HOOFDSTUK 40

DEFINITIES VAN DE GODHEID: ATHEïSME; PANTHEïSME. BESTAAT ER EEN OPPERMACHTIGE PERSOONLIJKE GOD? KOSMISCHE ARCHITECTEN EN BOUWERS. OM IETS WERKELIJK TE LEREN KENNEN, MOET MEN HET WORDEN.

 

‘Er is dus in geestelijke zin maar één absolute upadhi(basis) waaruit, waarop en waarin voor manvantarische doeleinden de talloze kernen worden gebouwd, van waaruit de universele, cyclische en individuele evoluties tijdens de actieve periode voortkomen.’
     ‘De bezielende intelligenties, die deze verschillende kernen van het Zijn tot leven opwekken, worden zonder onderscheid door de mensen aan de andere kant van de grote bergketen de Manu’s, de rishi’s, de pitri’s, de prajâpati’s, enz. genoemd. Aan deze kant van die keten noemt men ze Dhyani-Boeddha’s, de Chohans, melha’s(vuurgoden), bodhisattva’s en nog anders. De werkelijk onwetenden noemen hen goden, de geleerde niet-ingewijden de éne God; de wijzen, de ingewijden, eren in hen slechts de manvantarische manifestaties van DAT, wat noch onze scheppers(de Dhyan-Chohans) noch hun schepselen ooit kunnen bespreken en waarover ze niets weten. Het ABSOLUTE kan niet worden omschreven en geen sterfelijk of onsterfelijk wezen heeft het tijdens de perioden van Bestaan ooit gezien of begrepen. Het veranderlijke kan het onveranderlijke niet kennen en evenmin kan het levende het Absolute Leven waarnemen.’
     ‘De mens kan dus geen wezens kennen hoger dan zijn eigen ‘voorvaderen’. ‘Evenmin moet hij ze aanbidden’, maar hij zou moeten leren hoe hij in de wereld kwam. . . .

Er heerst vaak verwarring over de eigenschappen en de stambomen van de goden in hun theogonieën, zoals die aan de wereld zijn gegeven door de halfingewijde schrijvers, brahmaanse en bijbelse, de alfa en de omega van de geschriften van die symbolische wetenschap. Toch kon zo’n verwarring niet zijn teweeggebracht door de vroegste volkeren, de afstammelingen en leerlingen van de goddelijke leermeesters, want zowel de eigenschappen als de stambomen waren onafscheidelijk verbonden met kosmogonische symbolen, omdat de ‘goden’ het leven en het leven opwekkende ‘ziel-beginsel’ van de verschillende gebieden van het Heelal waren. Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde goden. De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus. . . . In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties. . . .

– De Geheime Leer, 2:36-7, 46-7

We komen nu op een aspect van het occultisme dat altijd als heilig is beschouwd en met veel zorg is bewaakt, en dat is de studie van andere werelden dan de onze, geen werelden zoals die in de exoterische religies zijn uiteengezet, maar werelden in overeenstemming met de geheime wijsheid die ons uit onheuglijke tijden werd overgeleverd. We bedoelen de leer over de hogere bollen van onze eigen planeetketen; de exoterische opvattingen over de hemelen en hellen van de verschillende exoterische geloofsvormen berusten op een verkeerde interpretatie van de leringen over de planeetketen.
     Men zou zich kunnen afvragen wat het juiste antwoord is als iemand een van ons de vraag zou stellen: ‘Is een theosoof een atheïst? Gelooft hij in God? Zo niet, waarom niet?’ Deze vragen houden rechtstreeks verband met een juist begrip van de leringen over de planeetketen. Laten we daarom eerst enkele ogenblikken wijden aan het beantwoorden van deze vragen voor onszelf. Zijn wij atheïsten? Hoe kunnen we die vraag beantwoorden voor wij weten wat wij met die term bedoelen? Als wij in een modern woordenboek, bijvoorbeeld de Century Dictionary, de definitie van het woord ‘atheïsme’ opzoeken, dan vinden we er drie van algemene aard. De eerste is: ‘De leer dat er geen God bestaat’. En dan volgt een citaat van Sir J.R. Seeley uit zijn boek Natural Religion, blz. 26: ‘Atheïsme is ongeloof in het bestaan van God – dat wil zeggen, ongeloof in enige ordening in het heelal, waarnaar de mens zich moet richten, wil hij niet gestraft worden’. Let op het merkwaardige beperkte denken dat hierin ligt opgesloten. Als er geen ordening in het heelal is, is er dus geen persoonlijke oppermachtige God en als men dus niet in zo’n God gelooft, dan is het heelal ongeordend en anarchistisch en is men een atheïst!
     De tweede definitie luidt als volgt: ‘De ontkenning van het theïsme, namelijk van de leer dat de grote eerste oorzaak een verheven intelligente, rechtvaardige persoon is’. De derde definitie is ‘goddeloosheid’, wat stilzwijgend inhoudt dat als men de God van degene die deze definitie geeft niet aanvaardt, men een atheïst is en men een ‘goddeloos’ en dus een slecht leven leidt. Dit zijn de definities die in een standaardwerk worden gegeven.
     Nu weet iedere aankomende student in de geschiedenis dat deze kwestie of gedachte van het geloof in een god of in geen god verandering heeft ondergaan, of beter dat men hierover in verschillende eeuwen verschillende opvattingen had. U herinnert zich ongetwijfeld dat toen de christelijke godsdienst er voor het eerst min of meer in slaagde zich een plaats in Griekenland en in het Romeinse keizerrijk te verove ren, ontwikkelde Grieken en Romeinen de nieuwe christelijke sekte een atheïstische sekte noemden. Zij werden ‘atheïsten’, atheoi, genoemd, dat betekent iemand of liever diegenen die de gevestigde goden van de staat niet aanvaardden, namelijk de goden van de staatsreligie; en aan dit woord werd in het geheel niet een bepaalde of noodzakelijke betekenis van kwaad doen verbonden. Het leek veel meer op een uitspraak die een Europeaan of Amerikaan uit onze tijd zou kunnen doen: Die en die is een vrijdenker, of een confucianist, of een boeddhist, of een wetenschapsman, enz.
     Toen de christenen machtiger werden en in later eeuwen de zogenaamde heidenen gingen overheersen, namen ze op hun beurt revanche door de heidenen atheïsten te noemen, omdat laatstgenoemden de Joods-Griekse, de nieuwbakken christelijke God niet aanvaardden. Met andere woorden, de term betekent in feite: Als u mijn God aanvaardt, bent u geen atheïst; en als u mijn God niet aanvaardt, bent u wel een atheïst’.
     Dit is ongeveer wat atheïsme altijd heeft betekend, als we de bladzijden van de geschiedenis erop naslaan. Maar als we denken dat atheïsme noodzakelijk kwaad doen inhoudt, verlagen we ons tot het mentale standpunt van bepaalde heel bekrompen christenen, voor wie allen atheïsten zijn die hun bijzondere soort godsdienst, hun bijzonder begrip of wanbegrip van de godheid niet aanvaarden. Dit doet ons als vanzelf denken aan die legendarische Schotse dame van wie we allen hebben gehoord en die met haar man een kerk vormde; zij en haar Jamie vormden samen de kerk. Maar zij was ‘niet helemaal zeker van Jamie’. Daarom bestond de kerk uit haar alleen, en haar man Jamie, arme kerel, was (in haar ogen) zo goed als een atheïst.
     Dat is de geest waardoor het christelijke denken zich praktisch vanaf de dood van zijn stichter heeft laten leiden. Wanneer we daarom de vraag stellen of iemand een atheïst is, moeten we ons er eerst zorgvuldig van vergewissen wat we met dit woord bedoelen. Men heeft mij een atheïst genoemd, omdat ik de oude orthodoxe definitie van de persoonlijke christelijke God niet aanvaard. Ik verwerp dit woord als daarmee een immoreel leven leiden wordt bedoeld. Ik verwerp het met mijn diepste gevoelens van verontwaardiging als het woord in die zin wordt gebruikt, want het is een aantijging die in hoge mate onrechtvaardig is. En ongetwijfeld denkt ieder van u er precies zo over. Was het niet de schrijver van The Plough and the Cross, een knappe Ierse schrijver, die ergens zei dat onze ‘voorvaderen bang waren voor geesten; maar wij zijn bang voor namen’, namelijk voor labels en etiketten?
     Let op de tweede hierboven genoemde definitie, dat iemand een atheïst is als hij niet gelooft in het bestaan van een oppermachtige persoonlijke eerste oorzaak, die een ‘intelligente, rechtvaardige persoon’ is. Ik verwerp zo’n godheid; dus ben ik volgens het woordenboek een atheïst. Maar als iemand mij zou vragen, Bent u een atheïst? dan zou ik zeggen: nee. En als hij zou vragen, Waarom niet? dan zou ik zeggen omdat voor mij het grenzeloze Al geheel is vervuld van bewustzijn en leven, een oneindige, onmetelijke en krioelende menigte wezens, zonder begin of einde, die niet alleen het hart van het pulserende leven van al wat is vormen, maar ook de bewustzijnen verschaffen die de ontel bare heelallen van en in het grenzeloze Al besturen en beheersen.
     Wanneer men de canonieke geschriften van de christelijke godsdienst raadpleegt en vraagt wat Paulus bedoelde toen hij over de godheid sprak, vinden we daarin twee definities die hem, ingewijde die hij was, waardig waren en waarin hij ten eerste zei: ‘In Het leven wij, bewegen wij ons en hebben wij ons bestaan’. Dit is zuiver pantheïsme – niet in de verkeerd begrepen en bespottelijke zin die de christenen ten onrechte eraan hebben gegeven, namelijk dat iedere paal en iedere steen God is, waaruit dus hun mateloze onwetendheid blijkt van de hoge en edele filosofische betekenis die deze term pantheïsme inhoudt; maar in de zin dat alles leven is en dat het onmogelijk is zich het kleinste punt in de ruimte of van het zijn voor te stellen, laat staan te beroeren, dat dit grenzeloze leven ontbeert. Want achter A ligt B, dat nog groter is dan A; achter B ligt C, nog groter dan B; achter C ligt D, dat nog grandiozer is enz., en dat gaat door tot in het oneindige. Hoe godslasterlijk zijn de denkbeelden die ons door de eeuwen heen over dit vraagstuk van de godheid zijn overgeleverd! Wij hebben hier in ons westerse christendom een God, een bundeling van tegenstrijdigheden, een verkeerd begrepen weergave van neopythagorische en neoplatonische en van enkele joodse gedachten, een merkwaardige en tegenstrijdige samenstelling die de christelijke godheid wordt genoemd – ik bedoel de theologische definitie daarvan.
     Dan is er nog een uitspraak van Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (11:36): ‘Want uit Het en door Het en terug tot Het zijn alle dingen’. Dit is onvervalst pantheïsme, zelfs zoals wij het opvatten.
     Als wij vervolgens de Engelse vertaling van het Evangelie van Johannes (4:24) naslaan, krijgen we een bevestiging van de tegenovergestelde gedachte, een vertaling die ontstond uit de orthodoxe weergave van de tekst door de latere christenen, waarin dit Griekse vers onjuist is vertaald met de woorden ‘God is een Geest’. Het Griekse origineel zou evengoed en zelfs beter kunnen worden vertaald met: ‘God is Geest’ [wat overeenkomt met de Nederlandse bijbelvertaling]. Het zij zo. Zij mogen ‘een geest’ aanbidden als ze dat willen, een geest die een ‘rechtvaardige persoon’ is; maar zij in wie het hart zich heeft verruimd onder de weldadige invloed van de wijsheidsreligie en die tenminste iets begrijpen van de kennis die iedere trouwe bestudeerder van de wijsheidsreligie moet bezitten, kunnen zo’n definitie van de godheid, die zij niet kunnen aanvaarden, alleen afwijzen met alle verontwaardiging die deze definitie verdient.
     Er is geen theosoof, heeft H.P. Blavatsky ergens gezegd, die ooit de godheid, d.w.z. het onbeperkte leven in het grenzeloze Al, heeft ontkend; maar deze godheid vertoont in het geheel geen gelijkenis en kan in geen enkel opzicht worden vergeleken met een eindige schepper, die zo’n ‘persoon’ wordt geacht te zijn, hoe ‘verheven’ en hoe ‘rechtvaardig’ en hoe groot die veronderstelde ‘persoon’ of die ‘geest’ ook kan worden voorgesteld.
     Als iemand u dus zou vragen, bestaat er een oppermachtige persoonlijke God, die de planeetketen bestuurt, en is dat uw God? dan is het antwoord: nee. Er bestaat een menigte, een hiërarchie van intelligente en denkende en zeer vergeestelijkte wezens waaruit de planeetketen voortkwam, maar dat is niet onze god, evenmin aanbidden we een dergelijk wezen. Deze wezens zijn onze voorouders, onze oudere broeders in een heel verheven zin, want zij waren in vroegere lang vervlogen manvantara’s mensen; maar nooit onze ‘god’, zelfs niet wanneer ze als een eenheid worden beschouwd en de logos worden genoemd. Onze ‘godheid’, als zij iets is, is dat onbeschrijflijke, grenzeloze leven in zijn hoogste aspecten, dat achter alles staat, dat de achtergrond vormt van al het gemanifesteerde zijn op welk gebied ook en waarin alles is, waaruit alles is en waartoe alles is; onbeschrijflijk, ondenkbaar en daarom onuitsprekelijk.
     U herinnert zich dat toen men Gautama de Boeddha vroeg, Wat is God? en Bestaat God? deze grootste en edelste van de meesters zweeg. En toen hem een tweede en een derde keer werd gevraagd, Wat is God, bleef hij zwijgen. Drie keer werd hem de vraag gesteld en drie keer bewaarde hij het stilzwijgen.
     Op deze bijeenkomsten hebben we de laatste tijd geprobeerd aan te tonen dat het hele stelsel van wezens, de bouw of structuur van het heelal tegen de achtergrond van het grenzeloze, zijn oorsprong heeft in het werk en de vermenging van de goden, de monaden, de zielen en de atomen; en dat deze de verschillende planeetketens van ons zonnestelsel hebben voortgebracht, dat wil zeggen van het kosmische atoom of, zoals de brahmaanse denkers het noemden, het ei van Brahmâ. Uit deze goden, monaden, zielen en atomen kwam het gemanifesteerde zijn van het zonnestelsel voort.
     Laten we ons vervolgens tot onze eigen planeetketen wenden. U zult zich herinneren dat er is gezegd dat ze uit zeven bollen bestaat, waarvan onze tegenwoordige aarde de vierde is en zich op het laagste gebied van de zeven bevindt; en dat deze planeetketen op vier van de gebieden of werelden van het zonnestelsel werkzaam is, in feite in de vier laagste werelden hiervan, omdat onze aarde het laagste element of de laagste wereld bewoont van de zeven die het zonnestelsel vormen. Deze zeven elementen zijn overigens de kosmische loka’s en tala’s, of kosmische werelden, beginselen en elementen die samenwerken. Ze zijn de werelden binnen de uiterlijke schijn, etherischer dan onze wereld, en waarvan de onze een kopie is, niet noodzakelijk een kopie in elk detail, maar een kopie in algemene zin, zoals het stoffelijk lichaam van de mens een kopie in algemene zin is van zijn ziel; en zoals zijn ziel een kopie in algemene zin is van zijn geest; en zoals de geest van hem in algemene zin een kopie is van zijn goddelijke wortel, een godwezen of godheid waaruit hij voortkwam.
     U zult zich ook herinneren dat er twee algemene reeksen of hiërarchieën van geestelijke wezens zijn, die onze kosmos voortbrachten, waarvan onze planeetketen één deel is; en deze twee zijn respectievelijk de architecten en de bouwers. De architecten vormen de hogere of meer geestelijke kant en vormen feitelijk de reeks van de lichtende boog; en de bouwers of constructeurs vormen de schaduwboog.
     In het boeddhistische stelsel van Tibet wordt aan beide soorten wezens de algemene naam dhyâni-chohans, of heren van meditatie gegeven; maar meer in het bijzonder worden de architecten de dhyâni-boeddha’s, de boeddha’s van contemplatie genoemd. De Grieken gaven de wereldbouwers, de metselaars van de wereld, de algemene benaming kosmokratores, een samengesteld Grieks woord dat ‘wereldbouwers’ betekent. Zij ontvangen het scheppings- of bouwplan van de wezens van de lichtende boog, of de dhyâni-boeddha’s, en geven hieraan uitvoering.
     Elk van deze twee reeksen bestaat uit zeven graden of beter klassen: er zijn zeven klassen van dhyâni-boeddha’s en zeven klassen van dhyâni-chohans; en wat onze eigen planeetketen betreft, deze zeven klassen worden daarin weerspiegeld, herhaald.
     Bovendien staat elk van de zeven bollen die onze planeetketen samenstellen onder het bijzondere toezicht (ik denk dat het niet juist zou zijn het woord bestuur of leiding te gebruiken, maar dat toezicht beter is) onder het bijzondere toezicht of onder de hoede – hoede is misschien het beste woord om dit hoogst metafysische begrip te beschrijven – onder de hoede van één klasse van deze dhyâni-boeddha’s en één klasse van bouwers. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bol A, de eerste op de neergaande boog van onze planeetketen, onder de hoede of waakzame inspiratie of onder toezicht staat van één klasse van deze zeven van beide reeksen. Bol B staat onder de hoede van de tweede klasse van elke reeks. Bol C onder eenzelfde hoede of inspiratie van de derde klasse van elk hiervan; en onze eigen bol D of de vierde heeft eveneens zijn eigen dhyâni-boeddha’s en bouwers van de vierde klasse; en hetzelfde geldt voor de drie bollen van de opgaande boog.
     Verwar deze twee reeksen niet want het onderscheid is belangrijk als we tenminste enig inzicht willen krijgen in deze tak van de oude wijsheid. De architecten van de lichtende boog leveren het model, ontwerpen de plannen. Zij zijn de architecten, de toezichthouders en hun werk wordt uitgevoerd door deze lagere graden of klassen van geestelijke wezens, die de bouwers worden genoemd.
     Wat deze kwestie inzake God betreft, waaraan we zojuist kort aandacht hebben besteed, zult u zich herinneren dat de gnostici in het begin van de christelijke jaartelling beweerden en wij beweren het met hen, dat de christelijke God, Jehova, die de christenen de Schepper noemen, juist om die redenen geen zeer hoge god kan zijn. Uit de eigenschappen en functies van schepping of vorming die aan hem worden toegeschreven blijkt juist, aldus deze gnostici, dat hij slechts een lagere godheid, een bouwer, was die bij wijze van spreken zijn ‘orders’ van de goddelijke architecten en bovenaardse ontwerpers en denkers van de kosmos ontving, terwijl hijzelf dus slechts een bouwer was. Zoals zij het zo goed uitdrukten, getuigen de veelvuldige onvolmaaktheden en onvolledigheden in het kosmische stelsel, die zelfs voor ons mensen zo duidelijk aan het licht treden, van het feit dat dit niet het werk kon zijn van een in elk opzicht volmaakte en kosmisch almachtige godheid; uit absolute volmaaktheid zou alleen een volmaakt en volledig werk kunnen voortkomen. De eerste christenen konden de diepe filosofie achter dit onweerlegbare axioma niet begrijpen, en waren inderdaad heel vertoornd en verontwaardigd over wat zij de ‘godslasterlijke denkbeelden’ van die gnostici noemden. U zult, met allen die nadenken, ook de diep filosofische en godsdienstige implicaties van dit argument of axioma begrijpen, maar wij kunnen daar nu niet langer bij stilstaan. Maar bedenk dat u in alle oude geloofsvormen twee algemene klassen van geestelijke wezens zult aantreffen, die in de kosmos werkzaam zijn, en ze zijn steeds verdeeld in de denkers of ontwerpers of architecten, de inspirators; en in de bouwers. Tenslotte nog dit, er zit veel meer aan deze gedachte vast dan waarop we nu kunnen ingaan.
     De stille wachter, over wie we eerder hebben gesproken, is de hoogste van de dhyâni-chohans van onze bol; maar er is ook een stille wachter voor elk van de andere zes bollen en voor de planeetketen als geheel. Er is ook een stille wachter voor het hele kosmische stelsel – voor het hele zonnestelsel. Wanneer we dus zonder nadere omschrijving over de stille wachter spreken, bedoelen we daarmee een geestelijk wezen of een hiërarchisch hoofd. Het is een algemene benaming. Er is nu één zo’n stille wachter op onze aarde, de hoogste chef van de hiërarchie van mededogen, de hoogste schakel met de geestelijke wezens van de hiërarchie die hoger staat dan de onze, omhoog langs de lichtende boog. Hij is, zo gezegd, onze hoogste meester, onze hoogste chef.
     U heeft natuurlijk allen de leer over onze eigen planeetketen bestudeerd, wat gewoonlijk de zeven ronden worden genoemd, dat wil zeggen dat de levenscyclus of levensgolf zijn evolutionaire tocht op bol A, de eerste van de bollen begint, daar zijn cyclussen voltooit, dan omlaag gaat naar bol B, en dan naar bol C en naar bol D, onze aarde; en dan naar bol E op de opgaande boog, dan naar bol F en dan naar bol G. Dat is één planetaire ronde. Dan volgt een planetair nirvâna, totdat de tweede ronde op dezelfde manier begint, maar in een meer ‘gevorderde’ graad van evolutie dan die van de eerste ronde. Bedenk dat één zo’n ronde een planetaire ronde is. Een bolronde is één van de doortochten, één van de zeven doortochten van die levensgolf tijdens haar planetaire ronde langs elke bol, dus op en door elk van de bollen: wanneer de levensgolf bijvoorbeeld door bol D is gegaan en haar cyclussen op bol D beëindigt, dan is dat de bolronde van bol D voor die bepaalde planetaire ronde; en dit geldt respectievelijk voor alle bollen. Er zijn daarom zeven bolronden (één bolronde voor elk van de zeven bollen) in elke planetaire ronde. Als er vervolgens zeven planetaire ronden zijn voltooid, wat neerkomt op 49 bolronden (of bolmanvantara’s), dan volgt een nog hoger nirvâna dan dat tussen de bollen G en A na elke planetaire ronde, dat een pralaya van die planeetketen wordt genoemd, een pralaya die voortduurt totdat de cyclus terugkeert voor de vorming van de nieuwe planeetketen, die dezelfde reeks levende wezens bevat als op de voorafgaande keten en die nu bestemd zijn om met de nieuwe planeetketen te beginnen, maar op een hogere reeks gebieden dan in de voorafgaande.
     Wanneer zeven van zulke planeetketens met hun diverse kalpa’s of manvantara’s voorbij zijn, vormt die enorme zevenvoudige cyclus één zonnemanvantara, en dan zinkt het hele zonnestelsel in de zonne- of kosmische pralaya. Onze eigen zon is dan uitgedoofd, plotseling, als een lichtflits of als een schaduw die langs een muur glijdt. Na een korte ‘opflikkering’ gaat het licht tenslotte uit en gaat de grote massa entiteiten over naar geestelijke rijken die veel hoger zijn dan de hoogste die werden bereikt op het hoogtepunt van de bestaansperiode van het zonnemanvantara, omdat zij dan hun zonnenirvâna ingaan.
     Laten we hetzelfde diagram tekenen dat we al eerder hebben overgenomen van H.P. Blavatsky uit De Geheime Leer (1:228). De zeven evenwijdige lijnen stellen de zeven gebieden of werelden van het zonnestelsel voor. Boven of op de laagste van deze zeven lijnen tekenen we een cirkel die bol D, onze aarde, moet voorstellen. Op het daarboven liggende gebied plaatsen we nog twee cirkels die de twee bollen onmiddellijk boven onze eigen bol voorstellen en respectievelijk aan de linkerkant C en rechts E worden genoemd. Op het gebied daarboven plaatsen we nog twee bollen en noemen deze respectievelijk links B en rechts F. En op het gebied daarboven, het vierde kosmische gebied omhoog geteld tekenen we weer twee cirkels die de hoogste twee bollen van onze keten voorstellen, respectievelijk links A en rechts G.
     Bedenk dat deze kosmische ‘gebieden’ alleen gemakshalve zo worden genoemd. Het zijn in feite de zeven kosmische loka’s en tala’s van het kosmische stelsel, dat wil zeggen van het zonnestelsel. Maar elk hiervan is een echte wereld; ze zijn even echte werelden als de onze, die we waarnemen als we omhoogkijken en de sterren boven ons zien en naar de aarde kijken en de aarde onder onze voeten zien met de bomen die eruit opgroeien, de mensen en de andere bezielde wezens die erop lopen, enz. Elk van deze kosmische ‘gebieden’ is een wereld, maar elk is weer in zevenen onderverdeeld, in zeven afdelingen, die met elkaar 49 onderverdelingen vormen van de zeven hoofdverdelingen (of werelden) van het zonnestelsel.
     Laten we dit toelichten aan de hand van een ander diagram. We trekken opnieuw zeven evenwijdige lijnen. En laten we zeggen dat deze de laagste zonnewereld voorstellen, of het laagste zonnegebied van de zeven, de laagste kosmische wereld, onze wereld, de wereld waarin we nu zijn. Die is evenals alle andere zevenvoudig of verdeeld in zeven delen of afdelingen, die de stof of de geest voorstellen vanaf de grofste tot de hoogste graad van elk in onze wereld, vanaf de etherische (hoogste) tot de meest stoffelijke (laagste); en op één van deze gebieden bevindt zich nu onze bol Terra.
     Hoe werkt de levensgolf in een bepaalde ronde? Voorlopig zullen we de voorafgaande drie bollen, A, B en C, op de neergaande boog buiten beschouwing laten en het alleen over onze eigen bol D of de aarde hebben. Deze zeven lijnen in de figuur zijn bedoeld om respectievelijk de zeven graden of materialisaties van de stof voor te stellen op het laagste van de zeven kosmische gebieden die van boven naar beneden toe steeds stoffelijker worden. Onze bol D is in de eerste ronde in het hoogste of bovenste van deze zeven subgebieden van ons eigen lagere kosmische gebied, en ons eigen kosmische gebied is, zoals u zich zult herinneren, het laagste van de zeven van alle kosmische gebieden. Het is het zevende en laagste. De levensgolf gaat gedurende ronde 1 door onze aarde, na haar tot ontwikkeling te hebben gebracht, een proces dat we later in bijzonderheden zullen bestuderen; het is een proces van evolutionaire ontwikkeling dat vele miljoenen jaren in beslag neemt; en na haar bolronde 1 te hebben voltooid, verlaat ze onze bol D en gaat over naar de eerstvolgende hogere bol E. Goed. Terwijl deze levensgolf in de stof afdaalt in de eerste drie ronden, bevindt onze bol zich gedurende de eerste ronde op het hoogste subgebied van het laagste kosmische gebied of de laagste wereld. In de tweede of volgende ronde is onze bol verstoffelijkt en bevindt zich op het tweede subgebied omlaag geteld; in de derde ronde is hij nog meer verstoffelijkt op het derde subgebied daaronder; in ronde 4, dat is waar we nu zijn, heeft onze bol zijn grofste toestand van stof bereikt; de omlaaggaande fase van de cyclus eindigt en het opklimmen begint.
     Hoe staat het met de subgebieden 5, 6, en 7? Die gebieden houden verband met het lot van wezens die het linkerpad hebben gevolgd en die tenslotte het diepste punt van verstoffelijking op het zevende sub-gebied of het grofst mogelijke en het laatste in ons zonnestelsel hebben bereikt.
     We zien dus dat de levensgolf bij het volbrengen van haar eerste ronde, ronde 1, zoals dit in Diagram 1 wordt geïllustreerd (tijdens haar neergaande boog door de laagste vier kosmische werelden of gebieden) door het hoogste subgebied of de hoogste subwereld van elk van deze laagste vier kosmische werelden heengaat en dan in elk van die kosmische werelden een bol vormt, één van de dan-in-de-maak-zijnde zeven bollen van de keten. Is dat duidelijk? In ronde 1 vormt de levensgolf bol A op het hoogste subgebied van de vierde kosmische wereld of het vierde kosmische gebied. Zie het diagram. In ronde 1 vormt de levensgolf bol B op het hoogste subgebied van de vijfde kosmische wereld of het vijfde kosmische gebied. In ronde 1 vormt de levensgolf bol C op het hoogste subgebied van de zesde kosmische wereld of het zesde kosmische gebied; en het gaat evenzo met de laagste bol D, onze aarde; en in de opgaandereeks zien we dat de bollen E, F en G op overeenkomstige wijze worden gevormd, elk op het hoogste subgebied van de respectieve kosmische werelden of gebieden. Ronde 2 begint (na het lange, lange planetaire nirvâna) op bol A op het tweede subgebied van de vierde kosmische wereld of het vierde kosmische gebied; dan gaat de levensgolf naar bol B op het tweede subgebied van de vijfde kosmische wereld of het vijfde kosmische gebied; dan naar bol C op het tweede subgebied van de zesde kosmische wereld of het zesde kosmische gebied; dan naar bol D (onze aarde) op het tweede subgebied van de zevende of laagste kosmische wereld of het zevende of laagste kosmische gebied. Op dezelfde manier gaat de levensgolf tijdens deze tweede planetaire ronde naar alle bollen op al de tweede subgebieden van de opgaande boog. Elk van deze doortochten van de levensgolf in en door elke bol van de zeven bollen vormt, zoals gezegd, een bolronde.
     Zo gaat het met ronde 3 en ook met ronde 4, waarin we nu zijn op bol D, op het vierde subgebied van het zevende of laagste kosmische gebied of de laagste kosmische wereld; dat wil zeggen dat de levensgolf in elke planetaire ronde door de zeven bollen van de keten gaat, van kosmisch gebied naar kosmisch gebied, maar in elk van deze ronden gaat ze slechts door één subgebied van elke kosmische wereld of elk kosmisch gebied. Het resultaat hiervan is dat ze gedurende de zeven ronden door 49 subgebieden gaat en de wezens die de levensgolf samenstellen krijgen daardoor de gelegenheid om het doel, waarvoor ze aan hun actieve periode van manifestatie en evolutie zijn begonnen, te bereiken; het doel van het hele evolutieproces van de kosmos is namelijk om zelfbewustzijn te verwerven door middel van individualiserende ervaringen – dat zijn ervaringen die de monaden individualiseren (evolueren, naar buiten brengen). En om dat te bereiken moet elke monade de verschillende fasen en geaardheden van het universele leven niet alleen ondergaan en mentaal ervaren, maar moet ze ook zijn. Zoals al is opgemerkt, waren de vroegere inwijdingen, de werkelijke inwijdingen, de inwijdingen die aan het bewustzijn van de mens kennis van de geestelijke waarheden van het zijn schonken, op dit feit gebaseerd: dat geen mens werkelijk iets kon weten door er alleen in te worden onderricht, maar dat hij het moet zijn, hij moet het worden. De oude mysteriescholen volgden tijdens de eerste drie inwijdingen een systeem bestaande uit onderricht alleen. Vanaf de vierde inwijding werd dit gewijzigd in zowel onderricht als persoonlijke ervaring, waarbij deze persoonlijke ervaringen ruimer en grootser werden met iedere stap omhoog die de kandidaat of initiant deed; totdat hij tenslotte, indien hij in al de zeven graden was geslaagd, de goddelijke status bereikte van waaruit hij in het begin van het kosmische of zonnemanvantara zijn tocht was begonnen, plus goddelijk zelfbewustzijn, goddelijke zelfontwaking, en daardoor een boeddha, een ontwaakte werd; of een christos om de oude Griekse mysterieterm te gebruiken.
     Op de volgende bijeenkomsten zullen we ons onderzoek van de planeetketen voortzetten.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 495-507

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag