|
HOOFDSTUK 35
HET
OCCULTISME EN DE MYSTERIESCHOLEN. ZEVEN GRADEN VAN INWIJDING: DE MENS
WORDT EEN GOD. ZEVEN KOSMISCHEGEBIEDEN: ONZE PLANEETKETEN VAN ZEVEN BOLLEN
OP DE VIER LAGERE GEBIEDEN EN DE REIS VAN DE LEVENSGOLF DAARDOORHEEN.
|
De wereld – en daarmee wordt die van het individuele
bestaan bedoeld – is vol van die latente betekenissen en diepe bedoelingen,
die aan alle verschijnselen van het heelal ten grondslag liggen,
en alleen de occulte wetenschappen – d.w.z. de rede tot bovenzinnelijke
wijsheid verheven – kunnen de sleutel verschaffen waarmee ze voor
het intellect kunnen worden ontsloten. Geloof mij, er komt in het
leven van een adept een moment, waarop de beproevingen die hij heeft
doorstaan, duizendvoudig zullen worden vergoed. Om verdere kennis
te verwerven, is hij niet langer aangewezen op een nauwgezet en
langzaam proces van onderzoek en vergelijking van uiteenlopende
zaken, maar wordt hem een ogenblikkelijk onvoorwaardelijk inzicht
verleend in iedere grondwaarheid. Daar hij dat stadium in de filosofie
voorbij is waarin wordt gesteld dat alle fundamentele waarheden
aan een blinde impuls ontspringen – . . . ; ziet en voelt en leeft
de adept in de bron zelf van alle fundamentele waarheden – de universele
geestelijke essentie van de natuur, SHIVA,
de schepper, de vernietiger en de vernieuwer.
|
|
– De Mahatma Brieven,
blz. 265-266
|
Ik zeg daarom nogmaals. Alleen hij, die
liefde voor de mensheid in zijn hart koestert, die in staat is de
gedachte van een herscheppende praktische broederschap ten volle
te begrijpen, heeft het recht onze geheimen te bezitten. Alleen
zo iemand zal zijn vermogens nooit misbruiken, omdat er geen vrees
hoeft te bestaan dat hij ze voor zelfzuchtige doeleinden zal aanwenden.
Iemand, die het welzijn van de mensheid niet boven zijn eigen welzijn
stelt, verdient niet onze chela te worden – hij verdient
niet meer kennis te bezitten dan zijn naaste. |
|
– Op. cit., blz. 278
|
Er is maar één algemene levenswet, maar
er zijn talloze wetten die de myriaden vormen die worden waargenomen
en geluiden die worden gehoord, kwalificeren en bepalen. |
|
– Op. cit., blz. 282
|
Het zoeken naar de waarheid is het edelste doel dat de
mens kan na streven. De oorspronkelijke beginselen van het zijn werden
eeuwen en eeuwen geleden onthuld en in een volledig en prachtig stelsel
geordend. Op basis van dat prachtige stelsel hebben de leraren uit de
oudheid de grondslagen gelegd van de verschillende filosofische en religieuze
stelsels, die via de wereldliteratuur, zoals die is overgeleverd, tot
ons zijn gekomen. Deze stelsels bevatten in meerdere of mindere mate fundamentele
waarheden van het zijn, en de studie daarvan wordt in onze tijd occultisme
genoemd – de wetenschap van de kosmos en van de mens als een deel daarvan;
ze vertellen ons over de oorsprong, de aard en de bestemming van het heelal
en van de mens als deel daarvan. De mysteriescholen van de oudheid vormden
het innerlijke brandpunt van het oude denken, en de daar bestudeerde leringen
werden de leer van het hart genoemd omdat ze de leringen vertegenwoordigden
die ver borgen waren; en de verschillende filosofieën die ze in het openbaar
verkondigden, werden de leer van het oog genoemd, omdat dit de leringen
waren in exoterische bewoordingen van de dingen die werden gezien en niet
de dingen die verborgen waren. De leer van het hart omvatte de oplossingen
van de raadsels van het zijn, en deze oplossingen werden exoterisch naar
voren gebracht in de vorm van allegorieën en mythen, en vormden de leer
van het oog of de exoterische religies of filosofieën.
Maar al deze oude filosofieën waren op prachtige
en verheven waarheden gebaseerd en de filosofieën van het moderne Europa
zijn daarbij vergeleken niet veel meer dan een woordenspel, weinig meer
dan fraaie woorden. De leringen die tot het occultisme behoren behandelen
de werkelijke aard, oorsprong en bestemming van de kosmos en de mens.
Deze mysteriescholen onderwezen oorzakelijke dingen en hun uitwerking
op het leven; ze gaven onderricht in de meest innerlijke en diepzinnige
onderlinge relaties tussen de elementaire wezens in de kosmos, van welke
graad ook. Ze leerden de mens dat de weg naar een volledig inzicht in
de mysteriën van het zijn ligt in zelfonderzoek; dat geen mens een waarheid
behoorlijk kan begrijpen die alleen wordt gehoord zonder in zichzelf eerst
ook de mogelijkheid, het innerlijke vermogen om te begrijpen te hebben
ontwikkeld; en het ontwikkelen van dit innerlijke vermogen van begrip
of inzicht was het voornaamste doel van de scholen van inwijding.
Het hele streven van deze inwijdingsscholen was
daarom erop gericht de mens te leren zichzelf te kennen. Waarom?
Omdat de meest innerlijke essentie van de mens is geworteld in de meest
innerlijke essenties van het heelal en door dat smalle eeuwenoude pad
te volgen, dat volgens de Upanishads in de mens zelf ligt, en waarop Jezus
zinspeelde toen hij zei, ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ – door
dat smalle, oude pad naar binnen te volgen, kan de mens stap voor stap
binnenwaarts of ‘opwaarts’ klimmen, steeds verder en verder binnenwaarts
en kan voortdurend ruimere gebieden van bewustzijn betreden. En deze ontwikkeling
van de innerlijke mens wordt bereikt door de geestelijke krachten op te
roepen die latent in de hogere natuur van de mens aanwezig zijn. Het is
in feite het verenigen van de ziel van de mens met zijn goddelijke monade,
zijn innerlijke god.
Er waren na de vierde graad van inwijding drie
toestanden die de initiant of kandidaat moest verwezenlijken: als eerste
het theofanisch mysterie, dat wil zeggen dat op het plechtige moment van
de inwijding de innerlijke god van de mens aan hemzelf verschijnt; en
deze heilige tegenwoordigheid werd door de Grieken theofanie, ‘het
verschijnen van een god’ genoemd, d.i. van het hogere zelf van de mens
aan hemzelf. En hoewel bij de meeste kandidaten dit verheven ogenblik
van intellectuele extase en diepe visie slechts van korte duur was, werd
bij verdere geestelijke vooruitgang van de kandidaat de theofanische omgang
meer duurzaam en blijvend totdat tenslotte, uiteindelijk, de mens zich
niet alleen leerde kennen als het geestelijke kroost van zijn eigen innerlijke
god, maar als die innerlijke god zelf, in zijn essentiële wezen.
Dat was de eerste stap, de eerste verwezenlijking.
De tweede kwam met wat de Grieken theopneustie noemden, een Grieks
samengesteld woord dat ‘de inademing van een god’ betekent, waarin de
mens zich door innerlijke en zelfs door uiterlijke zintuigen niet alleen
bewust was van zijn innerlijke goddelijke aard, maar ook de inspiratie
voelde die als het ware door zijn verstandelijke en geestelijke aderen
vloeide – het inademen voelde van zijn eigen innerlijke god en op die
manier werd geïnspireerd; het woord inspiratie betekent immers ‘inademing’.
Met het verstrijken van de tijd en de toenemende loutering van het ziel-voertuig,
dat de mens zelf is, werd deze inademing of inspiratie permanent.
Tenslotte vond er bij de zevende inwijding het
subliemste mysterie van alle plaats, door de Grieken theopathie
genoemd, dat ‘het lijden of dulden van een god’ betekent – een technische
term; dat wil niet zeggen dat de god leed, maar dat de initiant, de kandidaat,
toeliet en zich er volledig aan overgaf een volslagen onzelfzuchtig verbindingskanaal
voor zijn eigen innerlijke god, zijn hogere zelf, te worden; hij ging
als het ware verloren in het grotere zelf van zijn eigen hogere zelf.
Dit persoonlijke zelf werd daarin opgenomen, werd omgezet en zijn lagere
kenmerken losten zich op als een wolk voor de zon; en met het verstrijken
van de tijd en de toenemende zuivering van het voertuig werd de ziel,
de persoonlijke mens, volkomen één met zijn eigen innerlijke god. En dat
was theopathie.
De verschillende graden van inwijding in de oude
mysteriescholen omvatten eerst drie graden die op onderricht neerkwamen.
Met de vierde begon de persoonlijke ervaring; dat wil zeggen, het onderricht
werd voortgezet maar er kwam bij dat de initiant, de kandidaat, ertoe
werd gebracht datgene te zijn, te worden wat hem tevoren
werd geleerd, werd verteld; omdat de enige manier om iets volkomen te
leren kennen, de enige manier om iets volkomen te begrijpen is door het
te worden.
Er zit ontzaglijk veel meer in deze gedachte
dan oppervlakkig lijkt en meer dan waarop we vanavond kunnen ingaan. Koester
deze gedachte. Dit onderricht werd met iedere hogere stap voortgezet tot
aan de zevende, ja zelfs tot aan de tiende graad. We stoppen bij de zevende
omdat de hoogste drie graden ons begripsvermogen ver te boven gaan en,
zo wordt ons gezegd, alleen van toepassing zijn op de hoogste meesters.
Het onderricht ging zelfs door tot de zevende
inwijding, naast het zelf-ervaren, het zelf-worden; en op die manier wist
de mens niet alleen, maar voelde hij, besefte hij dat hij één was met
de kosmos, niet alleen het kroost en kind ervan als een wezen dat daarvan
losstaat, maar dat hij de kosmos zelf was in iedere betekenis van het
woord. Dan volgde de verwezenlijking van dat kosmische zelf, de âtman,
dat wat gelijk is in u en mij, in iedere bewoner op deze bol, en in iedere
bewoner in elk van de planetaire of stellaire lichamen in de ruimte; het
gevoel, het besef, de kennis, ‘ik ben’. Dat wat ons scheidt is het gevoel
van ‘ik ben ik’, en ‘jij bent jij’; en dat is de werking
van het ego, het egogevoel.
Maar weet wel, mysterie van de mysteriën: alleen
door de egoïteit te overstijgen naar universaliteit wordt de mens een
god. Als er geen egoïsch beginsel was verruimd en gezuiverd om haar te
omvatten en te begrijpen, kon er niet zoiets zijn als de hiërarchie van
mededogen, zou er niet zoiets als de lichtende boog kunnen zijn. Het is
de taak van elk van ons zo te leven, zijn innerlijke voertuigen van het
zijn zo te zuiveren, de essentie van zijn ziel zo te veranderen dat ze
geschikte kanalen worden tussen zijn eigen innerlijke god en hemzelf.
Wanneer de mens dat heeft volbracht, wordt hij voor onze kosmische hiërarchie
alwetend; alwetend, want alle kennis daarvan en daarin komt hem toe. En
waarom? Omdat zijn bewustzijnsessentie, de egoïsche essentie door middel
van zijn eigen innerlijke god één is geworden met het universele gebied,
het âtmische gebied; en kennis en wijsheid stromen dan door hem
heen zoals de zonnestralen door de atmosfeer.
We hebben op drie of vier eerdere bijeenkomsten
uit De Geheime Leer (2:558-9) een alinea gelezen die we nu herhalen:
De Geheime Leer wijst op het
vaststaande feit dat de mensheid, collectief en individueel, met de
hele gemanifesteerde natuur, het voertuig vormt (a) van de adem van
het Ene universele Beginsel in zijn eerste differentiatie; en (b) van
de talloze ‘adems’ die voortkomen uit die ENE ADEM in zijn secundaire
en verdere differentiaties, naarmate de Natuur met haar vele mensengeslachten
afdaalt naar de gebieden die steeds in stoffelijkheid toenemen. De primaire
adem bezielt de hogere hiërarchieën; de secundaire – de lagere, op de
steeds afdalende gebieden.
Dit geeft in kort bestek een volledige
schets van het onderwerp dat we deze winter hebben bestudeerd; en later
vanavond of misschien op de volgende bijeenkomst zullen we ingaan op de
kwestie van de verschil lende mensengeslachten, waarover hier wordt gesproken.
Er hangt een groots en wonderlijk mysterie mee samen. Laat ik op dit ogenblik
alleen zeggen dat de mensheid waarvan wij nu op aarde deel uitmaken, dat
wil zeggen de bijzondere levensgolf die wij het mensdom of de mensheid
of de menselijke wezens noemen, niet de enige levensstroom van intelligente
ego’s is die de verschillende evolutieronden op onze planeetketen doorloopt.
Er zijn nog zes andere, die alle tegelijk met ons evolueren, sommige zijn
ons vooruit en sommige komen achter ons; en zij evolueren in de verschillende
loka’s of tala’s die we vanavond verder zullen toelichten. Dit is een
moeilijk onderwerp, maar we zullen ons best doen het te verklaren, omdat
het absoluut noodzakelijk is een juist begrip te krijgen, al is het maar
in geringe mate, van de fundamentele vraagstukken van de evolutie van
het evoluerende ego. Evolutie is een onderwerp waarvoor de wereld tegenwoordig
veel belangstelling heeft en dat de wetenschappers natuurlijk tot alleen
de stoffelijke wereld beperken, meer in het bijzonder met betrekking tot
mensen en dieren die slechts twee stirpes [stammen, geslachten] zijn (om
het Latijnse woord te gebruiken) – van de buitengewoon talrijke families
van evoluerende wezens, waarvan sommige ons vooruit zijn en sommige na
ons komen.
U zult zich herinneren dat we tijdens de laatste
twee of drie bijeenkomsten over de beginselen en elementen van de kosmos
hebben gesproken. De elementen vormen het voertuiglijke of dragende aspect
en de beginselen vormen de energie-bewustzijn-kant; en we zullen ons vanavond
beperken tot het bestuderen van de kosmische gebieden (en slechts terloops
verwijzen naar elementen en beginselen van de mens), omdat we nu willen
proberen een duidelijk beeld te krijgen, zo duidelijk als op dit moment
mogelijk is, van wat we onder kosmische gebieden, de zeven bollen van
de planeetketen en de ronden verstaan.
Het is opmerkelijk dat deze onderwerpen, die
zoveel mensen ten onrechte alleen zien als interessante problemen waarmee
men zich intellectueel kan bezighouden, nauw verband houden met de morele
en met de geestelijke aard van de mens; en geen mens kan een juist inzicht
hebben in ethische en morele beginselen zonder zijn juiste plaats in het
heelal te begrijpen: zijn oorsprong, zijn aard en zijn bestemming. De
ethische normen in het westerse denken hebben een grondslag nodig die
op wetenschap en filosofie berust. Ethische beginselen zweven niet in
de lucht, ze zijn niet alleen iets waarnaar een mens moet leven – dat
zijn ze wel, maar ze zijn veel meer dan dat. Het gevoel voor ethiek ontspringt
aan het geestelijke bewustzijn van de mens, en niemand – en we willen
dit nadrukkelijk stellen – kan een theosofische leer werkelijk begrijpen
vanuit alleen het intellectuele gezichtspunt, zonder dat het geestelijke
licht erop schijnt. En dat licht, dat geestelijke licht, manifesteert
zich op het gebied van het verstandelijke denken van de mens als zijn
instinctieve morele gevoel, dat waarover de grote Duitse filosoof Kant
sprak als het enige waardoor hij vast geloofde dat ons heelal iets meer
was dan alleen kracht en stof.
Onthoud vooral dat – zoals blijkt uit de Upanishads
en de verschillende prachtige brahmaanse filosofieën, het oude Griekse
denken, het christendom en bij uitstek onze eigen leringen, in feite uit
de verschillende oude filosofieën en religies van de hele wereld – wanneer
we over goddelijke dingen spreken, we moeten begrijpen dat ook wij
een deel daarvan zijn en dat zelfs de stoffelijke wereld, de materiële
wereld niets anders is dan het kleed van het goddelijke; onvolmaakt, omdat
ze werd opgebouwd door hiërarchieën die onvolmaakt zijn omdat ze evolueren,
door onvolmaakte entiteiten, waarvan ook wij voorbeelden zijn. U herinnert
zich misschien wat Goethe zegt in zijn Faust:
Zo werk ik aan ’t razende weefgetouw
van de tijd,
En weef een levend kleed voor de godheid.
En zoals Paulus, de christen,
zei: ‘In Het leven we, bewegen we ons en hebben we ons bestaan’.
Zoek in uzelf. De leringen die op deze bijeenkomsten
worden gegeven zijn de sleutels. Beproef ze; onderzoek de geschriften
van de wereld; onderzoek alle dingen; en zoals Paulus zei (sprekend als
een ingewijde), behoud het goede, behoud dat waarvan u weet dat het
waar is.
Er zijn dus zeven kosmische elementen; er zijn
ook zeven beginselen die door deze zeven elementen werken. Vanuit de bewustzijnszijde
beschouwd zijn ze aan de ene kant bewustzijn en aan de andere kant voertuig.
Vanuit de substantiële zijde beschouwd zijn ze kracht aan de ene en stof
aan de andere kant. Laten we dit eerst illustreren door middel van zeven
horizontale evenwijdige lijnen die de elementen en beginselen van de kosmos
voorstellen.
Vergeet niet dat deze figuur een diagram is.
De elementen, de beginselen van de kosmos liggen in werkelijkheid niet
boven elkaar als een reeks treden of als sporten van een ladder. Deze
figuur is slechts een diagram, dat wil zeggen, ze is een symbool.
De elementen van de kosmos, de beginselen van de kosmos, de sferen van
de kosmos bevinden zich in elkaar en het meest geestelijke is het
meest innerlijke. Maar omdat dit onmogelijk op een plat vlak kan worden
afgebeeld, moeten we de gedachte schematisch voorstellen in een diagram,
een paradigma. Daarom laat deze figuur in de eerste plaats zien dat er
in de kosmos zeven gebieden zijn. Laten we vervolgens de evoluerende en
oorzakelijke levenskrachten, de goden en de intelligenties van de drie
hogere gebieden voorstellen door een driehoek, om het oude platonische
en pythagorische symbool te gebruiken – een prachtig symbool – omdat daarin
wordt gewezen op en verwezen naar de oorsprong, het kosmische punt, het
zaad waaruit alle goddelijke dingen voortkomen; en dit diagram laat ook
zien hoe de top van de driehoek als het ware via het hoogste gebied verdwijnt
door een layacentrum, een neutraal centrum, een nirvâ.na voor alle dingen
die minder of lager zijn, en meer naar binnen toe verdwijnt in iets hogers.
Zoals een zaad, een eikel bijvoorbeeld, een eik voortbrengt die op zijn
beurt zijn oogst van eikels afwerpt, zo zendt het kosmische zaad uit zichzelf
deze menigten hiërarchieën van wezens uit, die op de schaal daaronder
andere lagere menigten voortbrengen. Laten we dit proces daarom door een
driehoek voorstellen.
De vier lagere gebieden van de figuur, die de
vier lagere kosmische gebieden zijn, stellen alle toestanden voor
die de mens in zijn huidige periode van ontwikkeling kan bereiken. Onze
eigen âtmische essentie ontspringt aan het vierde kosmische gebied naar
beneden geteld. Laten we nu onze planeetketen op de volgende manier weergeven
en wel door op deze gebieden cirkels te tekenen, zeven in getal, twee
op elk gebied, met uitzondering van het laagste gebied waarin we slechts
één cirkel tekenen die onze eigen bol Terra voorstelt. We noemen deze
cirkels respectievelijk, links beginnende en omlaaggaande, A, B, C, D;
en dan omhooggaande, E, F en G. Let erop dat er twee cirkels of bollen
op elk gebied zijn met uitzondering van bol D, de onze. De zeven ‘gebieden’
zijn in werkelijkheid respectievelijk de zeven kosmische elementen.
Het is heel verleidelijk om te veronderstellen
of te denken dat elk van deze zeven bollen een respectieve habitat of
locus of plaats op of in een van de kosmische elementen heeft, maar zo
is het niet. Dat idee is wat we een verkeerde analogie noemen, een verleidelijke
opvatting die het denken op een dwaalspoor brengt.
Als we over de zeven elementen van de kosmos
spreken, bedoelen we precies dezelfde elementen waarop de Ouden doelden
en die ze met woordsymbolen omschreven. Zij spraken gewoonlijk over vier,
en soms over vijf, en deze waren overal in de wereld dezelfde – aarde,
water, lucht, vuur; soms werd een vijfde, æther, genoemd, maar het waren
beslist niet de materiële dingen die wij als aarde, water, lucht of vuur
kennen. Deze aardse dingen waren gekozen omdat ze, op grond van bepaalde
inherente eigenschappen, de vier gebieden of liever elementen van de natuur
symboliseerden waarin de zeven bollen van onze planeetketen leven, zich
bewegen en hun bestaan hebben. Wij kunnen zeggen dat aarde de kosmische
stof voorstelde, verdichte substantie, het laagste element van alle; en
dat water in aloude zin de chaos voorstelde – zoals de Hebreeuwse
bijbel het uitdrukt, de ‘wateren’ van de ruimte waarover de elohîm, de
goden – verkeerd vertaald met ‘God’ – zweefden. En wij kunnen zeggen dat
lucht geest [spirit] is. Het Latijnse woord spiritus betekent
‘adem’, ‘wind’, ‘lucht’. En vuur is het symbool van het goddelijke
licht, de eerste emanatie van de kosmische logos die we, wanneer we de
boeddhistische Sanskrietterm daivîprakriti gebruiken, ‘goddelijke
natuur’, ‘goddelijk licht’ noemen, omdat het licht een van de eerste emanaties
is in het begin van de elkaar opvolgende evolutieperioden.
Wanneer we dus over elementen spreken, bedoelen
we veeleer wat de meeste Europese denkers onder ‘sferen van werkzaamheid’
verstaan, werelden: de wereld van de kosmische stof, de wereld van de
chaos, de sferen van de geest en de wereld van het goddelijke licht of
daivîprakriti.
Laten we de logoïsche wereld die voor ons bijna
goddelijk is, het vierde kosmische gebied omlaag geteld dat de planetaire
bollen A en G omvat, de wereld van de archetypen noemen en dat in ons
diagram vermelden. De wereld daaronder, die de bollen B en F omvat, zullen
we de verstandelijke of scheppende wereld noemen. De wereld daaronder
die de bollen C en E omvat, zullen we de astrale of vormende wereld noemen.
En laten we het laagste element of de laagste wereld van alle, waarop
zich als enige bol onze planeet Terra bevindt, de fysieke wereld noemen.
U herkent hierin onmiddellijk de vier werelden
waarover we het al eerder hebben gehad in verband met de leringen van
de kabbala zoals zij die onderwijst. Diegenen van u die de kabbala hebben
bestudeerd, herinneren zich misschien dat haar wereld van emanaties of
archetypen atsîlôth wordt genoemd; dan, daaropvolgend naar omlaag
komt de tweede, de wereld die berîâh of de scheppende wereld
wordt genoemd; en dan de derde wereld die de wereld van de vorming,
yetsîrâh wordt genoemd; en tenslotte de vierde of fysieke wereld,
die de kabbalisten de wereld van de omhulsels, qelippôth noemden,
onze wereld, omdat ze de wereld van de meest vaste stof is, het omhulsel
dat alle andere omvat; zoals de schaal van een ei of de schil van een
vrucht, enz., en die ook nog iets anders betekent in verband met kâmaloka,
maar we gaan dat deel van het onderwerp vanavond niet behandelen en vermelden
het slechts in het voorbijgaan. Deze werelden zijn natuurlijk onze vier
kosmische elementen.
Verder moet u de volgende belangrijke gedachte
onthouden. Elk van deze zeven kosmische elementen bevat vanaf het begin,
d.w.z. naar beneden geteld, alle andere die eraan voorafgingen en waarvan
het een emanatie is. Het eerste, het hoogste emaneert bijvoorbeeld het
tweede daaronder, waarin het zich bovendien weerspiegelt; niettemin heeft
dit tweede zijn eigen svabhâva, zijn eigen essentiële aard of speciale
karakteristiek, maar het is ook, zoals gezegd, de drager of het voertuig
van het element daarboven. Vervolgens emaneren deze twee het derde en
weerspiegelen zich daarin, dat niettemin zijn eigen essentiële aard heeft
maar toch de drager of houder is van die daarboven; en hetzelfde geldt
voor de vierde of laagste wereld of het vierde of laagste element.
Ieder atoom, zelfs van de fysieke wereld, heeft
alles van de grenze loze kosmos in zich, latent of ontwikkeld, al naar
gelang de omstandigheden. Let op de optimistische visie die daaruit spreekt.
Deze vier lagere kosmische elementen of gebieden
omvatten alles wat wij zijn, dat wil zeggen, alles wat wij tot dusver
hebben ontwikkeld. De top van het archetypische of vierde kosmische gebied
is het element waar het layacentrum van onze âtman zich bevindt – ons
universele kosmische zelf. Daardoorheen stromen van bovenaf de goddelijke
krachten die onze zeven beginselen, onze zeven elementen van het zijn,
voortbrengen of liever zijn en zich manifesteren in de vier lagere kosmische
elementen, die eveneens de zeven sferen van prakriti of de natuur vormen
zoals wij die kennen. U zult zich herinneren dat ieder kosmisch element
zelf is onderverdeeld in zeven subelementen, d.i. zeven graden van prakriti.
Voorzover het ons betreft, omvatten de zeven subgraden van prakriti of
de natuur op elk van deze vier lagere kosmische gebieden de enige graden
van prakriti waarvan wij op dit moment kennis kunnen nemen, omdat we nog
niet de vermogens in ons hebben ontwikkeld die nodig zijn om de hogere
te kennen.
U zult zich uit de studie van de leringen die
H.P. Blavatsky ons heeft gegeven in haar prachtige boek De Geheime
Leer herinneren dat de levensgolf een evolutionaire baan volgt door
deze zeven bollen, waarbij zij van bol A, na haar evolutionaire cyclus
daarop te hebben voltooid, naar bol B gaat, haar cyclus op bol B voltooit
en naar bol C gaat, haar cyclus hierop voltooit en dan naar bol D gaat
en zo rond de keten, wat wij één ronde noemen.
Maar we moeten bij deze onderwerpen voorzichtig
zijn en voorba rige conclusies vermijden. Met het voorgaande wordt niet
bedoeld dat we pas naar bol B overstappen wanneer alles op bol A is voltooid
en volmaakt is geworden. Zo is het niet. Op bol A evolueren zeven sub-levensgolven.
Wanneer de laagste (of die van de delfstoffen) – en bedenk dat al is het
een spirituele planeet de ‘delfstoffen’ van die spirituele planeet toch
even dicht en even grof voor haar bewoners zijn als onze delfstoffen voor
ons zijn – op bol A haar ontwikkeling voor die ene ronde heeft
voltooid, voelt ze de stuwende invloed of impuls van de binnenkomende
levensgolf van het plantenrijk en vloeit haar surplus aan leven over naar
bol B; en wanneer de levensgolf van het dierenrijk op haar beurt inwerkt
op die van het plantenrijk en deze laatste haar zevenvoudige baan heeft
doorlopen, stroomt de levensgolf van het plantenrijk op haar beurt omlaag
naar bol B en gaat de levensgolf van het delfstoffenrijk over van bol
B naar bol C; en wanneer de mensen wereld op bol A binnenkomt, begint
de dierenwereld af te dalen naar bol B, de levensgolf van het plantenrijk
gaat over naar C, de levensgolf van het delfstoffenrijk naar D, enz. Dit
is het proces in de eerste ronde; maar te beginnen met de tweede ronde
wijzigt de volgorde van het proces zich enigszins. Maar dat bewaren we
voor latere bijeenkomsten.
Het surplus aan levenskrachten van elk rijk vloeit
als het ware over naar de volgende bol; en dit ingewikkelde proces (maar
te beginnen met ronde 2 in gewijzigde vorm) wordt door alle ronden, door
alle zeven bollen gevolgd. Wanneer bol G, of de zevende, wordt bereikt,
volgt er voor de levensgolf een nirvâ.na, dat overeenkomt met het devachan
of de hemelperiode tussen twee menselijke incarnaties op aarde; en ook
tussen elke twee bollen is er een kortere tijd van rust voor de evoluerende
levensgolf.
Alleen al dit proces is genoeg om het denken
van veel mensen in verwarring te brengen. Het schijnt zo ingewikkeld;
in werkelijkheid is het heel eenvoudig. Men hoeft er slechts even rustig
over na te denken om het te begrijpen – half zoveel tijd als de meeste
mensen besteden aan materiële dingen van het leven: wat zal ik eten, wat
zal ik aantrekken, naar welke schouwburg zal ik gaan, hoe zal ik geld
verdienen, enz.
We hebben over loka’s en tala’s gesproken. We
zullen dit onderwerp op de volgende bijeenkomst uitvoeriger bespreken.
Maar onthoud dat elk van deze bollen is verdeeld in veertien verschillende
‘werelden’. Ik bedoel niet bollen; ik bedoel toestanden van stof.
Water kan bijvoorbeeld ijs of stoom zijn en kan toch water zijn. Stel
dat u iemand die nog nooit ijs heeft gezien, maar alleen water, moet uitleggen
wat ijs is; en dat hij, als u het heeft geprobeerd zou zeggen: ‘De man
spreekt wartaal; hij probeert me te vertellen dat water, het meest vloeibare
van alle dingen onder bepaalde omstandigheden een koude steen kan worden’.
Ten tweede, wanneer we werelden zeggen (we moeten
woorden gebruiken om enig idee van de betekenis te geven) bedoelen we
niet bollen. Een bol is bol A, of B, of C, of D, of E, of F, of G; maar
elk van deze bollen omvat of heeft zeven loka’s of ‘plaatsen’, of werelden,
of toestanden, of soorten van stof – subwerelden, zo u wilt; en ook zeven
tala’s wat in totaal op veertien uitkomt. Onthoud ook dat deze veertien
(of deze tweemaal zeven) werelden niet boven elkaar liggen als de treden
van een trap. Zij bevinden zich in elkaar, de een meer binnenwaarts
dan de ander, niet precies zoals de rokken van een ui, maar iedere innerlijke
wereld is fijner, spiritueler, etherischer dan de volgende die meer naar
buiten ligt; en de meest etherische, de meest spirituele van alle is de
binnenste.
Deze zeven loka’s op iedere bol zijn de velden
van activiteit tijdens de opgaande subgolven van de cyclussen van de levensgolf;
de verschillende soorten lichamen, etherische, fysieke of spirituele,
of welke andere ook die de levensgolf gebruikt op haar tocht door de evolutionaire
cyclussen stemmen in structuur en zintuigen overeen met de verschillende
loka’s die worden doorlopen, en de loka die de evoluerende entiteit waarneemt
is die bijzondere loka of wereld die met haar lichamen overeenstemt. En
voor de tala’s geldt hetzelfde tijdens de neergaande subgolven van de
cyclussen van de levensgolf. De loka’s en tala’s werken altijd samen,
twee aan twee, één van elk, omdat de stof in manifestatie op de bollen
bipolair is; van deze twee (één loka en één tala) is er één geestelijk
positief die in de ene richting trekt en de andere is geestelijk negatief
en trekt in de andere richting.
Tenslotte wijzen we erop dat we ons in deze tijd
in een van deze loka’s en in een van deze tala’s bevinden en dat er zes
andere mens heden of levensgolven zijn die een soortgelijke evolutie doormaken
als wij: intelligente, denkende wezens op onze planeet –ik zeg niet noodzakelijk
op onze bol D – die door deze loka’s en tala’s evolueren. Wat wordt de
verbeelding door deze gedachte gestimuleerd! Als dit evolutieproces niet
op deze manier plaatsvond, zou er geen volkomen logische en bevredigende
verklaring kunnen zijn voor het verschijnsel dat schrijvers uit de begintijd
van de theosofische beweging ‘vijfderonders’ en ‘zesderonders’ noemden.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 438-50
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|