|
HOOFDSTUK 39
THEOSOFIE
EN OCCULTISME. OCCULTISME: DE KWINTESSENS VAN DE WAARHEID, DE WERKELIJKHEID;
EEN VOLLEDIG GEHEEL. OCCULTISME EN MORELE VERANTWOORDELIJKHEID. ONS ZONNESTELSEL:
EEN KOSMISCH ATOOM, EI VAN BRAHMÂ
Het is gemakkelijk een theosoof te worden. Ieder mens met gemiddelde
verstandelijke vermogens en een hang naar het metafysische, een rein
en onzelfzuchtig leven, die meer vreugde vindt in het helpen van zijn
medemens dan in het zelf hulp ontvangen, iemand die steeds bereid
is zijn eigen genoegens op te offeren terwille van andere mensen,
en die de waarheid, het goede en wijsheid liefheeft omwille van deze
dingen zelf, niet vanwege het voordeel dat ze kunnen schenken – is
een theosoof.
Maar het is heel iets anders zich op het
pad te begeven dat leidt naar de kennis van wat goed is om te doen,
wat betreft het juiste onderscheid tussen goed en kwaad; een pad dat
de mens ook leidt naar dat vermogen waardoor hij het goede kan doen
dat hij verlangt te doen, vaak schijnbaar zonder zelfs een vinger
te verroeren. |
|
– H.P. Blavatsky Collected Writings, 9:155
|
|
Occultisme is niet het verwerven
van vermogens, paranormale of verstandelijke, hoewel beide zijn dienaren
zijn. Evenmin is occultisme de jacht naar geluk zoals dit woord wordt
opgevat; want de eerste stap is opoffering, de tweede verzaking. |
|
– H.P. Blavatsky Collected Writings,8:14
|
|
Onze levensfilosofie is één groot geheel,
ieder onderdeel is nodig en past bij ieder ander deel. Elk van haar
leringen kan en moet tot het einde worden gevolgd. De ethische toepassing
ervan moet daarmee gelijke tred houden. Indien ze in strijd komt met
oude opvattingen, moeten deze worden afgedankt. Ze kan nooit in strijd
komen met een juist moreel gedrag. . . . Men moet zoeken naar de geest
van de theosofie; haar beginselen dienen met oprechtheid in ons leven
en in ons werk te worden toegepast. Dan is een mechanische theosofie,
die onvermijdelijk tot een ontkenning van broederschap leidt – zoals
al in vele gevallen is gebeurd – uitgesloten, en in plaats daarvan
zal er een levende, een werkelijke theosofie zijn. |
|
– William Q. Judge, Echoes of the Orient,
1:470-1
|
|
. . . Tcharaka, een hindoe-arts, die 5.000
jaar v. Chr. zou hebben geleefd, drukt zich in zijn verhandeling over
de oorsprong van de dingen . . . als volgt schitterend uit: ‘Onze
aarde is, evenals alle lichtende hemellichamen die ons omringen, één
van de atomen van het onmetelijke geheel, waarvan we ons vaag een
voorstelling kunnen maken door het de naam te geven van – het oneindige.’
|
|
– Isis Ontsluierd,1:718
|
Het occultisme is, zoals de meesters en H.P. Blavatsky
ons hebben gezegd, die sublieme wijsheid die door verheven wezens uit
andere loka’s aan de eerste rassen van de mensheid werd gebracht; en terwijl
aan deze wijsheid in onze tijd de naam occultisme is gegeven, dat is de
wetenschap van de dingen die geheim of verborgen zijn en terwijl die
naam een equivalent heeft in andere talen, zoals gupta-vidyâ in
het Sanskriet, wordt ze in de vorm waarin ze in ons tijdperk aan het publiek
is aangeboden, theosofie genoemd. Men kan zich afvragen: Bestaat er een
wezenlijk verschil tussen occultisme en theosofie? Ik denk dat we heel
eerlijk en terecht kunnen zeggen dat er geen verschil is, dat beide in
feite één zijn, twee namen voor dezelfde zaak. Maar H.P. Blavatsky maakte
heel wijselijk een onderscheid, een oppervlakkig maar nuttig onderscheid
tussen occultisme en theosofie en dit onderscheid ging uit van de gedachte
dat er drie soorten leden van de theosofische beweging zijn: ten eerste
de leden van de Theosophical Society die niet noodzakelijk theosoof of
occultist zijn, maar die ons veelomvattende en universele programma zo
bewonderen, die zich zozeer met de idealen die de theosofie uitdraagt
verbonden voelen, dat ze hun lot met ons hebben willen delen en met ons
samenwerken. De tweede groep omvat diegenen die meer zijn dan alleen leden
van de Theosophical Society; het zijn degenen die een studie maken van
die bijzondere en bepaalde leringen die in onze tijd theosofisch zijn
genoemd en die de leer van het oog vertegenwoordigen, zoals Gautama de
Boeddha haar noemde; en zij houden zich voor het algemeen welzijn bezig
met de publicatie van bepaalde uitgekozen en nauwkeurig beschreven leringen
van het occultisme, geschikt om in onze tijd onder het publiek te worden
verspreid. Tenslotte diegenen die zich in ruimere, in diepere mate en
inniger dan de andere twee klassen dit hebben gedaan aan die verheven
wijsheid hebben gewijd die uit onheuglijke tijden aan ons werd overgebracht
als de openbaring, als we dit woord kunnen gebruiken, van de waarheden
van de kosmos en natuurlijk van de mens als deel daarvan.
Dat is dus het onderscheid dat bestaat tussen
theosofie en occul tisme. De theosofische leringen zijn meer in het algemeen
voor het publiek, maar toch zijn ze uit de leringen van het occultisme
gekozen; het zijn de leringen die in onze tijd het meest geschikt zijn
voor verspreiding in het openbaar.
Het trieste van de zaak is het volgende: alles
wat menselijk van aard is of wat aan het hart of brein van de mensheid
ontspringt, is in feite vatbaar voor imitatie of zelfs degeneratie; en
deze naam occultisme, die in zijn ware betekenis een werkelijk prachtige
naam is, is dan ook vaak in hoge mate en zelfs op verfoeilijke wijze misbruikt
en verkeerd begrepen; hij is in de kranten in opspraak gebracht en gaat
van mond tot mond als een term waar weinig meer mee wordt bedoeld dan
de zogenaamde psycho-astrale of wonderleer waar het publiek zo belust
op is. Dit gebruik is een aantasting van de oorspronkelijke betekenis.
Alle dingen die hart en geest van de mens werkelijk bevredigen moeten
noodzakelijk in zekere mate waar zijn, anders konden ze die bevrediging
niet geven; maar, zoals we allen weten, voedt het hart en de geest van
de mens zich soms alleen met kaf, zoals het in het christelijke Nieuwe
Testament wordt uitgedrukt – met het kaf dat de zwijnen eten. U weet wat
de term zwijn symboliseert. We hebben dit eerder besproken zodat we niet
erop hoeven terug te komen. Maar ik wil in dit verband de nadruk leggen
op het feit dat het occultisme uiteenzet wat de essentie, de kwintessens
van de waarheid of werkelijkheid is. Het kan niet met alleen het hogere
denkvermogen worden bestudeerd, ook kan het niet worden bestudeerd met
alleen die andere vermogens in de mens, die hij in het algemeen onder
‘gevoelens’ rangschikt. Maar het moet als een geheel worden bestudeerd,
en het beantwoordt volledig aan alle eisen van de gehele geestelijke en
psychische samengestelde aard van de mens, en is daarom volkomen en in
alle opzichten bevredigend. Het verschaft de mens niet alleen een grondslag
voor het edelste ethische stelsel dat de wereld kent, maar beschrijft
voor hem ook wat ethiek is en waarop ze berust en waartoe de nodige en
volmaakte beoefening ervan leidt. En dat is, zo wordt ons gezegd, langs
het oude smalle pad waarover de Upanishads spreken – want zij die dat
volgen komen tenslotte rechtstreeks in verbinding en dialoog met de alwijze
en rustig beschouwende goden, want dat pad voert ons rechtstreeks naar
het hart van het heelal – het ‘hart’ in de mystieke en esoterische betekenis:
naar die oorden, naar die geestelijke, bovengeestelijke en goddelijke
regionen, waarin zich de kern van het wezen van elk van ons bevindt.
De verschillende grote religies van vroeger en
nu zijn voortgekomen uit de leringen van het occultisme; elk van die religies
was in zijn ontstaansperiode, in zijn begin, het geestelijke product van
een groot en edel mens, inderdaad van een van de meesters. Deze verscheen
in een bepaalde periode openlijk onder de mensen om zijn medemensen te
verlossen, en gaf in het openbaar onderricht en verkondigde opnieuw de
eeuwenoude waarheden of gaf misschien alleen een nieuwere versie van het
aloude licht, en hij schonk inzicht in de grote vraagstukken betreffende
de kosmos en de mens, vraagstukken die het menselijk hart en misschien
ook het menselijk intellect van hen die dit licht niet hebben ontvangen,
zo kwellen dat zij dringend om een oplossing vragen. Zo’n beweging werd
in onze tijd op gang gebracht door onze grootmoedige broeder, H.P. Blavatsky.
Het hangt in deze tijd bijna geheel en in de toekomst voor een groot deel
van ons af of deze poging zal mislukken, zoals alle religies in het verleden
op één na min of meer zijn mislukt; of dat ze met succes zal doorgaan
en het werk zal doen dat ze moest doen, het zaaien van het zaad van juist
denken en juist handelen, van menselijke broederschap en van universele
vriendelijkheid in het hart van allen die haar volgen; ofwel dat ze door
het linker pad te volgen, het pad van de stof te volgen, te gronde gaat
en mogelijk zelfs een werktuig van de broeders van de schaduw wordt.
Onze leraren hebben ons onomwonden gezegd dat
de studie van het occultisme een grote morele verantwoordelijkheid met
zich meebrengt: dat het zo’n verantwoordelijkheid op de schouders van
hem of haar legt, die hiervan studie maakt, omdat het de innerlijke
mens doet ontwaken; het wekt zijn verborgen vermogens. En verder zal
de studie ervan geheel afhankelijk van de ernst van de mens goede resultaten
opleveren of misschien het tegendeel. HET OCCULTISME LAAT
NIET MET ZICH SPOTTEN. Het gaat om directe en oorspronkelijke dingen,
als u deze woorden begrijpt, niet om een reflectie van waarheden. Daarom
zal een mens, als zijn hart niet absoluut rein is – daarmee bedoel ik
vrij van alle persoonlijke zelfzucht – nooit veilig zijn. Men kan er niet
lichtvaardig mee omspringen. Het roept alles op in een mens wat hij innerlijk
is en duldt geen halfslachtige trouw.
Vóór ons liggen altijd twee paden; bij iedere
stap lopen ze uiteen, één naar rechts en één naar links; en één enkele
daad kan de aanleiding zijn tot een gewoonte, die op den duur en bij herhaling
een karakter zal vormen; en dat karakter bent u of ben ik, want het komt
neer op het toepassen van kennis (of halve kennis) en het uitoefenen van
de wil.
Dat zijn de redenen waarom we keer op keer wijzen
op de noodzaak een duidelijk begrip te hebben van wat we onder ethisch
handelen verstaan, en dat het voor ieder van ons, voor u en voor mij volstrekt
noodzakelijk is dit ieder moment van ons leven in praktijk te brengen.
Die praktijk betekent niet een hypocriete puur verstandelijke instemming
onder het mentale voorbehoud, dat ‘ik tenslotte toch doe waar ik zin in
heb!’ Juist op het gebied van mentale voorbehouden behalen de broeders
van de schaduw hun overwinning op het hart van de mens, precies op die
manier. Ik zeg u in volle ernst dat men deze waarschuwing ter harte behoort
te nemen, moet nemen.
Laten we vanavond het feit in de herinnering
roepen dat de loka’s en de tala’s waarover we al verschillende keren hebben
gesproken, als het om de aarde gaat, respectievelijk haar zeven beginselen
en haar zeven elementen zijn – en als ze de kosmos betreffen, kan precies
hetzelfde worden gezegd; en bovendien dat de zeven kosmische loka’s en
de zeven kosmische tala’s het geheel, de totaliteit, omvatten van alles
wat zich in ons zonnestelsel – het kosmische atoom – bevindt. Met andere
woorden ze omvatten de totaliteit van het ei van Brahmâ. U kent de betekenis
van dit mooie oude brahmaanse symbool, het ei, een symbool dat ook in
andere religies wordt aangetroffen, zoals in het orfische stelsel in Griekenland
en in het Egyptische stelsel; en we weten op grond van afbeeldingen die
we van de aarden heuvels bezitten, dat men het vroeger in Noord-Amerika
eveneens heeft gekend.
Als we spreken over het kosmische atoom – als
we spreken over het ei van Brahmâ, wat een andere manier is om hetzelfde
te zeggen – als we erover spreken als een zonnestelsel, weet dan dat we
niet de gezamenlijke planeten of de zon alleen, of de zon en de planeten
samen bedoelen; deze vormen als het ware slechts de uiterlijke schaal
of schil (of, als wij een term uit de fysiologie gebruiken, de zenuwcentra,
de zenuwknopen van de fysiologische werkingen) van dit ei van Brahmâ.
Wanneer we het over het kosmische atoom hebben en over het atoom van de
stof zoals wij dit hier op aarde kennen, bedoelen we de vitaal-astrale
entiteit erachter, die speciale als eenheid beschouwde entiteit die daaraan
haar leven, haar svabhâva geeft, d.w.z. haar bijzondere of individuele
karakteristiek, dat wat haar doet verschillen van andere soortgelijke
kosmische eieren of kosmische atomen. We kunnen over onze aarde ook spreken
als over een ei van Brahmâ, maar dat is bij wijze van analogie; het werkelijke
ei van Brahmâ is het zonnestelsel.
We hebben al gezegd dat de loka’s en tala’s de
zeven beginselen en de zeven elementen van onze bol, onze bol Terra, zijn;
maar er zijn nog andere zeventallen loka’s en nog andere zeventallen tala’s
die respectievelijk de zeven beginselen en de zeven elementen van elk
van de zes andere bollen van onze planeetketen zijn, zeven van ieder
voor elke bol. Men zou zich kunnen afvragen, als men geen studie van
het occultisme heeft gemaakt, waarom op deze bijeenkomsten zo veelvuldig
over een zevenvoudig proces wordt gesproken; waarom onze leringen voortdurend
neerkomen op zeventallen. Het antwoord van het occultisme luidt: omdat
de natuur haar structuren zo heeft opgebouwd. Afgezien van zulke vanzelfsprekende
dingen als de zeven hoofdkleuren van het lichtspectrum en de zeven stralen
van de zon (wat bijna hetzelfde is) en de zeven tonen van de diatonische
toonladder in de muziek en het aan fysiologen bekende feit dat veel ziekten
in cyclussen van zeven dagen of veelvouden hiervan verlopen – wanneer
we deze dingen buiten beschouwing laten, ontdekken we bij het bestuderen
van de oude geschriften waarin de religies, filosofieën en wetenschappen
uit vroeger tijden worden uiteengezet dat, ook al vermelden zij het feit
ongetwijfeld in verschillende vormen, zij alle min of meer eensgezind
aan de structurele bouw van het heelal en van de mens hetzelfde stelsel
van zeven samenstellende delen toeschrijven.
We hebben tot dusver nog niet gezegd waarop deze
kwestie van de nummering berust, en dat stellen we dan ook uit om later
uitvoeriger te bespreken. Laten we het voor onze studie voorlopig als
een stelling accepteren. U kunt zelf bewijzen wat er is gezegd. De geschriften
van de wereld liggen voor u open. Lees ze en bestudeer ze en u zult evenals
alle andere onderzoekers die dit hebben gedaan, overtuigd worden. Bestudeer
daarom het materiaal en bewijs de feiten.
De goden, monaden en atomen werken door het kosmische
ei naar binnen en naar buiten, d.w.z. ze werken door middel van de loka’s
en tala’s. Zoals H.P. Blavatsky zegt in De Geheime Leer (1:686):
Verder ‘corresponderen god,
monade en atoom met geest, denkvermogen en lichaam (atma, manas en
sthula sarira) in de mens’. In hun zevenvoudige samenstelling vormen
ze de ‘hemelse mens’ (zie voor deze laatste term de Kabbala);
zo is de aardse mens een voorlopige weerspiegeling van de hemelse mens.
. . . ‘De monaden (jiva’s) zijn de zielen van de atomen en beide
zijn het weefsel waarmee de Chohans (Dhyani’s, goden) zich bekleden
wanneer ze een vorm nodig hebben.’
Zij bekleden zich op die manier
om – zoals we eerder bij het bestuderen van de goden, monaden, zielen
en atomen hebben aangetoond – het heelal te doen evolueren; zoals de Upanishads
het uitdrukken: zoals een spin een web weeft. Dit is een prachtig symbool.
Uit zichzelf, uit hun eigen substantie, weven ze het geometrische patroon
van de kosmos en werken ze daarin.
De studie van de bouw of de structuur van ons
kosmische atoom is een uitgebreid, diepzinnig en ingewikkeld onderwerp
en voor we dit tot zijn recht kunnen laten komen, is het waarschijnlijk
beter eerst op zijn minst een vluchtig onderzoek in te stellen – want
op dit punt zijn we nu aangekomen – naar de bouw van onze eigen bol, als
deel van de planeetketen waarin hij één van de zeven schakels is. Laten
we iets verder gaan en de werking bestuderen van de levensgolven van en
in onze planeetketen. Zoals eerder gezegd kan onze planeetketen zelf als
het ei van Brahmâ, het kosmische ei, worden beschouwd, de vrucht
van zijn ouder: de planeetketen van het voorafgaande manvantara. Onze
planeetketen is zelf weer de ouder van zijn eigen toekomstige kroost,
de komende planeetketen, wanneer we in onze eigen keten onze cyclische
evolutionaire baan hebben afgelegd en verzonken zijn in onze lange en
welverdiende pralaya of rust – met andere woorden, nadat we ons opnieuw
hebben begeven in die superspirituele sferen waaruit we bij het eerste
begin van de dingen voortkwamen – om daar in vrede en onuitsprekelijke
zaligheid te verblijven, totdat de latente zaden in ons, de oogst van
onze tegenwoordige en toekomstige daden en gedachten, te zijner tijd actief
zullen worden. Want alle dingen bewegen zich ordelijk in regelmatige banen
en dat zal ons in ver in de toekomst liggende eonen omlaag voeren voor
de opbouw van de komende planeetketen.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 488-94
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|