HOOFDSTUK 34

DE RUIMTEN VAN DE RUIMTE. DE GEHEIME LEER, EEN LEER DIE VER ENIGT. UNIVERSELE SLEUTELS. LERINGEN OVER DE LEEGTE EN DE VOLHEID TEGENOVER ELKAAR GESTELD.

 

    Als Mw. Blavatsky dit onderwerp in haar Geheime Leer bespreekt, citeert ze het oude Boek van Dzyan (Stanza v, 4):
     ‘Een leger van de zonen van het licht staat bij iedere hoek en de lipika’s staan in het middenwiel.’
     De vier hoeken zijn de vier windstreken en het ‘middenwiel’ is het middelpunt van de ruimte; en dat middelpunt is overal want, omdat de ruimte onbegrensd is, moet het middelpunt hiervan overal zijn waar het waarnemend bewustzijn zich bevindt. En dezelfde auteur schrijft, gebruikmakende van de occulte catechismus(Geheime Leer, 1:41):
     ‘Wat is het dat altijd is? Ruimte, de anupadaka. Wat is het dat altijd was? De kiem in de wortel. Wat is het dat altijd komt en gaat? De grote adem. Is er dus drie keer iets eeuwigs? Neen, de drie zijn één. Wat altijd is, is één; wat altijd was, is één; wat altijd bestaat en wordt, is ook één; en dit is Ruimte.’
     In deze ouderloze en eeuwige ruimte staat het wiel in het middelpunt, waar de lipika’s zijn, over wie ik niet kan spreken; op de vier hoeken zijn de dhyân-chohans, en zij die hun wil onder de mensen op deze aarde uitvoeren, zijn de adepten – de mahâtma’s. De harmonie van de sferen is de stem van de Wet en die stem wordt gehoorzaamd door zowel de dhyân-chohan als de mahâtma – door hen met bereidwilligheid omdat zij de wet zijn; door de mensen en schepselen omdat zij gebonden zijn door de onwrikbare ketenen van de wet die ze niet begrijpen.

     – W.Q. Judge, Echoes from the Orient , blz.15
 
     U moet de leegte van het schijnbaar volle, de volheid van het schijnbaar lege onderzoeken.
De Stem van de Stilte , Fragment iii

Laten we als inleiding vanavond nogmaals de passage lezen uit De Geheime Leer (2:558-9) die we op de vorige bijeenkomst hebben gelezen:

     De Geheime Leer wijst op het vaststaande feit dat de mensheid, collectief en individueel, met de hele gemanifesteerde natuur, het voertuig vormt (a) van de adem van het Ene universele Beginsel in zijn eerste differentiatie; en (b ) van de talloze ‘adems’ die voortkomen uit die ENE ADEM in zijn secundaire en verdere differentiaties, naarmate de Natuur met haar vele mensengeslachten afdaalt naar de gebieden die steeds in stoffelijkheid toenemen. De primaire adem bezielt de hogere hiërarchieën; de secundaire – de lagere, op de steeds afdalende gebieden.

     Wij hebben hier in kort bestek niet alleen een schets van de leer van de hiërarchieën, maar ook van de hele bouw van de kosmos die, in het klein herhaald, eveneens de bouw van de microkosmos of de mens betekent.
     U zult zich herinneren dat we op de vorige bijeenkomst door tijdgebrek de kwestie van de aard van de ruimte en wat de ruimte wel en wat de ruimte niet is min of meer beknopt hebben besproken. We hebben geprobeerd aan te tonen dat de ruimte gewoonlijk wordt opgevat als een reservoir of een vat; met andere woorden ze betekent meestal plaats . Ruimte wordt bijna altijd als een synoniem van plaats gebruikt; maar dit gebruik wordt niet door de esoterische leringen bevestigd of onderwezen, waarin wordt aangetoond dat de ruimte de oneindige reeks hiërarchieën is, die het grenzeloze Al, dat begin nog einde kent, niet alleen vullen maar ook zijn ; en dat de ruimte, zoals de oude Grieken zeiden een eindeloze volheid is, eindeloos en beginloos en ze noemden haar pleroma of de volheid; één universeel leven, één hart dat overal pulseert of klopt.
     We hebben ook gesproken – en dit verdient uw speciale aandacht – over de ruimten van de ruimte, het innerlijke van de ruimte, de innerlijke delen, die in dezelfde verhouding tot de ruimte staan als de innerlijke beginselen van de mens tot zijn uiterlijke voertuig.
     Vanavond zullen we schijnbaar een volledige ommezwaai maken; na op eerdere bijeenkomsten erop te hebben gewezen hoe men in bepaalde takken van de oude wijsheid de ruimte beschouwde, zoals bij de stoïcijnen en bij de brahmanen en in andere scholen van filosofie die slechts even werden genoemd, zullen we nu kort ingaan op de manier waarop de ruimte meer in het bijzonder door onze esoterische school wordt gezien en vooral door de bewaarders van de esoterische leringen van Gautama de Boeddha.
     We zullen nu bewijzen dat de geheime leer der eeuwen bovenal een leer is die verenigt; dat we hier een reeks leringen ontvangen en beginnen te begrijpen die ons de sleutels tot de grote religies uit vroeger eeuwen verschaffen; en dat deze sleutels als ze op de juiste manier worden toegepast universeel zijn, en dat het uitsluitend afhangt van de inner lijke capaciteiten van het individu wat hij bereikt door een sleutel eenmaal, tweemaal, driemaal, of misschien wel zevenmaal om te draaien.
     Er is een leer in het noordelijke boeddhisme – en we kiezen deze om de esoterische leringen over de ruimte toe te lichten – die de leer van de leegte wordt genoemd, die men ook in andere scholen in vroeger tijden aantrof, waarvan de Griekse atomisten, Democritus, Leucippus en Epicurus en de grote Romeinse dichter Lucretius getuigen; en waarover zelfs door enkele van de stoïcijnse filosofen werd gesproken die overigens de leer van de volheid onderwezen. Hierdoor wordt geïllu streerd, wat voor ons een les kan zijn dat de dingen die in De Geheime Leer of elders in onze leringen misschien tegenstrijdigheden schijnen te zijn of te vormen, geen echte tegenstrijdigheden zijn, al zijn het misschien paradoxen. Begrijp goed dat een paradox een uitspraak is die een tegenstrijdigheid schijnt te zijn of te bevatten, maar die dit in werkelijkheid niet is.
     Het woord dat in de boeddhistische Sanskrietgeschriften wordt gebruikt om deze leegte te beschrijven is sûnyatâ. Sûnya betekent ‘leeg’; is hetzelfde grammaticale achtervoegsel in het Sanskriet als tas in het Latijn, unitas , trinitas , vacuitas en wordt in het Engels aangetroffen als ty in eternity, of unity, of vacuity enz. [in het Nederlands als te , in grootte, breedte of leegte]: daarom moet sûnyatâ worden vertaald met ‘leegte’.
     Deze boeddhistische filosofen leren dat de enige werkelijkheid, of anders gezegd het enig fundamentele van het zijn, de onbegrensde leegte is. Hieraan ontspringt in het begin of in de loop van de tijd een kosmos of ontspringen heelallen; en daarheen keren ze terug wanneer hun cyclus van manifestatie is afgelopen. Deze leer van de leegte is veel spiritueler dan de leer van volheid. Ze is veel moeilijker te begrijpen dan laatstgenoemde, omdat Europeanen niet zijn geoefend in de manier van denken die nodig is om gedachten als deze gemakkelijk te begrijpen. Wij kunnen veel gemakkelijker, veel sneller de volheid van de dingen bevatten en begrijpen dan de gedachte dat uit de onbegrensde en volmaakte leegte al de oneindige manifestaties van het kosmische zijn tot leven komen; en dat ze opnieuw in de leegte terugzinken wanneer hun levenscyclus is afgelopen. Met andere woorden, ons denkvermogen vindt het gemakkelijker het mystieke en religieuze te begrijpen dan het echt filosofische en echt wetenschappelijke. Toch werd deze leer van de leegte door het grootste intellect, de grootste titanische geestelijke kracht, onderwezen die in de annalen van de al of niet opgetekende geschiedenis bekend is; ik bedoel door hem die wij Heer Boeddha, Gautama Sâkyamuni noemen.
     Dit betekent niet dat wij boeddhisten zijn, zoals op eerdere bijeenkomsten al werd toegelicht; maar de leringen die de Boeddha onderwees zijn ook de onze, als we hierop de sleutel toepassen die wij bezitten. U zult zich herinneren dat de leer die door de Boeddha werd onderwezen van tweeërlei aard was, d.w.z. de leer van het oog, die heel getrouw door de zuidelijke school van Ceylon [Sri Lanka], Birma, Siam [Thailand], enz., is bewaard; en wat de leer van het hart wordt genoemd, dat wil zeggen de verborgen leer, de mysterieleer; respectievelijk zo genoemd omdat het oog de uiterlijke of zichtbare dingen kan zien; maar het hart wordt niet gezien en daarin stromen volgens het oude denken de bronnen van het leven. Deze leer van het hart is de esoterische wijsheid, het onzichtbare deel van de leer, de kern of het hart ervan, dat wat niet aan iedereen wordt gegeven.
     Bijna alle religies en filosofieën van het westen, zelfs in Griekse en Romeinse tijden, hebben er de voorkeur aan gegeven hun leerstellingen te bewijzen tegen de achtergrond van of gebaseerd op de leer van de volheid; d.i. dat het heelal oneindig vol is en dat deze volheid bestaat uit eindeloze menigten van wezens. Die leer is juist – we herhalen dit met nadruk; maar daarnaast staat de leer van de leegte die nog beter is. Er is hier geen sprake van een tegenstrijdigheid zoals zal worden aangetoond.
     Wat bedoelen we dan als we spreken over de leegte? De leer van de leegte betekent twee dingen, of liever kan op twee manieren worden toegelicht. Wanneer we kijken in wat men gewoonlijk de oneindigheden van de ruimte noemt, wat zien we dan? We zien wat voor ons leegte is. Maar deze zogenaamde ether (deze etherruimten) is zelfs volgens de theorieën die de laatste tijd door de natuurkundigen worden onderwezen, onbuigzamer dan staal, dichter dan onze dichtste materie; en het harde en vaste stoffelijke materiaal dat we op deze aarde kennen, de harde gesteenten, de nog hardere metalen, enz., zijn als drijvend schuim, schuimachtige luchtbellen, gaten als het ware die in en op de oneindig grote uitgestrektheden van de kosmische leegte drijven.
     Een andere benadering van ons onderwerp is de volgende: Wat is dat wat geen stof is? Geest. Kan men geest ergens in doen? Kan men geest omvatten of meten? Nee. Waarom niet? Omdat het niet omvat kan worden in de zin die we hieraan geven. Het is voor ons leegte, leegheid. Het is dat wat de uitgestrekte etherruimten vult, en alleen door de zwakte van onze zintuigen en door ons gebrekkige begripsvermogen leven we in het uiterlijke, waardoor we dwaas genoeg geloven dat wat we zien het werkelijke is, en dat de zogenaamde etherruimten onwerkelijk of leeg zijn in de gangbare zin.
     De leegte is dus de hogere gebieden van het grenzeloze Al; dat wat voor ons leeg is en dat daarom door de oude filosofen zo werd genoemd; omdat ze gewone mensen onderwezen, gebruikten ze eenvoudige taal, zodat men het gemakkelijker kon begrijpen, evenals in het geval van het zo verkeerd begrepen geocentrische stelsel, waarmee verstandige natuurwetenschappers tegenwoordig zo de spot drijven. Maar is het niet waar dat ieder punt in de ruimte het middelpunt ervan is? Het is een algemeen voorkomende gedachte bij mensen die nadenken. Zelfs de vrij orthodoxe Franse filosoof Pascal zegt, en volgt daarmee een oude Griekse zegswijze, dat de ruimte of de oneindigheid datgene is wat haar middelpunt overal en haar omtrek nergens heeft.
     Het sprak dan ook vanzelf dat de Ouden onze aarde als het middelpunt van de ruimte beschouwden en dat zouden de bewoners van Venus of Mars of Jupiter of de maan of de zon of welk ander lichaam of punt in de ruimte ook doen. Zij spraken en onderwezen in antropocentrische zin, zoals op een eerdere bijeenkomst werd uiteengezet, d.w.z. vanuit het gezichtspunt van de mens.
     Toen onze eigen oude esoterische filosofen over de planeten, bijvoorbeeld Venus of Mars, spraken als een ‘sterrenbeeld’, wisten ze heel goed wat ze zeiden, en spraken niet uit onwetendheid. Waarom spraken ze over een planeet als een sterrenbeeld, wat in de gewone astronomische terminologie of in het spraakgebruik een groep of verzameling sterren betekent? Omdat elk van de zichtbare planeten die we zien er slechts één van zeven is, waarvan er zes onzichtbaar zijn voor onze fysieke ogen en deze zeven vormen een planeetketen. Deze planeetketens bestaan uit zeven afzonderlijke, verschillende bolvormige lichamen die voor het oog van de ziener een echte sterrenbeeld vormen; en voorts heeft elk van deze zeven bollen veertien verschillende loka’s (of beter zeven loka’s en zeven tala’s) of ‘werelden’ die daaraan zijn verbonden, wat dus voor alle zeven bollen neerkomt op 49 werelden of gebieden of loka’s en 49 tala’s. Toen we op de vorige twee of drie bijeenkomsten spraken over de levensgolf die afdaalt en door de zeven elementen van de natuur gaat, bedoelden we dat de levensgolf in elk van de zeven elementen een haar passende woning of woonplaats vormde en bouwde. Elk van deze zeven bollen of sferen wordt gebouwd voor de ontwikkeling van een van de zeven beginselen van de mens; en elk van deze zeven bollen moet bovendien zijn eigen zeven subbeginselen of sub elementen ontwikkelen; precies zoals de innerlijke natuur van de mens corresponderende upâdhi’s of voertuigen heeft gebouwd voor zijn eigen zeven subbeginselen in elk van zijn zeven grotere beginselen, daarom 49; en omdat elk beginsel bipolair is, zijn er alles bij elkaar 49 x 2 = 98 toestanden of gesteldheden. Elk beginsel van de kosmos of van de mens moet de gelegenheid krijgen zich te manifesteren in zijn eigen ‘thuis’ of element, in een omgeving met zijn eigen frequentie, in zijn eigen bijzondere magnetische sfeer; en een juist inzicht in dit alles kan op geen andere manier worden verkregen dan door de hiërarchische evolutionaire richting te volgen van de grote titanische intellecten en geesten, die onze kosmos besturen.
     De leer van de leegte is dus in wezen identiek met de leer van de volheid. Er is evenwel een verschil en dit verschil, zoals al werd toegelicht, is dat de leer van de leegte de meest spirituele van de twee is en de hogere verhevener aard van de kosmos betreft, het innerlijke en nog meer innerlijke van de ruimten van de ruimte, tot in het oneindige; terwijl de leer van de volheid over de kosmoi gaat, de kosmossen, zoals zij gemanifesteerd zijn. Maar dezelfde gedachte, precies hetzelfde denkbeeld, ligt aan beide leringen ten grondslag.
     Dit maakt de weg vrij voor een korte uiteenzetting over wat op onze laatste twee bijeenkomsten werd aangevoerd. Sommigen hebben misschien gedacht dat er een radicaal verschil bestaat tussen de beginselen van de mens en de elementen van de mens of de beginselen van de ruimte en de elementen van de ruimte. Het verschil is niet radicaal; het gaat niet tot de wortel van de zaak. Maar er is een onderscheid. In wezen zijn de elementen en de beginselen één. Zoals eerder werd uitgelegd zijn kracht en stof in essentie één. Geest en substantie zijn in wezen één. Geest kan etherisch geworden stof worden genoemd, of stof gekristalliseerde geest, maar de laatste omschrijving is de beste. Het is toelaatbaar om onderscheid te maken tussen een kracht en zijn stoffelijk voertuig, zijn stoffelijk zelf, bij wijze van spreken.
     De zeven grote elementen van de kosmos zijn de voertuigen van de zeven grote krachten van de kosmos, en die zeven grote krachten zijn de beginselen van de kosmos; vandaar dat de zeven grote elementen waarin ze werken, de voertuigen van de kosmische beginselen zijn. De beginselen zijn de energie-bewustzijn-kant en de elementen zijn de stof-prakriti-kant van het zijn. Ziedaar het enige onderscheid. Maar, zoals gezegd, er is tussen deze geen radicaal verschil. Het is eerder een onderscheid tussen toestanden of omstandigheden. Een kracht, hoe spiritueel ze ook mag zijn, is stof voor een nog hogere kracht. Stof die voor ons vast is, is kracht voor een nog lagere soort stof. Door te wijzen op de onderlinge betrekkingen tussen alle gebieden van het zijn, zoals ze werken of zoals erop wordt ingewerkt in de grote kosmische leegte-volheid, wordt de paradox verklaard.
     We wijzen er nog op dat wanneer er van beginselen en elementen wordt gesproken, zoals hier wordt gedaan – de zeven beginselen en elementen van de mens kunnen als voorbeeld dienen – de leer zoals ze hierboven is gegeven in ieder opzicht nauwkeurig is. Het punt dat men steeds in gedachten moet houden is dat deze zogenaamde zeven beginselen van de mens of van de kosmos, gezien als beschrijvende woorden, algemene termen zijn. Men zou bijvoorbeeld de mens niet in zeven van nature verschillende delen kunnen splitsen en elk stukje in een afzonderlijk reservoir opsluiten. En waarom niet? Omdat we aan deze zeven beginselen ongeveer moeten denken zoals aan bewustzijn en kracht en stof en energie en element, enz. Het zijn algemene termen. Het zijn de bewustzijn-substantie, de stof-kracht van het grenzeloze Al waarin de mens zich beweegt, leeft en zijn bestaan heeft. Grote intellecten uit het verleden hebben deze stof-kracht of geest-substantie geanalyseerd en aangetoond dat ze in manifestatie uit zeven schijnbaar op zichzelf staande, verschillende delen bestaan, die niettemin in essentie één zijn – het ene leven, universeel en grenzeloos. Zij zijn ten eerste het zelf; dan het voertuig van het zelf, het voertuig of de bron van de zuivere onpersoonlijke individualiteit. Dan ten derde het vermogen tot persoonlijk of beperkt denken, de egoïteit; dan het beginsel van ‘haat en liefde’ of ‘aantrekking en afstoting’ in de kosmos of in de mens, kâma genoemd. Dan ten vijfde de levenskracht of het levensbeginsel, die rechtstreeks aan het eerste is ontleend; en dan ten zesde en zevende de astrale en stoffelijke lichamen, voertuigen.
     U ziet dus dat het hier om algemene beginselen van het zijn gaat. Maar als we in een esoterische studie de mens nauwkeuriger analyseren, blijkt dat we voor ons onderzoek meer specialistische termen nodig hebben, willen we een juist inzicht krijgen in wat de mens is, hoe hij is gebouwd, zijn verhouding tot andere wezens in de kosmos, waarom hij evolueert zoals hij dat doet en wat zijn uiteindelijke bestemming is. De voornaamste vragen over de geestkant van de natuur, de voornaamste vragen op het gebied van de psychologie, en het grote probleem van de psychofysieke evolutie hangen nauw samen met de gedachte die we hier tot uitdrukking hebben gebracht.
     De tijd die ons op elk van deze bijeenkomsten ter beschikking staat is zo beperkt dat we in die tijd weinig meer kunnen doen dan kort naar bepaalde zaken te verwijzen om er op volgende bijeenkomsten voor een nadere beschouwing weer op terug te komen. Maar geloof me, zo is het het beste. Dit was altijd de methode van de oude scholen. Die hebben nooit onderricht gegeven volgens het systeem waarop men in onze tijd prat gaat en waarbij men een onderwerp van alle kanten beziet, het uiteenrafelt en erop blijft hameren tot het leven eruit is, het brein van hun leerlingen vermoeid raakt en hun denken zich verstart. Deze verstandelijke methode bevat geen enkel element van inspiratie. Die methode verlamt het denkende wezen. Het onderwijs van vroeger vond daarentegen plaats door juiste aanwijzingen te geven, door de discipel zelf standig te laten denken over een wenk of toespeling, waardoor zijn denkvermogen door het heilige vuur van de inspiratie wordt aangestoken, zodat hij zijn eigen innerlijke tempel verlichtte met de gedachten die zijn goddelijke monade hem ingaf of inblies. Parabelen, wenken, suggesties, behoorden tot de methode van de leraar; en steeds werd op een later tijdstip een gedachte weer opgenomen, werd de deur iets wijder geopend, de sluier van Isis een beetje verder weggetrokken, werd op die manier hulp verleend.
     We hebben dus gezien dat de elementen en de beginselen in essentie één zijn en alleen in gemanifesteerde toestand tweevoudig. We hebben gezien dat de beginselen van de natuur en van de mens de energie-bewustzijn-kant van de natuur en van de mens zijn; en dat de elementen in de kosmos of in de mens de stof-prakriti-kant van de natuur en van de mens zijn. Maar onthoud altijd dat kracht en stof, geest en substantie, bewustzijn en zijn voertuig of upâdhi, in essentie één zijn. Zoals eerder gezegd is een kracht of een geestelijke energie vaste stof voor een andere goddelijker kracht; en de vaste stof van ons gebied is een wervelende cycloon van kracht voor de stof die nog lager staat. Dit is een feit dat wetenschappers beginnen te beseffen, zoals blijkt uit hun leer van de wervelende elektronen, heel kleine lichamen, die rondwervelen in het moleculaire aggregaat dat het stoffelijke atoom wordt genoemd – een zonnestelsel in het klein, zeggen ze. Dit is een juiste en geïnspireerde gedachte.
     Bedenk dat sûnyatâ, de leer van de leegte, op de geestelijke kant van het zijn betrekking heeft en dat de leer van het pleroma, de leer van de volheid betrekking heeft op de stof-prakriti-kant van het zijn, de ge manifesteerde kant die verdwijnt wanneer het grote manvantara is afge lopen.
     Maar bedenk ook, zoals al enkele keren is gezegd, dat wanneer we spreken over substantie en over geest, over kracht of over stof, over purusha of over prakriti – om de brahmaanse Sâmkhya-termen te gebruiken – we dit alleen doen om de dingen weer te geven die we door middel van onze verschillende innerlijke vermogens en uiterlijke zintuigen over de kosmos hebben geleerd en dat deze respectieve paren in wezen één zijn. Geest en substantie of stof zijn één, en beide zullen opnieuw in de grootse grenzeloze leegte van de grenzeloze godheid terugzinken wanneer de tijd van de universele pralaya aanbreekt. Denk aan het oude mystieke gezegde dat de discipel de betekenis moet leren kennen van de uitspraak: de volheid van de schijnbare leegte en de leegte van het schijnbaar volle.
     Dit ‘schijnbaar volle’ van de stof is in feite sûnya, leegte, in hoofdzaak gaten bij wijze van spreken. Sûnya is de oude brahmaanse leer van mâyâ, een leer uit de Vedânta, het ‘einde van de Veda’ genoemd, omdat ze naar men zegt de volmaking of het einde van de leer over de esoterische kant van de vedische gedichten is. Mâyâ betekent ‘illusie’. Niet dat de gemanifesteerde kosmos niet bestaat; hij bestaat wel, anders zou hij geen illusie kunnen zijn of teweegbrengen. De illusie houdt in dat deze verkeerd wordt begrepen. Als de stof of substantie (of natuur, prakriti) niet bestond, zou men evengoed kunnen zeggen dat geest niet bestond, omdat ze in wezen één zijn. De waarheid is dat de stof niet het substantiële, oneindige element, de essentie van de werkelijkheid is, zoals ze in ons westerse denken – dat niet in deze denkbeelden is onderwezen en geoefend – wordt opgevat, alleen omdat ze ons stevig en dus ‘werkelijk’ toeschijnt. Ze is een illusie omdat ze bedrieglijk is; en in feite is sûnyatâ, zoals ook de boeddhisten leerden, waarmee ze dezelfde gedachte onderwezen als de brahmaanse Advaita-Vedânta, de leer van de leegte, van de essentiële leegheid van het gemanifesteerde heelal en is daarom de leer van mâyâ, illusie: illusoir, omdat ze onwerkelijk is.
     Zelfs de hedendaagse wetenschappers, de natuur- en scheikundigen, beginnen in te zien dat dit zogenaamd zichtbare heelal in hoofdzaak een leegte is. Ze hebben nog steeds niet kunnen ontdekken wat stof werkelijk is; de manier waarop ze gewoonlijk wordt verklaard, is een product van de wetenschappelijke verbeelding, en alles wat wetenschappers ervan weten is eenvoudig wat hun intuïties en deducties hun hebben gezegd: dat er achter de schijn, achter de verschijningsvorm iets is waarvan ze zeggen – ‘Wij komen er meer over te weten. Wat het werkelijk is, weten wij niet!’
     Laat ik er nog op wijzen dat, al hebben we op recente bijeenkomsten gesproken over goden, monaden, zielen, atomen en lichamen, die nog steeds het onderwerp van onze studie vormen, we dit onderwerp nog lang niet hebben afgerond; we zijn er nauwelijks mee begonnen. Als we de term goden gebruiken, gebruiken we een vertrouwde term. Het is een goede term, een juiste term; er is geen reden om hem te verwerpen; maar toch is het niet de term die in ons esoterische stelsel wordt gebruikt. Onze esoterische Tibetaanse leringen gebruiken hiervoor de uitdrukking dhyâni-boeddha’s en de lagere zijde van het godengebied waartoe zij behoren wordt door de dhyâni-chohans ingenomen. Dhyâni , een Sanskrietwoord dat in de Tibetaanse terminologie is overgenomen, betekent ‘meditatie’ of ‘contemplatie’; de eerstgenoemde uitdrukking betekent dus ‘boeddha’s van meditatie’ of van contemplatie en de laatste betekent ‘heren van contemplatie’ of van meditatie. Maar laatstgenoemde term wordt niet zelden gebruikt om beide klassen aan te duiden. In het mystieke Griekse stelsel werden deze goden, deze dhyâni-boeddha’s, logoi, logossen genoemd. Het woord logos is een Griekse term en betekent ‘woord’. Het heeft ook een afgeleide betekenis, namelijk de ‘rede’. Waarom? Omdat de Griekse filosofen begrepen dat wanneer een mens denkt en zijn gedachten wil uitdrukken, zijn gedachten aan een ander wil overbrengen, hij woorden moet gebruiken. Het woord brengt de gedachte over naar een andere geest: en aan de hand van dit eenvoudige voorbeeld werd het woord logos , dat ‘woord’ betekent, opgenomen in de filosofische taal en in de religieuze taal (en later in het chris tendom) met de betekenis van die kracht of energie of entiteit die de goddelijke gedachte overdraagt naar lagere gebieden – die wordt over gedragen van het gebied daarboven of daarachter, van het intellect of denkvermogen daarachter, van het bewustzijn daarachter, naar lagere gebieden. In ons geval bewonen de monaden dit tweede of lagere gebied.
     Tot besluit wil ik uit het oorspronkelijke Grieks de eerste vijf verzen vertalen van het christelijke evangelie dat wordt toegeschreven aan de discipel wie, naar men zegt, Jezus in het bijzonder liefhad, Johannes, Johannes de Geestelijke genoemd, geestelijke hier in de zin van theoloog. Hij werd dus theoloog genoemd, zo moeten we veronderstellen, omdat hij de enige van de vier schrijvers van de vier aanvaarde evangeliën was die iets schreef dat in stijl of inhoud leek op de schone, verheven, theologische leringen die tot de neoplatonische of neopythagorische school behoorden – een onbedoeld compliment voor deze laatste. Deze halfheidense leringen worden alleen gevonden in het eerste gedeelte van het Evangelie naar Johannes. Ze luiden als volgt – en had ik maar de tijd om ze uitvoeriger toe te lichten in plaats van me te moeten bepalen tot het noodzakelijk korte commentaar dat ik vanavond hierop kan geven:

     1. In het begin was de logos en de logos was tot god en de logos was god.
     2. Deze [de logos] was in het begin tot god.

     Ik maak hier mijn eigen vertaling; de zogenaamde [Engelse] ‘Authorized Version’ is een literaire klucht, een vertaling die diende om tegemoet te komen aan de monotheïstische vooroordelen van de christelijke exegeten; en de [Engelse] ‘Revised Version’ is niet beter.

     3. Alle dingen werden hierdoor voortgebracht. [Engels: ‘generated’], . . .

     Het Griekse woord egeneto , hier vertaald met ‘voortgebracht’ zou ook kunnen worden vertaald met ‘kwamen tot aanzijn’. Het Engelse woord ‘generated’ komt van dezelfde Indo-europese wortel. Ik lees opnieuw:

     3. Alle dingen werden hierdoor voortgebracht en geen enkel ding werd zonder deze voortgebracht [kwam zonder deze tot aanzijn].
     4. Datgene wat erin werd voortgebracht was leven en het leven was het licht van de mensen.
     5. En het licht schijnt in de schaduw en de schaduw nam het niet op.

     Ziet u niet dat hier op onze leringen wordt gezinspeeld; dezelfde woorden die in de oude leer worden gebruikt, ja zelfs uit het Boek van Dzyan, de ‘geest en zijn vleugel’, de ‘vleugel en zijn schaduw’? Schaduw is een oude mysterieterm die ‘voertuig’ of ‘lichaam’ betekent zoals onlangs werd toegelicht in een aanhaling die werd voorgelezen uit een hoofdstuk van De Desâtîr , genaamd ‘Het Boek van Shet, de Profeet Zirtûsht’, of Zarathustra. Daar werd het woord schaduw in precies dezelfde betekenis gebruikt.
     Let op deze gedachte: in het begin van ons gemanifesteerde heelal bestond de logos, die de eerste entiteit of het eerste ding was dat in het begin tot manifestatie werd gebracht; en deze logos was tot god. Het Griekse woord dat hier is vertaald met ‘tot’ is pros , dat beweging naar iets toe betekent. Natuurlijk ontsprong de logos aan de goddelijke geest, god, maar hier wordt in dit evangelie een poging gedaan de gedachte te benadrukken dat zijn natuurlijke aspiraties in de richting gingen van zijn ouderbron. Er schuilt een groot geheim van het occultisme in deze gedachte. ‘Zoals een mens denkt, zo is hij ’, staat in een Hebreeuws geschrift, Spreuken, waarmee een diepzinnige waarheid wordt uitgesproken. De mens volgt onfeilbaar de neiging van zijn natuur, zijn begeerte. Hij wordt magnetisch daarheen aangetrokken waar zijn hart naar uitgaat en wat hij wenst krijgt hij ; als hij de hemel wenst zal hij deze krijgen; en als hij de hel wenst, zal hij magnetisch tot de helse sferen worden aangetrokken. Dit zijn kort uitgedrukt de hoofdtrekken van het hele mysterie van de zogenaamde karmische vruchten, van hemel en van hel – en van nog veel meer dat we hier onbesproken moeten laten.
     ‘En de logos was tot god’ – streefde naar zijn eigen goddelijke bron; en deze god was svabhavat, vader-moeder; niet svabhâva, die iets geheel anders is. Zoals eerder werd opgemerkt is svabhavat wat bepaalde Aziatische en andere scholen vader-moeder noemen, de grote leegheid, sûnya, de grote leegte, âkâsa in hindoegeschriften, dat voor ons de grote leegte is, maar in andere zin de grote volheid. Wat wij de grote volheid noemen is het gemanifesteerde heelal, dat in een wonderbaarlijke processie voortstroomt uit de leegte, of svabhavat, of vader-moeder, of mahâsûnya of âkâsa, verschillende namen voor hetzelfde ding.
     Vers 2. ‘Deze was in het begin tot god’. Zo verlangend was de schrijver van dit evangelie erop te wijzen dat de logos in het begin ontstond, en dat de aspiratie van de logos uitging naar zijn ouderbron, dat hij het moest en zou herhalen.
     Vers 3. ‘Alle dingen werden hierdoor voortgebracht’, dat wil zeggen, kwamen hierdoor tot aanzijn . Dit bewijst dat de schrijver doelt op de demiurg of de wereldvormer, en deze logos bevindt zich pas op het derde gebied (van bovenaf) van manifestatie, op het derde kosmische gebied; zoals wij zeggen de derde logos van bovenaf, die de gemanifesteerde logos of de wereldmaker, de wereldbouwer is. De schrijver vervolgt: ‘En geen enkel ding werd zonder deze voortgebracht’. Zo bezorgd, zo verlangend was hij om aan te tonen dat er geen sprake was van een schepping van zielen of werelden of iets anders door een buiten kosmische god, dat hij er hier opnieuw op moet wijzen dat het de logos, het kosmische woord, was dat zijn kracht omlaag voerde vanuit zijn ouder, dat de dingen uit zichzelf voortbracht, uitwierp, projecteerde, ontwikkelde, precies zoals wij onlangs op onze bijeenkomsten het verloop of de methode van manifestatie hebben uiteengezet. En deze dingen waren de monaden, de atomen, de zielen en al het overige.
     De schrijver gaat verder, waarbij hij de aard van de gedachte enigszins wijzigt uit vrees dat men zal denken dat dit voortbrengen van wezens op zo’n hoog gebied alleen de materie en de grofstoffelijke dingen betreft die we om ons heen zien: ‘Datgene wat erin werd voortgebracht [in de logos] was leven’ – geen stenen, bomen, sterren, planeten, enz., mensen en andere dingen, maar leven . En het leven – let wel – ‘was het licht van de mensen’, het geestelijke licht dat de mensheid verlicht; met andere woorden, de hogere natuur van de mens of in feite onze eigen innerlijke logos, onze eigen ‘innerlijke god’, onze eigen innerlijke christos.
     En deze logos, de derde of gemanifesteerde logos is slechts het voertuig van een logos die nog hoger is dan hijzelf. Tijdens de processen van voortbrenging van al deze dingen, die minder zijn dan hijzelf, brengt elke afzonderlijke stap licht voort, want licht is een van de eerste manifestaties van de scheppende activiteit – bedenk dat het woord ‘crea tion’ [schepping] in zijn oorspronkelijke betekenis vorming betekent. Dit licht van het derde kosmische gebied is daivîprakriti. Wij ontlenen dit woord aan de Vedânta van Hindoestan; het betekent ‘stralende of goddelijke prakriti’, waarvan âkâsa of svabhavat de ‘kroon’ is. Svabhavat of âkâsa is het eerste gemanifesteerde kosmische element of de eerste manifestatie van prakriti, of de essentiële natuur zelf. Bedenk dat er zeven naturen zijn, de ene binnen de andere; zeven elementen; zeven kosmische krachten. ‘En het leven was het licht van de mensheid’ – onze eigen hogere natuur.
     En het laatste vers: ‘En het licht schijnt in de schaduw’ – die bij de mens zijn voertuig of ons hogere denkvermogen is. ‘En de schaduw nam het niet op’, d.w.z. de oorspronkelijke mens had nog geen voertuig of denkvermogen ontwikkeld dat geschikt was om ‘het te bevatten of op te nemen’.
     Deze gedachte stelt de schrijver van dit gnostieke evangelie – gnostiek althans in het eerste gedeelte ervan – in staat zijn sektarische leringen naar voren te brengen: ‘Er was een mens, die van God gezonden werd, genaamd Johannes’, om het evangelie te prediken van Jezus Christus, de menselijke logos, de verlosser van de mensheid. Hij, Jezus Christus, was dit licht, dat ‘vlees werd’ (!) en in de wereld kwam als het ‘licht der mensen’. Tragisch! Een prachtige leer van de oude mysterie-religie uit het begin van de tijd wordt hier – zoals op een voorgaande bijeenkomst werd opgemerkt – overgenomen en aangepast en gebruikt voor wat een mysteriefiguur, een modelfiguur van de oude mysteriën was. Niet dat Jezus nimmer heeft geleefd; een man, een Hebreeuwse rabbi zo u wilt, Jezus genaamd, heeft inderdaad geleefd; maar de christos over wie de christelijke evangeliën schrijven is een modelfiguur van de mysteriën, maar in hoge mate en op een treurige manier verminkt.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 424-37

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag