HOOFDSTUK 38

ONTAARDING EN SLUITING VAN DE MYSTERIESCHOLEN. NEOPYTHAGORISCHE EN NEOPLATONISCHE STELSELS: VOORNAAMSTE BRONNEN VAN DE CHRISTELIJKE THEOLOGIE. ESOTERISCHE EN EXOTERISCHE LERINGEN: SYMBOLIEK.

    

Meer dan één universele religie is er nooit geweest en kan er ook niet zijn; want er kan maar één waarheid over God zijn. Als een onmetelijke keten, waarvan het bovenste einde, de alfa, onzichtbaar uit een godheid blijft emaneren – in statu abscondito in iedere oorspronkelijke theologie – omcirkelt ze onze aardbol in alle richtingen; zelfs de donkerste hoeken laat ze niet onbezocht voordat het andere einde, de omega, op zijn weg terugkeert om weer te worden opgenomen waaruit ze eerst emaneerde. Aan deze goddelijke keten werd de exoterische symboliek van ieder volk geregen. Haar verscheidenheid van vorm kan haar wezenlijke inhoud niet aantasten, en onder haar verschillende ideële denkbeelden over het heelal van stof, die haar bezielende beginselen symboliseren, is het onvervalste, onstoffelijke beeld van de geest van het zijn, die hen leidt, overal het zelfde. . . .
     Zo komt het dat alle religieuze monumenten uit de oudheid, in welk land of in welke luchtstreek ook, de uitdrukking zijn van dezelfde en identieke gedachten, waarvan de sleutel zich in de esoterische leer bevindt.

     – Isis Ontsluierd,1:718

     De conclusie die men uit dit alles moet trekken is dat het kunstmatige en dogmatische christendom uit de periode van Constantijn eenvoudig een product is van talrijke twistende sekten, die zelf van gemengd bloed waren en van heidense ouders stamden.

– Op. cit., 2:401

     Maar te beweren dat het christendom de mens morele waarheden bracht, die daarvoor onbekend waren, wijst op grove onwetendheid of anders op opzettelijk bedrog van degene die dat beweert.

– H.T. Buckle, History of Civilization in England, 1:129

Er zijn waarschijnlijk weinig dingen die mensen zo irriteren als al die verschillende kwesties die zich voordoen als een algemeen aangenomen godsdienst in twijfel wordt getrokken. Afgezien van het aan ieder bekende feit dat godsdienstoorlogen steeds de bloedigste en verbitterdste van de geschiedenis waren, gebeurt het zelfs in het gewone leven dat in iemand gevoelens van vijandschap worden gewekt als men zijn religieuze overtuigingen, of zelfs zijn vage religieuze opvattingen, in ongunstige zin ter sprake brengt. Bij welopgevoede mannen en vrouwen zal het met dit vijandige gevoel zo’n vaart niet lopen, omdat ze bereid zijn anderen een standpunt te gunnen dat verschilt van dat van henzelf; maar het lijkt er helaas op dat er, als het om religieuze gevoelens gaat, van goede manieren weinig sprake is. Niemand houdt ervan dat zijn religie tot een voorwerp van spot of hoon wordt gemaakt, omdat voor hem zijn religie natuurlijk de ‘ware religie’ is. Zo was het altijd onder de aanhangers van een religie. Alleen de verstandigsten zijn bereid het standpunt van een medemens te zien en dat eerlijk te overwegen, in het verlangen enig inzicht te krijgen in wat de criticus of de spreker zelf gelooft of voor ogen staat.
     Dit geldt in het bijzonder voor al de verschillende vertakkingen van het westerse religieuze denken die, zoals we weten, uit het christendom en het jodendom zijn voortgekomen. De oude religies, de religies van de oude wereld hadden hun populaire mythologieën waarin het volk geloofde; en sommige van deze oude religies bestaan in het oosten en elders ook nu nog. Maar zelfs onder hen die niet waren ingewijd in de mysteriën, die de mensen een ruimer inzicht in de waarheid en een diepere kennis van de menselijke natuur gaven, zelfs onder hen die niets anders bezaten om naar te leven dan de verschillende mythologieën, in al deze religies met uitzondering van de christelijke, leeft onder de aanhangers van die religies het besef dat ook de ander iets kan weten dat van waarde is. Ik heb me vaak afgevraagd in welke mate onder onszelf in de theosofische beweging deze geest van een christelijk en quasi-joods antagonisme jegens het geloof van anderen bestaat.
     Deze geest van godsdienstige dweepzucht heeft natuurlijk de verschillende godsdienstige vervolgingen tot gevolg gehad, de verschillende folteringen – fysieke of andere – en de inquisitoriale daden van de dwepers die wereldse macht bezaten. Daarvan zult u in geen van de oude religies op onze aardbol iets vinden, noch op dit ogenblik noch in het verleden. Waarom was dat wel zo en is dit zelfs nu nog zo in de godsdienst van het westen? Zoals al gezegd, moet dat ongetwijfeld zijn toe te schrijven aan het feit dat de aanhangers daarvan de sleutel tot de innerlijke kennis van hun eigen religieuze geloof hebben verloren; en dat is al heel lang zo. Gregorius van Nazianze, die door de christelijke kerk heilig werd verklaard, schreef aan zijn vriend en vertrouweling Hiëronymus, een andere heilige van de kerk, over de manier waarop leringen moeten worden onderwezen en dit is wat hij zegt:

     Niets imponeert de mensen meer dan een omhaal van woorden, want hoe minder ze begrijpen des te meer bewonderen ze. Onze kerkvaders en leraren onderwezen vaak niet wat ze dachten, maar wat de noodzaak en de omstandigheden hen noopten te zeggen.

     Als we dit vergelijken met de geest achter de grote religies uit het verleden, beseffen we dat onder de ingewijden van de laatstgenoemde alleen al het uitspreken van een gedachte, die zij in strijd met de waarheid achtten, nadelig voor de ziel van de mens was; dat leven als ‘gepleisterde graven’, om de christelijke beeldspraak te gebruiken, namelijk leven als huichelaars, leven als een levende leugen, werd beschouwd als de doeltreffendste manier om de ziel van een mens te doen wegschrompelen, om de kern van zijn wezen aan te tasten, waardoor hij niet alleen volslagen ongeschikt werd om de diepere mysteriën die binnenin de natuur en binnenin de mens zelf liggen naar waarde te schatten, maar eveneens volslagen ongeschikt om de geringste toets te doorstaan, die aan de werkelijke beproevingen van de inwijdingsplechtigheden voorafging.
     Zelfs in de tijd waarin de christelijke godsdienst naar men aanneemt zijn bestaan begon, hadden de mysteriën, de inwijdingsstelsels, al waren ze sterk achteruitgegaan, toch nog in mindere of meerdere mate iets van het oude geestelijke vuur en van de oude waarheden behouden, zodat een Romeinse keizer, Nero, heerser over de westerse wereld, in zijn gezicht werd gezegd dat hij niet geschikt was om aan de riten in Eleusis deel te nemen, en hij waagde het niet er met dat doel heen te gaan. En Nero was beslist niet zo’n slecht mens als zijn christelijke critici hem trachtten af te schilderen. Het is niet onze bedoeling een slecht karakter schoon te praten maar hij was, en we herhalen dat, in geen geval zo slecht in zijn leven en in zijn daden als sommige mensen die op de hagiografische lijsten van het christendom bijna voor heilig doorgaan.
     Duizend jaar lang, te beginnen met de tijd van Pythagoras en eindigend omstreeks de tijd van Justinianus, had de nacht van een opkomende donkere cyclus zijn intrede in de wereld gedaan; en deze periode wordt ongeveer in de tijd waarin de geboorte van Jezus zou hebben plaatsgevonden in tweeën gedeeld. Pythagoras leefde in de zesde eeuw vóór het veronderstelde begin van onze jaartelling, dat will zeggen de huidige jaartelling die door de westerse volkeren wordt aangenomen; en Justinianus leefde in de zesde eeuw na het begin van die jaartelling. In zijn tijd en in opdracht van hem werd de laatste van de mysteriescholen in Athene gesloten, en zeven mannen vluchtten met gevaar voor hun leven naar Chosroes de Grote, koning van Perzië, en woonden daar in vrede, aanzien en eer aan zijn hof totdat door het wentelen van het wiel van de omstandigheden, Chosroes, overwinnaar in zijn oorlog tegen Justinianus, in één van de voorwaarden van de vrede die Justinianus met geld had gekocht, bepaalde dat aan deze zeven filosofen toestemming moest worden verleend in vrede naar hun eigen land terug te keren en daar in vrede te leven en te sterven; en dat gebeurde.
     Vergelijk die edele geesteshouding met die waarvan de andere zijde blijk geeft en u krijgt een vaag idee van de inspiratie die eigen was aan wat het oude leven van inwijding werd genoemd en van de geesteshouding die steeds de westerse heeft overschaduwd sinds het jaar één van onze jaartelling, de zogenaamde christelijke jaartelling.
     Dit betekent niet dat hierdoor ook maar de geringste smet wordt geworpen op het karakter van hem die men Jezus noemt. Een waar theosoof zou nooit één woord inbrengen tegen het karakter van die grote en edele mens of tegen de leringen, waarvan men veronderstelt dat ze van hem persoonlijk afkomstig zijn. Maar het is waarschijnlijk dat de theosofische poging die Jezus op gang probeerde te brengen tot nog geen vijftig jaar na zijn dood duurde. Bijna onmiddellijk na zijn heengaan hebben zijn discipelen, die allen ‘halfonderwezen’ en in sommige gevallen bijna analfabeten waren, de wereld van hun tijd de geloofsvormen en opvattingen van het vroege christendom opgedrongen – en als ik zeg ‘halfonderwezen’ bedoel ik dat ze heel weinig kennis bezaten van de leringen die hun grote meester hun trachtte te geven; als het alleen daarvan had afgehangen, dan zou dat godsdienstige stelsel het nog geen vijftig jaar hebben uitgehouden. Maar wat gebeurde er? Tijdens de nadering van de donkere cyclus na Jezus (die zoals gezegd rond de tijd van Pythagoras begon), werd het denken van sommige christelijke kerkvaders zwakjes beschenen door enkele laatste stralen van de ondergaande zon van het aloude licht; Clemens van Alexandrië was één van hen en ook Origenes van Alexandrië en er waren nog een of twee zoals zij, die tenminste in de laagste van enkele van de toen gedegenereerde heidense mysteriën waren ingewijd; en deze mannen traden in de christelijke kerk en brachten daarin een klein beetje licht, enkele armzalige stralen als het ware, die zij nog koesterden; en deze stralen ontleenden ze in hoofdzaak aan de neopythagorische en de neoplatonische stelsels.
     Men spreekt over het christendom alsof dit geheel aan het jodendom werd ontleend. Dat geldt maar voor een klein deel. Het is, wat zijn theologie betreft, bijna geheel ontleend aan het Griekse denken, dat verkeerd werd begrepen – in hoofdzaak aan de neopythagorische en de neoplatonische stelsels; en dat is duidelijk voor ieder die de geschriften leest van hen die de grote geleerden in de christelijke theologie worden genoemd zoals Dionysius, de zogenaamde Areopagiet, die zijn stelsel, wat de hoofdzaken betreft, geheel uit de neoplatonische filosofie overnam. De huidige theologische standaardwerken van de Kerk van Rome zijn op hun beurt voor het grootste deel aan zijn werk ontleend: ik bedoel de werken van Thomas van Aquino. Ze vormen nu de maatstaf waarnaar de theologie van Rome zich richt wanneer er over geschilpunten een uitspraak moet worden gedaan. Maar al is dat zo, en al is veel van wat door de eerste christelijke kerkvaders werd overgenomen nog in feiten en woorden van de christelijke theologie aanwezig, ze is de geest van deze vroege heidense denkbeelden geheel vergeten; en die godsdienst is nu hoofdzakelijk een stelsel van vormen en ceremoniën geworden.
     Dat is de situatie die we in het westen aantreffen en het is boven alles onze plicht het oude geestelijke leven, het oude geestelijke vuur, het heilige vuur uit vroeger tijden bij onze medemensen te doen her leven: niet om de wereld weer heidens te maken –als we de term hei dens kunnen gebruiken voor het weer invoeren van de oude Griekse of Romeinse mythologie, volstrekt niet; evenmin om haar boeddhistisch te maken in de zin van het invoeren van de huidige boeddhistische religie; evenmin brahmaans; evenmin volgens de religie van Zarathustra; omdat die alle min of meer ontaard zijn – maar om de essentie van ware religie, de levende waarheden, terug te brengen die alle grote meesters van de wereld sinds onheuglijke tijden hebben onderwezen.
     De christenen zeggen dat het bloed van de heiligen, het bloed van de martelaren, het ‘zaad van de kerk’ is. Laten we zo leven dat ons leven het zaad zal zijn van de grote kerk van de broederschap van de toekomst. De ethiek ligt aan de wortel van dit alles; de ethiek in het hart en het denken van de mens is het geestelijke licht dat door zijn intellect heen schijnt. Zij is een gids, een licht voor de voeten wanneer ze oprecht in praktijk wordt gebracht, faalt nooit, en schenkt oneindige vrede aan het menselijk hart. Als we spreken over ethisch en moreel handelen, bedoelen we niet alleen traditionele stelsels voor juist gedrag, hoewel die ook goed kunnen zijn. We bedoelen het aankweken van begrip, van het instinct dat in de ziel van de mens leeft, van zijn intuïtieve besef dat goed goed is en kwaad kwaad, buiten alle traditionele stelsels om, en dat als een mens dwaalt, hij niet alleen zijn eigen ongeluk veroorzaakt maar ook dat van anderen met wie hij onafscheidelijk is verbonden.
     De laatste tijd hebben we het thema goden, monaden en atomen bestudeerd en we hebben gezien dat deze verband houden met en de oorzaak zijn van de evolutie van de kosmos door hun wisselwerking in de loka’s en tala’s – en we hebben gezien dat deze loka’s en tala’s het ontwerp, de structuur en de bouw van het heelal omvatten; dat ze de ruimte vullen en in feite de ruimte zelf zijn. Er bestaat in absolute zin nergens een onbezet punt. Het hele zijn is vol krioelende menigten entiteiten die zich in allerlei verschillende graden van ontwikkeling bevinden. Maar alle volgen bepaalde algemene regels van orde, bepaalde fundamentele werkingen van de kosmos, die in het gewone spraakgebruik natuurwetten worden genoemd. We hebben gezien dat de energie-bewustzijn-kant, de kant van de beginselen is; en dat de stof-prakriti-kant of de elementkant de kant van de tala’s is, zoals de eerstgenoemde – de beginselen – die van de loka’s zijn. En toch zijn ze onscheidbaar, deze loka’s en tala’s, elke loka heeft te maken met een tala, de twee hoogste hangen samen en de twee laagste hangen samen, en de tussenliggende op dezelfde manier, twee aan twee, even onafscheidelijk als de twee polen van een magneet (een magneet met één pool bestaat niet); even onafscheidelijk als goed en kwaad en als licht en duisternis dat zijn. Deze loka’s en tala’s zijn kosmisch gesproken inderdaad de uitdrukking van wat we een stelsel van tegengestelden, van tegenpolen noemen, wat een andere manier is om de dualiteit in de natuur uit te drukken. Ze zijn vanaf de allerhoogste of bovenste tot de laagste onderling met elkaar verbonden; en omdat de levensgolven, de stromen van wezens door deze beginselen en elementen, door deze loka’s en tala’s heengaan, evolueren ze, doen ze hun ervaringen op. Er zijn geen afscheidingen of leegten tussen de talrijke verschillende hiërarchieën in de kosmos, wat een andere manier is om hetzelfde uit te drukken. Laten we zeggen dat ze zich vermengen, zo u wilt; dit is bedoeld als een eerste aanduiding om het te begrijpen. Ze vermengen zich met en door middel van hun sfeer, de buitenste sfeer van de één doordringt en vermengt zich meer in het bijzonder met de buitenste sfeer van de erboven of eronder gelegen loka of tala, afhankelijk van de omstandigheden; en hier worden binnen elkaargelegen, innerlijke, ‘sferen’ of aura’s bedoeld en niet alleen sferen die zich op een bepaald gebied mechanisch verbinden.
     Deze ontelbare krioelende menigten van wezens, die de ruimte vullen en de ruimte zelf zijn, werken omlaag langs de boog van de schaduwen in hun zogenaamde afdaling in de stof; en als ze het dieptepunt in de grote cyclus in een manvantara hebben bereikt, keren ze om omdat ze het laagst mogelijke punt voor die hiërarchie hebben bereikt en daarin niet verder omlaag kunnen. Dit is een onderwerp waar we in de toekomst nader op in moeten gaan. Neem het alstublieft voorlopig als een stelling aan. Na dus dat dieptepunt, dat uiterste punt van stoffelijkheid te hebben bereikt voor die bepaalde cyclus van evolutie van de stof en involutie van de geest, keren ze om en beginnen ze aan de thuisreis, ‘opklimmend’ door de loka’s en tala’s zoals ze door deze ‘omlaaggingen’, en dit opklimmen is de involutie van de stof en de evolutie van de geest of met andere woorden: de stof lost zich weer op in de geest die ze in wezen is.
     In het occultisme is er geen verschil tussen kracht en stof, behalve in graad van stoffelijkheid of grofheid; er is geen enkel verschil van aard. Er is geen verschil tussen geest en substantie, behalve in graad, geen wezenlijk verschil. Beide zijn fundamenteel één; en wanneer de lange tijdperken van de manvantarische cyclus zijn afgelopen, zullen beide terugzinken in de oneindige schoot van de grote leegte, de mahå ßûnyatå, dat wil zeggen terug in de onbegrensde kosmos van de geestelijke rijken, die ‘leeg’ is voor onze lagere natuur maar in werkelijkheid een onuitsprekelijk pleroma of een volheid is voor het goddelijke oog in ons.
     Door de werking en wisselwerking van respectievelijk goden, monaden, zielen en atomen worden de verschillende bollen van onze planeetketen, en van iedere andere planeetketen, en de daartoe behorende verschillende loka’s en tala’s in het leven geroepen. Deze laatste zijn de voertuigen van de eerste: hun gewaden van licht op de hogere gebieden en hun zogenaamde lichamen op de lagere gebieden. Ze worden geprojecteerd, uitgeworpen, tevoorschijn gebracht, geëmaneerd vanuit deze goden, monaden, zielen en atomen. Bedenk dat wanneer we over een atoom spreken, we niet het atoom van het moderne wetenschappelijke denken bedoelen. Dat atoom is, zoals gezegd, eerder een verzameling atomaire elementen. Wij bedoelen met die term een vitaal-astrale entiteit. In het hart hiervan is zijn monade. In het hart van die monade is haar god en die god is slechts een straal van de hoogste top van de hië rarchie waartoe hij behoort.
     Elk zo’n hiërarchie is er maar één van een eindeloze menigte van andere soortgelijke hiërarchieën; er bestaan inderdaad andere die zoveel groter zijn dan zij, zo groot als u zich in uw verbeelding kunt voorstellen dat zijzelf daarbij vergeleken niet meer is dan een zandkorrel op de kust van een oneindige zee. Dat is zelfs het geval in de uiterlijke ruimten van de astronomie, waarin de astronomen met hun instrumenten kunnen doordringen of proberen door te dringen. Er zijn buiten ons heelal kosmoi of kosmossen die zoveel groter zijn dan onze eigen universele kosmos (die alles binnen de zone van de melkweg omvat), dat onze hele universele kosmos in één ervan zou kunnen worden geplaatst en in het niet zou verzinken; en aan de andere kant is er een werkelijk heelal in de kern van elk van de nietigste atomen van onze stoffelijke constitutie, een werkelijk heelal vol met zijn eigen hiërarchieën, vol met zijn eigen eindeloze menigten van wezens.
     Bedenk dat massa, omvang en grootte volstrekt niets met bewustzijn of met kracht te maken hebben. En nog belangrijker dan deze gedachte is de volgende: dat de werelden die we zien, het heelal dat we zien, slechts de buitenkant, de schaal, de schil vormen, terwijl het grootste deel zich binnenin bevindt. We zien deze dingen om ons heen; ze zijn een herhaling, een weerspiegeling van wat er binnenin is: ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven.’
     We hadden het enkele ogenblikken geleden over inwijdingen en mysteriën en misschien hebben sommigen zich afgevraagd: Zijn hiervan geen getuigenissen bewaard gebleven? Er zijn er vele; maar helaas weet men niet hoe men ze kan vinden. De gewone geleerde vat de uitspraken, die hij in zijn boeken aantreft, op als simpele voorbeelden of liever als staaltjes van wat hij het ‘ongeëvenaarde bijgeloof uit vroeger eeuwen’ noemt. Hij weet alles! Ons kleine mentale wereldje van 100 of 150 of 200 jaar is het summum bonum, het ne plus ultra, voor zulke denkers; alles wat aan die korte periode voorafging was onwetendheid en bijgeloof; maar er zijn enkele mensen die een groter intellect bezitten dan zij en een levendiger intuïtie en zij hebben op zijn minst iets gevoeld en begrepen van de waarheid bij het lezen van deze getuigenissen uit vervlogen tijden.
     Ik heb zelf in zulke oude aantekeningen uitspraken onder ogen gehad die verbazend stoutmoedig en openhartig zijn. Als voorbeeld noem ik dingen die ik ben tegengekomen in artikelen of gedichten, geschreven door Kenneth Morris, die in dit geval op oude geschriften in het Welsh waren gebaseerd, en ik heb me erover verbaasd dat die dingen openlijk werden gezegd, ik heb er eenvoudig versteld van gestaan; maar als men verder leest, merkt men dat de toespelingen zo meesterlijk zijn verweven met aanverwante onderwerpen, die wel waar zijn maar toch niet rechtstreeks verband houden met die vlammende ster van licht die hier en daar plotseling zichtbaar wordt, dat deze andere verwante onderwerpen in feite de esoterische ster van licht verbergen, en de lezer van nu leest deze dingen in zo’n geval eenvoudig zoals hij een mooi gedicht zou lezen en meer ziet hij niet.
     Ik zal nog een voorbeeld geven. Tijdens een boeiende lezing die Osvald Sirén enkele dagen geleden over Chinese boeddhistische kunst hield, noemde hij een paar keer twee buitengewoon interessante feiten die hij rechtstreeks met elkaar in verband bracht. Hij vertelde ons in zijn beschrijving van de verschillende houdingen van deze beelden van de boeddha’s en bodhisattva’s dat de bodhi sattva’s ‘kronen’ droegen, zoals hij ze noemde; en hij vestigde de aandacht op de hoofdtooi zoals die op deze beelden van de boeddha’s wordt uitgebeeld en hij noemde deze de ushnîsha. Dit is een Sanskriet woord dat stamt van de Sanskriet wortel ush die ‘warm zijn’, ‘heet zijn’, ‘vlammend’, ‘vurig zijn’ betekent. Ush.nîsha wordt ook in de betekenis van ‘tulband’ gebruikt, omdat deze bijzondere hoofdtooi enigszins op een tulband lijkt. Hij heeft een konische spiraalvorm, ongeveer zoals het spiraalvormige huisje van som mige slakken.
     De symboliek vormt een van de interessantste en leerzaamste aspecten van het oude denken – en ook van onze studie. Terecht is gezegd dat zodra een esoterische gedachte in woord of geschrift is geuit of gedrukt, ze exoterisch is geworden. Natuurlijk is dat waar. Het is een feit. Maar laten we niet een ander feit uit het oog verliezen en wel dat hoewel iets, een esoterische waarheid, van de daken kan worden verkondigd, ze toch esoterisch blijft, tenzij ze wordt begrepen, hoewel ze naar de vorm in formele zin exoterisch is.
     Het was meen ik Aristoteles die het eerst deze woorden ‘esoterisch’ en ‘exoterisch’ gebruikte in de zin van dat wat innerlijk is en dat wat uiterlijk en formeel is. Natuurlijk is dit onderscheid een feit, maar als u de literatuur, de symboliek van de oude literatuur, van oude filosofieën en wetenschappen onderzoekt met het inzicht dat ons door de esoterische leringen werd gegeven, zult u merken dat hoewel de symboliek exoterisch is, omdat ze is gepubliceerd, ze toch esoterisch blijft omdat ze niet is verklaard en haar betekenis nog is verborgen.
     We hebben gesproken over het feit dat praktisch het hele leven van de oude wereld in al zijn geledingen, religieuze, wetenschappelijke, filosofische, maatschappelijke, politieke en wat al niet, uiteindelijk berustte op kennis die aan de mysteriën was ontleend. Dit feit is zo duidelijk en veelomvattend dat bijvoorbeeld zelfs de gevreesde kruisdood als straf bij de Perzen, Carthagers en Romeinen, een straf waaraan alleen misdadigers of vreemdelingen ooit werden onderworpen, in oude tijden als vorm uit de inwijdingsplechtigheden is ontstaan.
     Om op het onderwerp van de ‘kroon’ en de ushnîsha op de hoofden van de boeddha’s terug te komen: de kroon was, zoals u zich zult herinneren, het symbool voor iemand die een bepaalde graad van inwijding had behaald. Hij die werd ‘gekroond’ was een ingewijde van een bepaalde graad; en dit werd tot uitdrukking gebracht door te zeggen dat hij een kroon droeg. Dit dragen van kronen heeft in ons eigen Europese leven ingang gevonden. Monarchen worden gekroond en bij hun kroning herhalen ze zonder het zelf te weten een heel oude plechtigheid die toen veel betekenis had en nu niets betekent. En het dragen of het gebruik van kronen, althans als versiering op ringen of briefpapier, wordt door de Europese adel nog instandgehouden in de vorm van kroontjes. Oorspronkelijk betekende het dat iemand die het recht had om een van de verschillende kronen te gebruiken, een bepaalde graad van inwijding had bereikt en in sommige gevallen zelfs een hoge inwijding. Het waren bodhisattva’s die met het vuur van buddhi waren gekroond; dit werd gesymboliseerd door het dragen van een diadeem of een kroon of iets dergelijks. Wanneer u in de iconografie een onderzoek instelt naar de vroegste vormen van de kroon, zult u zien dat er blijkbaar twee gedachten aan ten grondslag liggen, een hiervan was de zon, gebruikt als symbool, met zijn uitgaande stralen – dit kwam veelvuldig voor en sommige recente studies van kunstwerken uit het laatste tijdperk van de oudheid, dat van de Romeinen, tonen een of meer keizers met een halo of nimbus achter het hoofd, van waaruit pieken uit stralen die een kroon vormen of de zonnestralen voorstellen. De zonnerite, als u deze zo wilt noemen, werd op die manier gesymboliseerd; en de halo of nimbus achter de hoofden van de boeddhabeelden, een symbool dat eveneens door de christenen werd overgenomen, vond zijn oorsprong in een feit dat aan de Ouden bekend was en waarvan zelfs wordt gesproken in de exoterische literatuur, zoals die aan ons is overgeleverd. Dit feit – en dat is de tweede gedachte of waarheid die werd genoemd – is dat het hoofd van een heilige, zoals de christenen zouden zeggen, van een heilig mens, zoals wij kunnen zeggen, namelijk van iemand die zich in de toestand van een diepe samådhi bevindt, is omringd door deze aurische stromen, deze stralen uit het vitale innerlijke vuur, die een stralende gloed om zijn hoofd vormen en soms zelfs om het hele lichaam. Ze gaan omhoog vanuit de achterzijde van het hoofd, in de boeddha-iconografie vaak symbolisch voorgesteld als één enkele, zacht stralende vlam, die omhoog zweeft uit en boven het schedeldak. In dit geval ziet u misschien dat de ushnîsha ontbreekt en dat zijn plaats wordt ingenomen door deze vlam die uitgaat van de kruin van het hoofd, een symbolische voorstelling van het vuur van de geest en van het buddhisch vermogen dat dan in de mens is gewekt.
     U ziet hoe mooi deze denkbeelden zijn, hoeveel alleen al door het bestuderen van de uiterlijke symboliek van deze oude geloofsvormen aan het licht komt. Hoe vaak heb ik deze zelfde ushnîsha door westerlingen niet horen bespotten, belachelijk horen maken met een min of meer goedmoedig sarcasme. Dat spotten is een gevolg van een gebrek aan begrip. Het loont de moeite – zelfs op het persoonlijke zelfzuchtige vlak – om de symboliek te begrijpen en te bestuderen! Er is nog een uitleg van de ushnîsha, de geheimste van alle, die we wel vermelden maar waaraan we vandaag verder voorbijgaan. Die betreft het volksgeloof dat de ushnîsha een uitwas of protuberantie van de schedel zelf is.
     Er zijn nog enkele dingen die we vooruitlopend op het onderwerp van de volgende bijeenkomst moeten aansnijden. Laat ik eerst uit De Geheime Leer (1:628) de volgende passage lezen:

     . . . de oude ingewijden, die min of meer nauwkeurig door alle niet-ingewijden uit de oudheid werden gevolgd, bedoelden met de term ‘ATOOM’een ziel, een genius of engel, de eerstgeborene van de steeds verborgen OORZAAK van alle oorzaken; en in deze zin worden hun leringen begrijpelijk. Evenals hun opvolgers, verkondigden zij dat er goden en genii, engelen of ‘demonen’ bestaan, niet buiten of onafhankelijk van het universele plenum, maar erbinnen. Alleen dit plenum is tijdens de levenscyclussen oneindig.

     Laten we nogmaals erop wijzen dat, als we de term atoom gebruiken op de manier waarop H.P. Blavatsky deze steeds gebruikte, we deze op dezelfde wijze hanteren en dezelfde algemene betekenis eraan geven als de oude Griekse filosofen aan wie we dit woord hebben ontleend. Zoals u zich herinnert, betekent het ‘dat wat niet verdeeld kan worden’; het was dus het uiteindelijke deeltje substantie; en dit ondeelbare atoom betekende volstrekt niet het atoom in de hedendaagse wetenschappe lijke scheikundige zin. Het betekende eerder wat wij de monade noemen, een benaming die door Pythagoras aan het geestelijk ENE werd gegeven en precies hetzelfde betekende als oorspronkelijk het woord atoom dat door de oude Griekse atomisten zoals Democritus, Leucippus, Epicurus en Lucretius van Italië en door mensen zoals zij werd gebruikt, al was de atomistische betekenis veel materialistischer dan de betekenis die wij eraan geven. Bovendien wordt dit woord atoom door ons vaak in algemene zin gebruikt. We hebben over de zon gesproken als een atoom, we hebben over de aarde gesproken als een atoom, en we hebben de aandacht gevestigd op het feit dat de oude hindoes in hun geschriften Brahmå (de derde hypostase, bij wijze van spreken, van het goddelijke brahman) het kosmische atoom noemden. De gedachte is dat dit kosmische atoom ‘het ei van Brahmå’ is, van waaruit het heelal het gemanifesteerde bestaan begint, zoals het kuiken uit het ei tevoorschijn komt om op zijn beurt een ander ei te leggen. Elk van deze kosmische eieren of heelallen schenkt, na het verstrijken van zijn rustperiode, het leven aan zijn eigen kroost en elk van de eerstgenoemde kwam op soortgelijke manier uit zijn eigen vroegere manvantarische ei voort.
     En een algemene leer van de Ouden overal in de wereld, in Hindoestan of in Griekenland of Rome, onverschillig waar, was, zoals in een gedicht van Cleanthes, de stoïcijn, prachtig tot uitdrukking werd gebracht: ‘Zeus is al wat is. Wat u ook ziet of kent, of waarneemt of voelt is Zeus. Zeus is alles wat binnen en alles wat buiten is.’ Er is dus geen atoom dat niet Zeus is, wat ook geldt voor iedere potentialiteit van de oneindige kosmos en voor alle kosmoi; want elk heelal of elke kosmos is er slechts één uit ontzaglijk grote en onberekenbare zwermen van levende entiteiten, die de ruimten van de eindeloze en beginloze RUIMTE vullen.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 476-87

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag