HOOFDSTUK 31

HET BOUWEN VAN DE KOSMOS. DEZELFDE FUNDAMENTELE WET VOOR AL WAT LEEFT EN BESTAAT: EEN EINDELOZE LADDER VAN VOORUITGANG. ANALOGE PROCESSEN IN DE ONTWIKKELING VAN DE KOSMOS EN VAN DE MENS. DE STROOM VAN HET LEVEN.

 

     En als er sprake is van de kringlopen van de ziel die is opgenomen in een diepe rivier en op onstuimige wijze wordt meegevoerd, moeten we onder de rivier niet alleen het menselijk lichaam verstaan, maar alles wat is voortgebracht (waarmee we uiterlijk zijn omgeven) in een snelle en veranderlijke gang. Want volgens Proclus noemt Plato in de Staat de hele voortgebrachte natuur de rivier de Lethe, die volgens Empedocles zowel de Lethe als de weide van Ate omvat; de verslindende kaken van de stof en de lichthatende wereld, zoals ze door de goden wordt genoemd; en de kronkelende rivieren waarin velen naar omlaag worden getrokken, zoals de orakels verklaren. Maar met de kringlopen van de ziel worden de vermogens om te overdenken en te onderscheiden aangeduid, waarvan het eerstbedoelde door de verbinding van de ziel met het lichaam in zijn wilsuitingen wordt belemmerd en het laatste tijdens het irrationele bestaan als door titanen aan flarden wordt gescheurd.

– Thomas Taylor, Introduction to the Timaeus

Op grond van overdenkingen concludeerde hij daarom dat er onder de dingen die op natuurlijke wijze zichtbaar zijn niets was dat als een geheel, indien het geen intelligentie zou bezitten, ooit mooier kon worden dan een geheel dat is voorzien van een intellect: en tegelijk ontdekte hij dat het voor het intellect onmogelijk was tot enig wezen door te dringen zonder de tussenkomst van de ziel. Op basis van deze overwegingen, vormde hij daarom het heelal en plaatste het intellect in de ziel en de ziel in het lichaam; opdat het aldus een werk zou zijn dat vanzelfsprekend het mooiste en beste was. Het is daarom nodig de wereld [of het heelal] een bezield wezen te noemen, voorzien van intellect en voortgebracht door de goddelijke voorzienigheid.

 – Plato, Timaeus (Naar vert. Thomas Taylor)

Aan het slot van de vorige bijeenkomst werd kort een onderwerp aangeroerd, omdat het verband houdt met het algemene ontwikkelingsplan van de evolutie dat we later vollediger moeten bestuderen, en om aan te tonen dat er overal in het hele universum van wezens één algemeen plan bestaat.
     U weet natuurlijk allen dat er op deze planeet in deze ronde op bol D in totaal zeven rassen zijn en dat elk van deze rassen zijn eigen continent heeft, zijn eigen evolutionaire weg volgt, lichamen heeft – dat wil zeggen de individuele eenheden van het ras hebben lichamen – die gecoördineerd en in harmonie zijn met de stoffelijke omgeving waarin ze leven. Maar over de splitsing van het mensenras, dat wil zeggen van het latere derde wortelras, in een geslachtelijke mensheid die zich ontwikkelde tot de mannen en vrouwen van tegenwoordig, moet nu met nadruk worden gezegd dat wat wij sekse noemen slechts een voorbijgaande fase is in de evolutie van het ras en strikt genomen niet normaal voor de mensheid op bol D van onze planeetketen. Deze methode van voortplanten werd in feite van de dieren overgenomen, waarvoor die ‘scheiding’ eerder plaatsvond dan bij ‘de mens’. U moet dit goed begrijpen: sekse is een voorbijgaande fase in de evolutie van het ras en meer betekenis heeft ze niet; en omdat we nu langs de opgaande boog ev o lueren en feitelijk de eerste treden van de lichtende boog, van de opgaande boog al achter ons hebben, zullen we naarmate de eeuwen ver strijken ontdekken dat we onze huidige fysiologische staat van mannen en vrouwen moeten ontgroeien. Het Atlantische en Atlanto-Lemurische karma drukt in feite zo zwaar op ons, het vijfde ras, dat we eigenlijk achterlopen en op dit moment, het middelpunt van het vijfde ras, in de ontwikkeling van ons stoffelijk lichaam niet dat stadium hebben bereikt dat wij anders zouden hebben bereikt.
     Volgens de leer zullen aan het einde van ons eigen vijfde ras mannen en vrouwen als tegengestelde seksen verdwijnen; en tegen het midden van het zesde wortelras (het komende ras) zullen mannen en vrouwen niet langer als afzonderlijke seksen bestaan. Het ras zal dan uit wezens bestaan die fysiologisch noch mannen noch vrouwen zijn; en zoals we zojuist lieten doorschemeren hadden de eerste voorbeelden van par thenogenetische voortplanting er al moeten zijn en zouden zich al hebben voorgedaan als we niet waren opgehouden door de zware druk van ons Atlantische karma, dat we met ons dragen of beter dat we aan het uitwerken zijn.
     Omstreeks het midden van het zesde ras zal de mensheid – dan niet langer ‘mannen’ en ‘vrouwen’, maar de mensheid – haar nakomelingen voortbrengen, als we dit woord hier kunnen gebruiken, in elk geval zal ze haar eigen soort ontwikkelen of geboren doen worden, door middel van hetzelfde proces dat plaatsvond in het vroege derde ras, een proces dat in de esoterische wijsheid ‘het scheppen van zonen door passieve yoga’ wordt genoemd; dat wil zeggen eerst door meditatie en de onbewuste wil, later gevolgd door de bewuste wil in het zevende of volgende wortelras. De mensen van die periode (het zesde wortelras) zullen kinderen voortbrengen door meditatie en door de wil; in het zevende wortelras, het laatste op deze bol, in deze vierde ronde – een ras dat ons nu glorieus zou toeschijnen – zullen de mensen van dat ras hun soort op dezelfde algemene manier voortbrengen, maar dan door de bewuste uitoefening van de wil en van meditatie, en nog onpersoonlijker en op nog etherischer wijze dan het zesde ras dat zal doen. Het zesde zal dit doen op de manier waarop bloemen uit planten groeien, als het ware bijna onbewust, en daarom door ‘passieve yoga’; niet zozeer onbewust vanuit mentaal standpunt gezien, maar fysiologisch bijna onbewust van enige voortbrengende of scheppende daad. Het zevende zal zijn kroost ‘scheppen’ met de bewuste en volledig werkzame verbeelding, een kracht die in het Sanskriet kriyâsakti wordt genoemd. De moeilijkheid zit in het vinden van woorden om iets te verklaren dat voor ons van het vijfde wortelras zo goed als niet bestaat en dus speculatief of onwerkelijk is.
     Het is dus belangrijk dat we inzien dat deze tegenwoordige fysiologische toestand van de seksen een voorbijgaande evolutiefase van een ras is; en dat elk verkeerd gebruik, elk misbruik van welke aard ook of wat de wereld er ook van denkt, een daad is die in strijd is met de evolutiewet, om gewone taal te gebruiken; en dat, ook al is het waar dat de huidige methode de enige manier is die de natuur op het ogenblik heeft ontwikkeld, het eigenlijk niet de methode is die de oorspronkelijke mensheid zou hebben gevolgd. Zelfs de Hebreeuwse bijbel zinspeelt op deze kwestie in een passage die u zich allen misschien herinnert. Wij van het vijfde ras zijn nu op de opgaande boog en we zouden op zijn minst moeten proberen het ras naar een edeler leven te leiden als pioniers van toekomstige stadia van de natuur.
     Het hoofdthema van vanavond is de bouw van de kosmos, de vorming van werelden en het vormen van de mens. Overal in de enorme uitgestrektheid van het gemanifesteerde bestaan voltrekken zich fundamentele werkingen van de natuur die men nu de wetten van de natuur noemt omdat men de oorsprong ervan niet begrijpt. Men personifieert de natuur, een woord dat slechts een generaliserende term is; en men gebruikt het woord wet – dat als term aan het menselijk handelen is ontleend – om aan die fundamentele bewegingen van het zijn een naam te geven. Maar er zijn werkingen van de natuur, en die fundamentele werkingen van de natuur zijn in feite de levensstromen in de geestelijke essentie die onze hiërarchie besturen, zoals de levens stromen in de mens de astrale en stoffelijke atomen besturen die zijn lichaam samenstellen.
     Bedenk dat de ruimte geen vacuüm is, de ruimte is niet alleen maar een vergaarbak; als dit zo was, zou er een vergaarbak voor die vergaarbak moeten zijn en zo ad infinitum. Maar de ruimte is de oneindige volheid van alles; het is het grenzeloze Al, zonder begin en zonder einde; het is één ontzaglijk groot organisme; het is een eenheid; alles grijpt in elkaar en is met al het andere verbonden en door alles stroomt het ene universele leven; daarin klopt het ene universele hart. Deze gedachte is zo belangrijk voor een juist begrip van onze filosofie, dat men de her haling ervan ons zeker zal vergeven. Er zijn geen gescheiden leegten; er bestaan nergens absolute verdelingen. Er bestaat geen werkelijk vacuüm; alles is vol, alles is vol wezens; en deze wezens waarmee het grenzeloze Al is gevuld zijn de ruimte zelf. Wanneer we dus van de ruimte spreken bedoelen we niet alleen de enorme, grenzeloze uitgebreidheid van een bepaald gebied, maar meer in het bijzonder de onzichtbare sferen, de innerlijke gebieden die als het ware eeuwig opklimmen, zich steeds verder en verder binnenwaarts uitstrekken; en ook buitenwaarts.
     De volgende gedachte is dat we ons door de werking en wisselwerking van goden, monaden, zielen en atomen een wereld voorstellen die in het begin van haar manvantara uit en door de onzichtbare diepten van de ruimte tevoorschijn komt en zich als het ware uitbreidt, zichzelf uitwerpt, zichzelf projecteert tijdens haar afdaling langs de schaduwboog van de stoffelijke manifestatie. En hoe? Niet door iets of door iemand die al bestond voor ze er zelf was, maar door zelf haar eigen wereld te vormen, door haar eigen kosmos te ontwikkelen, die zo haar gewaad of lichaam wordt.
     De goden – en denk alstublieft niet aan menselijke vormen als we over de goden spreken; we bedoelen de arûpa, de vormloze entiteiten, wezens van zuivere intelligentie en begrip, zuivere essenties, zuivere geesten, zonder vorm zoals wij die kennen – projecteren uit zichzelf door middel van die onpersoonlijke (en mogen we zeggen onvermijdelijke?) energie, in elk geval, ten gevolge van de karmische impulsen achter hen, mindere lichamen, lagere lichamen en dat zijn de monaden; en de monaden doen precies hetzelfde en projecteren de zielen; en de zielen doen precies hetzelfde en projecteren de atomen. Het een ontspringt aan het ander. Bovendien loopt door alle het grenzeloze zelf, de grenzeloze ziel van de hogere rijken; maar elk van deze atomen, elk van deze zielen, elk van deze monaden, elk van deze goden is zijn eigen hiërarchie en aan het hoogste deel, het hoofd, het zaad daarvan ontspringt zijn eigen daaruit voortvloeiende hiërarchie. Wielen binnen wielen, levens binnen levens, bewustzijnen binnen bewustzijnen, wezens binnen wezens – een enorme en eindeloze verzameling van in elkaar grijpende en onderling verbonden en in elkaar levende dingen. Probeer deze gedachte te vatten. Het is de grondslag van de oude wijsheid. Alle problemen van de theologie die de menselijke geest zo hebben verward en in verlegenheid hebben gebracht, worden door deze paar eenvoudige beginselen van de oude wijsheidsreligie opgelost. Denk zelf hierover na en trek uw conclusies.
     Laten we kort de evolutiegang van één hiërarchie, één zonnestelsel volgen. Dezelfde wet, als u dit woord wilt gebruiken, dezelfde fundamentele werking van de natuur, geldt voor alles wat in een zonnestelsel gebeurt en ook voor wat er plaatsvindt in het geval van een heelal, voor wat plaatsvindt in het geval van een zon, van een planeet en van de wezens die zo’n planeet bevolken. Laten we ons bijvoorbeeld een god voorstellen, een goddelijk wezen met zeven beginselen, die na zijn pralayische slaap actief begint te worden, die de karmische zaden, de impulsen uit het vorige mahâmanvantara met zich meebrengt, zaden die stuk voor stuk hun eigen karmische svabhâva, hun karmische karakteristiek of essentiële aard bezitten; en die onmiddellijk actief beginnen te worden wanneer de levensgolf voor het eerst de sluimerende sferen wekt die alle besloten liggen in die ene onmetelijke entiteit die wij een god zouden noemen. We bedoelen niet precies wat de hindoes een deva noemen, wat iets anders is, maar een god. Maar niet God, niet de christelijke God. We bedoelen een god, een van de verheven intelligenties die aan het hoofd staan van een hiërarchie, en deze hiërarchieën zelf zijn ontelbaar en ‘vullen de ruimte’, zijn in feite de ruimte zelf.
     Als we proberen van deze ingewikkelde onderwerpen een uiteenzetting te geven, moeten we eenvoudig aan verschillende ideeën tegelijk denken. Dat is één van de geheimen om de oude wijsheid te begrijpen: door tegelijk meer dan één begrip voor de geest te houden; het is onze bescherming tegen mentale vooroordelen en het is gemakkelijk. Laat ik een voorbeeld geven: een man bestuurt een auto; hij kan tegelijk op de weg letten en andere auto’s in het oog houden, terwijl hij op de achtergrond van zijn denken een of ander werkplan opstelt; en hij kan ook nog een gesprek met een vriend voeren. Laten we de verschillende denkbeelden, alles wat tot dusver vanavond is besproken, in gedachten houden bij onze beschouwingen over het huidige thema.
     Deze god heeft, zoals gezegd, zeven beginselen en elk beginsel heeft zijn eigen werk te doen bij het bouwen van zijn kosmos; elk handelt overeenkomstig karmische impulsen, die in het bijzonder hun oorsprong vinden in het vorige manvantara en in het algemeen in alle vorige manvantara’s; en elk van deze goden komt tot manifestatie langs wegen die door zijn eigen vroegere bewustzijn en handelingen in vorige tijdperken van manvantarische werkzaamheid zijn uitgestippeld. Wan neer deze zaden van wezens hun actieve bestaan beginnen, de ontelbare monaden of goddelijke zielen – goddelijke zaden die het kleed van elk van deze zeven beginselen vormen – wanneer al deze beginselen plotseling actief worden, onderneemt elk zijn eigen bijzondere taak, een taakverdeling als het ware in de goddelijke rijken. Eerst zendt het hoogste uit zichzelf een menigte mindere wezens, lagere wezens uit; en die vinden hun woongebied, hun woonplaats en hun arbeidsveld in het eerstvolgende ‘lagere’ gebied, dat het gebied van zijn tweede beginsel is. Dan begint dit tweede beginsel zijn eigen bijzondere werkzaamheid en doet hetzelfde; en zo zijn er nu twee van de zeven beginselen en rijken aan het werk; en zo verder langs de schaal omlaag totdat we het laagste, het prithivî-tattva van de goddelijke reeks of schaal bereiken.
     Wanneer een astronoom in de etherische ruimten kijkt en die sterrenwolken ziet – in sommige maar niet in alle gevallen nevelmassa’s, want deze nevelvlekken zijn niet alle gelijk – dan ziet hij in die sterrenwolken die bestemd zijn een wereld te worden, wat er tot dusver in de stoffelijke manifestatie van een hiërarchie heeft plaatsgevonden door de werking van de subzeven graden van het laagste of het zevende beginsel van een goddelijke entiteit of god; en die god bezielt een overigens onzichtbaar levenscentrum door zijn levensessentie, die het fundamentele leven van die hiërarchie is, de fundamentele impuls of wat men de fundamentele wet, de fundamentele werking van zijn natuur, het fundamentele kenmerk, de svabhâva noemt. Op die manier schept dus de levensessentie haar eigen woning – een zon, een planeet, die als het ware in kringlopen afdaalt in de zichtbare evolutie. Maar let wel: elk hoofd van een hiërarchie behoudt zijn eigen plaats, krachten en geaardheid; maar zijn kroost verdicht zich of condenseert, zijn kroost vormt zo zijn gewaden op de verschillende gebieden van zijn. Elk van deze gewaden is een menigte van levende wezens, atomen, zielen – de naam doet er weinig toe als we de gedachte maar begrijpen. We moeten analogieën gebruiken die aan ons menselijk spraakgebruik zijn ontleend omdat we tot nu toe geen woorden hebben ontwikkeld die deze geestelijke zaken op afdoende wijze kunnen verklaren; denk er dus aan dat zulke woorden op grond van de wet van analogie op verschillende sferen van zijn kunnen worden toegepast, mutatis mutandis, zoals de Latijnse zegswijze luidt, ‘met de nodige aanpassingen bij andere omstandigheden’.
     Wanneer deze verdichting of vergroving van het weefsel – die vanuit elk wezen plaatsvindt en waarbij uit hemzelf andere, mindere wezens voortkomen of emaneren en minder heeft hier de betekenis van lager – haar laagste graad bereikt, hebben we een zon en planeten. Laten we als voorbeeld onze planeet nemen. Wanneer zo’n planeet haar laagste punt van evolutie heeft bereikt, aangedreven door de inherente karmische impulsen, en dat gebeurt op het punt halverwege haar vierde ronde (dat wij op onze planeet zijn gepasseerd), dan begint de reactie, de omkering van de kosmische werkzaamheid en beginnen de levensstromen zich naar binnen terug te trekken en daarna de lichtende boog ‘omhoog’ te volgen: niet met algehele achterlating van haar gewaden, maar zoals ze werden uitgezonden worden ze nu naar binnen teruggetrokken. Dit is een schets van het proces van de evolutie van de geest en de involutie van de stof; zoals de processen van projectie of uitwerping de involutie van de geest en de evolutie van de stof zijn op de neergaande of schaduwboog. Op deze manier wordt de kosmos gebouwd.
     Hier is nog een gedachte. Elk van deze goden, elk van deze monaden, elk van deze zielen, elk van deze atomen, is een onuitputtelijk reservoir van bewustzijn, van kracht, van stof. Laten we het âtmische (of zevende of hoogste) gebied nemen van de god die we als voorbeeld hebben gekozen. Zo’n âtmisch gebied of âtmische sfeer is een layacentrum. Een layacentrum is een nirvâ.nisch centrum, dat deel, die plek of beter die toestand of staat van zijn, waarin homogeniteit van substantie bestaat, waarin heterogeniteit heeft opgehouden of nog niet is begonnen. Wanneer zo’n layacentrum zijn evolutionaire activiteit begint, werpt het zonder ophouden grote scharen en menigten van deze lagere wezens uit; maar zijn eigen innerlijke kracht neemt op geen enkele manier af. Het is, zoals gezegd, een onuitputtelijk reservoir, een scheppend centrum; net als de zon – één van de mooiste analogieën die we hebben – die gedurende een manvantara uit zichzelf een bijna onbeperkt aantal zonnestralen en wezens voortbrengt. Elk van deze wezens moet zijn toekomstige cyclische baan afleggen; en na oorspronkelijk een onbewuste godsvonk te zijn geweest, moet het zich tot een zelfbewuste god ontwikkelen en hetzelfde kosmische werk doen dat zijn eigen grote voorganger deed of nog doet.
     Toen wijzelf nog geen mensen waren maar slechts onontwikkelde stralen, behoorden we tot de lagere rijken van het geestelijke zijn en volgden onze evolutionaire weg naar zelfbewust menszijn; en wij, die nu mensen zijn, zijn bestemd om op de toekomstige planeet, die onze huidige bol opvolgt – het kroost van de aarde – een hogere ontwikkeling te bereiken dan het menszijn hier; en die lagere levens die op hun evolutionaire reis na ons komen, de dieren, de planten en de mineralen, zullen dan hun beurt krijgen om door het menselijke stadium te gaan. Leven en zijn vormen een eindeloze keten, een eindeloze ladder van vooruitgang; maar wanneer het menszijn is bereikt, komt de morele verantwoordelijkheid: op ieder ogenblik ligt het pad voor ons – het pad naar rechts, omhoog op de lichtende boog; of het pad naar links, omlaag langs de boog van de schaduwen.
     We vragen nu uw aandacht voor het volgende diagram:


     We hebben hier zes kolommen, die analoge gevallen van ontwikkeling van de kosmos en van de mens voorstellen. Eerst krijgen we wat we de esoterische reeks kunnen noemen: links hiervan hebben we de getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 geplaatst, die de volledige hiërarchie van tien stadia of graden vertegenwoordigen. De volgende kolom vermeldt de brahmaanse tattva’s. Tattva is een Sanskrietwoord dat kan worden vertaald met ‘element’ en dat de substantiële ‘werkelijkheid’ achter de uiterlijke schijn betekent, waar het zaadbewustzijn op inwerkt; het kleed of de drager van dit bewustzijn. Dan komen in de volgende kolom de elementen, zoals die overal in de oudheid werden opgevat. Dan komt het mystiek Griekse stelsel, zoals dit meestal in de neoplatonische en neopythagorische filosofieën wordt aangetroffen. En tenslotte komt de verdeling van de wezens, die de evoluerende levensgolf of rivier van leven samenstellen, in twee algemene vormen, dhyâni-chohans en pitri’s.
     1. In de esoterische reeks hebben we eerst svabhavat, een Sanskriet woord dat zoals u weet het ‘zelfevoluerende’, het zelfontwikkelende’ betekent en soms ook met het ‘zelfbestaande’ wordt vertaald. Hiermee correspondeert het âdi-tattva in de volgende kolom. Âdi is een Sanskrietwoord dat ‘oorspronkelijk’, ‘primordiaal’ betekent. Hiermee correspondeert bij de elementen het Ene. Wij hebben geen woord voor dit element. De Ouden duidden het op verschillende manieren aan. Wij zullen het eenvoudig het Ene noemen, omdat het het zaad is waaraan de andere ontspringen bij de afdaling, dat wil zeggen bij het dichter en grover worden tijdens de evolutiegang. De Griekse mystiek kent de eerste logos, die daarmee overeenkomt.
     2. Vervolgens worden de daaronder liggende gebieden vermeld en wel van links naar rechts. Âdi-buddhi, de ‘oorspronkelijke of primordiale buddhi’; wanneer men de gedachte enigszins wijzigt, waardoor er een iets andere hiërarchie moet worden gevolgd, wordt ze âdi-boeddha genoemd, en in dat geval volgen we de ontwikkeling van de hiërarchie van mededogen en individualiseren haar, terwijl we wanneer we van âdi-buddhi spreken eerder doelen op de werking van de beginselen dan op de entiteiten die deze beginselen belichamen. Hiermee correspondeert in de tattva’s anupapâdaka-tattva, een Sanskrietwoord dat ‘ouderloos’ betekent, dat wat niet op een geïndividualiseerde voorzaat volgt, en daarom ouderloos is, niet omdat het geen bron of oorsprong heeft maar omdat het zelf het oorspronkelijke zaad van individualiteit is, dat in deze bijzondere hiërarchie daarin voor het eerst tot manifestatie komt. Dit komt overeen met de intrede van manas in de mens, waarmee hem zelfbewustzijn en individualiteit wordt gegeven, die hij niet van zijn ouders krijgt. Onder de elementen kunnen we het geest noemen. De Griekse mystiek kent het als de tweede logos.
     3. Het derde gebied daaronder is dat van de goden, die natuurlijk overeenkomen met de mânasaputra’s in de mens, de zonen van het denkvermogen. Zijn tattva is âkâsa-tattva, waarbij het woord âkâsa ‘schitterend’, ‘stralend’, ‘lichtend’ betekent. Laat ik tussen haakjes erop wijzen dat, strikt genomen, met âkâsa eigenlijk svabhavat correspondeert; maar de manier waarop dit diagram is opgezet is een poging om te laten zien welke intelligenties en activiteiten in de verschillende hier opgesomde individuele hiërarchieën overeenkomen; en daarom cor respondeert âkâsa-tattva hier met de goden in de esoterische reeks. Onder de elementen is het æther, maar niet de ether van de wetenschap. De ether van de wetenschap is slechts een van de laagste beginselen ervan. De Griekse mystiek kent eveneens de goden die overigens samen de derde logos vormen. In de brahmaanse filosofie wordt dit gebied mahat genoemd, een woord dat ‘groot’ betekent. Mahat is een technische term in het brahmaanse stelsel en is de vader-moeder van manas: het is de ‘moeder’ van de mânasaputra’s of zonen van het denkvermogen, zo u wilt, of dat element waaruit ze voortkomen, dat element waaraan ze uitdrukking geven en waarvan ze kinderen zijn.
     4. De monaden corresponderen met taijasa-tattva, en dat betekent ‘het stralende’, ‘het schitterende’, ‘het vurige’, ‘het fonkelende’. Onder de elementen is het het vuur. De Griekse mystiek kent de daimones, die ermee corresponderen, wezens waarvan de christenen duivels of demonen hebben gemaakt. Het betekent eenvoudig geestelijke wezens van een bepaalde klasse; maar deze gedachte is te ingewikkeld om vanavond dieper op in te gaan. Ik kan er slechts op wijzen dat de daimones tot de hiërarchie van bewustzijn behoren, zoals het diagram laat zien, en niet tot de hiërarchie van de schaduwboog. Zoals u weet heeft Socrates vaak op zijn daimonion gezinspeeld, waarmee hij zijn ‘beschermengel’ bedoelde. Hij zei: ‘Mijn daemon heeft mij nooit gezegd wat te doen, maar steeds wat ik moest nalaten te doen’. Het is als het ware het ‘geweten’ in het latere denken.
     Deze vier klassen worden onder het algemene hoofd ‘dhyâni-chohans’ gerangschikt, de chohans van meditatie, de heren van meditatie. De volgende drie klassen behoren tot de pitri’s – wezens van een lagere graad waarvan u zich zult herinneren dat ze in De Geheime Leer staan vermeld en daar ‘vaders’ worden genoemd, omdat ze meer in het bijzonder de feitelijke voortbrengers van onze lagere beginselen zijn; terwijl de dhyâni-chohans in één belangrijk opzicht feitelijk onze eigen zelven zijn. Wij werden uit hen geboren; wij waren de monaden, wij waren de atomen, de zielen die door de dhyâni’s werden geprojecteerd, uitgezonden, geëmaneerd.
     5. In dit bijzondere diagram omvat de vijfde graad naar beneden wat in de esoterische reeks de zielen worden genoemd. In de brahmaanse tattva’s zien we vâyu-tattva. Vâyu betekent ‘luchtig’. Bij de elementen, lucht; in de Griekse mystiek, de helden. Deze vormen de hoogste klasse van pitri’s.
     6. De zesde zijn de atomen. Bedenk dat met atoom zoals hier gebruikt niet het atoom van de wetenschap wordt bedoeld, maar wat we de astrale monade kunnen noemen, waarvan de atomen van de stoffelijke wereld de emanaties, de projecties zijn. De atomen, de astrale atomen, bekleden zich in de stoffelijke wereld die hun gewaad en kroost is. Het brahmaanse tattva is âpas-tattva; bij de elementen staat hier water; en bij de Griekse mystiek, mensen.
     7. De zevende zijn de lichamen, slechts voertuigen, die overeenkomen met prithivî-tattva. Prithivî is een Sanskrietwoord dat ‘uitgebreidheid’ betekent, dus wijd en ruim. In het algemeen noemt men prakriti ‘stof’, maar eigenlijk komt het woord prithivî meer overeen met wat wij stof noemen. Prakriti is eerder ‘natuur’ en het levende kleed van de geest. Het element is aarde, en de Griekse mystiek in deze hiërarchie van entiteiten vermeldt hier de dieren.
     Deze laatste drie klassen zijn de pitri’s: en lager dan deze zeven staat de elementalenwereld op drie gebieden. Een van deze gebieden of werelden van elementalen kunnen we terloops noemen, omdat het het ‘inwendige rijk’ is dat zijn plaats of woning in de kern van een bol heeft.
     De evolutie van de mensheid hangt in alle gevallen af van en volgt die van de respectieve elementen – dat wil zeggen, de menselijke levensgolf ontwikkelt zich in elk van de zeven elementen, het ene na het andere vanaf het hoogste naar omlaag tot het laatste; om dan bij het keerpunt van de grote cyclus weer door alle naar het hoogste op te klimmen. Elk van de zeven bollen van de planeetketen, elk van de zeven wortelrassen op iedere bol heeft deel aan de aard en eigenschappen van het kosmische element waarin en waardoor het bezig is te evolueren, of dit in technische zin aarde, dan wel water, lucht, vuur, æther, geest of het naamloze Ene wordt genoemd. De zeven beginselen van de mens corresponderen eveneens met en zijn ontleend aan de respectieve zeven kosmische elementen. En lichaamsomvang of grootte alleen heeft niets te maken met de aard van de mens en zijn vermogens, met het vormen van de mens of met zijn bestemming.
     Het eerste en het tweede wortelras bijvoorbeeld bestonden wat afmeting betreft uit gigantische wezens, maar in een ander opzicht waren ze slechts omhulsels, slechts schijnwezens, bij wijze van spreken, alleen het kroost van de pitri’s en nog niet bezield met het goddelijke vuur van zelfbewustzijn en intellect. Ze waren etherisch op wat toen een etherische aarde was, onze huidige grove planeet Terra. Ze hadden strikt genomen geen fysiologische organen en hun gedaante verschilde van de onze, hoewel de algemene menselijke structuur van het skelet zoals we dit nu kennen in hen aanwezig was en uit de vorige ronde op deze aarde was geëvolueerd.
     In het nog komende zesde en zevende ras zal de mensheid lichamen ontwikkelen die overeenstemmen met de omgeving waarin deze zich dan zullen bevinden; en deze omgeving zelf zal in feite worden ontwikkeld of gemaakt door de mensheid die daarin evolueert en die eigenlijk haar eigen omgeving ontwikkelt, die uit haar eigen emanaties bestaat. We kunnen ze zo u wilt voorstellen als heel kleine wezens, misschien zo groot als lilliputters, maar niettemin met een gigantisch intellect en met geweldige geestelijke vermogens. Als we ons bewust worden, zoals zelfs de wetenschappers beginnen te doen, van de bijna onbeperkte krachten die in een atoom besloten liggen – iets zo klein dat het nog een fictie van de wetenschappelijke verbeelding is, die niemand ooit heeft gezien en waar niemand iets van weet behalve door bepaalde deducties, die min of meer geleidelijk zijn gevormd door de werkingen van de atomen te bestuderen via de fysische verschijnselen van wezens – dan kunnen we, als zelfs in één atoom van de fysieke stof zulke enorme krachten en vermogens besloten liggen, ons indenken wat de mens kan zijn of worden als hij wat in hemzelf aanwezig is tot ontwikkeling brengt, de ontwikkeling van de onuitsprekelijke grootsheid van zijn innerlijke natuur, zoals hij inderdaad zal doen – althans diegenen die door de ‘kritieke perioden’ heenkomen. Ik herhaal, we kunnen wel begrijpen dat grootte van lichaam alleen niet het bezit van vermogens of van kennis of van intelligentie of van mededogen betekent. In werkelijkheid geldt misschien eerder het tegenovergestelde, omdat volume of liever gezegd massa vrij zwaar op de innerlijke geest drukt.
     En het is volkomen toelaatbaar ons goden voor te stellen die zo klein zijn dat een atoom, een van onze stoffelijke atomen, daarbij vergeleken een kosmisch heelal zou zijn. En om de oude brahmaanse omschrijving te gebruiken, er woont in het hart van het zijn een god die goddelijke gedachten denkt en zijn heelal bestuurt.
     Wanneer we dus spreken over mensen die aan het einde van het vijfde ras in toekomstige tijdperken stoffelijke voertuigen uit zichzelf ontwikkelen, die niettemin hetzelfde algemene skeletpatroon zullen hebben als wij nu bezitten, wanneer we zeggen dat hun gedaante noch die van een man noch die van een vrouw zal zijn, bedoelen we eenvoudig dat de mens zelf door lijden en ervaring en door te ontwikkelen wat latent in hem besloten ligt en nu al gereed is om te verschijnen, uit zichzelf zijn eigen innerlijke natuur naar buiten zal brengen: een geslachtloos wezen. Vanaf die tijd zullen mannen en vrouwen niet meer bestaan, maar zijn vervangen door veel edeler mensen.
     U zult zich herinneren dat op de vorige bijeenkomst is gezegd dat zelfs nu al de tijd is gekomen dat kinderen zonder vaders kunnen worden voortgebracht; maar het ras is in zijn evolutiegang achtergebleven en waarschijnlijk zullen er nog eeuwen voorbijgaan voor dit parthe nogenetische proces begint. Toch is ook dit proces nog maar de eerste stap naar een heel ander proces dat later komt, maar het zal plaatsvinden voordat ons huidige vijfde wortelras ten einde loopt; het zal ten dele gebeuren omdat mannen en vrouwen meer gelijk worden in plaats van meer ongelijk. Maar zolang het huwelijk bestaat moet het een vereniging zijn van wederzijdse achting en vriendelijkheid, waarin ieder de ander helpt om moreel en verstandelijk te groeien.
     Aan het einde van dit vijfde wortelras zullen mannen en vrouwen als geslachtelijke wezens bijna zijn verdwenen; en in het zesde ras zullen de mensen op een natuurlijke wijze en op bepaalde specifieke tijden, zonder hartstocht, door meditatie en door passieve wil en passief denken hun nakomelingschap tot ontwikkeling brengen op een manier die veel lijkt op de ‘onbewuste’ wijze (hoewel het woord onbewust niet juist is) waarop planten bloeien; en in het zevende ras van deze ronde op deze planeet zullen de mensen uit die grootse periode uit zichzelf schitterende scheppingen van de actieve wil en de verbeeldingskracht ter wereld brengen, hun ‘kinderen’; en er zal dan een ras van adepten, van geïncarneerde deva’s op aarde bestaan. Dit zal gebeuren in het zevende ras op deze planeet in de huidige vierde ronde. Alleen omdat we moreel zijn gezonken en achter zijn geraakt, heeft het verschijnsel van de maagdelijke geboorte zich op aarde nog niet als een fysiek feit voorgedaan; ofschoon het, zoals de vorige keer werd verklaard, in religieuze mysteriën werd ‘voorspeld’; en in één van de inwijdingsceremoniën werd, nadat aan bepaalde voorwaarden was voldaan, aan de initiant gezegd dat hij ‘uit een maagd’ was geboren, wat dus vooruitliep op of liever voorspelde wat het hele ras in de toekomst te wachten staat; en dit was een beloning voor edele diensten die aan de mensheid werden bewezen. Ziehier een schitterende waarheid die geheim en verborgen werd gehouden uit vrees voor ontheiliging, die zeker zou volgen als deze goddelijke mysteriën, deze goddelijke leringen in onwaardige handen zouden vallen, die door het intrigerende verstand worden geleid!


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 390-403

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag