HOOFDSTUK 36

ELKAAR DOORDRINGENDE SFEREN VAN ZIJN. LOKA’S EN TALA’S: TWEEPOLIGE KOSMISCHE BEGINSELEN EN ELEMENTEN. DE ‘KETTERIJ VAN AFGESCHEIDENHEID’.

 

     Alle dingen zijn met elkaar verstrengeld en de band is heilig; en er is nauwelijks iets dat niet met ieder ander ding is verbonden. Want de dingen zijn geordend en ze verenigen zich om hetzelfde heelal (dezelfde orde) te vormen. Want er is één heelal dat uit alle dingen bestaat en één god die alle dingen doordringt en één substantie en één wet, (één) gemeenschappelijke rede in alle intelligente wezens en één waarheid; zo is er inderdaad ook één volmaaktheid voor alle wezens die van dezelfde stam zijn en aan dezelfde rede deel hebben.

– Marcus Aurelius, Tot zichzelf, 7, 9
     (naar vert. George Long)
     De natuur heeft alle delen van haar rijk verbonden met subtiele draden van magnetische sympathie en zelfs tussen een ster en een mens is er een wisselwerking; . . .
De Mahatma Brieven, blz. 296
     Als u door de hal van wijsheid het dal van gelukzaligheid wilt bereiken, discipel, sluit dan uw zinnen af voor de grote ketterij van afgescheidenheid, die u van anderen vervreemdt.
De Stem van de Stilte, Fragment I

In de joodse talmoed staat een merkwaardig oud verhaal, vol diepe wijsheid van de leraren van vroeger, dat gaat over vier kandidaten voor wijsheid. Het vertelt hoe zij de Tuin der Heerlijkheden binnengingen, een benaming die de joden en vooral de kabbalisten gebruikten om het rijk van het occultisme, van de occulte wetenschappen aan te duiden, en de namen van deze vier kandidaten voor wijsheid waren als volgt: Ben Asai, Ben Zoma, Ahher en Rabbi Aqiba. Het verhaal gaat als volgt: ‘Ben Asai keek – en verloor zijn gezichtsvermogen; Ben Zoma keek – en verloor zijn verstand. Ahher ging de Tuin der Heerlijkheden binnen en richtte er verwoestingen aan; maar Rabbi Aqiba ging in vrede naar binnen en ging in vrede weer heen. En de Heilige van wie wij de dienaren zijn –gezegend zij zijn naam – sprak: ‘Deze oude man is waardig om ons met ere te dienen’.’
     Dit zijn de vier algemene typen leerlingen die de oude wijsheid bestuderen. Ben Asai, die zijn gezichtsvermogen verloor, was iemand die door de leringen werd aangetrokken en die, zoals in een ander geval dat in de Griekse legenden wordt vermeld, het aangezicht van de naakte waarheid aanschouwde en ‘met blindheid werd geslagen’. Hij werd namelijk een nog ergere exotericus dan hij daarvoor al was. Hij was niet voorbereid, niet gereed. Hij had zich met geweld toegang verschaft tot de plaats waar hij niet thuishoorde. En hij haalde zich een van de straffen op de hals die hen te wachten staan die met een onrein hart en een onvoorbereid gemoed de heilige plaatsen binnengaan.
     En Ben Zoma keek en verloor zijn verstand; hij was iemand met een natuur die zo zelfzuchtig was dat hij alleen zocht naar dat waaruit hij zelf voordeel zou kunnen putten. En omdat hij wispelturig, zwak, egocentrisch en zelfzuchtig van aard was, verloor hij zijn ‘verstand’, dat wil zeggen, hij werd de slaaf in plaats van de meester. U kent het oude middeleeuwse gezegde dat de tovenaar die de zogenaamde ‘geesten van de onmetelijke diepte’ oproept en ze niet volkomen beheerst, door hen uit de weg wordt geruimd, wat hetzelfde leert als wij leren over de vol strekte noodzaak geestelijk voorbereid, moreel gereed, te zijn. ‘Want de reinen van hart zien God’, en hebben niets te vrezen, wat de christelijke manier is om aan dezelfde gedachte uitdrukking te geven.
     Ahher, die in de Tuin verwoestingen aanrichtte, was iemand die wilskracht en durf bezat, maar hij was ook iemand die in de eerste plaats aan zichzelf dacht en hij misbruikte de heilige wetenschappen voor eigen vooruitgang en persoonlijk gewin, om in aanzien te komen en al dat soort dingen. Hij is wat men het type van de zwarte magiër noemt. Zo iemand vernietigt zichzelf door een plaats binnen te gaan waarvoor hij niet geschikt is; in dit geval Ahher die ‘verwoestingen’ aanrichtte; en Ben Zoma deed hetzelfde.
     Maar Rabbi Aqiba, die in vrede naar binnenging en in vrede vertrok, was het type mens dat innerlijk volledig voorbereid en gereed was, en zijn natuur was door discipline, door zelfdiscipline zo gelouterd, door zelfvergetelheid en door het zien van de schoonheid van zelfverloochening in de ware zin van het woord zo gelouterd, dat de stralen die uitgaan van het goddelijke hart van het Zijn, van de geestelijke zon, door hem heen konden schijnen.
     Welke les bevat deze allegorie voor ons? Deze parabel toont ons dat, om trouwe discipelen te zijn en om het door ons gestelde doel te bereiken, de eerste les voor ons discipline, zelfdiscipline, ethiek is. We komen op deze bijeenkomsten voortdurend op dit punt terug omdat het van het grootste belang is. Ieder mens denkt dat hij ethisch en moreel handelt. Doet hij dat ook? Vraag uzelf af wat u of ik bij een werkelijke verleiding zouden doen. De Fransen hebben een nogal cynisch gezegde dat luidt ‘ieder mens is omkoopbaar’. Is dat waar? Zo ja, dan bent u noch ik, dan is niemand van ons geschikt om hier vanavond te zijn. Pas wanneer we het punt voorbij zijn waarop iets op aarde onze wil kan beïnvloeden of beheersen, of ons kan omkopen, pas dan zijn we geschikt om de Tuin der Heerlijkheden binnen te gaan, zoals de oude man Rabbi Aqiba die in vrede kwam en in vrede weer heenging – een meester.
     We citeren vanavond nogmaals het fragment uit De Geheime Leer (2:558-9), dat we op verschillende bijeenkomsten hebben gelezen, omdat het onderwerp dat we nu bestuderen daarom draait. Schenk aandacht aan elk woord.

     De Geheime Leer wijst op het vaststaande feit dat de mensheid, collectief en individueel, met de hele gemanifesteerde natuur, het voertuig vormt (a) van de adem van het Ene universele Beginsel in zijn eerste differentiatie; en (b) van de talloze ‘adems’ die voortkomen uit die ENE ADEM in zijn secundaire en verdere differentiaties, naarmate de Natuur met haar vele mensengeslachten afdaalt naar de gebieden die steeds in stoffelijkheid toenemen. De primaire adem bezielt de hogere hiërarchieën; de secundaire – de lagere, op de steeds afdalende gebieden.

     We gaan vanavond een grote stap verder, en maken als het ware een sprong over veel zaken die we hadden kunnen behandelen, zoals de enorm belangrijke vraagstukken van de dood en van het linkerpad, om slechts twee onderwerpen te noemen. Maar we zullen ons best doen om te laten zien wat de oude wijsheid bedoelde (al hebben we de basis daarvoor nog niet volledig gelegd) wanneer ze van de sferen van het zijn sprak. De gebruikelijke term voor zo’n sfeer is ‘gebied’, een term die zijn waarde heeft omdat we eraan gewend zijn; en toch moeten we bedenken dat dit woord gebied een woord met een ruime betekenis is, omdat het in het gewone spraakgebruik van alles kan betekenen, maar het geeft niet de fundamentele gedachte weer dat deze innerlijke werelden in feite werkingsvelden, sferen van zijn, werkelijk bestaande werelden zijn.
     U zult zich herinneren dat we op de vorige bijeenkomst in een diagram zeven evenwijdige lijnen hebben getrokken die de zeven kosmische elementen voorstellen, waarin de zeven kosmische krachten of beginselen werken – de energie-bewustzijn-kant van het zijn. Ik wijs u er vanavond in het bijzonder op dat deze elementen, de kosmische elementen, werelden zijn. Noem ze gebieden zo u wilt, maar in werkelijkheid zijn het werelden. Het hoeven geen bollen te zijn, dat wil zeggen vaste bolvormige lichamen. Ze bevinden zich in en om de bollen, maar toch zijn het echte werelden, werkingssferen, sferen van bewustzijn; en elk van deze kosmische elementen, afgezien van het feit dat het een wereld is, is vol met zijn eigen ‘mensheden’, die ontelbaar zijn en elke menselijke berekening te boven gaan. De menselijke stirpes, het menselijke geslacht, ras, de menselijke soort, is er slechts één van de vele.
     De oude wijsheid zegt ons dat er zeven hoofdklassen van zulke mensheden of stirpes op iedere planeetketen zijn en dat op deze aarde, bol D van onze keten, de mens aan het hoofd van de klassen onder hem staat. Deze klassen kent men in het gewone spraakgebruik en in het spraakgebruik van de wetenschap als rijken: eerst het mensenrijk (dat ten onrechte met het dierenrijk wordt verward); ten tweede het dierenrijk; als derde het plantenrijk; ten vierde het delfstoffenrijk; en daaronder de drie rijken van elementalen – noem deze laatste natuurgeesten of substirpes, subgeslachten, onderrassen, sublevensgolven van het zijn. Op de vorige bijeenkomst heeft u gezien dat we in het diagram een driehoek hebben getekend, die de drie hogere of arûpa of vormloze werelden voorstelt en die dus met de zeven daaronder de tien van een volledige hiërarchie vormen.
     Deze kosmische elementen of werelden of sferen worden meer in het bijzonder verdeeld in loka’s – een Sanskrietwoord dat ‘plaatsen’ betekent in de zin van werelden – en in tala’s. En deze worden hieronder opgesomd, waarbij de namen worden gebruikt die men in de brahmaanse literatuur van Hindoestan aantreft, namen die we gemakshalve hebben overgenomen omdat ze in die literatuur voorkomen en min of meer bekend zijn; maar dit hoeft niet te betekenen dat we alle denkbeelden aanvaarden die in de brahmaanse boeken daarmee in verband worden gebracht. We gebruiken deze namen omdat ze laten zien dat er in feite zeven werelden of loka’s en zeven lagere werelden of tala’s zijn en we zullen vanavond beginnen deze kort te beschrijven.
     Let erop dat deze zeven kosmische beginselen en elementen in feite deze veertien loka’s, of liever loka’s en tala’s, zijn, zeven van elk. Laten we ze eerst opsommen en in volgorde noemen:
    

satya-loka

tapar-loka

janar-loka

mahar-loka

svar-loka

bhuvar-loka

bhûr-loka

1

2

3

4

5

6

7

atala

vitala

sutala

rasâtala

talâtala

mahâtala

pâtâla

     Eerst de loka’s. Wanneer we met de hoogste beginnen, dat wil zeggen de innerlijkste, komen we bij satya-loka, een woord dat ‘werkelijkheidwereld’ betekent; de volgende, tapar-loka, is een samengesteld Sanskrietwoord dat ‘devotiewereld’ betekent in de zin van ‘meditatie’, ‘contemplatie’, ‘introspectie’; dan janar-loka van de Sanskrietwortel die ‘geboren worden’ betekent; mahar-loka met de betekenis van ‘groot’; svar-loka met de betekenis van ‘hemel’; bhuvar-loka, een oud woord dat van de Sanskrietwortel bhû komt en ‘groeien’ of ‘ontwikkelen’ betekent; en tenslotte bhûr-loka, de laagste. De hiermee corresponderende tala’s zijn, wanneer we naar beneden tellen vanaf de hoogste naar de meer materiële, atala, vitala, sutala, rasâtala, talâtala, mahâtala, pâtâla.
     De eerste gedachte waarop we onze aandacht moeten richten is dat deze loka’s en tala’s niet boven elkaar liggen zoals de sporten van een ladder; ze doordringen elkaar, ze vermengen zich met elkaar; ze zijn niet alleen samengevoegd maar vermengen zich. Een gedachte van een mens hoeft bijvoorbeeld niet volmaakt goddelijk of volmaakt slecht te zijn. Ze is samengesteld, een mengeling van beide eigenschappen, maar niet slechts een mengsel. Zo mechanisch is het niet. We bestuderen etherische en geestelijke zaken. Deze loka’s en tala’s mengen zich dooreen. Elektriciteit bijvoorbeeld, of wij haar stof dan wel kracht noemen, is tweepolig. Er is een positieve en een negatieve pool. We kunnen een van de polen een loka noemen en de andere pool de daarmee corre s ponderende tala, want deze corresponderen twee aan twee met elkaar, een loka en een tala, de een met de ander. Satya-loka met atala, tapar-loka met vitala en zo verder langs de reeks naar beneden tot we bij de laagste komen, bhûr-loka en pâtâla.
     Gewoonlijk wordt in de brahmaanse literatuur gezegd dat de loka’s de ‘hemelen’ en de tala’s de ‘hellen’ zijn. Dat is één manier om aan een diepe waarheid uitdrukking te geven, maar we moeten oppassen voor woorden zoals hemelen en hellen gezien de daaraan verbonden onjuiste Europese godsdienstige ideeën en de denkbeelden die daarmee samenhangen. De feitelijke, esoterische betekenis is dat de loka’s de lichtende boog zijn, of beter die voortgang van de natuur en van wezens waarin de geest of de lichtende boog overheerst. En de tala’s zijn de boog van de schaduwen, de schaduwboog of beter die voortgang van de natuur en van wezens waarin de stof overheerst. Elke loka werkt met zijn corres ponderende tala. Dit is een fundamentele gedachte. Men kan ze niet scheiden.
     Elk van de zeven kosmische elementen correspondeert met een van de loka’s en met een van de tala’s. Anders gezegd, de zeven loka’s en de zeven tala’s werken op en corresponderen met elk van de kosmische elementen of werelden. Bovendien heeft elk van de zeven bollen van onze planeetketen zijn eigen zeven loka’s en zeven tala’s door ‘weerspiegeling’. U kent het oude esoterische beginsel dat aan ons hele denken ten grondslag ligt en wordt uitgedrukt in het zogenaamde axioma van Hermes ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven’. Dit betekent dat ons heelal en elk deel daarvan niet een ordeloos heelal is. Alles is met al het andere verstrengeld en het hogere wordt weerspiegeld of liever weerspiegelt zich in het lagere, waarbij het lagere in feite de uitdrukking van het hogere is; of, zoals het op eerdere bijeenkomsten werd uitgedrukt, de lagere werelden zijn de gewaden (of uitdrukkingen of weerspiegelingen) van de hogere. Niets is afgescheiden van iets anders. U weet dat de grootste ketterij in het boeddhisme (en dit is ook onze leer) de zogenaamde afgescheidenheid is, het denkbeeld of het geloof dat iets is afgezonderd van het geheel of als zodanig kan worden beschouwd. Dat is ook wat de christenen bedoelden toen zij van ‘zonde tegen de Heilige Geest’ spraken. De weinige eerste christenen die waren ingewijd, beschouwden deze misdaad als de afschuwelijkste van alle wandaden, en ze hadden gelijk.
     Op dit punt gekomen kunnen we begrijpen dat deze tala’s of lagere werelden, elk afzonderlijk en alle tezamen, feitelijk de kosmische elementen zijn. Is deze gedachte duidelijk? De krachten die door middel van deze tala’s of werelden, door middel van deze gebieden van activiteit, werken – materiële, etherische, psychische, geestelijke, goddelijke krachten enz. – zijn de beginselen van de kosmos, de bewustzijnen die de ruimte vullen en in feite de ruimte zelf zijn; en laatstgenoemde zijn de loka’s.
     We hebben erop gewezen dat deze elementen als reeks ongeveer als de rokken van een ui kunnen worden gezien. Dat is een veel beter beeld, omdat het suggestiever is dan het stelsel van ‘gebieden’, al werd dit stelsel ook in de oudheid gebruikt; en we hebben ook erop gewezen dat deze schillen van de aarde, deze schillen van de kosmos, etherischer worden, geestelijker worden, naarmate ze meer naar binnen liggen. Maar we bedoelen hiermee niet – en dat moeten we goed in het oog houden – dat deze meer geestelijke of innerlijke werelden of sferen kleiner zijn, dat wil zeggen geringer van omvang dan de buitenste schil. Grootte heeft in het geheel niets met etherische of geestelijke verhoudingen te maken. Massa of omvang alleen heeft totaal niets met bewustzijn te maken. Hoe kunnen we deze twee schijnbaar tegenstrijdige uitspraken, deze paradox, met elkaar in overeenstemming brengen: hoe meer men het materiële centrum van iets nadert, des te dichter is het; hoe meer men het geestelijke centrum van iets nadert, des te goddelijker is het? U weet dat de oude Griekse filosofen, de zogenaamde atomisten, zoals Democritus, Leucippus, Epicurus, enz., gevolgd door de grote Romeinse dichter Lucretius in hun atomistische theorieën bijvoorbeeld zeiden dat de hemel uit de fijnere, de subtielere atomen bestond en dat de aarde en de planeet- en sterrenlichamen uit atomen bestonden die grover en zwaarder waren en daarom samenvielen, wat betekent dat ze sterker tot elkaar werden aangetrokken. De waarheid hiervan ligt voor de hand, want het is een uitspraak die werd gedaan vanuit het standpunt van de talazijde, dat wil zeggen de stofzijde. Maar let nu op.
     We hebben vaak gesproken over een layacentrum; een layacentrum is de zevende of hoogste graad van stof (of de eerste graad van geest), het verdwijnpunt van de stof naar hogere gebieden, het nirvâ.na van de stof, het nirvâ.na van iedere entiteit waarvan het het hart, het centrum, is. Het layacentrum voor ons als mens is onze âtman, ons universele zelf. Elke bol is ook een atoom of een monade of een god, afhankelijk van het gebied of de wereld die we beschouwen en waarin deze zich bevindt. Dit layacentrum bevindt zich in het middelpunt of het hart van ons wezen; het is in feite de kern van ons wezen, en zoals de stralen van de zon naar buiten schijnen, zo stralen deze krachten, deze elementen, deze schillen van het leven, vanuit die kern; deze krachten en elementen of schillen worden in zekere zin grover, naarmate zij verder van het middelpunt afstaan. Maar hoe etherischer het oorspronkelijke gebied of werkingsveld, of de oorspronkelijke wereld of sfeer is, des te geestelijker is het voortbrengende centrum en des te breder is het spectrum van de uitgezonden straling. Begrijpt u die gedachte? De geestelijke entiteit die voortdurend door het layacentrum stroomt, heeft stralen die veel verder reiken dan de meer stoffe lijke omhulsels en die in de laagste nauwelijks verdergaan dan haar eigen begrenzing. Om een ander beeld te gebruiken, de geestelijke, innerlijke rijken van een mens of van een bol zijn de verschillende ‘gebieden’ of graden of sferen van het aurische ei – een van onze heiligste leringen en waarover het minst is gezegd.
     Laten we dit nog eens toelichten aan de hand van een exoterische uitspraak over de laagste drie loka’s, respectievelijk bhûr-loka, bhuvar-loka en svar-loka. Van bhûr-loka wordt in de exoterische brahmaanse boeken gezegd dat hij onze aarde is. Zijn invloedssfeer reikt niet veel verder dan de atmosfeer. Bhuvar-loka, zegt men, heeft stralen (of een atmosfeer) die tot de zon reiken, hoewel hij eigenlijk de eerstvolgende wereld of loka binnen de aarde is – niet een tweede stoffelijke wereld binnen de stoffelijke aarde zoals bij de rokken van een ui, maar een etherische wereld binnen de fysieke aarde. En svar-loka is een wereld die nog etherischer of geestelijker is binnen bhuvar-loka, die stralen (of een atmosfeer) heeft die zelfs tot Dhruva, de poolster, reiken. Dit verheldert dit punt misschien.
     Hieruit valt zonder meer af te leiden dat we met wezens buiten of boven onszelf of met andere planeten of met onze zon of andere zonnen niet in verbinding zouden kunnen staan als deze atmosferische dragers, deze aurische stralen, deze atmosferen, er niet waren, waardoor we in contact komen met andere wezens en bollen en werelden – zowel op ons gebied als op andere gebieden. Is dat duidelijk? Ter verduidelijking: een magneet heeft zijn magnetisme of magnetische atmosfeer die verder reikt dan hijzelf. Zijn bereik is natuurlijk beperkt; en in dezelfde betekenis hebben al deze loka’s en tala’s hun atmosfeer. De innerlijke hebben atmosferen die verder reiken dan de uiterlijke loka’s en tala’s; en het bereik neemt steeds toe naarmate we verder binnenwaarts gaan.
     Van pâtâla, het laagste van de tala’s, wordt ook gezegd dat het onze aarde is. Deze uitspraak is ook juist vanuit het gezichtspunt van de kosmische gebieden. Bedenk ook dat deze loka’s en deze tala’s de tweepolige elementen van de natuur zijn, de bipolaire werelden van het zijn, de opgaande en de neergaande: de involuerende of de tala’s en de evoluerende of de loka’s. Als de werking van de tala’s domineert over de werking van de loka’s, ‘dalen’ we af, om het populair te zeggen, langs de schaduwboog, naar de gemanifesteerde toestand aan het begin van een manvantara en wanneer we onze aarde, die het keerpunt is, hebben bereikt, klimmen we langs de lichtende boog omhoog, en dan worden de loka’s dominant en de tala’s recessief om een term uit de biologie te gebruiken.
     Satya-loka zou niet kunnen bestaan zonder atala als zijn voertuig of lagere pool. Tapar-loka zou niet kunnen bestaan zonder vitala als zijn lagere pool; en zo verder langs de reeks omlaag. Dit is een van de moeilijkste dingen om in een Europese taal uit te leggen; en toch is het in feite een van de eenvoudigste begrippen. We moeten ons denken eerst zuiveren van mechanistische ideeën. We moeten begrijpen dat we hier te maken hebben met geestelijke, psychische en etherische zaken en dingen. Er zou geen lichtende boog kunnen zijn zonder de loka’s en geen schaduwboog zonder de tala’s als respectieve bases – en als we lichtende of schaduwboog zeggen, bedoelen we geen echte boog want het is beeldspraak. We bedoelen die werelden en die processen en die stromen van wezens in de natuur waardoor of waarin of door middel waarvan we afdalen in manifestatie of anderzijds waardoor we opstijgen en groeien tot geestelijke grootheid.
     Dat zijn respectievelijk de beide bogen. Deugd, reinheid, vriendelijkheid, mededogen, medelijden, barmhartigheid, enz. – al die dingen zijn een teken dat de entiteit die ze bezit de innerlijke geest tot ontwikkeling brengt en opstijgt, opklimt, langs de lichtende boog. En als we zelfzucht zien en onreinheid, onvriendelijkheid, wreedheid, bedrog, huichelarij, enz., dan zijn dat tekenen dat de entiteit die ze bezit onder de invloed of de heerschappij staat van de neergaande of schaduwboog, de tala’s. Niettemin zijn de loka’s en tala’s vanaf het eerste begin en in beide richtingen met elkaar vermengd en werken ze samen, want ze zijn geest en stof.
     Deze twee, loka’s en tala’s, werken dus in elkaar. Onze aarde bijvoorbeeld, de planeet Terra, onze bol waarop en waarin we leven, heeft haar eigen speciale zeven loka’s en zeven tala’s. Vanuit een kosmisch gezichtspunt zijn de fysieke loka en tala voor onze huidige fysieke ogen bhûr-loka en pâtâla, of onze aarde. Zij is pâtâla als we haar vanuit een materieel gezichtspunt beschouwen; en ze is bhûr-loka, als we haar vanuit de energie-bewustzijn-kant bezien, vanuit de hogere of betere kant, de opgaande kant. Bedenk dat loka’s en tala’s onveranderlijk twee aan twee werken en bestaan – in paren, van elk één, en op ieder gebied.
     Behalve dat de zeven kosmisch beginselen respectievelijk de loka’s en de kosmische elementen de zeven tala’s zijn, worden alle veertien, zeven van elk, weerspiegeld in elk van de zeven bollen van onze keten. ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven’. Het kleine is als het grote; de microkosmos is niets anders dan een beeld of kopie in het klein van de macrokosmos.
     Stel dat we over deze loka’s en tala’s de vraag zouden stellen: Waar staan wij op de ladder? In welke loka en tala bevinden wij ons? We zijn zoals we weten op de vierde bol van onze keten. We nemen dus de vierde loka en het vierde tala: mahar-loka die in de reeks met rasâtala corres pondeert. Maar bovendien zijn we in de vierde ronde van onze planeetketen. Dit bipolaire beginsel wordt dus versterkt door de aard van de vierde ronde: nogmaals mahar-loka en rasâtala. Verder zijn we in het vijfde wortelras van de vierde bol in de vierde ronde. Daarom vertegenwoordigt ons wortelras, hoewel het op die vierde bol en in die vierde ronde evolueert, de vijfde van elke kolom: svar-loka en talâtala. ‘Wielen binnen wielen’ zoals Ezechiël, de Hebreeuwse profeet het waardig uitdrukte.
     Waar bevinden we ons met betrekking tot de kosmische elementen? We hebben dit enkele ogenblikken geleden gezegd. In het diagram in De Geheime Leer, dat we eerder hebben weergegeven, wijst H.P. Blavatsky erop dat onze bol Terra zich in het laagste van de kosmische elementen bevindt, het zevende naar beneden geteld. Kosmisch gesproken is dus het kosmische element waarin wij en deze bol zich bevinden bhûr-loka en pâtâla.
     Deze werkingen en wisselwerkingen, deze vermengingen van loka’s en tala’s, van deze verschillende elementen, krachten en beginselen, maken iedere uiteenzetting ervan zo ingewikkeld. Maar daardoor is de kennis ervan zo kostbaar, want zulke kennis wordt niet van de daken verkondigd, maar wordt, zoals eerder gezegd, aan hen die waardig en daartoe gerechtigd zijn bevonden als beloning voor hun verdienste geschonken.
     Laten we deze vragen vanuit een ander standpunt benaderen. Waar zijn we in de kosmische werelden of gebieden? Er is gezegd dat Brahmâ honderd van zijn jaren leeft. Brahmâ is, zoals u zich zult herinneren, een Sanskrietwoord voor de geestelijke energie-bewustzijn-kant van ons zonneheelal of zonnestelsel, en het ei van Brahmâ is dat zonnestelsel. Verder is er gezegd dat zijn leven voor de helft is verstreken, dat vijftig van zijn jaren voorbij zijn, een getal dat we in onze jaren uitdrukken met vijftien cijfers, namelijk 155 biljoen, 520 miljard (155.520.000.000.000) jaar zijn verstreken sinds ons zonnestelsel met zijn zon het eerst zijn manvantarische loopbaan begon. Er blijven dus nog vijftig van zulke jaren over die doorlopen moeten worden voor het stelsel zijn rustperiode of pralaya ingaat. Omdat slechts de helft van de evolutionaire tocht is volbracht, bevinden we ons dus op het onderste punt van de kosmische cyclus, dat is op het laagste gebied, zoals het eerdergenoemde diagram laat zien.
     En waar zijn we op deze planeet? We zijn ook hier op het laagste gebied, omdat we, aangezien we in de vierde ronde zijn, onze baan pas voor de helft hebben afgelegd. Het laagste kosmische gebied is, zoals eerder gezegd, bhûr-loka en pâtâla. In werkelijkheid zijn we echter – zoals eerder werd gezegd – iets op de opgaande boog gevorderd omdat onze planeetketen het kind is van de maanketen en de maanketen zich precies op het laagste punt bevond.
     Deze gedachten worden u als stellingen voorgelegd om verder over na te denken. U moet in de eerste plaats goed beseffen dat het heelal volgens het oude stelsel wordt verdeeld in zeven stadia of graden van zijn; dat zijn werelden, loka’s en tala’s; dat wil zeggen deze werelden zijn gepolariseerd in loka’s en tala’s, in paren van twee. Op onze aarde blijken ze bipolair te zijn, want op dit gebied, in dit kosmische element of in deze wereld, in deze bepaalde graad of sfeer is ze de enige planeet. Ze is het keerpunt van onze planeetketen waar stof-geest in evenwicht is, en dus tweepolig is geworden. Vervolgens moet u bedenken, dat elk van de zeven bollen van onze keten zijn eigen zeven loka’s en zeven tala’s heeft. Ze worden gewoonlijk hemelen en hellen genoemd. Niet dat ze hemelen en hellen zijn in de Europese betekenis van het woord, maar ze vertegenwoordigen de twee kanten van het zijn, de dualiteit van de manifestatie, de hogere en de lagere naturen, zo u wilt, van zowel de planeet als de mens.
     Laten we een stapje verdergaan. In elk van de zeven loka’s en de zeven tala’s van onze wereld, die twee aan twee samenwerken, telkens één loka en één tala, bevinden zich ontelbare menigten van wezens. In de hogere loka’s en tala’s bevinden zich denkende en bewuste entiteiten zoals onze eigen menselijke stirpes (ras, geslacht, levensgolf) dat zijn. Deze loka’s en tala’s doordringen elkaar. Zoals H.P. Blavatsky in een prachtige passage in De Geheime Leer zegt, hebben ze elk hun eigen ‘geografische’ sferen; de respectieve bewoners van de verschillende loka’s en tala’s leven in hun eigen wereld, volgen hun eigen roeping, werken hun eigen karmische bestemming uit evenals wij in onze wereld. Alleen het egoïsme van de mens is zo dwaas te beweren dat onze mensheid het enige ras van intelligente wezens in de grenzeloze kosmos is, en gaat zelfs zover dat het aan wezens op andere planeten zelfs intelligentie en bewustzijn ontzegt. Het is een standpunt dat onaanvaardbaar is voor werkelijk denkende mensen, omdat het alleen op onwetendheid en dwaasheid berust. Er is niets dat ter ondersteuning van deze bewering kan worden gezegd; en alles – de logica, het verstand, de analogie, vergelijking van denkbeelden, de intuïtie – alle getuigen overduidelijk van het tegendeel en verkondigen dat er geen atoom in de oneindige rijken van de ruimte is dat niet vol is met zijn eigen daar thuishorende en daarvoor geschikte reeksen of rassen van wezens.
     Ik vraag u deze loka’s en tala’s in gedachten te houden. Denk er steeds aan als een tweetal, één van elk, één loka en één tala die zijn tegenhanger is in de reeks, die altijd samenwerken, even onafscheidelijk als goed en kwaad, even onafscheidelijk als geest en stof. Zij vertegenwoordigen en zijn in feite de twee kanten van het zijn, niet noodzakelijk de lichamelijke kant en de geestelijke kant, maar de twee tegengestelde krachten, de twee tegengestelde kanten van de natuur, de nachtzijde en de lichtzijde, de schaduwkant en de lichte kant.
     De drie figuren waarvoor ik nu uw aandacht vraag betreffen drie oude symbolen die uit Atlantische tijden tot ons zijn gekomen en voor het onderwerp van vanavond heel betekenisvol zijn. Laten we eerst deze nemen: een cirkel die door een tweemaal gebogen lijn wordt verdeeld. De lijn buigt zich, terwijl ze opstijgt uit de omtrek en terugkeert in de omtrek, en vormt een figuur waarvan de ene zijde is gearceerd en de andere wit is gelaten. Dit is een geliefd boeddhistisch symbool. Men treft het overal in het oosten aan, maar vooral in boeddhistische landen en het vormt een geliefd motief in de boeddhistische kunst. Alle boeddhistische kunst is natuurlijk religieuze kunst. Als wij één kant, de gearceerde kant, nemen, zien we dat de lijn aan de bovenkant de omtrek verlaat, daarna terugbuigt en aan de onderkant weer in de omtrek opgaat. En waar ze weer in de omtrek opgaat zien we dat de lijn aan de nietgearceerde kant zich in tegengestelde richting beweegt, een deel van de omtrek van de cirkel vormt, omhooggaat tot ze de top bereikt en zich dan verenigt met de andere lijn, die vanaf dat punt eerst naar beneden ging als een tweemaal gebogen lijn om opnieuw bij dat punt te komen na de andere kant van de omtrek te hebben gevormd. De twee kanten stellen de loka’s en tala’s voor of de involutie van de geest en de evolutie van de stof; en ook, in opgaande richting de evolutie van de geest en de involutie van de stof, verenigd en onafscheidelijk, één figuur vormend; de cirkel stelt ook het grenzeloze Al voor; en de schaduwkant duidt op de tala’s, de donkere zijde of de stofzijde en de nietgearceerde kant duidt op de geestkant, de grote onbegrensde leegte van het grenzeloze Al, van het grenzeloze zelf.
     Ik denk dat dit symbool, deze figuur, een van de mooiste, een van de meest suggestieve is die ik ooit heb leren kennen. Hoe meer men het bestudeert, des te meer gedachten roept het op. Zoals gezegd, laat het zien dat de loka’s en tala’s onafscheidelijk zijn en door elkaar heen werken. Het toont ons bij wijze van spreken het afdalen van de geest en het opstijgen van de stof die naast elkaar en gelijktijdig plaatsvinden; en het toont de evolutie van de geest en de involutie van de stof terug naar de geest waaruit ze voortkwam en die ze in essentie is.
     Laten we nu onze aandacht op een ander oud symbool richten. Het is de swastika, eveneens een geliefd boeddhistisch symbool, dat overigens overal in het oosten en zelfs over de hele wereld wordt aangetroffen. Het duidt in de eerste plaats op beweging, evolutie; de tot een rechte hoek gebogen armen duiden op leven, beweging en vooruitgang en vele andere dingen.
     Let op de figuur van het kruis. We zien hier eerst – en dat brengt ons op de symbolische betekenis van het kruis waar we vanavond even bij moeten stilstaan – de verticale lijn, de geest, en dan de horizontale lijn, de stof die hij binnengaat en doorkruist. De twee werken samen. Neem een van de twee armen weg of neem een van de twee delen van de twee lijnen die de swastika vormen weg, en het is geen swastika meer. Het symbool wijst er ook op, al is het minder uitdrukkelijk, als ik het zo mag zeggen, dat de loka’s en tala’s onafscheidelijk met elkaar zijn verbonden.
     Het derde symbool is wat de wetenschappers nu kennen als de Egyptische tau of het geluste kruis, ook een oud symbool dat uit Atlantische tijden dateert en op de achterkant van enkele van de standbeelden op Paaseiland wordt aangetroffen.
     Let op de cirkel bovenaan het kruis en de verticale lijn die daaruit – uit de sfeer van het goddelijke – neerdaalt en die de afdaling van de geest in de stof – de horizontale lijn – symboliseert. De betekenis hiervan komt overeen met die van de swastika. De laatstgenoemde legt echter de nadruk op de bewegingen en circulaties van bewustzijnen in de ruimte, ofwel evolutie; terwijl het geluste kruis een hoger gebied voorstelt – de oorspronkelijke bewegingen en toestanden van het kosmische zijn.
     Dit zijn werkelijk bijzonder mooie symbolen. Het is onnodig ons denken te bezoedelen door aandacht te schenken aan vragen over een fallische betekenis, waartoe ze zijn verlaagd. Ze kunnen zo worden geïnterpreteerd omdat men alles kan verlagen. Alle leven is één, en één algemeen plan werkt door alles heen. Maar hierover zullen we niet spreken. Het voornaamste punt waarop we nu willen wijzen is dat we in deze eeuwenoude symbolen en in het bijzonder in deze bipolaire, bivitale, boeddhistische lokatala voorstelling, de eerste die we hebben besproken, een schets hebben, de symbolische of paradigmatische vorm van de hele leer over de hogere en lagere sferen van het zijn, hetzij kosmisch of menselijk, d.w.z. van de loka’s en tala’s.
     Er is nog iets dat onder uw aandacht moet worden gebracht of waarop ik op zijn minst wil zinspelen, en dat is de volmaakte samenhang van alle geledingen van het leven. Hoe kan men anders uitdrukking geven aan de volmaakte eenheid van het mechanisme van het zijn? De circulaties van de kosmos vinden niet op een willekeurige manier plaats, maar verlopen van sfeer tot sfeer, van wereld tot wereld, van gebied tot gebied door toedoen en door middel van bewustzijnen, of dit nu goden, monaden, zielen of atomen zijn, die in de verschillende elementen werken; en meer in het bijzonder gebeurt dit in ons zonnestelsel door middel van de zon en de planeten, vooral door en door middel van de respectieve innerlijke atmosferen van hun loka’s en tala’s.
     In het occultisme kent men zeven heilige planeten. We kennen er veel meer dan zeven in ons zonnestelsel, veel meer dan de wetenschappers, maar slechts zeven planeten worden als heilig beschouwd. En waarom? We kunnen er op zijn minst dit van zeggen, dat deze zeven planeten voor ons, de bewoners van deze aardbol, heilig zijn, omdat ze de zeven primaire krachten van de kosmos vanuit de zon aan ons doorgeven. Onze zeven beginselen en onze zeven elementen komen oorspronkelijk voort uit deze zevenvoudige levensstroom.
     Laten we de zaak eens in een ander licht plaatsen. Op dit gebied staat onze stoffelijke bol, Terra, alleen, maar de bollen van onze planeetketen die zich twee aan twee op de drie andere gebieden van het zijn bevinden, zijn niet de zeven beginselen van onze aarde. Dat zou een verkeerde analogie zijn, het onjuist toepassen van een analogie. Wij moeten oppassen dat we door zulke verkeerde analogieën niet op een dwaalspoor worden gebracht. De zeven beginselen van onze bol zijn de zeven loka’s en zeven tala’s die speciaal tot de aarde behoren; en de zeven beginselen van elk van de andere zes bollen van onze planeetketen zijn de respectieve loka’s en tala’s die tot elk van hen behoren. Deze twee andere bollen op elk van de drie gebieden boven het onze, die dus de andere zes bollen van onze planeetketen vormen, ontvangen hun respectieve levenskracht, hun respectieve instroming van verstandelijke en geestelijke energieën en wezens, uit de respectieve loka’s en tala’s van de zon. Er zijn zeven zonnen, maar er bevindt zich slechts één zon op dit gebied, evenals onze bol er slechts één is op dit gebied, het laagste van de zeven kosmische gebieden.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 451-65

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag