HOOFDSTUK 42

DE LEER VAN DE SFEREN IN HAAR VIER ASPECTEN. DE ZEVEN HEILIGE PLANETEN EN HUN BESTUURDERS: HUN RELATIE TOT ONZE AARDKETEN. DE CIRCULATIES VAN DE KOSMOS: BINNENRONDEN EN BUITENRONDEN; SISHTA’S, ÉÉN UNIVERSELE FUNDAMENTELE WET: ZO BOVEN, ZO BENEDEN. DE LEER VAN HET OOG EN DE LEER VAN HET HART.

 

De beroemdste Babyloniërs en ook Ostanes en Zarathustra noemen de sterrensferen terecht kudden; hetzij omdat onder de hemellichamen alleen zij volmaakt rond een centrum worden gevoerd, dan wel omdat zij, in overeenstemming met de orakels door hen in een bepaald opzicht worden gezien als samenbundelingen en verzamelaars van fysische oorzaken, die zij in hun heilige verhandelingen eveneens kudden [ajgevla¦], en door het inlassen van een gamma [ajggevlou¦], engelen noemen. Op grond hiervan worden de sterren die over elk van deze kudden de leiding hebben als demonen beschouwd, vergelijkbaar met engelen, en worden aartsengelen genoemd: en zij zijn zeven in getal.

– Anon., Theologumenis Arithmeticis
     (naar vert. Cory, Ancient Fragments, blz. 276)
     De ‘leer van het oog’ is voor de menigte, de ‘leer van het hart’, voor de uitverkorenen. De eersten herhalen trots: ‘Zie, ik weet’, de laatsten, zij die in nederigheid hebben vergaard, erkennen op zachte toon, ‘aldus heb ik gehoord’. . . .
     De dharma van het ‘oog’ is de belichaming van het uiterlijke en het nietbestaande.
     De dharma van het ‘hart’ is de belichaming van bodhi, het bestendige en eeuwigdurende.
De Stem van de Stilte, Fragment II

De overleveringen van de mensheid zeggen ons, en de optekeningen van de oude wijsheid bevestigen deze overleveringen, dat de leringen die we de afgelopen vier jaar hebben bestudeerd ongeschonden en in hun oorspronkelijke zuiverheid tot ons zijn gekomen, en onder de hoede staan van grote geesten, grote mensen, grote zielen. Deze overleveringen, die teruggaan tot het midden van het vierde of Atlantische stamras, namen in de loop van de eeuwen diverse vormen aan toen ze op verschillende tijdstippen min of meer volledig werden bekendgemaakt; ze namen de vorm aan, zeggen wij, van de verschillende grote wereldreligies; en achter deze grote wereldreligies, onder de oppervlakte, vinden we heel wat, zo niet alle leringen van de oude wijsheid. We moeten onder de religies waarover we spraken niet de diverse kleinere religies of halfreligieuze culten rekenen, hoe groot hun verspreiding onder de mensheid ook mag zijn geweest, omdat deze kleinere religies vaak hun ontstaan te danken hadden aan mensen, die de oude wijsheid niet volkomen hadden begrepen en die in sommige gevallen hun eigen leraren ontrouw waren geworden. En daarin kunnen wij een van de voornaamste redenen vinden waarom deze archaïsche leringen steeds als heilig en geheim werden beschouwd; omdat de meesters zoals aan Sinnett en Hume werd gezegd, een reeds door priesters beheerste en onder credo’s gebukt gaande wereld niet met nog een exoterische religie wilden of willen opschepen.
     Een bron die bij haar oorsprong is verontreinigd, kan moeilijk de zuivere wateren geven die genezing brengen. Het beste middel tegen dwaasheid is wijsheid; tegen onwetendheid, werkelijke kennis; tegen valse en daarom in het geheel niet gewaarborgde theosofie, de archaïsche leringen van de wijsheidsreligie.
     We gaan verder met het onderwerp waarmee we vorige keer zijn begonnen; het hoofdthema was toen wat men de leer van de sferen noemt, waarvan de leer van onze planeetketen, de planeetketen van ons zonnestelsel, een bijzonder geval is. Laten we de uiteenzetting die toen werd gegeven nog eens kort nagaan en mogelijk tegelijk iets verduidelijken. De leer van de sferen omvat alle leringen die handelen over de oorsprong, het leven en de bestemming van de sferen of planeten, en van de zon, die tot ons universele zonnestelsel behoren en dit samenstellen. Met ‘universele’ zonnestelsel bedoelen we alle lichamen, welke dan ook, bekend of onbekend, zichtbaar en onzichtbaar, die om de zon wentelen, die hun hoofd is. Er zijn veel van zulke planeten, tientallen, waarvan de meeste voor onze stoffelijke ogen onzichtbaar zijn.
     Het tweede aspect van de leer van de sferen is de daaronder vallende leer van de planeetketens. Elk van deze planeten is een zevenvoudig lichaam, dat uit zeven bollen bestaat die een eenheid vormen; en in het geval van de zeven of acht of negen planeten die aan de astronomie bekend zijn, is steeds één van de zeven bollen voor ons zichtbaar, omdat onze ogen door de evolutie op deze planeet zijn getraind ze te zien, want deze enkele gevallen behoren tot ons ‘gebied’. Als we op de bollen van onze keten zijn, waar we na het verlaten van deze aarde naartoe gaan, dan zullen onze zintuigen door de natuur, door de evolutie, zijn getraind om andere hemellichamen, andere planeten van ons universele zonnestelsel waar te nemen en te zien – met andere woorden, te leren kennen. Hetzelfde geldt voor de bollen die we verlieten toen we langs de planeetketen afdaalden. Elke planeetketen heeft volgens de leringen dus zeven bollen, die op vier gebieden bestaan: twee bollen op elk van de drie hogere gebieden, en van deze zeven bollen bevindt er zich slechts één op het laagste gebied; onze aarde is op dit laagste of vierde gebied van onze keten. Deze leer van de planeetketen vormt op het ogenblik het hoofdthema van onze studie.
     Het derde aspect van de leer van de sferen is wat men de zeven heilige planeten van de Ouden noemt – eveneens een leer die een zevenvoudig mysterie omvat. Deze planeten zijn respectievelijk Saturnus, Jupiter, Mars, de zon (die in deze opsomming dient als plaatsvervanger voor een planeet binnen de baan van Mercurius), Venus, Mercurius en onze maan, die ook een plaatsvervanger is van een planeet dichtbij onze aarde en die nu stervende is. Deze zeven heilige planeten van de Ouden werden heilig genoemd om redenen die op de vorige bijeenkomst werden gegeven. Ze zijn de huizen van de zeven krachten van één van de zeven hoofdstralen van de zonnelogos: terwijl deze ene hoofdstraal onze bijzondere logos is. Deze leer is werkelijk heel eenvoudig, maar omdat het gaat om zeven die zijn besloten in zeven, klinkt ze erg ingewikkeld; in feite is ze dat niet. Er zijn zeven voornaamste of hoofdstralen of krachten die de zon vormen en bezielen; en deze zeven krachten zijn de zeven zonnelogoi. Elk van deze zeven voornaamste logoi is op zijn beurt in zeven onderverdeeld; en deze zeven onderverdelingen van één hoofdstraal of hoofdlogos vormen de bestuurders, de genii, de aartsengelen zo u wilt, en de zeven heilige planeten zijn hun huizen.
     Elk van deze zeven heilige planeten was nauw betrokken bij de bouw van één van de bollen van onze planeetketen. Elk van de stamrassen of wortelrassen op elk van onze zeven bollen tijdens de doortocht van de evoluerende levensgolf staat eveneens onder het rechtstreekse gezag en toezicht van één van deze zeven heilige planeten; en als we ‘planeet’ zeggen, moet u ermee rekening houden dat we niet alleen het stoffelijk lichaam hiervan, de planeet die we zien, bedoelen; dat is slechts het huis van de zevenvoudige dhyân-chohan, de bestuurder, de genius, de bijzondere zonnekracht die deze planeet heeft gebouwd en die haar gebruikt als zijn huis – zijn ‘zenuwcentrum’ als het ware.
     Het vierde aspect van het universele zonnestelsel betreft de groep die zo heilig is, dat H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (1:193) hiervan zegt: ‘Wat Mars, Mercurius en ‘de vier andere planeten’ betreft, deze staan in een betrekking tot de Aarde, waarover geen meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken [in het openbaar, moeten we hieraan toevoegen], en nog minder de aard ervan zal verklaren’.
     Deze leer van de sferen is schitterend. We hebben er alleen de hoofdlijnen van geschetst; nauw verbonden hiermee is een tweede leer, die nog heiliger en mysterieuzer is, en die we de leer van de circulaties van de kosmos kunnen noemen, waarvan de circulaties van de krachten van het universele zonnestelsel een speciaal geval zijn. In het voorbijgaan merk ik op dat de werkingen van karma en de reïncarnatie van de menselijke ziel op aarde speciale gevallen zijn van deze twee leringen: de leer van de circulaties die de werkingen van karma mogelijk maken; en de leer van de opeenvolgende belichamingen van de mens in huizen van vlees, zoals de leer van de sferen de bouw toont van andere bollen in huizen met een stoffelijke vorm, die geschikt zijn voor de evoluerende zielen en daaraan lichamen verschaffen die passen bij elk van deze bollen. Deze leer van de circulaties van de kosmos is een leer die we met grote omzichtigheid benaderen. We moeten bedenken dat wat hier nu over dat onderwerp kan worden gezegd lang niet alles omvat wat men over dit diepzinnige onderwerp zou kunnen zeggen; nee, nog geen tiende deel. Deze leer van de circulaties van de kosmos of van de circulaties van de levenskrachten in het universele zonnestelsel handelt onder andere over de gang van de levensgolf van bol tot bol in onze planeetketen; ze verklaart en verduidelijkt voor ons hoe dit gebeurt; terwijl de leer van de sferen laat zien naar welke bollen deze circulaties gaan, welke bollen deze circulaties binnentreden en in welke toestand die bollen worden verlaten wanneer hun respectieve levenscyclussen zijn voltooid. Dit slaat natuurlijk ook op ons hier op aarde en op de levensatomen op onze bol; en zegt ons bijvoorbeeld wat voor mensen we zullen zijn op de eerstvolgende bol die na onze aarde komt en wat we waren op de bol die aan deze aarde voorafging. En de levensgolf werkt op dezelfde manier op alle bollen van onze keten; dat wil zeggen deze circulaties hebben betrekking op elke bol afzonderlijk en op alle bollen.
     Wat deze planetaire bestuurders of genii of dhyân-chohans betreft – elke ondergeschikte zonnelogos van de zeven kleinere logoi van één hoofdlogos vormt de leidende genius van een bol – zij zijn in feite de bouwers van onze planeetketen plus het inwonende leven of de svabhâva dat tot onze eigen planeetketen behoort. Het menselijke zaad bijvoorbeeld wordt gezaaid; het groeit, wordt een embryo, wordt tenslotte geboren en groeit op tot een mens. Het inwonende leven is er, het karakter, de innerlijke drang, de voorwaartse impuls, de ontwikkeling van de innerlijke vermogens; maar dit gebeurt in een wereld met omringende krachten die het diepgaand beïnvloeden met actie en reactie, of karma. Hetzelfde geldt voor de bollen; en ook voor onze planeetketen als geheel.
     Er kan tussen haakjes nog worden opgemerkt dat deze zeven heilige planeten op bijzondere wijze bijdragen aan de bouw van onze planeetketen; maar ook de aarde zelf is één van een andere groep of reeks van zeven planeten, die meewerkt aan de bouw van de planeetketen van enkele andere van onze planeten – zo nauw verweven en verbonden zijn de werkingen van de levenskrachten en levensgolven in onze zonne-kosmos, ons universele zonnestelsel.
     Als we nu kort de vragen nagaan die we straks in bijzonderheden zullen bestuderen, denk er dan aan dat de levensgolf in iedere planeetketen – we zullen onze eigen planeetketen als een voorbeeld van de regel nemen – één keer van de eerste bol naar de zevende, door alle zeven bollen gaat; en wanneer ze op deze manier eenmaal door de zeven bollen van de keten is gegaan, heeft ze, wat wij één ketenronde noemen, voltooid, waarbij ronde een woord is dat door Sinnett voor dit doel werd bedacht en dat we nog steeds gebruiken. Zeven van zulke ketenronden vormen een levenscyclus van onze planeetketen. En wat gebeurt er dan?
     We komen nu op nog een mysterie. Er zijn buitenronden en binnenronden. De binnenronde omvat een rondgang van de levensgolf in een planeetketen van bol A naar bol G (of Z), en dat gebeurt zeven keer in een planetair manvantara. De buitenronde omvat de rondgang van het geheel van een levensgolf van een planeetketen, door de werking van de circulaties van het zonnestelsel, van de ene heilige planeet naar de andere, en dit zevenmaal.
     Laten we even terugkomen op een ronde in een planeetketen: op onze bol brengt de inwonende egoïsche kracht in ieder mens, of in ieder leven of iedere entiteit, voor zichzelf lichamen tot ontwikkeling, die passen bij hun omgeving – uiterlijke lichamen, innerlijke lichamen. De hogere van deze innerlijke lichamen kunnen we monadische eieren noemen; en wanneer de levensgolf één van de zeven bollen van die planeetketen verlaat om naar de volgende bol over te gaan, blijven de voertuigen – die passen bij en behoren tot die bepaalde bol, de producten van haar eigen evolutie daarop – achter als sishta’s, een Sanskrietwoord dat ‘overblijfselen’ betekent. Wanneer dezelfde levensgolf in de volgende cyclus terugkeert dienen deze sishta’s als de eerste voertuigen of lichamen voor de monaden van die terugkerende levensgolf die dan na eonen en eonen van tijd deze ‘slapende sferen’ of sluimerende ‘levens atomen’ of voertuigen aantreffen die voor hen gereedstaan. Deze slapende sferen of sluimerende levensatomen passen alle bij die bepaalde bol van de planeetketen die hen tot ontwikkeling had gebracht. De sishta’s zijn dus de reeds tot ontwikkeling gebrachte of geïndividu aliseerde voertuigen of ‘levensatomen’ die geschikt zijn om de terug kerende menigte monaden te ontvangen.
     Laten we deze leer van onze planeetketen aanschouwelijk maken door zeven cirkels te tekenen, waarbij elke cirkel één van de gemanifesteerde bollen van onze planeetketen voorstelt.
     De levensgolf komt bol A binnen, doorloopt daar haar levenscyclus en gaat dan over naar bol B. Na beëindiging van haar cyclus op bol B gaat ze over naar bol C; en dan naar bol D, de laagste van de zeven. In onze eigen keten is bol D onze aarde. We trekken rechte lijnen onder de drie hogere paren en één rechte lijn onder bol D. Deze lijnen stellen de vier laagste gebieden of werelden van ons zonnestelsel voor, ons universele zonnestelsel. Er zijn nog drie hogere gebieden of werelden, en in totaal zijn er zeven; boven deze drie hogere gebieden zijn er nog drie, waardoor het volmaakte getal tien wordt gevormd. Over deze laatste drie, de hoogste gebieden of werelden, zullen we hier niets meer zeggen.
     Maar laten we nu op de drie hogere gebieden van de zeven nog vijf cirkels tekenen die als volgt bollen voorstellen: twee bollen op het laagste gebied van deze drie hoogste, nog twee bollen op het gebied daarboven en één bol op het zevende gebied van onderaf geteld, die het hoogste punt of de top vormt. Dan hebben we twaalf bollen in onze planeetketen: zeven gemanifesteerd en vijf verborgen; en dat is de constructie (van de logoïsche zonnekracht) die we gaan bestuderen – en, tussen haakjes, elk van deze twaalf bollen correspondeert volgens de oude wijsheid met een van de twaalf tekens van de dierenriem. U ziet dus dat er zeven gemanifesteerde bollen zijn; één voor ons zichtbaar, de laagste en vierde; zes hogere in abscondito of verborgen; en tenslotte vijf bollen op de drie hogere gebieden van de zeven gebieden; er zijn dus in totaal twaalf bollen. Dit geeft niet meer dan een schetsmatig beeld van de leringen.
     Vanzelfsprekend rijst de vraag: Wat cirkelt in de binnenronden van bol tot bol van een planeetketen en gaat in de buitenronden beurtelings van de ene naar de andere planeet van de zeven heilige planeten? We hebben gezegd dat elke bol van een keten haar menigten monadische eieren als sishta’s behoudt, wanneer de levensgolf haar verlaat. We gebruikten toen het woord ‘monadisch’ in algemene zin; dat wil zeggen, het slaat in alle gevallen op dat bepaalde deel van het hele geeste lijk psychisch-fysieke gestel van de mens, dat met die bepaalde bol correspondeert – kortom dat daartoe behoort en dat wordt achterge laten zoals een reiziger een huis of zijn kleding, die geschikt zijn voor bepaalde klimaten en weers omstandigheden, achterlaat wanneer hij ergens anders heengaat, want hij zal naar die vroegere woning van hem terugkeren. Maar wat is het, wat is dat uiteindelijk fundamentele, die monade, die hogere monade die het onsterfelijke zaad verschaft en in feite is, waaruit al die andere ontstaan? Dat noemde H.P. Blavatsky het geestelijke zelf, de goddelijke ziel; het onsterfelijke zaad, de vader-moeder, de bron, de oorsprong – noem het zoals u wilt – van het eivormige lichaam, het aurische ei, dat in zijn essentie, niet in zijn vorm, de goddelijk-geestelijke individualiteit van de mens of van een andere levensentiteit bevat. Die kent geen dood, geen geboorte; ze blijft gedurende het hele zonnemanvantara bestaan en gaat pas het hoogste paranirvâ.na in wanneer het universele zonnestelsel na het verstrijken van zijn cyclische evolutie tenslotte pralaya of de latente toestand ingaat.
     Denk eens een ogenblik aan wat dit alles betekent. Het betekent dat wij op iedere bol – laten we de onze, onze aardbol, als illustratie nemen en ons mensen als de voorbeelden van deze illustratie – deels van binnen naar buiten door onze eigen svâbhâvische drang en deels van buiten naar binnen door de reactie van de natuur om ons heen, hier bepaalde persoonlijkheden en bepaalde karakters en bepaalde voertuigen tot ontwikkeling brengen die volkomen passen bij de bol waarop we dan zijn. Die karakters en persoonlijkheden en voertuigen zijn volstrekt ongeschikt voor een andere bol, volstrekt ongeschikt voor een ander gebied. Ze zouden evenmin naar een ander gebied kunnen gaan of op een andere bol kunnen leven als een roos bijvoorbeeld op de bodem van de oceaan zou kunnen leven. Ze horen daar niet thuis; ze horen thuis op deze aarde; en ze behoren tot de materiële en psychische atmosfeer van deze aarde; ze behoren tot die bepaalde wereld van circulaties van krachten, die deze aarde vormen en in feite deze aarde zijn. We vinden geen rozen aan de noordpool, of gletsjers op zeeniveau in de tropen. Alles in de natuur is aangepast aan en heeft zijn eigen plaats.
     Op elk van de andere bollen van onze keten worden eveneens lichamen of voertuigen, enz., tot ontwikkeling gebracht, innerlijke en uiterlijke lichamen, die in elk van deze gevallen met die bollen corres ponderen, die daar thuishoren, die wij daar hebben gemaakt toen we daar waren en die we daar hebben achtergelaten, toen we die bollen verlieten. Evenzo komt de mens wanneer hij reïncarneert terug met dezelfde geestelijke individualiteit, want er geldt slechts één grondregel in de hele kosmos, één fundamentele wet; hij komt inderdaad terug met dezelfde hogere menselijke individualiteit. Maar omdat het ras verschilt, het karma verschilt en de omstandigheden verschillen – want de doorgaande evolutie heeft zowel hem als de omringende bol verder ontwikkeld – ontwikkelt hij telkens voor zichzelf en uit zichzelf en op elke bol, persoonlijkheden, voertuigen, enz., uit de zaden die bij elk vorig sterven in latente toestand in het karakter waren opgenomen en bezielt zo opnieuw, betreedt zo opnieuw de verschillende soorten monadische eieren van die bol die vroeger op elk van de bollen zijn achtergelaten toen de levensgolf ze verliet om verder te gaan.
     Diegenen onder u die een studie hebben gemaakt van de oosterse klassieken, zullen onmiddellijk inzien dat wat er is gezegd, hoe weinig dit tot nu toe ook is, een schitterend licht werpt op de leringen van de grootste van de oude religies, zoals die van Egypte en van Griekenland; en wel in het bijzonder de leringen van het brahmanisme en boeddhisme in India en het verre oosten. Het is dan ook geen wonder dat theosofie de éénmakende filosofie van de wereld is genoemd. Ze toont het hoe en waarom van al deze grote oude religies. Ze vertelt ons wat zij waren en wat zij betekenden.
     Men kan zich afvragen – we wijken even van ons onderwerp af, maar dat is kennelijk nodig – waarom er zoveel over zeven wordt gesproken: zeven hier en zeven daar en zeven overal? Leven we in een ordeloos heelal, een dolzinnig heelal, een heelal zonder orde of duidelijk omschreven plan? Of leven we in een heelal waarvan ieder atoom onderhevig is aan krachten die door nog hogere en meer verborgen en sterkere krachten worden beheerst? Het laatste is kennelijk het geval. En deze hogere krachten zijn onderhevig aan en worden beheerst door nog hogere. Dit betekent eenvoudig dat er door al wat bestaat één samenhangende levensgolf stroomt; en omdat die één samenhangende, gecoördineerde wil vertegenwoordigt, die één fundamentele richting heeft, moet zij op alle gebieden van het heelal min of meer op dezelfde manier te werk gaan. U ziet nu hoe noodzakelijk, hoe waardevol voor ons en hoe schoon de oude leringen zijn, die uitdrukking geven aan de fundamentele werking van de natuur, die gewoonlijk de wet van analogie wordt genoemd en wordt weergegeven in het Hermetische axioma, ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven’.
     De wil van de oorspronkelijke kosmische logos stort zich, als het ware, in één richting uit in stromen van licht en leven. Bij hun afdaling in de stof en het weer opstijgen naar hun bron gaan die stromen door hun verschillende cyclussen en vormen. Daardoor volgen ze slechts – en ze kunnen niet anders – de machtige impulsen die aan het centrale hart, die ene wil ontspringen. We zijn geneigd de woorden doel of plan te gebruiken, als deze woorden in de christelijke theologische stelsels niet zo werden misbruikt, dat ze de toehoorders bijna het idee geven van een kosmische persoonlijke God en die godslastering onderschrijven wij niet. Precies hier gaat de werking van karma een rol spelen. Karma is geen wet die door iets of iemand is gemaakt. Het is de inherente aard of eigenschap van het kosmische zijn om op elke actie daarin te reageren. Het is de leer van de gevolgen. Kosmisch gesproken werkt het of stroomt de kracht ervan in een bepaalde richting, die de wil, de levensstroom, van de kosmische logos vertegenwoordigt, en omdat deze levensstroom van de logos, zoals eerder gezegd, aan één hart, het centrale hart van ons zonnestelsel, ontspringt en zo de constitutie of fundamentele werking van de universele natuur vormt, volgt alles in die natuur de richting ervan; en daarvandaan komt de leer van de zeven, die als het ware niets anders is dan een fotografische afdruk op ons denken van kosmische feiten, want de zonnelogos is in tien delen verdeeld, waarvan er zeven gemanifesteerd en drie occult of verborgen zijn. Alles wat zijn leven aan de logos te danken heeft, wat een deel van de logos is, wat is onderworpen aan zijn energiestroom en aan zijn ‘wet’, is daarom uit primaire noodzaak eveneens gebouwd volgens een zevenvoudig plan.
     Na deze inleidende woorden beschouwen we het eerste aspect van de leer van de sferen: de planeetketen van onze aarde. Deze bestaat, zoals in diagram 2 in beeld is gebracht, uit zeven gemanifesteerde bollen en vijf die verborgen zijn: de hoogste twee van de lagere zeven vormen het model voor de vijf en laatste daaronder. De twee volgende bollen zijn grover en stoffelijker; de twee die daarop volgen hebben een nog grovere en stoffelijkere samenstelling; de reeks gebieden eindigt met onze aarde die de kopie hier beneden is van de superspirituele bol, die de laatste of twaalfde – of eerste – in onze hele planeetketen is.
     Diegenen onder u die bekend zijn met de klassieken zullen zich herinneren dat Plato erover spreekt dat de godheid meetkundig volgens een twaalfvoudig plan te werk gaat. Waarom heeft de dierenriem twaalf huizen of tekens? Waarom waren er in alle grote wereldreligies uit de oudheid twaalf grote goden – zeven gemanifesteerde en vijf occulte? In deze oude religies verschilden de vormen waarin men zich uitdrukte en de bewoording, maar de leer van het hart was in alle aanwezig en gelijk; niet de leer van het oog, d.w.z. van de uiterlijke dingen die men zag, het plechtige ritueel en de eredienst die vaak onderling sterk verschilden. Dat was het exoterische deel – niet ‘onjuist’, maar onverklaard; maar de leer van het hart, om onze oude taal, onze oude terminologie te gebruiken, namelijk de leer van dat wat verborgen en niet zichtbaar is en wat de hogere uitdrukking van de waarheid is, is verborgen en niet waarneembaar voor het fysieke oog. Daarom werden de uitstromingen uit de edeler natuur van de mens, zijn hogere ziel, die spiritueel, schoon, heilig, ja zelfs goddelijk zijn, alle tezamen genomen ook de leer van het hart genoemd.
     De vorige keer is gezegd dat Sinnett en Hume en later ook anderen de leringen van de meester over de bollen die onze eigen planeetketen vormen, verkeerd hadden begrepen en verkeerd hadden uitgelegd; wij verwezen toen naar het eerste deel van De Geheime Leer en de vrien delijke maar niettemin onverbiddelijk scherpe kritiek van H.P. Blavatsky op het denkbeeld van Sinnett, dat zijn slechts wetenschappelijk getrainde denken de geheimen van de natuur in feite beter kende dan zijn leraar of dan H.P. Blavatsky, zijn tweede leraar; en op de bladzijden 192-4 van dat deel vindt u wat zij daarover zegt. In de eerste plaats zegt ze dat de leraar op de vraag van Sinnett een antwoord gaf dat min of meer vaag was. Dit kwam omdat de vraag heel vaag was. Sinnett scheen nooit te beseffen dat hij vragen stelde die in bepaalde gevallen eenvoudig niet konden worden beantwoord door iemand die zich tot geheimhouding had verplicht. Wat moest er dan gebeuren? De leraar had zich bereid verklaard onderricht te geven. De tijd was aangebroken om de wereld iets van de oude wijsheid te leren; enkele zaden moesten in het gedachteleven van de wereld worden gezaaid. Maar toch moest het antwoord op een vage manier worden gegeven. Had Sinnett volmaakt duidelijke vragen gesteld over duidelijk omlijnde onderwerpen, waarvan hijzelf een bepaalde kennis bezat, dan zou hij ongetwijfeld een duidelijk antwoord hebben ontvangen of zou hem zijn gezegd dat zijn vraag niet kon worden beantwoord om de reeds genoemde redenen. Deze weigering om te antwoorden is inderdaad verschillende keren voorgekomen. Zijn vraag in dit verband was: ‘Welke planeten, die aan de gewone wetenschap bekend zijn, behoren, naast Mercurius, tot ons stelsel van werelden?’ Wij hebben gezien dat in het occultisme ‘ons stelsel van werelden’ op minstens vier verschillende dingen kan slaan: ons universele zonnestelsel; onze planeetketen; onze groep van zeven heilige planeten; en deze mysteriegroep – aarde, Mercurius, Mars en vier andere geheime planeten.
     Er kwam een antwoord in algemene bewoordingen: ‘Mars en vier andere planeten, waarvan de sterrenkunde nog niets weet’, waarmee in het bijzonder werd gedoeld op de mysteriegroep. En waarom? Omdat Sinnett even tevoren zijn leraar vragen had gesteld over een bepaald aspect van de leringen dat niet volledig kon worden uitgelegd zonder de leer over deze mysteriegroep bekend te maken. Dat is alles. En H.P. Blavatsky zegt hier: ‘Wat Mars, Mercurius en ‘de vier andere planeten’ betreft, deze staan in een betrekking tot de Aarde, waarover geen meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder de aard ervan zal verklaren.’
     Het is duidelijk dat deze zin niet op onze planeetketen slaat, omdat H.P. Blavatsky al had gezegd dat Mars en Mercurius daar niet toe behoren. Kennelijk doelt ze op een andere groep. Ze schreef ook het volgende: ‘Want het antwoord was: ‘Mars, enz. [feitelijk bevatte het antwoord van de leraar niet het woord enz.], en vier andere planeten, waarvan de sterrenkunde niets weet.’ Het antwoord van de leraar bevatte het woord nog, ‘nog niets’. Noch A, B, noch Y, Z zijn bekend, noch ook kan men ze zien met behulp van fysische middelen, hoe volmaakt die ook zijn.’
     Dan gaat H.P. Blavatsky verder: ‘Dit is duidelijk: (a) De sterrenkunde weet in werkelijkheid nog niets van de planeten, noch van de oude, noch van de in de moderne tijd ontdekte planeten.’ Het is duidelijk dat ze hier alleen spreekt van zichtbare planeten; want de moderne sterrenkunde erkende toen niet het bestaan van andere planeten op andere gebieden van het zonnestelsel en erkent dat ook nu nog niet. ‘(b) Men kan geen begeleidende planeten van A tot Z zien, d.w.z. geen hogere bollen van een van de planeetketens in ons zonnestelsel.’ Opnieuw wordt weerlegd wat Sinnett dacht. Maar let ook op het volgende: De leraar zei in zijn antwoord aan Sinnett niet ‘begeleidende planeten van A tot Z’, zoals H.P. Blavatsky hier schrijft. Hij zei ‘Noch A, B, noch Y, Z’ waarmee vier planeten worden opgesomd, twee aan het begin en twee aan het eind van de mysteriegroep. U ziet dus dat hier veel achter schuilgaat, veel dat bij oppervlakkige lezing niet blijkt. H.P. Blavatsky kwam op haar beurt in precies dezelfde situatie als de meester. Zij kon niet de hele waarheid zeggen, omdat ze zich tot geheimhouding had verplicht; toch moest zij een antwoord geven; en ze deed wat de leraren in soortgelijke gevallen sinds onheuglijke tijden hebben gedaan. Zij gaven een antwoord dat volkomen juist was, zover als zij konden gaan, maar omdat alles in de kosmos en dus ook onze leringen met elkaar is ver weven, lieten ze met opzet tegelijk iets doorschemeren van iets anders, waarmee een tweeledig doel werd gediend: want het was een ‘versluiering’ en toch was het een volstrekt en waarheidsgetrouw antwoord, zo ver als het ging.
     Vervolgens citeert H.P. Blavatsky (De Geheime Leer, 1:197) nogmaals de woorden van de leraar: ‘Laten wij ons indenken DAT ONZE AARDE ER EEN IS UIT EEN GROEP VAN ZEVEN PLANETEN OF DOOR MENSEN BEWOONDE WERELDEN. . . .’ Dan tussen haakjes, en deze haakjes zijn van H.P. Blavatsky: ‘(De ZEVEN planeten zijn de heilige planeten van de oudheid en zijn alle zevenvoudig.)’ Hier wordt op een derde aspect van de leer van de sferen gezinspeeld. Dit is een volmaakt voorbeeld van de manier waarop men in een dergelijke situatie moet handelen.
     Nog een voorbeeld van dit beleid van geheimhouding waarover we spraken vindt u op een andere plaats in De Geheime Leer en wel de uitspraak van H.P. Blavatsky dat onze aarde niet tot de zeven heilige planeten van de Ouden behoort, en hier zegt ze dat dit wel zo is, en de twee uitspraken zijn schijnbaar tegenstrijdig. Het is een paradox, maar het is niet tegenstrijdig. En gelukkig is deze paradox gemakkelijk uit te leggen. De zeven heilige planeten van de Ouden, als planeten van het zonnestelsel, zijn door ons aan het begin van deze bijeenkomst genoemd, namelijk Saturnus, Jupiter, Mars, de zon (een plaatsvervanger), Venus, Mercurius en de maan als een plaatsvervanger. Onze aarde is hier niet bij zoals u ziet. Maar zoals we vanavond ook hebben verklaard, is elk van de bollen van onze planeetketen het kind van, in zekere zin gebouwd door, wordt beheerst en geleid door, één van deze zeven heilige planeten dat wil zeggen door de respectieve genius of bestuurder van elk van de zeven heilige planeten. Vandaar dat de zeven bollen van onze planeetketen door de Ouden heel vaak ook de zeven heilige planeten werden genoemd, omdat die zeven bollen door hun medewerking en bemiddeling werden gebouwd en onder hun leiding staan. De bollen werden gebouwd door de zeven heilige planeten plus, zoals eerder opgemerkt, de werking van het inwonende svâbhâvische leven van onze eigen planeetketen.
     We willen nog de aandacht vestigen op twee feiten. Ten eerste, de zeven bollen van onze planeetketen zijn niet de zeven beginselen van de aarde. De analogie is goed en heel frappant, maar deze zeven bollen van onze planeetketen zijn afzonderlijke en op zichzelf staande entiteiten en elk van deze zeven, waaronder onze aarde, heeft haar eigen zeven beginselen. Maar de zes andere bollen van onze keten zijn niet de zes andere beginselen van onze aarde. Dat idee is grotesk. Men zou evengoed kunnen zeggen dat zeven mensen, zeven chela’s van de meesters, een groep van zeven chela’s, de zeven beginselen van elkaar zijn. Beslist niet. De zeven bollen vormen één groep, maar elk is een op zichzelf staande entiteit en heeft haar eigen zeven beginselen.
     Het tweede feit is dat men deze zogenaamde gebieden, deze zeven gebieden, inderdaad werelden zou moeten noemen. Het is heel moeilijk een juist woord te vinden om dit feit te beschrijven. Deze gebieden, of liever werelden, vormen samen de loka’s en tala’s: zeven loka’s en zeven tala’s, die met elkaar corresponderen, één voor één. Deze tweepoligheid van loka en tala die zich zeven keer herhaalt in zeven afnemende graden van stoffelijkheid naar boven geteld of in toenemende graden van stoffelijkheid naar beneden geteld, zijn macrokosmisch gezien de zeven gebieden of liever werelden van het zonnestelsel; de zeven gebieden of werelden van onze planeetketen zijn microkosmisch gezien de loka’s en tala’s. Deze loka’s en tala’s zijn dus werelden. Kijk naar de wereld om ons heen: de sterren boven ons, de aarde onder onze voeten, de waaiende winden – kortom de hele wereld die we zien, voelen en kennen. Ze is één van de loka’s en één van de tala’s samen. En deze loka’s en tala’s corresponderen met elkaar, de een met de ander, precies zoals in het geval van de tweepoligheid van magnetisme of elektriciteit op ons gebied. Fundamenteel zijn ze één, maar ze manifesteren zich met een tweepolig karakter. Die bijzondere kracht of levensstroom die omlaag neigt, vormt dat aspect van de eenheid dat het tala van een bepaalde wereld wordt genoemd. En de andere, met een aspect dat opwaarts of technisch gesproken noordelijk is gericht, vormt de loka.
     De volgende keer beginnen we aan een vrij gedetailleerd onderzoek van onze planeetketen, omdat we nu de verschillende omliggende terreinen hebben behandeld, die we kort moesten verkennen, voordat we een juist inzicht kunnen krijgen in de leringen over de planeetketen van de aarde.

 


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 520-34

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag