HOOFDSTUK 41

DE LEER VAN DE SFEREN. HET UNIVERSELE ZONNESTELSEL EN ONS ZONNESTELSEL. DE ZEVEN HEILIGE PLANETEN: WAAROM ‘HEILIG’?

 

Maar de tijd werd samen met het heelal verwekt opdat ze, samen voortgebracht zijnde, samen konden worden ontbonden, als ze al ooit door enige ontbinding zouden worden getroffen. En de tijd werd verwekt naar het voorbeeld van wat eeuwig van aard is opdat deze wereld zoveel mogelijk aan die aard gelijk zou zijn. Want zijn voorbeeld is het bestendige zijn, door alle eeuwigheid heen; maar alleen het heelal werd verwekt, bestaat, en zal zijn, door de hele tijdsduur. Op deze manier dus en op grond van zo’n overdenking door de godheid over het voortbrengen van de tijd, opdat ze het leven zou schenken aan haar overvloeiende bestaan, verwekte ze de zon en maan en de vijf andere sterren die planeten worden genoemd, met het doel de getallen van de tijd te onderscheiden en te bewaren. Maar zodra zij de lichamen van deze sterren had voortgebracht, plaatste de godheid hen, zeven in getal, in de zeven circulaties gevormd door omwentelingen die zich onderscheiden door hun verschil. . . . Maar wat betreft de andere sterren, als iemand het juist mocht achten hun circulaties te onderzoeken en door welke oorzaken zij tot stand worden gebracht, dit zou meer arbeid vergen dan de verhandeling zelf, terwille waarvan zij te berde werden gebracht.

– Plato, Timaeus (naar vert. Thomas Taylor, blz. 467-8)

 

     De lagere wereld is onderworpen aan de heerschappij van de hogere wereld.
     In het begin van haar omloop wordt het oppergezag over deze lagere wereld toevertrouwd aan een van de langzaam bewegende sterren.
     Die haar alleen bestuurt gedurende een tijdperk van duizend jaar;
     En gedurende andere duizenden jaren wordt elk van de moeizaam bewegende sterren en snel bewegende sterren haar deelgenoot, elk voor duizend jaar.
     Het laatst van alle wordt de maan haar metgezel.
     Daarna zal de eerste metgezel het oppergezag krijgen.
     De tweede koning gaat door dezelfde ronde als de eerste koning; en de anderen zijn op dezelfde manier zijn metgezellen.
     Het laatst van allen is de eerste koning gedurende duizend jaar de deelgenoot van de tweede koning.
     Dan is ook de periode van het bestuur van de tweede koning verstreken.
     En weet dat dezelfde gang van zaken voor alle anderen geldt.
     Wanneer de maan koning is geweest en allen haar metgezellen zijn geweest en ook haar bestuur voorbij is, dan is één grote periode voltooid.
     Waarna het oppergezag opnieuw op de eerste koning overgaat, en op deze manier is er een eeuwige opvolging.
     En in het begin van de grote periode neemt een nieuwe orde van de dingen in de lagere wereld een aanvang.
     En dan zullen inderdaad niet de vormen, de kennis en de gebeurtenissen uit de grote periode die is verstreken worden voortgebracht, maar andere die precies daaraan gelijk zijn.
     En iedere grote periode die komt, lijkt van begin tot einde op de grote periode die voorbij is.

De Desâtîr, ‘Het Boek van de Profeet, de Grote Abad’,
verzen 102-16 (naar vert. Mulla Firuz Bin Kaus)

     Onmetelijk is het bereik van zowel de ruimte als de tijd en diep zijn de mysteriën die verband houden met en besloten liggen in de onderwerpen waarmee onze huidige studiecyclus wordt begonnen; want deze onderwerpen handelen in het algemeen over wat we als geheel de leer van de sferen kunnen noemen: dat wil zeggen die bijzondere en fundamentele tak van de archaïsche filosofie en religie van de oude wijsheid die vooral in de landen rond de Middellandse-Zee of de Binnenzee werd ontwikkeld – waar ze een geliefde studie was, zoals ook in het oosten onder de archaïsche wijzen van Hindoestan de leringen over de werkingen van de verschillende monadische bewustzijnstoestanden op ruimere schaal werden ontwikkeld en gewaardeerd.
     De vorige keer gaven we een korte schets van de theosofische leer over de planeetketen van onze aarde. Dit onderwerp van de planeetketens is, zoals wiskundigen zouden zeggen, een speciaal geval van de algemene leer van de sferen; het is altijd zorgvuldig geheim gehouden en wordt als een van de heiligste en meest occulte onderwerpen beschouwd omdat het ons in zijn uiterste consequenties recht streeks naar het hart van het zijn voert. Om dat hart van het zijn te bereiken, moeten we door vele geheime kamers van moeder natuur heen, kamers die sinds onheuglijke tijden verborgen zijn gehouden en waarvan het geheim als een van de heiligste bezittingen van de beschermers van de mensheid is bewaakt.
     Onze studie begon oorspronkelijk met een beschouwing van de hoofdlijnen van de kosmogonie en de theogonie zoals die in de archaïsche kosmologie en de theologie van de oude wijsheid worden aangetroffen. In grote lijnen werden alle algemene aspecten ervan geschetst, en het invullen van de details werd tot later uitgesteld. We hebben nagegaan – let wel alleen schetsmatig – hoe werelden worden geboren, hoe ze evenals kinderen aan de schoot van de natuur ontspringen; hoe ze uit een kiem opgroeien tot de jeugdige staat, hun volle wasdom bereiken, achteruitgaan en tenslotte in verval raken, gevolgd door de uiteindelijke dood, om daarna uit diezelfde schoot van moeder natuur cyclisch te worden wedergeboren.
     Er werd ook aangetoond dat deze leringen van de oude wijsheid, die mystiek, verbazingwekkend en schitterend zijn, geen vraag onbeantwoord laten, niets overlaten dat is gebaseerd op geloof alleen – dat wil zeggen op blind geloof; maar dat elke stelling van haar filosofie moet worden bewezen naarmate de studie ervan vordert. Weet u nog wat een bewijs is? Er is sprake van een bewijs van iets als het denken daardoor overtuigd raakt; de overtuiging van de werkelijkheid van een feit of stelling, gebaseerd op bewijsmateriaal, is het bewijs ervan. Bedenk dat de verschillende bijkomstige zaken, die we aanvoeren, niet meer zijn dan de bewijsstukken die naar het bewijs voeren, getuigenissen van de werkelijkheid.
     Toen we daarna deze algemene stellingen in grote trekken de revue lieten passeren, kwamen we tenslotte bij de leer van de planeetketens die, zoals gezegd, een speciaal geval is van de algemene en verbazingwekkende leer van de sferen. Vanaf dit moment zullen we meer in bijzonderheden treden. Wij hebben geprobeerd onze studiebijeenkomsten zo samen te stellen dat het schriftelijke verslag ervan die mensen kan helpen die op zoek zijn naar een diepere kennis van de oude mysteriën en van de oude wijsheid dan de kennis die zij uit de wereldliteratuur kunnen halen. Een van de redenen hiervoor is dat sommige studerenden bepaalde uitspraken van Sinnett over deze kwestie van de planeetketen hebben geaccepteerd, die erop neerkwamen dat twee van de stoffelijke planeten van ons zonnestelsel, Mars en Mercurius, twee van de leden van de planeetketen van onze aarde zouden zijn, hoewel H.P. Blavatsky in De Geheime Leer, die enkele jaren voor haar dood werd uitgegeven, nadrukkelijk verklaart dat deze opvatting onjuist is; en deze is inderdaad niet waar.
     Naarmate onze studie vordert zult u zelf zien dat ze niet waar kan zijn. Laat ik tussen haakjes de vraag stellen: Bij wie ontstond dit denkbeeld? U zult zich herinneren dat de eerste leringen werden gegeven aan twee Engelsen in India, A.O. Hume en A.P. Sinnett, en via H.P. Blavatsky, via Damodar (die later naar Tibet ging om zich bij de leraren aan te sluiten) en door bemiddeling van één of twee anderen. De filosofische, religieuze en wetenschappelijke leringen die Sinnett ontving in antwoord op vragen, die door hem aan de meesters via H.P. Blavatsky en Damodar werden gezonden, werden later door hem opgenomen in twee van zijn boeken The Occult World en Esoteric Buddhism, zoals hij ze noemde. Het waren beide voor die tijd en tot op zekere hoogte goede boeken, maar werden door H.P. Blavatsky in De Geheime Leer ook bekritiseerd wegens hun materialistisch getinte voorstelling van zaken en de te grote nadruk op bepaalde aspecten van de leringen, ten koste van de hogere, de meer geestelijke, de meer intellectuele delen, in een poging van Sinnett om de leringen van de oude wijsheid te ‘verzoenen’ met wat hij blijkbaar zag als het laatste woord op het gebied van de menselijke kennis, de wetenschappelijke theorieën en stokpaardjes van zijn tijd. Deze wetenschappelijke theorieën en leringen zijn nu al uit de tijd, uit het denken verdwenen en grotendeels vergeten. De wetenschap is ‘verder’ gegaan, maar de leringen van de oude wijsheid zijn gebleven!
     Na deze inleidende opmerkingen lezen we het volgende uit De Geheime Leer (2:795-6), ‘Over ketens van planeten en hun veelvoudigheid’:

     ‘Kenden de Ouden buiten hun eigen wereld nog andere werelden? Op welke gegevens berust de bewering van de occultisten, dat iedere bol een zevenvoudige keten van werelden is – waarvan er maar één zichtbaar is – en dat deze, evenals iedere zichtbare ster of planeet, door mensen wordt, werd of zal worden bewoond? Wat bedoelen zij met ‘een morele en stoffelijke invloed’ van de sterrenwerelden op onze bollen?
     Dit zijn vragen die ons vaak worden gesteld, en men moet ze vanuit ieder gezichtspunt beschouwen. Het antwoord op de eerste van de twee vragen is: wij geloven het, omdat de eerste natuurwet eenvormigheid in verscheidenheid is, en de tweede is analogie. ‘Zo boven, zo beneden.’

     En dan op blz. 800:

     Wanneer we daarom ontdekken dat er in de bijbels van de mensheid wordt gesproken over ‘andere werelden’, kunnen we veilig concluderen dat deze niet alleen betrekking hebben op andere toestanden van onze planeetketen en aarde, maar ook op andere bewoonde bollen – sterren en planeten; daarbij komt dat men over deze laatste nooit speculeerde. De hele oudheid geloofde in de universaliteit van het leven.

     Als we met de huidige fase van onze studie beginnen, zijn we gedwongen meer in bijzonderheden te treden. Maar dit begin van een meer gedetailleerde studie gaat natuurlijk gepaard met extra moeilijkheden, niet alleen vanwege de vele onderwerpen die we bij het volgen van het hoofdthema van ons betoog min of meer gedwongen zijn onder ogen te zien, maar ook vanwege het feit dat op geen enkel punt ook maar iets van de leringen kan worden overgeslagen; er moet op zijn minst op worden gezinspeeld, wil de leer volledig en intact blijven en niet worden gesplitst. Daarom zullen we langzaam verdergaan. Het zou gemakkelijk zijn dit onderwerp haastig door te nemen, gemakkelijk om er een algemene indruk van te krijgen, maar in dat geval zouden we niet veel verder kunnen gaan dan een oppervlakkig lezen van De Geheime Leer; en onze instructies luiden: vereenvoudig haar door haar toe te lichten en door haar met feiten en bewijzen te onder steunen.
     Laten we eerst nagaan wat we bedoelen met de leer van de sferen, een van de meest archaïsche van de oude mysteriën. In het algemeen gesproken bedoelen we vier dingen. Deze vier zijn de volgende: ten eerste, het universele zonnestelsel. Hiermee bedoelen we onze eigen zon en alle planetaire lichamen in het zonnestelsel, zichtbaar of onzichtbaar, gezien of ongezien, bekend of onbekend, met aan het hoofd de zon. De wetenschap erkent nu zeven, acht of misschien negen planeten en een menigte planetoïden, meer niet, die tot het zonnestelsel behoren. Van het grote lichaam van het universele zonnestelsel kent de moderne astronomie alleen het stoffelijke omhulsel, de uiterlijke stoffelijke bekleding ervan, de zeven, acht of negen planeten die wij met het fysieke oog aan de hemel kunnen zien en die de volgende namen hebben: Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus. Maar de oude wijsheid, de esoterische leer, zegt ons dat er in ons universele zonnestelsel in feite dozijnen planeten zijn en dat al deze dozijnen, met uitzondering van de door de astronomie genoemde, voor ons onzichtbaar zijn, voor onze ogen van stof van het vierde gebied – of van het zevende gebied, afhankelijk van de manier waarop we ze tellen.
     Neptunus is volgens de oude wijsheid geen lid van ons universele zonnestelsel. We zullen deze zaken later behandelen. Voorts is Uranus geen lid van ons zonnestelsel, maar is wel een lid van het universele zonnestelsel. Wij zullen volledig uitleggen wat we onder ons zonnestelsel verstaan. Kunt u Sinnett iets verwijten dat hij het niet begreep, en daarom dacht meer te weten dan de meester en dan H.P. Blavatsky en dat de archaïsche leringen tegenstrijdigheden bevatten, toen het de man niet aan het verstand was te brengen dat dezelfde woorden met verschillende betekenissen kunnen worden gebruikt; en dat een van de geliefde, heilige methoden om de waarheid te verbergen voor hen die niet bevoegd zijn haar te ontvangen hierin bestaat, dat men twee, drie, vier, vijf, zes, zeven verschillende dingen met dezelfde woorden zegt?
     Eerst hebben we dus het universele zonnestelsel, dat de zevenvoudige zon en alle planeten van het zonnestelsel omvat, zichtbaar of onzichtbaar, en op zeven gebieden. Dan hebben wij ons zonnestelsel, dat het tweede van deze vier aspecten van de leer van de sferen is, en dat is de groep die gewoonlijk de zeven heilige planeten van de Ouden wordt genoemd, omdat deze zeven betrokken zijn bij onze planeetketen. Het derde aspect is iets waarop we slechts zullen zinspelen als daartoe aanleiding is en veel verder zullen we niet gaan. Er wordt door H.P. Blavatsky op gezinspeeld in De Geheime Leer (1:192-4) in haar antwoord op een deel van de misvatting van Sinnett over de planeetketen van de aarde. U zult zich herinneren dat zij spreekt over de relatie van Mars, Mercurius en de vier geheime planeten tot onze aarde; en ze legt uit dat geen ingewijde zal spreken over de betrekking waarin deze staan tot de aarde, en nog minder de aard ervan zal verklaren. Het vierde aspect is de planeetketen van onze aarde per se.
     Sinnett stelde zijn vraag aan de leraar als volgt: ‘Welke planeten, die aan de gewone wetenschap bekend zijn, behoren naast Mercurius tot ons stelsel van werelden?’ Let op de vier laatste woorden. En hij gaat verder: ‘Zijn de meer geestelijke planeten – (A, B en Y, Z) – zichtbare hemellichamen of behoren alle die de astronomie kent tot de meer stoffelijke soort?’ En hierop kwam het volgende antwoord: ‘Mars en vier andere planeten, waarvan de astronomie nog niets weet. Noch A, B, noch Y, Z zijn bekend; noch kan men ze zien met behulp van fysische middelen, hoe volmaakt die ook zijn’. En niettemin leerde en beweerde Sinnett jarenlang dat twee van onze zichtbare planeten, Mars en Mercurius, deel uitmaken van de zevenvoudige planeetketen van onze aarde.
     U zult zich herinneren hoe H.P. Blavatsky zinspeelt op het misverstand van Sinnett over de leer van de meester in De Geheime Leer (1:191-8). Ieder die deze bladzijden leest moet, tenzij hij traag van verstand of geheel onkundig van occulte leringen is, terstond begrijpen dat zij op meer dan één ding zinspeelt. Lees die bladzijden en denk er goed over na. De volgende keer gaan we dieper op deze zaak in.
     Nu even een kort overzicht, eerst van ons universele zonnestelsel: met die uitdrukking bedoelen we alle lichamen, niet één uitgezonderd, die bij de zon behoren en om hem heen wentelen. De zon is hun hoofd: ze cirkelen rond de zon als satellieten of planeten, zichtbaar of onzichtbaar; de uitdrukking universeel zonnestelsel doelt dus niet alleen op het uiterlijke kleed van de natuur – dat bestaat uit de zeven, acht of negen zichtbare planeten – maar ook op de grote innerlijke kern van het zonnestelsel, zijn zeven gebieden van zijn. Er zijn in werkelijkheid tientallen planeten in ons universele zonnestelsel, waarvan we alleen de zeven stoffelijke zien, op hetzelfde gebied als de aarde; en als we onze bol meetellen zijn het er acht. Maar, zoals gezegd, Neptunus behoort er niet toe; Uranus behoort niet tot ons stelsel van werelden (of ons zonnestelsel), maar ze behoort wel tot het universele zonnestelsel, omdat zij een echte planeet is die nauw is verbonden met onze zon wat oorsprong en bestemming betreft.
     Laat ik om dit punt te verduidelijken aan de hand van een treffend beeld – ontleend aan de moderne wetenschap – illustreren wat Neptunus is. U weet dat de fysica of de fysische chemie leert dat het atoom bestaat uit een centrale kern, die het proton wordt genoemd en die voor het atoom is wat de zon is voor het universele zonnestelsel, en dat zich om deze centrale kern andere lichamen bevinden die met duizelingwekkende snelheid rondwentelen en elektronen worden genoemd. De scheikundigen theoretiseren – en het occultisme zegt dat deze theorie juist is, het bewijs hiervan kunt u in De Geheime Leer vinden – dat als een van deze atomaire planeten of elektronen uit dat atoom wordt weggerukt, het atoom zelf een verandering ondergaat; niet alleen wordt de elektrische lading van het atoom anders, maar ook het atoom zelf verandert; en als een atoom bij wijze van spreken elektronenhonger heeft en er komt een elektron in de buurt – ik gebruik eenvoudige taal om het idee weer te geven – van dat atomaire zonnestelsel, dan kan het worden ingevangen, en in dat geval wordt de elektronenhonger gestild, terwijl de atoomvalentie verandert.
     Hoewel Neptunus een ‘planeet’ is in de zin dat ze om de zon wentelt, is ze geen echt lid van ons zonnestelsel. Ze is ‘ingevangen’, en deze vangst veranderde in zekere zin de hele aard van ons universele zonnestelsel; en ze zal ingevangen blijven tot het karmische tijdstip voor haar is aangebroken om ons te verlaten. Ze werd op precies dezelfde manier ingevangen als sommige planeten ‘manen’ hebben gevangen. Hoe komt het, vragen we ons tussen twee haakjes af, dat Venus en Mercurius geen manen hebben; en dat Mars er twee zou hebben en Saturnus negen, en Jupiter negen, terwijl we uit onze leringen weten dat iedere planeet maar één echte maan kan hebben, terwijl de andere niet anders dan ingevangenen, satellieten, zijn? Stel dat we zouden zeggen dat eonen geleden een komeet, die het planetaire stadium naderde, zo dicht in de buurt van ons universele zonnestelsel op haar eigen gebied van zijn kwam, dat ze door de aantrekkingskracht daarvan werd gevangen en dat ze door de wisselwerking van verschillende krachten in een baan om onze zon terechtkwam, en dat vele eonen later onze astronomen haar ontdekten en Neptunus noemden. Neem dit eens als theorie aan. We zullen het daar voorlopig, met uw goedvinden, bij laten.
     We hebben gezegd dat Uranus geen lid van ons zonnestelsel is. We herhalen deze bewering. Maar ze is wel lid van ons universele zonne stelsel.
     U ziet hoe het kwam dat Sinnett door gebrek aan esoterische training, door gebrek aan kennis van de oude wijsheid en doordat hij vol strekt gebiologeerd was door de wetenschappelijke vooruitgang in zijn tijd en de schitterende ontdekkingen daarvan op zuiver fysisch gebied – het ‘laatste woord van kennis’, zoals het toen in wetenschappelijke tijdschriften werd genoemd – de voorkeur gaf aan de wetenschappelijke theorieën en stokpaardjes van die tijd boven de leringen van de oude wijsheid, leringen die waren bewezen door generatie na generatie van titanische denkers, mensen, grote zieners, die sinds onheuglijke tijden de natuur hadden getoetst door met hun ziel tot in de schoot van de stof zelf door te dringen op al de zeven gebieden of sferen daarvan en zo achter de waarheid, de werkelijkheid, van de dingen te komen.
     Merk op dat de vraag van Sinnett op ‘ons stelsel van werelden’ sloeg. Ziet u hoe vaag die vraag was? Tenminste vier verschillende aspecten van de leer van de sferen konden met die woorden worden bedoeld. De leraren drongen er bij Sinnett en Hume op aan een vaste terminologie en nomenclatuur te volgen, wat Sinnett inderdaad tot op zekere hoogte heeft gedaan. Veel van de door ons gebruikte termen en uitdrukkingen hebben wij aan hem te danken, en we zijn hem dan ook erkentelijk voor het goede werk dat hij in dat opzicht heeft gedaan; maar veel van deze termen zijn te vaag. De term ‘wortelras’ bijvoorbeeld is een hoogst ongelukkige keus geweest. Later zullen we aantonen hoe ongelukkig deze is. We stellen voor de term van de meester zelf over te nemen, ‘stock-race’ [stamras] waarbij het woord ‘stock’ wordt gebruikt in de zin van lichaam of romp. We hebben aan Sinnett ook de term ‘ronde’ te danken, die de gang van de levensgolf betekent van bol A, de eerste van onze aardketen, naar bol G of de zevende aan het eind; en nog veel meer woorden, uitdrukkingen en een groot deel van de technische woordenschat die nu algemeen door ons worden gebruikt zijn afkomstig van Sinnett en Hume.
     De vraag over ‘ons stelsel van werelden’ die door Sinnett werd gesteld, bood de meester een uitstekende gelegenheid om hem in algemene bewoordingen de waarheid te zeggen en toch voor hem te verbergen wat hij niet mocht weten. Was Sinnett met zijn vraag voldoende duidelijk geweest – of, om het anders te zeggen, was hij wijs genoeg geweest om een volkomen duidelijke vraag te stellen – dan zou het voor de leraar gezien de noodzakelijke geheimhouding veel moeilijker en pijnlijker zijn geweest een duidelijk omschreven antwoord te geven. In dat geval zou Sinnett een nauwkeurig antwoord hebben gekregen; of er zou hem zijn gezegd dat zijn vraag er een was waarop geen antwoord mocht worden gegeven, zoals in verschillende gevallen inderdaad is gebeurd. Maar wat was het antwoord dat hij in feite kreeg? We hebben het gelezen en het bevat achter en in de woorden een aantal fragmenten van leringen. Al deze vier aspecten van de algemene leer van de sferen, waarop we hebben gezinspeeld, zijn besloten in het antwoord van de meester in de vorm van wenken of toespelingen, met een speciale verwijzing naar de meest esoterische hiervan. ‘Ons stelsel van werelden’ werd opgevat zoals het werd gesteld, precies zoals de vage en onduidelijke vraag – vanuit het gezichtspunt van het occultisme – moest worden opgevat. De archaïsche wet luidt dat alleen zij die op de juiste wijze aan de deur kloppen, naar binnen kunnen gaan. Het hangt er helemaal van af op welke deur men klopt; en dat is een oude regel die heel heel oud is en teruggaat tot onheuglijke tijden, zelfs tot de dagen van de latere Atlantiërs, toen de mysteriën voor het eerst werden ingesteld om het edeler deel van het Atlantische volk af te zonderen van hen die begonnen te degenereren en hun ondergang tegemoet snelden.
     Men moet dus goed begrijpen dat ons universele zonnestelsel van werelden onze zon betekent met alle planetaire lichamen in het zonnestelsel, van welke graad of soort en op welk gebied ook, innerlijk of uiterlijk, en onverschillig in welke baan zij rond de zon, hun hoofd, wentelen. Bedenk in dit verband ook dat ons zonnestelsel zevenvoudig is, dat het bestaat uit zeven gebieden of werelden en dat er dus zeven zonnen in zijn, waarvan wij slechts één zon zien, de laagste in graad.
     Omdat het een onderdeel van onze studie vormt, is het nu misschien een goede gelegenheid te zeggen dat de bewoners van de drie bollen die aan de onze voorafgaan en die van de drie bollen die de onze volgen in de planeetketen van onze aarde, in beide gevallen, twee zonnen zien. Gelukkig hebben wij hiervan een voorbeeld in de moderne astronomie in wat men dubbelsterren noemt. Er zijn veel soorten dubbelsterren. Ik bedoel hier niet zuiver optische dubbels, maar echte solaire paren of koppels, een feit dat nauw verband houdt met de interessante en ook geheimzinnige leer van de verduisteringen waar we op in zullen gaan als we onze huidige studie van de planeetketen van onze aarde voortzetten. Maar deze stellaire paren of koppels tonen aan dat die zonnen, die als paren worden gezien, deel uitmaken van een zevenvoudig stelsel dat evenals onze eigen zon een lagere enkelvoudige zon hebben, of een lagere zon van het vierde gebied, zoals onze eigen stoffelijke zon. Hier ziet u hoe één sleutel tot de oude wijsheid de deur opent naar de geheime kamers van de natuur. Vergeet nooit het oude Hermetische axioma: de analogie is de fundamentele wet van de natuur, ‘Zo boven, zo beneden’.
     Vervolgens: wat zijn de zeven heilige planeten van de Ouden? Het zijn de volgende. Ik noem ze niet in hun juiste esoterische volgorde; ik noem ze op de oude exoterische Griekse manier: maan, Mercurius, Venus, zon, Mars, Jupiter, Saturnus. Merk in de eerste plaats op dat onze aarde niet een van deze zeven heilige of geheime planeten is. In de tweede plaats, dat de maan (de eerste in de volgorde van opsomming en die aan Mercurius voorafgaat) en de zon in deze exoterische opsomming als planeten worden beschouwd. In werkelijkheid vertegenwoordigen ze twee geheime planeten die voor ons onzichtbaar zijn: de zon, een planeet binnen de baan van Mercurius die we, zo u wilt, gemakshalve Vulcanus noemen, een planeet zichtbaar voor de mensen van het derde wortelras – of stamras – in deze ronde, maar die nu voor ons uit het gezicht is verdwenen. Ze zal echter opnieuw verschijnen naarmate ons eigen ras naar hogere gebieden van waarneming vordert. De maan vertegenwoordigt, zoals gezegd, een andere geheime planeet die nu stervende is, omdat ze bijna het einde van haar zevenvoudige levens cyclus heeft bereikt. Voordat de aarde haar zevende ronde heeft bereikt, zal onze maan in atomair stellair stof zijn uiteengevallen en deze geheime planeet, die een stervende planeet is, deze mysterieplaneet waarvoor de maan het exoterische substituut is, zal dan de satelliet van de aarde zijn in plaats van de maan die was en nu nog is; maar die planeet-satelliet zal niet een echte maan zijn, maar slechts een satelliet. Let goed op het verschil. De planeet Mars bijvoorbeeld heeft twee satellieten, Phobos en Deimos. Phobos is geen maan; maar Deimos is een echte maan, maar niet van Mars. Phobos is ingevangen, zouden we kunnen zeggen, door Mars.
     Dit onderwerp van de zeven heilige planeten van de Ouden is nauw verbonden met de leer van de planeetketen van onze aarde, en laatstgenoemde is een specifiek geval van de algemene leer van de sferen; en we zullen expliciet op die leer moeten ingaan. Maar laten we er vanavond nog op wijzen dat de zon en de maan, aangezien ze twee van de zeven geheime planeten in de exoterische opsomming vormen, de substituten zijn voor twee geheime en onzichtbare planeten, waarover al kort is gesproken. Dan is er met betrekking tot Mars sprake van een mysterie – iets dat esoterisch, geheim, is – dat met dit onderwerp samenhangt en waarop we door tijdgebrek vanavond niet dieper kunnen ingaan, maar hierin ligt de reden waarom H.P. Blavatsky toen ze op deze zeven geheime planeten zinspeelde op een bepaalde bladzijde van De Geheime Leer slechts van vier spreekt – Saturnus, Jupiter, Mercurius en Venus – en een toespeling maakt op drie andere, waarvan ze daar niet zegt dat ze tot de groep van de zeven heilige planeten van de Ouden behoren.
     Let wel, elk van de zeven bollen van de planeetketen van onze aarde staat onder leiding van een van de zeven heilige planeten en wordt daardoor in feite gevormd; dat is een van de redenen waarom die heilig werd genoemd. Verder staat elk wortelras – of stamras – van elk van de zeven bollen gedurende elke bolronde onder de bescherming en leiding van een van de zeven heilige planeten. Maar de voornaamste reden om ze heilig te noemen is deze: omdat ons universele zonnestelsel uit zeven gebieden van zijn bestaat, met andere woorden is samengesteld uit zeven werelden, zeven gebieden, zeven sferen van leven en activiteit – geen bollen maar sferen in ruime zin, zoals een mens spreekt over sferen van activiteit – zoeken we naar een antwoord op de vraag waarom dat zo is. Het antwoord is als volgt en er blijkt uit waarom deze planeten heilig worden genoemd. Elk van deze zeven planeten is het huis van een van de zeven logoi van ons zonnestelsel en zij vormen dus een kleinere groep aan het hoofd waarvan een van de zeven oorspronkelijke logoi van het universele zonnestelsel staat. Toen ons universele zonnestelsel als een nevelvlek uit zijn latente toestand kwam, werd het later een komeet en nog later splitste het zich in zon en planeten die elk zijn eigen bijzondere levensweg ging volgen; de splitsing van het innerlijke leven van de nevelvlek in zeven kosmische krachten voor toekomstige levensactiviteiten werd door de zeven oorspronkelijke logoi tot stand gebracht.
     Laten we het zo zeggen: de voornaamste logos van het universele zonnestelsel is zevenvoudig, dat wil zeggen de zonnelogos – Brahmâ, zoals de hindoes zouden zeggen – is zevenvoudig. Elk van deze zeven kleinere logoi die zich opnieuw in zeven krachten of machten onderverdeelt, vormt een zevenvoudige groep of kleiner zonnestelsel en ons zonnestelsel is een van die groepen: zeven kleinere logoi, en elk van deze correspondeert met en is de bestuurder, de gids, van een van de zeven heilige planeten; zo u wilt, haar leven schenkende ziel. Maar let wel: eerstgenoemde onderverdeling vormt de levenskrachten van ons zonnestelsel. Ons zonnestelsel vormt dus een groep binnen het universele zonnestelsel. We hebben al eerder uitgelegd wat we bedoelen. Dus met andere woorden, er zijn negenenveertig van deze kleinere logoi in ons universele zonnestelsel; maar onze heilige zeven die met de planeetketen van onze aarde ons zonnestelsel vormen, behoren tot onze zonne-logos. Nog anders gezegd: evenals de zon zijn spectrum van zeven stralen heeft, zo is elk van deze stralen weer onderverdeeld in zeven kleinere stralen. Zie dit alstublieft als een illustratie. Zoals u zich zult herinneren, bestaat onze planeetketen – het onderwerp van de volgende bijeenkomst – uit zeven bollen, die samen de ontwikkelde zevenvoudige entiteit zijn uit een vroegere zevenvoudige keten in een andere levenscyclus of een ander manvantara, een keten die nu dood is maar als onze maanketen fungeert. Vergeet niet dat wanneer wij ‘onze maan’ zeggen, wij in dit geval de zevenvoudige maan bedoelen, de zevenvoudige entiteit als afgerond geheel. Onze tegenwoordige maan is in feite niet de vroegere stoffelijke maan die is verdwenen, maar haar kâmarûpa, haar vampierachtige omhulsel, in meer dan één opzicht werkelijk vampierachtig. Ze is een schim van de vroegere maan, in feite haar schil. Onze aarde, die eruit ontstond, onttrekt nog steeds hieraan de levensatomen die ze als haar karmisch lot in zich op moet nemen, ten goede of ten kwade, al naar het geval wil.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 508-19

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag