Judge een ijzeren muur van vooroordelen, omdat u denkt het te hebben begrepen. Houd uw geest soepel en ontvankelijk en plooibaar; houd vast aan dat wat uw ziel, uw geweten, u zegt dat goed is; en als het nodig is, wacht! Thebe werd niet op één dag gebouwd.
     Voor we eindigen is er nog een vraag die bij iedere theosoof die nadenkt moet zijn opgekomen en ze is als volgt door een leerling onder woorden gebracht:

     Als iedereen onder leiding van de dhyâni-chohans staat, hoe komt het dan dat er, zoals H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (1:451) zegt, ‘wreedheid, flaters en overduidelijke onrechtvaardigheid’ in de natuur voorkomen? En dan citeert ze het gezegde dat de natuur een ‘bevallige maar steenkoude moeder’ is.

     De beginselen waarop deze doordachte vraag is gebaseerd, zijn inderdaad heel eenvoudig. In de eerste plaats is het niet zo dat de dhyâni-chohans de ‘natuur leiden’; evenmin als de innerlijke dhyâni-chohan van de mens zijn bloedsomloop of de processen van zijn eigen spijsvertering leidt. Die dingen behoren tot de lagere sferen van de natuur. Er staat een dhyâni-chohan aan het hoofd van iedere afdeling van de natuur; maar een rechtstreeks ingrijpen, het oude theologische denkbeeld van een almachtige God, die zich bemoeit met de chaotische toestand die hijzelf heeft geschapen, wordt in onze leringen niet aanvaard. De dhyâni-chohans ‘leiden’ de stoffelijke processen van de natuur niet. Zij zijn de top van de hiërarchie en vormen de ‘wetten’ waarnaar de natuur werkt; maar iedere entiteit, iedere monade, ieder atoom, iedere ziel heeft in min of meer beperkte graad een vrije wil en het vermogen om te kiezen, afhankelijk van zijn of haar intelligentie, en moet dat vermogen gebruiken, of te gronde gaan. En hierin ligt de sleutel, het antwoord op de vraag. De mens oefent met zijn denken geen controle uit op het kloppen van zijn hart of op de processen van zijn spijsvertering of op de tijd die hij nodig heeft om van een baby tot kind, en van kind tot volwassene te groeien, en van volwassene de ouderdom met gebreken te bereiken. Die dingen worden beheerst door wat terecht de natuurkrachten worden genoemd; en de wetten waarnaar de natuurkrachten werken zijn die hogere werkingen die de automatische geestelijke activiteiten van de dhyâni-chohans vertegenwoordigen; maar te zeggen dat zij de natuur leiden is onjuist; dit denkbeeld is een overblijfsel van de oude theologische christelijke dogma’s dat in ons denken is blijven hangen; en we moeten ons intellect van zulke gedachten zuiveren, als we het hart, de essentie van de oude leringen willen begrijpen die van één organisme, één universeel leven spreken dat overal op allerlei manieren werkzaam is. En in dit ene organisme, in dit ene kloppende hart, in dit ene universele leven bestaan deze veelsoortige en talloze en eindeloze reeksen intelligenties, waarvan ieder zijn eigen bestemming uitwerkt vanuit innerlijke impulsen, beheerst door verschillende hogere entiteiten waarin ze bewegen, leven en hun bestaan hebben.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 373-80

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag