|
HOOFDSTUK 30
DE
ONDERLINGE BETREKKINGEN TUSSEN GODEN, MONADEN EN ATOMEN EEN SLEUTEL TOT
DE EVOLUTIELEER. OPEENVOLGENDE EMANATIES: OMHULSELS. HOGERE WEZENS DIE
MENIGTEN LAGERE WEZENS EMANEREN EN ZICH DAARIN HULLEN. ETHISCH HANDELEN
GEBASEERD OP DE STRUCTUUR VAN HET HEELAL.
Maar het andere hulpmiddel,
neerhangend van de goden, hoewel verre inferieur aan hen, is dat van
de daemonen, dat niet primair actief van aard is, maar ondergeschikt
is aan en de weldadige wil volgt van de goden. Het ontvouwt ook het
onzichtbaar goede van de goden als energie, omdat het daarin zelf is
opgenomen en geeft uitvoering aan de werken ervan op een manier die
daarmee in overeenstemming is. Want het maakt dat wat onuitsprekelijk
is in het goede van de goden uitspreekbaar, doet dat wat vormloos is
oplichten in vormen, en brengt uit dat wat in het goddelijk goede boven
alle rede uitgaat zichtbare redenen (of scheppende vormen) voort. Omdat
het als een ingeboren goed ook zijn deel ontvangt van het schone, zal
het dit op gulle en overvloedige wijze geven en overdragen aan de geslachten
die het volgen. Deze tussengeslachten vervolledigen daarom de gemeenschappelijke
band tussen de goden en de zielen en maken de verbinding tussen hen
onverbrekelijk. Ze vormen ook de verbinding in de ene continuïteit van
dingen van bovenaf tot aan het einde toe; maken de gemeenschap van eenheden
onafscheidelijk; zijn er de oorzaak van dat alle dingen het beste en
een evenredig mengsel krijgen; brengen in zekere zin evengoed de vooruitgang
van de hogere op de lagere naturen over, als de verheffing van latere
tot eerdere dingen; brengen in meer onvolmaakte wezens orde en maatstaven
van wat neerdaalt uit hogere naturen en van dat waardoor dit wordt ontvangen;
en maken dat alle dingen aan allen vertrouwd en voor hen aangepast zijn,
terwijl ze de oorzaken van dit alles op bovenaardse wijze van de goden
ontvangen. – Iamblichus, Over de mysteriën
(naar vert. Thomas Taylor, blz. 32-3)
‘De geestelijke intuïties in de mens wakker houden’ is een goede omschrijving van het werk van de Theosophical Society in de wereld. Maar we moeten verdergaan dan deze mooie gedachte, willen we de leringen die ons zijn toevertrouwd begrijpen en ten volle in ons leven tot uitdrukking brengen en daardoor een moreel en ethisch besef ontwikkelen; deze leringen zijn in de eerste plaats bedoeld om dat besef te ontwikkelen en in ons tot leven te wekken, om zo het doel dat ons voor ogen is gesteld te kunnen verwezenlijken.
Uiteenzettingen over filosofische, religieuze en wetenschappelijke onderwerpen alleen hebben geen enkele blijvende waarde, leveren niets op, zijn vruchteloos tenzij de geest van de loge erachter staat; en die logegeest kan niet bestaan zonder de geestelijke intuïties die in de kern, in het centrale deel van ieder mens bestaan. Het zal u zijn opgevallen dat onze studiebijeenkomsten er geheel op zijn gericht onze hogere natuur te ontwikkelen. Deze leringen van de esoterische filosofie hebben en zullen de toets van de tijd en van het menselijk hart doorstaan. Dat is ongetwijfeld een feit waarvoor we innig dankbaar mogen zijn.
We naderen nu het einde van de elementaire studie waarmee we ons de laatste twee of drie jaar kort hebben beziggehouden; en we moeten binnenkort meer concrete aspecten van de oude wijsheid of wijsheids religie gaan bestuderen; en eigenlijk zijn we deze meer gedetailleerde leringen al genaderd in ons onderwerp van nu – goden, monaden, zielen, atomen en lichamen. De onderwerpen die op de vorige bijeenkomsten werden bestudeerd en die sommigen misschien wat abstract toeschijnen, moeten goed worden begrepen omdat de draagwijdte ervan op het gebied van het menselijk denken, zoals dat door religie, filosofie en wetenschap wordt vertegenwoordigd, bijzonder groot is; ze vormen als het ware de fundamenten waarop de oude wijsheid rust.
U zult zich herinneren dat wij de vorige keer uit De Geheime Leer (1:138) het volgende hebben gelezen: ‘ieder atoom in het Heelal heeft de mogelijkheid van zelfbewustzijn in zich en is, evenals de monaden van Leibnitz, een Heelal op zichzelf en voor zichzelf. Het is een atoom en een engel’ – dat wil zeggen een geestelijk wezen. Wij zullen over dit onderwerp duidelijker spreken dan we ooit tevoren hebben gedaan, en de reden hiervoor is dat een goed begrip van de evolutieleer – de leer van ontwikkeling en groei – berust op een juist inzicht in de ware betekenis en samenhang van deze drie: goden, monaden en atomen.
Allereerst zult u zich herinneren dat we, toen we over de ruimte spraken, het denkbeeld dat de ruimte niets anders is dan een vergaarbak hebben verworpen. Het gaat niet alleen om een abstract denkbeeld; het is van het hoogste belang te begrijpen dat het gehele zijn één onmetelijk organisme is, waarin bij wijze van spreken één universeel hart klopt. U ziet onmiddellijk dat hierin de grondslag voor ethische normen ligt; er is nergens een absolute leegte, een absoluut vacuüm; alle wezens zijn nauw verwant en door de sterkste banden van eenheid met elkaar verbonden: geestelijke, goddelijke, intellectuele, mentale, astrale, fysieke. Niets kan zonder alle andere dingen bestaan; want de kosmos zou als hij van één enkel atoom werd beroofd, in ontastbare stof uiteenvallen. Dit is geen beeldspraak maar werkelijkheid.
Men zegt vaak dat een monade in de stof neerdaalt. Dat is een manier van spreken, een wijze van uitdrukken. De monade zelf ‘daalt niet af’, evenmin als een god onze trams bestuurt of onze schoenen poetst. Hoe breidt de monadische invloed zich dan uit over de verschillende gebieden van de natuur, zodat het in het gewone spraakgebruik in feite juist is om te spreken over de delfstofmonade, de dierlijke monade, de astrale monade, de menselijke monade, de geestelijke monade, de goddelijke monade? Als volgt: maar laat ik eerst H.P. Blavatsky citeren over de monade (De Geheime Leer, 2:208):
De uitdrukkingen ‘delfstof-’, ‘plantaardige’ en ‘dierlijke’ monade zijn bedoeld om een oppervlakkig onderscheid te maken: er is geen andere monade (jiva) dan de goddelijke, die dus menselijk is geweest of moet worden. Deze laatste uitdrukking moet zonder betekenis blijven, tenzij het verschil goed wordt begrepen. De monade is een druppel uit de onbegrensde oceaan aan de andere kant, of om het beter te zeggen, binnen het gebied van de oorspronkelijke differentiatie. Ze is goddelijk in haar hogere en menselijk in haar lagere toestand – de bijvoeglijke naamwoorden ‘hogere’ en ‘lagere’ worden gebruikt bij gebrek aan betere woorden – en een monade blijft ze altijd, onder welke omstandigheden en in welke uiterlijke vorm ook, behalve in de nirvanische toestand.
Zo wordt de zaak ondubbelzinnig
uiteengezet.
Op de vorige bijeenkomst werd erop gewezen dat,
wanneer de levenstrilling in het grenzeloze Al voor het eerst in de cyclische
duur optreedt, de oorspronkelijke wezens tevoorschijn komen als de zogenaamde
goden en dat deze goden in de loop van de eeuwen tijdens de voortschrijdende
manvantarische perioden mindere wezens uitzonden, uitwierpen of van zichzelf
afwierpen of geboren deden worden – minder, in de zin van lager, minder
goddelijk of minder verheven, minder groots – en die wezens zijn de monaden.
Op precies dezelfde manier hebben de monaden de zielen uitgezonden (of
lieten ze deze uit zichzelf geboren worden); en begrijp alstublieft, dat
zoals de monade in de god was, zo was de ziel in de monade. Deze entiteiten
waren latent in de monaden aanwezig als de karmische vruchten van het
vorige mahâ manvantara. Zoals het leven in het zaad blijft wanneer
de plant het afwerpt en in de lente een groene loot tevoorschijn brengt,
zo brengen de goden wanneer na de lange pralayische rust de manvantarische
trilling door deze ruimten gaat, de monaden tevoorschijn en de monaden
zenden de zielen uit en de zielen zenden de atomen uit. En op overeenkomstige
wijze zenden de atomen uit zichzelf onze voertuigen, onze dragers, onze
lichamen uit.
Laten we eens zien of we dit met een figuur kunnen
verduidelijken. Neem een grote cirkel die het grenzeloze Al voorstelt
en die natuurlijk slechts een beeld van de ruimte is; zet dan een stip
in het midden ervan. Deze stip stelt de eerste kiem van het
kosmische leven voor. Dit punt heeft ook de betekenis van een kosmisch
zaad. Het is niet zo dat slechts één punt in de kosmos plotseling actief
wordt, maar een ontelbaar aantal van die punten, van zulke zaden. Hun
aantal is werkelijk onbeperkt; en elk van die punten vertegenwoordigt
een individualiteit uit het vorige mahâmanvantara. Maar deze punten,
zoals ze in het diagram worden voorgesteld, zijn symbolen; en dat ene
punt vertegenwoordigt schematisch alle punten. In feite is dit punt in
de schijnbare oneindigheid van een hiërarchie, van een heelal, het begin
van die hiërarchie en vertegenwoordigt het de god van die hiërarchie.
Deze god is zelf een samenbundeling van talrijke andere goden, zoals het
lichaam van de mens een aggregaat, een synthese van veelsoortige mindere
of lagere levens is.
Deze god hult zich in zijn emanaties, in zijn
prânische aura zo u wilt; hij zendt uit zichzelf prânische
of levensfluïden en hult zich zo in gewaden, in omhulsels van levenskracht
die uit hemzelf voortkomen en deze omhulsels of gewaden vormen zijn ‘kleed’.
Elk van die goden projecteert natuurlijk zijn eigen individualiteit in
zijn omhulsel, in zijn kleed: in zeven graden of toestanden daarvan; zijn
individualiteit is zijn svabhâva, een belangrijke gedachte waarop
we de aandacht hebben gevestigd en waarop we de nadruk hebben gelegd.
De svabhâva van een entiteit is haar individualiteit, haar karakteristiek,
het essentiële van wat zij is, en verschilt van een andere svabhâva.
In gewone taal kunnen we hem de individualiteit noemen. Dat wat maakt
dat een roos altijd een roos voortbrengt en geen lelie; een mens steeds
een mens en niet een ander soort wezen; en dat wat een god tot god maakt
en niet tot monade, is zijn svabhâva. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord
en betekent zelf-voortbrenging, zelf-uitstorting, het uitstorten
van dat wat binnenin is, en dus zijn individuele en eigen karakteristiek.
Bedenk in dit verband dat als we steeds verder binnenwaarts gaan, oneindig,
grenzeloos ver binnenwaarts, er enorm uitgestrekte bewustzijnstoestanden
bestaan in de even uitgestrekte gebieden van de ruimten der ruimte; de
mogelijkheden die in de evolutie van een mens tot ontwikkeling moeten
worden gebracht, de eeuwigheden waar hij doorheen is gegaan en de levens
die hij in het verleden heeft geleefd zijn eindeloos.
Maar laten we verdergaan. Deze god zendt zijn
omhulsels uit en deze omhulsels bestaan uit mindere (of lagere) wezens.
Als de god een oorspronkelijke entiteit is, laten we die wezens dan primair
noemen. Zoals een mens zich bekleedt met stoffelijk vlees, zo bekleedt
de god zich met een gewaad of lichaam en dit gewaad of lichaam bestaat,
zo u wilt, uit goddelijke atomen. Deze goddelijke atomen zijn de monaden.
Vergeleken met de god zijn ze niet meer dan zijn kleed, zoals de samenvoeging,
het aggregaat van stoffelijke levens, waaruit het lichaam van een mens
bestaat en die zijn stoffelijke ‘rokken van vellen’ of zijn kleed vormen,
als het ware de stoffelijke monaden of atomen van de mens zelf zijn. Laten
we nog een stap verdergaan. Laten we de kiem, het zaad, het hierboven
genoemde punt, een monade noemen – één van het bijna oneindige aantal
monaden in elke god, die de bekleding van elke god vormen, de omhulsels,
de gewaden van licht, dat waarin een god leeft, dat wat hij uit zichzelf
heeft uitgezonden, zijn uitstroming van individueel leven.
De monade werkt op dezelfde manier als haar vader-god;
en haar omhulsel en haar kleed zijn de zielen, waarvan
de meeste nog latent zijn, maar sommige vormen het meer actieve deel waarin
ze zich op een bepaald moment manifesteert. De ziel volgt dezelfde gedragslijn.
Ze kleedt zich in atomen, de emanaties van zichzelf en de uitstorting
van haar eigen levenskracht, haar eigen prâna. En dan laten de atomen
uit zichzelf het fluïdum van het fysiek-astrale leven uitstromen en deze
levensfluïden vormen het astrale en het stoffelijk lichaam van de mens.
Zo ziet u wat H.P. Blavatsky precies bedoelt
als ze zegt dat een atoom een ‘atoom en een engel’ is of een ziel. Door
al deze menigten wezens vloeit de stroom van het zelf, die bij ieder binnentreedt
en in werkelijkheid de wortel van zijn wezen uitmaakt, niet echter de
verpersoonlijkte entiteit of het ego, maar het onpersoonlijke zelf, dat
wat hetzelfde is in u en in mij; hetzelfde in de bewoners van verre stellaire
ruimten en in ons: het ene zelf, onbeperkt, grenzeloos, de bron van elk
zelf. Bedenk dat het bij het ego gaat om het gevoel van ‘ik ben ik’, niet
‘u’; en hier doet direct het begrip persoonlijkheid zich gelden. Maar
het hele pogen, doel en streven van het goddelijke deel van de evolutie
bestaat uit de verheffing van het persoonlijke tot het onpersoonlijke,
van het ego tot het goddelijke, van het vergankelijke tot het onvergankelijke;
en dat goddelijke deel, die bijzondere activiteit behoort tot het hogere
deel van de lichtende boog, van de buddhische hiërarchie, waarvan de top
de dhyâni-boeddha’s, de boeddha’s van contemplatie zijn; en het
materiaal waar zij op inwerken bestaat uit deze andere monaden, zielen,
atomen, die de stofzijde van de natuur vormen en de schaduwboog wordt
genoemd.
U zult zich herinneren dat door ons al eerder
op al deze dingen werd gezinspeeld; maar vanavond moet u dit ene belangrijke
punt onthouden, dat de monade niet ‘in de stof afdaalt’. Ze brengt uit
zichzelf haar leven tevoorschijn, zoals de zon zijn levenskracht in stralen
uitstort; en haar leven manifesteert zich eerst als een monadische entiteit
van lagere graad, als een ziel; en de ziel stort op haar beurt haar
levenskracht uit die zich in bijna ontelbare atomen manifesteert. De monade
zelf is slechts één van ontelbare andere, die uit Brahmâ, de god,
de top van onze hiërarchie worden geëmaneerd, afgeworpen of uitgeademd,
als u de oosterse beeldspraak wilt gebruiken.
Deze gewaden of omhulsels van licht zijn, zoals
gezegd, die monadische entiteiten die in de evolutionaire gang en in de
loop van de tijd dichter, donkerder, vaster moeten worden, totdat het
uiteindelijke resultaat de laatste energie is, het laatste gebruik van
de goddelijke monadische kracht zoals die zich in het stoffelijk lichaam
manifesteert. Wanneer tenslotte het evenwicht tussen stof en geest wordt
bereikt, wanneer het laagste punt in die kalpa, d.w.z. in die dag van
Brahmâ, in die periode van zeven ronden is bereikt, dan betreden
de mânasaputra’s het toneel, de zonen van het denkvermogen, wezens
van de buddhische hiërarchie, van de lichtende boog van de evoluerende
natuur, zij die al eerder mensen waren in vroegere kalpa’s en die onder
leiding van de stille wachter, hun hoogste chef, over ons hebben gewaakt
vanaf de tijd dat onze kalpa of ons manvantara begon, eonen geleden.
De monade kan in één opzicht de actieve god van
de hiërarchie worden genoemd; of in het speciale geval van de mens, het
goddelijke ego van de mens, gehuld in zijn gewaden van licht, die uit
lagere monadische entiteiten, die zielen worden genoemd, bestaan; en de
ziel kan een lagere monade worden genoemd, een deel van de omhulsels of
de gewaden van de eigenlijke monade. Deze respectieve gewaden worden ongeveer
op dezelfde manier uitgeworpen zoals de boom zijn bladeren, zijn takken,
zijn stengels, zijn vruchten tevoorschijn brengt. Zo worden ook de atomen
geboren uit de prânische of levensessentie van de zielen, en zij
vormen onze lichamen. We zien dus dat ieder mens in zijn innerlijkste
essentie – dat wil zeggen innerlijkst voor de hiërarchie waartoe hij behoort
– een goddelijk wezen is, een god; en dat zijn geestelijke natuur de monade
is; en zijn zielennatuur het ego, die speciale entiteit die zich ophoudt
tussen de hel en de zon, en die moet worden verheven van het persoonlijke
tot het onpersoonlijke, omdat zich in de ziel dat bepaalde deel van de
psychische processen van intellectuele werkzaamheid bevindt dat een mens
zelfbewust maakt, een zelfbewust wezen, dat de denkwereld van een
geïndividualiseerd bestaan kan voortbrengen.
Hoe mooi zijn die gedachten! Hoe verheffend werken
ze op de ziel! De mens beseft zijn aangeboren goddelijke aard, zijn innerlijke
geestelijke kracht; hij voelt de kracht van het goddelijke in zijn eigen
hart, de kracht tot het goede en de waarheid. En hoe klein, hoe onbeduidend,
hoe onwaardig lijken die dingen, die buiten het pad van de plicht, van
het goede liggen!
Hoeveel mensen hongeren naar waarheid, zoeken
ernaar en hebben toch slechts het kaf, het pseudo-esoterische gevonden?
Maar ook zij zouden haar moeten bezitten. Als mensen hebben ze
er recht op; maar ze zullen haar niet ontvangen als zij er niet ‘voor
werken’, want dat is de archaïsche wet. Deze leringen zijn de beloning,
de beloning voor hen die trouw zijn.
Er is één onderwerp dat om bepaalde redenen nu
even moet worden aangeroerd. Het is een onderwerp dat tot dusver opzettelijk
en om voor de hand liggende redenen door mij is vermeden; ik doel hier
op de kwestie van seksualiteit. In het huidige stadium van onze studie
moet erop worden gewezen dat de mens in een bepaalde vroegere periode
van zijn evolutie geen sekse kende, geslachtloos was en ook dat hij in
het eerstvolgende wortelras, het zesde wortelras geen geslacht zal hebben
zoals wij dat nu kennen. Seksualiteit is slechts een voorbijgaande fase
in de evolutionaire ontwikkeling en heeft voor de mens in één opzicht
niet meer waarde dan een boze droom onder bepaalde omstandigheden voor
iemand heeft. De natuur heeft die lijn als het ware onder protest gevolgd,
door het kwaad dat in ons vroegere karma besloten lag en als de enige
manier waarop de zielen nu tot incarnatie kunnen komen; maar naarmate
het ras in geestelijke kracht en in geestelijke kennis toeneemt en met
een diepergaande zelfanalyse zijn eigen innerlijke wezen beziet, zullen
er kinderen zonder vaders ter wereld komen; en na aanvankelijk een ongehoord
verschijnsel te zijn en vermoedelijk een slecht voorteken of een wonder
te worden genoemd als het zich voor de eerste keer voordoet, zal deze
manier van voortplanting in het zesde wortelras de natuurlijke gang van
zaken worden. De geslachtelijk gescheiden mannen en vrouwen van nu, de
huidige methode van voortplanting van de mens, van dieren en van sommige
planten zal in die verre toekomstige tijden niet meer bestaan.
Tot besluit: u heeft gehoord van de oude mysteriën
en van de leer van de ‘maagdelijke geboorte’. Te beginnen met de vierde
graad of trap van inwijding werd in de oude mysteriën aan de kandidaat
een schets van de toekomst gegeven, zowel door onderricht als meer in
het bijzonder door de kandidaat zelf te laten meemaken wat er in
toekomstige tijdperken van de ontwikkeling van het ras zou gaan gebeuren;
dat wil zeggen dat de initiant moest meemaken, beleven wat
het ras in de vol gende twee wortelrassen zou beleven. Vóór de vierde
graad werd hem geleerd wat het ras al had meegemaakt en werd er gezinspeeld
op de toekomst. Als we dus bijvoorbeeld over de ‘maagdelijke geboorte’
van Christus lezen, kan dit inderdaad in religieuze, filosofische en mystieke
zin worden verklaard, enz.; maar er is ook een fysiologische verklaring.
U zult zich herinneren wat H.P. Blavatsky zegt over de zeven sleutels
die bij elk van deze innerlijke zevenvoudige mysteriën behoren en ze ontsluiten,
en waarvan er twee als bijzonder geheim werden beschouwd: de fysiologische
en de geestelijke. De fysiologische sleutel tot dit aspect van de mysterieleer
was, zoals gezegd, dat de initiant persoonlijk wat komen zou moest symboliseren,
moest doormaken of doorleven; en met het oog op de toekomstige
activiteit van het ras op het gebied van de voortplanting werd hem daarom
verteld, dat hij was ‘geboren uit een maagd’.
Het geeft troost – vooral in dit stadium van
de wereld waarin de mensheid haar best doet de ketens af te werpen van
de Atlantische en Lemurische zonde (als we dat woord mogen gebruiken),
d.w.z. het afschuwelijke karma af te schudden dat de wereld in zijn kwade
greep houdt – de oorzaken te leren kennen die dat teweegbrachten. Dit
geeft ons de kennis en de kracht om deze stroom van menselijke zonde en
ellende tot staan te brengen. Tenslotte nog dit, zij die de waarheid niet
willen aanvaarden en niet met de Wet willen meewerken zullen, zoals Jezus
gezegd zou kunnen hebben, beslist niet ‘aan mijn tafel zitten, wanneer
ik drink van de wijn van de geest in het huis mijns Vaders’. ‘Zij die
oren hebben om te horen en te verstaan, dat zij horen’ – en wijs
zijn!
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 381-9
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|