|
HOOFDSTUK 40
DEFINITIES
VAN DE GODHEID: ATHEïSME; PANTHEïSME. BESTAAT ER EEN OPPERMACHTIGE PERSOONLIJKE
GOD? KOSMISCHE ARCHITECTEN EN BOUWERS. OM IETS WERKELIJK TE LEREN KENNEN,
MOET MEN HET WORDEN.
|
‘Er is dus in geestelijke zin maar één absolute upadhi(basis)
waaruit, waarop en waarin voor manvantarische doeleinden de talloze
kernen worden gebouwd, van waaruit de universele, cyclische en individuele
evoluties tijdens de actieve periode voortkomen.’
‘De bezielende intelligenties, die deze
verschillende kernen van het Zijn tot leven opwekken, worden zonder
onderscheid door de mensen aan de andere kant van de grote bergketen
de Manu’s, de rishi’s, de pitri’s, de prajâpati’s, enz. genoemd.
Aan deze kant van die keten noemt men ze Dhyani-Boeddha’s, de Chohans,
melha’s(vuurgoden), bodhisattva’s en nog anders. De werkelijk onwetenden
noemen hen goden, de geleerde niet-ingewijden de éne God; de wijzen,
de ingewijden, eren in hen slechts de manvantarische manifestaties
van DAT, wat noch onze scheppers(de Dhyan-Chohans)
noch hun schepselen ooit kunnen bespreken en waarover ze niets weten.
Het ABSOLUTE kan niet worden omschreven en
geen sterfelijk of onsterfelijk wezen heeft het tijdens de perioden
van Bestaan ooit gezien of begrepen. Het veranderlijke kan het onveranderlijke
niet kennen en evenmin kan het levende het Absolute Leven waarnemen.’
‘De mens kan dus geen wezens kennen hoger
dan zijn eigen ‘voorvaderen’. ‘Evenmin moet hij ze aanbidden’, maar
hij zou moeten leren hoe hij in de wereld kwam. . . .
|
|
Er heerst vaak verwarring over de eigenschappen en
de stambomen van de goden in hun theogonieën, zoals die aan de wereld
zijn gegeven door de halfingewijde schrijvers, brahmaanse en bijbelse,
de alfa en de omega van de geschriften van die symbolische wetenschap.
Toch kon zo’n verwarring niet zijn teweeggebracht door de vroegste
volkeren, de afstammelingen en leerlingen van de goddelijke leermeesters,
want zowel de eigenschappen als de stambomen waren onafscheidelijk
verbonden met kosmogonische symbolen, omdat de ‘goden’ het leven
en het leven opwekkende ‘ziel-beginsel’ van de verschillende gebieden
van het Heelal waren. Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan
de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde
goden. De grenzeloze en oneindige EENHEID
bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door
het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties.
De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van
haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke
expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn
onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de
eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte
machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het
gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot,
die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus. . . . In iedere
kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een
hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de
schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en
rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden,
is er het ONKENBARE en het onbekende,
de bron en oorzaak van al deze emanaties. . . .
|
|
De Geheime Leer, 2:36-7, 46-7
|
We komen nu op een aspect van het occultisme dat altijd
als heilig is beschouwd en met veel zorg is bewaakt, en dat is de studie
van andere werelden dan de onze, geen werelden zoals die in de exoterische
religies zijn uiteengezet, maar werelden in overeenstemming met de geheime
wijsheid die ons uit onheuglijke tijden werd overgeleverd. We bedoelen
de leer over de hogere bollen van onze eigen planeetketen; de exoterische
opvattingen over de hemelen en hellen van de verschillende exoterische
geloofsvormen berusten op een verkeerde interpretatie van de leringen
over de planeetketen.
Men zou zich kunnen afvragen wat het juiste antwoord
is als iemand een van ons de vraag zou stellen: ‘Is een theosoof een atheïst?
Gelooft hij in God? Zo niet, waarom niet?’ Deze vragen houden rechtstreeks
verband met een juist begrip van de leringen over de planeetketen. Laten
we daarom eerst enkele ogenblikken wijden aan het beantwoorden van deze
vragen voor onszelf. Zijn wij atheïsten? Hoe kunnen we die vraag beantwoorden
voor wij weten wat wij met die term bedoelen? Als wij in een modern woordenboek,
bijvoorbeeld de Century Dictionary, de definitie van het woord
‘atheïsme’ opzoeken, dan vinden we er drie van algemene aard. De eerste
is: ‘De leer dat er geen God bestaat’. En dan volgt een citaat van Sir
J.R. Seeley uit zijn boek Natural Religion, blz. 26: ‘Atheïsme
is ongeloof in het bestaan van God – dat wil zeggen, ongeloof in enige
ordening in het heelal, waarnaar de mens zich moet richten, wil hij niet
gestraft worden’. Let op het merkwaardige beperkte denken dat hierin ligt
opgesloten. Als er geen ordening in het heelal is, is er dus geen persoonlijke
oppermachtige God en als men dus niet in zo’n God gelooft, dan is het
heelal ongeordend en anarchistisch en is men een atheïst!
De tweede definitie luidt als volgt: ‘De ontkenning
van het theïsme, namelijk van de leer dat de grote eerste oorzaak een
verheven intelligente, rechtvaardige persoon is’. De derde definitie is
‘goddeloosheid’, wat stilzwijgend inhoudt dat als men de God van degene
die deze definitie geeft niet aanvaardt, men een atheïst is en men een
‘goddeloos’ en dus een slecht leven leidt. Dit zijn de definities die
in een standaardwerk worden gegeven.
Nu weet iedere aankomende student in de geschiedenis
dat deze kwestie of gedachte van het geloof in een god of in geen god
verandering heeft ondergaan, of beter dat men hierover in verschillende
eeuwen verschillende opvattingen had. U herinnert zich ongetwijfeld dat
toen de christelijke godsdienst er voor het eerst min of meer in slaagde
zich een plaats in Griekenland en in het Romeinse keizerrijk te verove
ren, ontwikkelde Grieken en Romeinen de nieuwe christelijke sekte een
atheïstische sekte noemden. Zij werden ‘atheïsten’, atheoi, genoemd,
dat betekent iemand of liever diegenen die de gevestigde goden van de
staat niet aanvaardden, namelijk de goden van de staatsreligie; en aan
dit woord werd in het geheel niet een bepaalde of noodzakelijke betekenis
van kwaad doen verbonden. Het leek veel meer op een uitspraak die een
Europeaan of Amerikaan uit onze tijd zou kunnen doen: Die en die is een
vrijdenker, of een confucianist, of een boeddhist, of een wetenschapsman,
enz.
Toen de christenen machtiger werden en in later
eeuwen de zogenaamde heidenen gingen overheersen, namen ze op hun beurt
revanche door de heidenen atheïsten te noemen, omdat laatstgenoemden de
Joods-Griekse, de nieuwbakken christelijke God niet aanvaardden. Met andere
woorden, de term betekent in feite: Als u mijn God aanvaardt, bent
u geen atheïst; en als u mijn God niet aanvaardt, bent u wel een atheïst’.
Dit is ongeveer wat atheïsme altijd heeft betekend,
als we de bladzijden van de geschiedenis erop naslaan. Maar als we denken
dat atheïsme noodzakelijk kwaad doen inhoudt, verlagen we ons tot het
mentale standpunt van bepaalde heel bekrompen christenen, voor wie allen
atheïsten zijn die hun bijzondere soort godsdienst, hun bijzonder begrip
of wanbegrip van de godheid niet aanvaarden. Dit doet ons als vanzelf
denken aan die legendarische Schotse dame van wie we allen hebben gehoord
en die met haar man een kerk vormde; zij en haar Jamie vormden samen de
kerk. Maar zij was ‘niet helemaal zeker van Jamie’. Daarom bestond de
kerk uit haar alleen, en haar man Jamie, arme kerel, was (in haar ogen)
zo goed als een atheïst.
Dat is de geest waardoor het christelijke denken
zich praktisch vanaf de dood van zijn stichter heeft laten leiden. Wanneer
we daarom de vraag stellen of iemand een atheïst is, moeten we ons er
eerst zorgvuldig van vergewissen wat we met dit woord bedoelen. Men heeft
mij een atheïst genoemd, omdat ik de oude orthodoxe definitie van de persoonlijke
christelijke God niet aanvaard. Ik verwerp dit woord als daarmee een immoreel
leven leiden wordt bedoeld. Ik verwerp het met mijn diepste gevoelens
van verontwaardiging als het woord in die zin wordt gebruikt, want het
is een aantijging die in hoge mate onrechtvaardig is. En ongetwijfeld
denkt ieder van u er precies zo over. Was het niet de schrijver van
The Plough and the Cross, een knappe Ierse schrijver, die ergens zei
dat onze ‘voorvaderen bang waren voor geesten; maar wij zijn bang voor
namen’, namelijk voor labels en etiketten?
Let op de tweede hierboven genoemde definitie,
dat iemand een atheïst is als hij niet gelooft in het bestaan van een
oppermachtige persoonlijke eerste oorzaak, die een ‘intelligente, rechtvaardige
persoon’ is. Ik verwerp zo’n godheid; dus ben ik volgens het woordenboek
een atheïst. Maar als iemand mij zou vragen, Bent u een atheïst? dan zou
ik zeggen: nee. En als hij zou vragen, Waarom niet? dan zou ik zeggen
omdat voor mij het grenzeloze Al geheel is vervuld van bewustzijn en leven,
een oneindige, onmetelijke en krioelende menigte wezens, zonder begin
of einde, die niet alleen het hart van het pulserende leven van al wat
is vormen, maar ook de bewustzijnen verschaffen die de ontel bare heelallen
van en in het grenzeloze Al besturen en beheersen.
Wanneer men de canonieke geschriften van de christelijke
godsdienst raadpleegt en vraagt wat Paulus bedoelde toen hij over de godheid
sprak, vinden we daarin twee definities die hem, ingewijde die hij was,
waardig waren en waarin hij ten eerste zei: ‘In Het leven wij, bewegen
wij ons en hebben wij ons bestaan’. Dit is zuiver pantheïsme – niet in
de verkeerd begrepen en bespottelijke zin die de christenen ten onrechte
eraan hebben gegeven, namelijk dat iedere paal en iedere steen God is,
waaruit dus hun mateloze onwetendheid blijkt van de hoge en edele filosofische
betekenis die deze term pantheïsme inhoudt; maar in de zin dat alles leven
is en dat het onmogelijk is zich het kleinste punt in de ruimte of van
het zijn voor te stellen, laat staan te beroeren, dat dit grenzeloze leven
ontbeert. Want achter A ligt B, dat nog groter is dan A; achter B ligt
C, nog groter dan B; achter C ligt D, dat nog grandiozer is enz., en dat
gaat door tot in het oneindige. Hoe godslasterlijk zijn de denkbeelden
die ons door de eeuwen heen over dit vraagstuk van de godheid zijn overgeleverd!
Wij hebben hier in ons westerse christendom een God, een bundeling van
tegenstrijdigheden, een verkeerd begrepen weergave van neopythagorische
en neoplatonische en van enkele joodse gedachten, een merkwaardige en
tegenstrijdige samenstelling die de christelijke godheid wordt genoemd
– ik bedoel de theologische definitie daarvan.
Dan is er nog een uitspraak van Paulus in zijn
Brief aan de Romeinen (11:36): ‘Want uit Het en door Het en terug tot
Het zijn alle dingen’. Dit is onvervalst pantheïsme, zelfs zoals wij het
opvatten.
Als wij vervolgens de Engelse vertaling van het
Evangelie van Johannes (4:24) naslaan, krijgen we een bevestiging van
de tegenovergestelde gedachte, een vertaling die ontstond uit de orthodoxe
weergave van de tekst door de latere christenen, waarin dit Griekse vers
onjuist is vertaald met de woorden ‘God is een Geest’. Het Griekse
origineel zou evengoed en zelfs beter kunnen worden vertaald met: ‘God
is Geest’ [wat overeenkomt met de Nederlandse bijbelvertaling]. Het zij
zo. Zij mogen ‘een geest’ aanbidden als ze dat willen, een geest
die een ‘rechtvaardige persoon’ is; maar zij in wie het hart zich
heeft verruimd onder de weldadige invloed van de wijsheidsreligie en die
tenminste iets begrijpen van de kennis die iedere trouwe bestudeerder
van de wijsheidsreligie moet bezitten, kunnen zo’n definitie van de godheid,
die zij niet kunnen aanvaarden, alleen afwijzen met alle verontwaardiging
die deze definitie verdient.
Er is geen theosoof, heeft H.P. Blavatsky ergens
gezegd, die ooit de godheid, d.w.z. het onbeperkte leven in het grenzeloze
Al, heeft ontkend; maar deze godheid vertoont in het geheel geen gelijkenis
en kan in geen enkel opzicht worden vergeleken met een eindige schepper,
die zo’n ‘persoon’ wordt geacht te zijn, hoe ‘verheven’ en hoe ‘rechtvaardig’
en hoe groot die veronderstelde ‘persoon’ of die ‘geest’ ook kan worden
voorgesteld.
Als iemand u dus zou vragen, bestaat er een oppermachtige
persoonlijke God, die de planeetketen bestuurt, en is dat uw God? dan
is het antwoord: nee. Er bestaat een menigte, een hiërarchie van intelligente
en denkende en zeer vergeestelijkte wezens waaruit de planeetketen voortkwam,
maar dat is niet onze god, evenmin aanbidden we een dergelijk wezen. Deze
wezens zijn onze voorouders, onze oudere broeders in een heel verheven
zin, want zij waren in vroegere lang vervlogen manvantara’s mensen; maar
nooit onze ‘god’, zelfs niet wanneer ze als een eenheid worden beschouwd
en de logos worden genoemd. Onze ‘godheid’, als zij iets is, is dat onbeschrijflijke,
grenzeloze leven in zijn hoogste aspecten, dat achter alles staat, dat
de achtergrond vormt van al het gemanifesteerde zijn op welk gebied ook
en waarin alles is, waaruit alles is en waartoe alles is; onbeschrijflijk,
ondenkbaar en daarom onuitsprekelijk.
U herinnert zich dat toen men Gautama de Boeddha
vroeg, Wat is God? en Bestaat God? deze grootste en edelste van de meesters
zweeg. En toen hem een tweede en een derde keer werd gevraagd, Wat is
God, bleef hij zwijgen. Drie keer werd hem de vraag gesteld en drie keer
bewaarde hij het stilzwijgen.
Op deze bijeenkomsten hebben we de laatste tijd
geprobeerd aan te tonen dat het hele stelsel van wezens, de bouw of structuur
van het heelal tegen de achtergrond van het grenzeloze, zijn oorsprong
heeft in het werk en de vermenging van de goden, de monaden, de zielen
en de atomen; en dat deze de verschillende planeetketens van ons zonnestelsel
hebben voortgebracht, dat wil zeggen van het kosmische atoom of, zoals
de brahmaanse denkers het noemden, het ei van Brahmâ. Uit deze goden,
monaden, zielen en atomen kwam het gemanifesteerde zijn van het zonnestelsel
voort.
Laten we ons vervolgens tot onze eigen planeetketen
wenden. U zult zich herinneren dat er is gezegd dat ze uit zeven bollen
bestaat, waarvan onze tegenwoordige aarde de vierde is en zich op het
laagste gebied van de zeven bevindt; en dat deze planeetketen op vier
van de gebieden of werelden van het zonnestelsel werkzaam is, in feite
in de vier laagste werelden hiervan, omdat onze aarde het laagste element
of de laagste wereld bewoont van de zeven die het zonnestelsel vormen.
Deze zeven elementen zijn overigens de kosmische loka’s en tala’s, of
kosmische werelden, beginselen en elementen die samenwerken. Ze zijn de
werelden binnen de uiterlijke schijn, etherischer dan onze wereld, en
waarvan de onze een kopie is, niet noodzakelijk een kopie in elk detail,
maar een kopie in algemene zin, zoals het stoffelijk lichaam van de mens
een kopie in algemene zin is van zijn ziel; en zoals zijn ziel een kopie
in algemene zin is van zijn geest; en zoals de geest van hem in algemene
zin een kopie is van zijn goddelijke wortel, een godwezen of godheid waaruit
hij voortkwam.
U zult zich ook herinneren dat er twee algemene
reeksen of hiërarchieën van geestelijke wezens zijn, die onze kosmos voortbrachten,
waarvan onze planeetketen één deel is; en deze twee zijn respectievelijk
de architecten en de bouwers. De architecten vormen de hogere of meer
geestelijke kant en vormen feitelijk de reeks van de lichtende boog; en
de bouwers of constructeurs vormen de schaduwboog.
In het boeddhistische stelsel van Tibet wordt
aan beide soorten wezens de algemene naam dhyâni-chohans, of heren van
meditatie gegeven; maar meer in het bijzonder worden de architecten de
dhyâni-boeddha’s, de boeddha’s van contemplatie genoemd. De Grieken gaven
de wereldbouwers, de metselaars van de wereld, de algemene benaming
kosmokratores, een samengesteld Grieks woord dat ‘wereldbouwers’ betekent.
Zij ontvangen het scheppings- of bouwplan van de wezens van de lichtende
boog, of de dhyâni-boeddha’s, en geven hieraan uitvoering.
Elk van deze twee reeksen bestaat uit zeven graden
of beter klassen: er zijn zeven klassen van dhyâni-boeddha’s en zeven
klassen van dhyâni-chohans; en wat onze eigen planeetketen betreft, deze
zeven klassen worden daarin weerspiegeld, herhaald.
Bovendien staat elk van de zeven bollen die onze
planeetketen samenstellen onder het bijzondere toezicht (ik denk dat het
niet juist zou zijn het woord bestuur of leiding te gebruiken, maar dat
toezicht beter is) onder het bijzondere toezicht of onder de hoede
– hoede is misschien het beste woord om dit hoogst metafysische begrip
te beschrijven – onder de hoede van één klasse van deze dhyâni-boeddha’s
en één klasse van bouwers. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bol A, de eerste
op de neergaande boog van onze planeetketen, onder de hoede of waakzame
inspiratie of onder toezicht staat van één klasse van deze zeven van beide
reeksen. Bol B staat onder de hoede van de tweede klasse van elke reeks.
Bol C onder eenzelfde hoede of inspiratie van de derde klasse van elk
hiervan; en onze eigen bol D of de vierde heeft eveneens zijn eigen dhyâni-boeddha’s
en bouwers van de vierde klasse; en hetzelfde geldt voor de drie bollen
van de opgaande boog.
Verwar deze twee reeksen niet want het onderscheid
is belangrijk als we tenminste enig inzicht willen krijgen in deze tak
van de oude wijsheid. De architecten van de lichtende boog leveren
het model, ontwerpen de plannen. Zij zijn de architecten, de toezichthouders
en hun werk wordt uitgevoerd door deze lagere graden of klassen van geestelijke
wezens, die de bouwers worden genoemd.
Wat deze kwestie inzake God betreft, waaraan
we zojuist kort aandacht hebben besteed, zult u zich herinneren dat de
gnostici in het begin van de christelijke jaartelling beweerden en wij
beweren het met hen, dat de christelijke God, Jehova, die de christenen
de Schepper noemen, juist om die redenen geen zeer hoge god kan zijn.
Uit de eigenschappen en functies van schepping of vorming die aan hem
worden toegeschreven blijkt juist, aldus deze gnostici, dat hij slechts
een lagere godheid, een bouwer, was die bij wijze van spreken zijn ‘orders’
van de goddelijke architecten en bovenaardse ontwerpers en denkers van
de kosmos ontving, terwijl hijzelf dus slechts een bouwer was. Zoals zij
het zo goed uitdrukten, getuigen de veelvuldige onvolmaaktheden en onvolledigheden
in het kosmische stelsel, die zelfs voor ons mensen zo duidelijk aan het
licht treden, van het feit dat dit niet het werk kon zijn van een in elk
opzicht volmaakte en kosmisch almachtige godheid; uit absolute volmaaktheid
zou alleen een volmaakt en volledig werk kunnen voortkomen. De eerste
christenen konden de diepe filosofie achter dit onweerlegbare axioma niet
begrijpen, en waren inderdaad heel vertoornd en verontwaardigd over wat
zij de ‘godslasterlijke denkbeelden’ van die gnostici noemden. U zult,
met allen die nadenken, ook de diep filosofische en godsdienstige implicaties
van dit argument of axioma begrijpen, maar wij kunnen daar nu niet langer
bij stilstaan. Maar bedenk dat u in alle oude geloofsvormen twee algemene
klassen van geestelijke wezens zult aantreffen, die in de kosmos werkzaam
zijn, en ze zijn steeds verdeeld in de denkers of ontwerpers of architecten,
de inspirators; en in de bouwers. Tenslotte nog dit, er zit veel meer
aan deze gedachte vast dan waarop we nu kunnen ingaan.
De stille wachter, over wie we eerder hebben
gesproken, is de hoogste van de dhyâni-chohans van onze bol; maar er is
ook een stille wachter voor elk van de andere zes bollen en voor de planeetketen
als geheel. Er is ook een stille wachter voor het hele kosmische stelsel
– voor het hele zonnestelsel. Wanneer we dus zonder nadere omschrijving
over de stille wachter spreken, bedoelen we daarmee een geestelijk wezen
of een hiërarchisch hoofd. Het is een algemene benaming. Er is nu één
zo’n stille wachter op onze aarde, de hoogste chef van de hiërarchie van
mededogen, de hoogste schakel met de geestelijke wezens van de hiërarchie
die hoger staat dan de onze, omhoog langs de lichtende boog. Hij is, zo
gezegd, onze hoogste meester, onze hoogste chef.
U heeft natuurlijk allen de leer over onze eigen
planeetketen bestudeerd, wat gewoonlijk de zeven ronden worden genoemd,
dat wil zeggen dat de levenscyclus of levensgolf zijn evolutionaire tocht
op bol A, de eerste van de bollen begint, daar zijn cyclussen voltooit,
dan omlaag gaat naar bol B, en dan naar bol C en naar bol D, onze aarde;
en dan naar bol E op de opgaande boog, dan naar bol F en dan naar bol
G. Dat is één planetaire ronde. Dan volgt een planetair nirvâna, totdat
de tweede ronde op dezelfde manier begint, maar in een meer ‘gevorderde’
graad van evolutie dan die van de eerste ronde. Bedenk dat één zo’n ronde
een planetaire ronde is. Een bolronde is één van de doortochten,
één van de zeven doortochten van die levensgolf tijdens haar planetaire
ronde langs elke bol, dus op en door elk van de bollen: wanneer de levensgolf
bijvoorbeeld door bol D is gegaan en haar cyclussen op bol D beëindigt,
dan is dat de bolronde van bol D voor die bepaalde planetaire ronde;
en dit geldt respectievelijk voor alle bollen. Er zijn daarom zeven
bolronden (één bolronde voor elk van de zeven bollen) in elke planetaire
ronde. Als er vervolgens zeven planetaire ronden zijn voltooid,
wat neerkomt op 49 bolronden (of bolmanvantara’s), dan volgt een
nog hoger nirvâna dan dat tussen de bollen G en A na elke planetaire ronde,
dat een pralaya van die planeetketen wordt genoemd, een pralaya die voortduurt
totdat de cyclus terugkeert voor de vorming van de nieuwe planeetketen,
die dezelfde reeks levende wezens bevat als op de voorafgaande keten en
die nu bestemd zijn om met de nieuwe planeetketen te beginnen, maar op
een hogere reeks gebieden dan in de voorafgaande.
Wanneer zeven van zulke planeetketens met hun
diverse kalpa’s of manvantara’s voorbij zijn, vormt die enorme zevenvoudige
cyclus één zonnemanvantara, en dan zinkt het hele zonnestelsel
in de zonne- of kosmische pralaya. Onze eigen zon is dan uitgedoofd, plotseling,
als een lichtflits of als een schaduw die langs een muur glijdt. Na een
korte ‘opflikkering’ gaat het licht tenslotte uit en gaat de grote massa
entiteiten over naar geestelijke rijken die veel hoger zijn dan de hoogste
die werden bereikt op het hoogtepunt van de bestaansperiode van het zonnemanvantara,
omdat zij dan hun zonnenirvâna ingaan.
Laten we hetzelfde diagram tekenen dat we al
eerder hebben overgenomen van H.P. Blavatsky uit De Geheime Leer
(1:228). De zeven evenwijdige lijnen stellen de zeven gebieden of werelden
van het zonnestelsel voor. Boven of op de laagste van deze zeven lijnen
tekenen we
een cirkel die bol D, onze aarde, moet voorstellen. Op het daarboven liggende
gebied plaatsen we nog twee cirkels die de twee bollen onmiddellijk boven
onze eigen bol voorstellen en respectievelijk aan de linkerkant C en rechts
E worden genoemd. Op het gebied daarboven plaatsen we nog twee bollen
en noemen deze respectievelijk links B en rechts F. En op het gebied daarboven,
het vierde kosmische gebied omhoog geteld tekenen we weer twee cirkels
die de hoogste twee bollen van onze keten voorstellen, respectievelijk
links A en rechts G.
Bedenk dat deze kosmische ‘gebieden’ alleen gemakshalve
zo worden genoemd. Het zijn in feite de zeven kosmische loka’s en tala’s
van het kosmische stelsel, dat wil zeggen van het zonnestelsel. Maar elk
hiervan is een echte wereld; ze zijn even echte werelden als de onze,
die we waarnemen als we omhoogkijken en de sterren boven ons zien en naar
de aarde kijken en de aarde onder onze voeten zien met de bomen die eruit
opgroeien, de mensen en de andere bezielde wezens die erop lopen, enz.
Elk van deze kosmische ‘gebieden’ is een wereld, maar elk is weer in zevenen
onderverdeeld, in zeven afdelingen, die met elkaar 49 onderverdelingen
vormen van de zeven hoofdverdelingen (of werelden) van het zonnestelsel.
Laten we dit toelichten aan de hand van een ander
diagram. We trekken opnieuw zeven evenwijdige lijnen. En laten we zeggen
dat deze de laagste zonnewereld voorstellen, of het laagste zonnegebied
van de zeven, de laagste
kosmische wereld, onze wereld, de wereld waarin we nu zijn. Die is evenals
alle andere zevenvoudig of verdeeld in zeven delen of afdelingen, die
de stof of de geest voorstellen vanaf de grofste tot de hoogste graad
van elk in onze wereld, vanaf de etherische (hoogste) tot de meest
stoffelijke (laagste); en op één van deze gebieden bevindt zich nu onze
bol Terra.
Hoe werkt de levensgolf in een bepaalde ronde?
Voorlopig zullen we de voorafgaande drie bollen, A, B en C, op de neergaande
boog buiten beschouwing laten en het alleen over onze eigen bol D of de
aarde hebben. Deze zeven lijnen in de figuur zijn bedoeld om respectievelijk
de zeven graden of materialisaties van de stof voor te stellen op het
laagste van de zeven kosmische gebieden die van boven naar beneden toe
steeds stoffelijker worden. Onze bol D is in de eerste ronde in
het hoogste of bovenste van deze zeven subgebieden van ons eigen lagere
kosmische gebied, en ons eigen kosmische gebied is, zoals u zich zult
herinneren, het laagste van de zeven van alle kosmische gebieden. Het
is het zevende en laagste. De levensgolf gaat gedurende ronde 1 door onze
aarde, na haar tot ontwikkeling te hebben gebracht, een proces dat we
later in bijzonderheden zullen bestuderen; het is een proces van evolutionaire
ontwikkeling dat vele miljoenen jaren in beslag neemt; en na haar bolronde
1 te hebben voltooid, verlaat ze onze bol D en gaat over naar de eerstvolgende
hogere bol E. Goed. Terwijl deze levensgolf in de stof afdaalt in de eerste
drie ronden, bevindt onze bol zich gedurende de eerste ronde op
het hoogste subgebied van het laagste kosmische gebied of de laagste wereld.
In de tweede of volgende ronde is onze bol verstoffelijkt en bevindt zich
op het tweede subgebied omlaag geteld; in de derde ronde is hij nog meer
verstoffelijkt op het derde subgebied daaronder; in ronde 4, dat is waar
we nu zijn, heeft onze bol zijn grofste toestand van stof bereikt; de
omlaaggaande fase van de cyclus eindigt en het opklimmen begint.
Hoe staat het met de subgebieden 5, 6, en 7?
Die gebieden houden verband met het lot van wezens die het linkerpad hebben
gevolgd en die tenslotte het diepste punt van verstoffelijking op het
zevende sub-gebied of het grofst mogelijke en het laatste in ons zonnestelsel
hebben bereikt.
We zien dus dat de levensgolf bij het volbrengen
van haar eerste ronde, ronde 1, zoals dit in Diagram 1 wordt geïllustreerd
(tijdens haar neergaande boog door de laagste vier kosmische werelden
of gebieden) door het hoogste subgebied of de hoogste subwereld van elk
van deze laagste vier kosmische werelden heengaat en dan in elk van die
kosmische werelden een bol vormt, één van de dan-in-de-maak-zijnde zeven
bollen van de keten. Is dat duidelijk? In ronde 1 vormt de levensgolf
bol A op het hoogste subgebied van de vierde kosmische wereld of het vierde
kosmische gebied. Zie het diagram. In ronde 1 vormt de levensgolf bol
B op het hoogste subgebied van de vijfde kosmische wereld of het vijfde
kosmische gebied. In ronde 1 vormt de levensgolf bol C op het hoogste
subgebied van de zesde kosmische wereld of het zesde kosmische gebied;
en het gaat evenzo met de laagste bol D, onze aarde; en in de opgaandereeks
zien we dat de bollen E, F en G op overeenkomstige wijze worden gevormd,
elk op het hoogste subgebied van de respectieve kosmische werelden of
gebieden. Ronde 2 begint (na het lange, lange planetaire nirvâna) op bol
A op het tweede subgebied van de vierde kosmische wereld of het
vierde kosmische gebied; dan gaat de levensgolf naar bol B op het tweede
subgebied van de vijfde kosmische wereld of het vijfde kosmische gebied;
dan naar bol C op het tweede subgebied van de zesde kosmische wereld
of het zesde kosmische gebied; dan naar bol D (onze aarde) op het tweede
subgebied van de zevende of laagste kosmische wereld of het zevende of
laagste kosmische gebied. Op dezelfde manier gaat de levensgolf tijdens
deze tweede planetaire ronde naar alle bollen op al de tweede subgebieden
van de opgaande boog. Elk van deze doortochten van de levensgolf
in en door elke bol van de zeven bollen vormt, zoals gezegd, een bolronde.
Zo gaat het met ronde 3 en ook met ronde 4, waarin
we nu zijn op bol D, op het vierde subgebied van het zevende of laagste
kosmische gebied of de laagste kosmische wereld; dat wil zeggen dat de
levensgolf in elke planetaire ronde door de zeven bollen van de keten
gaat, van kosmisch gebied naar kosmisch gebied, maar in elk van deze ronden
gaat ze slechts door één subgebied van elke kosmische wereld of elk kosmisch
gebied. Het resultaat hiervan is dat ze gedurende de zeven ronden door
49 subgebieden gaat en de wezens die de levensgolf samenstellen krijgen
daardoor de gelegenheid om het doel, waarvoor ze aan hun actieve periode
van manifestatie en evolutie zijn begonnen, te bereiken; het doel van
het hele evolutieproces van de kosmos is namelijk om zelfbewustzijn te
verwerven door middel van individualiserende ervaringen – dat zijn ervaringen
die de monaden individualiseren (evolueren, naar buiten brengen).
En om dat te bereiken moet elke monade de verschillende fasen en geaardheden
van het universele leven niet alleen ondergaan en mentaal ervaren, maar
moet ze ook zijn. Zoals al is opgemerkt, waren de vroegere inwijdingen,
de werkelijke inwijdingen, de inwijdingen die aan het bewustzijn
van de mens kennis van de geestelijke waarheden van het zijn schonken,
op dit feit gebaseerd: dat geen mens werkelijk iets kon weten door er
alleen in te worden onderricht, maar dat hij het moet zijn, hij
moet het worden. De oude mysteriescholen volgden tijdens de eerste
drie inwijdingen een systeem bestaande uit onderricht alleen. Vanaf de
vierde inwijding werd dit gewijzigd in zowel onderricht als persoonlijke
ervaring, waarbij deze persoonlijke ervaringen ruimer en grootser werden
met iedere stap omhoog die de kandidaat of initiant deed; totdat hij tenslotte,
indien hij in al de zeven graden was geslaagd, de goddelijke status bereikte
van waaruit hij in het begin van het kosmische of zonnemanvantara zijn
tocht was begonnen, plus goddelijk zelfbewustzijn, goddelijke
zelfontwaking, en daardoor een boeddha, een ontwaakte werd; of een
christos om de oude Griekse mysterieterm te gebruiken.
Op de volgende bijeenkomsten zullen we ons onderzoek
van de planeetketen voortzetten.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 495-507
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|