HOOFDSTUK 45

FYSIOLOGIE, PSYCHOLOGIE EN PNEUMATOLOGIE VAN HET HEELAL. TIEN EN TWAALF GEBIEDEN VAN HET UNIVERSELE ZONNESTELSEL: TUSSENLIGGENDE KRITISCHE GEBIEDEN. HEEL HET GEMANIFESTEERDE ZIJN EEN CONTINUÜM VAN ONDERLING VERBONDEN, ONDERLING VERWEVEN HIËRARCHIEËN VAN ALLERLEI NIVEAUS: ELK MET HAAR EIGEN BEGIN EN EINDE. SISHTA’S EN HET LEVENSSURPLUS.

 

‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader. . . . De planeten vormen zijn ledematen en geven zijn ritme aan. . . .’ (Toelichting.) . . .
     Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel, waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijke lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen als het menselijke hart. Maar in plaats van de omloop in een paar seconden te volbrengen, heeft het zonnebloed daarvoor tien zonnejaren nodig en een heel jaar om door zijn boezems en kamers te stromen, voordat het door de longen spoelt en dan doorgaat naar de grote aderen en slagaderen van het stelsel.
     . . . Het heelal (in dit geval onze wereld) ademt, evenals de mens en ieder levend wezen, iedere plant en zelfs de mineralen op aarde doen, en zoals onze aardbol zelf iedere vierentwintig uur ademt. . . .
     . . . De Ruimte is de werkelijke wereld, terwijl onze wereld kunstmatig is. Zij is in haar hele oneindigheid de Ene Eenheid: zowel in haar bodemloze diepten als aan haar bedrieglijke oppervlakte; een oppervlakte bezaaid met talloze waarneembare Heelallen, stelsels en werelden als luchtspiegelingen. Voor de oosterse occultist, die eigenlijk een objectief idealist is, bestaat er in de werkelijke wereld – die een eenheid van krachten is – niettemin een ‘samenhang van alle materie in het plenum’, zoals Leibnitz het zou zeggen. Dit wordt symbolisch weergegeven in de driehoek van Pythagoras.

De Geheime Leer, 1:596-7, 682

 

     Intelligenties hebben geen begin,
     De Sfeer heeft een actieve ziel.
     De hemelen kennen scheur noch naad.

De Desâtîr, ‘Het Boek van Shet Sasan de Eerste’,
verzen 16, 17, 20 (naar vert. Mulla Firuz Bin Kaus)

 

     De traag bewegende sterren zijn vele, en elk heeft een intelligentie, een ziel en een lichaam.
     En op dezelfde manier heeft iedere afzonderlijke afdeling van de hemelen en planeten haar intelligenties en zielen.

– Op. cit., ‘Het Boek van de Profeet, de Grote Abad’,
verzen 23, 24

De fysiologie van het heelal, die wij op de voorgaande bijeenkomsten hebben bestudeerd, moet worden begrepen in haar relatie tot de psychologie van het heelal; en tegelijk moeten we bedenken dat achter het psychologische aspect van het kosmische leven de pneumatologie van het heelal staat; deze doen op hun respectieve terreinen de drie essentiële voertuigen ontstaan, waardoor en waarin, waaruit en waarheen het universele leven werkt en stroomt en is – deze drie zijn dus de oorsprong van, en stemmen daarom in de mens overeen met, zijn lichaam, ziel en geest. De fysiologie van het heelal omvat de totaliteit van alle een lichaam of voertuig bezittende entiteiten ervan; de psychologie van het heelal omvat de diverse hiërarchieën van geestelijke wezens, die in die menigten van lichamen werken; en de pneumatologie van het heelal omvat al die goddelijke wezens die achter de tussenliggende groepen staan, en deze besturen en inspireren. De leringen over deze derde en laatste afdeling zijn, zoals wij allen weten, uiterst moeilijk, en tot nu toe hebben we slechts gelegenheid gehad erop te zinspelen. Tot dusver is onze studie slechts een poging geweest om iets van de psychologie en van de fysiologie van de ruimten van de kosmos te begrijpen.
     Een van de functies of werkingen van de universele natuur – en misschien één van de gewichtigste – wordt aangeduid door ons woord evolutie; en we gebruiken het in strikt etymologische zin in de betekenis van het ontvouwen of het ontrollen, of het uitrollen van wat in het oorspronkelijke zaad of de oorspronkelijke wortel is samengebald. We gebruiken het woord evolutie niet zoals dat woord in de moderne biologie verkeerd wordt gebruikt. In feite onderwijzen de biologen geen evolutie; zij onderwijzen wat de Fransen terecht transformisme noemen; en het verschil in betekenis tussen deze twee is enorm groot. Omdat wij op een later tijdstip dat onderwerp meer in bijzonderheden* zullen behandelen, willen we nu alleen de aandacht vestigen op dit grote verschil in betekenis, om het misverstand te voorkomen dat wij de woorden evolutie of ontwikkeling, zoals die in het occultisme worden gebruikt, in dezelfde zin zouden gebruiken als de moderne biologen. Volstrekt niet. Wij gebruiken het woord evolutie in de strikt etymologische betekenis – het ontvouwen, het ontrollen, het naar buiten komen van de krachten, die als gevolg van vroeger karma latent aanwezig zijn in het zaad van een wezen of een entiteit, die een cyclus van actief bestaan begint.
     Dit grootse beginsel wordt voor het geval van de kosmische evolutie goed geïllustreerd door wat de oude stoïcijnen leerden over de ontwikkeling of de evolutie, het uitrollen van de vier (of vijf) elementen van de Ouden, zoals de elementen in hun tijd werden opgevat. Zij leerden, zoals we eerder hebben aangetoond, dat het vijfde element, de vijfde essentie of kwintessens, æther genoemd – wat ons âkâsa is – de zaden van de lagere vier elementen in zijn schoot bevatte vóór de manifestatie of evolutie daarvan; en dat, toen de tijd om te evolueren voor deze vier aanbrak, toen de godheid, Zeus, de werelden na een periode van rust opnieuw tot manifestatie wilde brengen, als eerste het element vuur verscheen, dat zich uit de æther (of âkâsa) ontrolde, daaruit evolueerde, of daaruit ontplooide. Niet het vuur zoals wij dit opvatten, maar als het ware het zaad van het vuur, de geest van het vuur, die primaire en elementale kosmische kracht waarvan het vuur op ons gebied, dit lage gebied, een zwakke manifestatie is. Toen het vuur zijn cyclische baan van evolutie had doorlopen, kwam daarna en op dezelfde manier als dit was voortgekomen uit de schoot van æther of âkâsa, lucht tevoorschijn uit vuur, het ontrolde zich uit de schoot van het vuur, dat dit element lucht in zich bevatte; het bevatte niet alleen zijn eigen vuur-svabhâva of -karakteristiek of -kwaliteit, zoals wij in het oosterse denken zeggen, maar ook het karakteristiek van zijn eigen ouder æther, âkâsa. Daarna ontrolde zich uit lucht het volgende element, water, het ontplooide of ontwikkelde zich daaruit. Niet ons water, wat absurd is, maar wat we het zaad van het water zouden kunnen noemen, de geest van het water, dat wat op ons gebied door water of vloeibaarheid wordt vertegenwoordigd; en het bewaarde in zijn schoot iets van de kwaliteit of karakteristiek van lucht, zijn ouder; en van vuur, zijn grootouder; en ook van æther of âkâsa. Het bevatte ook de krachten, de mogelijkheden en de vermogens van zijn voorgangers, maar in water natuurlijk zwakker dan in hun eigen respectieve rijken; de kwaliteiten en krachten van elk voorafgaande element worden zwakker naarmate de evolutie vordert, d.w.z. meer en meer in de ‘stof’ afdaalt. Daarna volgt het zaad van het element aarde dat zich uit water ontwikkelt, of tevoorschijn komt uit de schoot daarvan. Toen het keerpunt van de cyclus werd bereikt, toen de evolutie van deze elementen, het opbouwen van de bollen enz., tot een einde was gekomen, en Zeus ze alle in zijn schoot wilde terugroepen, begon het omgekeerde proces, en nam water zijn kind, het element aarde, weer tot zich. Aarde begon vloeibaar te worden om weer in het element water over te gaan. Daarna begon het element water op zijn beurt, op de aangewezen tijd, zijn deeltjes in lucht om te zetten en over te gaan in, of te worden opgenomen in, de schoot van zijn ouder, het element lucht. Toen begon lucht op haar beurt als vuur te worden en in de schoot van haar ouder, vuur, over te gaan. Daarna werd tenslotte vuur weer æther en keerde terug in de schoot van de vijfde essentie of æther, zijn ouder, en eindigde de cyclus van de kosmische evolutie voor een nieuwe rust periode.
     We breiden deze vijf elementen nu verder uit tot tenminste zeven. Maar inherent in de kosmos is het beginsel van ontwikkeling dat wij weergeven door het woord evolutie te gebruiken zoals hierboven is geschetst: het uitgaan van de adem, de uitademing van Brahmâ, zoals de oude Indische denkers zeiden. Als het werk was gedaan, volgde daarop de inademing, de intrekking, de involutie van Brahmâ. Precies hetzelfde beeld, dat wij zojuist uit de stoïcijnse filosofie hebben gegeven, zult u in de oude hindoeliteratuur aantreffen, in de Upanishads, en meer in het bijzonder in de Purâ.na’s.
     Evenzo, op dezelfde manier, behoudens veranderingen die uit de omstandigheden en de entiteiten voortvloeien, worden de bollen van onze planeetketen ontwikkeld. Bol A doorloopt zijn levenscyclus, en ontwikkelt dan bol B, die op zijn beurt zijn levenscyclus doorloopt en bol C ontwikkelt, die zijn levenscyclus doorloopt en bol D ontwikkelt, of onze aardbol. Bol D doorloopt zijn levenscyclus en ontwikkelt bol E; en dan wordt bol F en dan bol G, de laatste van de gemanifesteerde zeven, op dezelfde wijze ontwikkeld. Deze bolevoluties vormen het onderwerp dat we nu bestuderen.
     De vragen die gesteld zijn, zijn voor de spreker buitengewoon nuttig geweest. Ze hebben hem bijvoorbeeld laten zien, dat er niet genoeg is gezegd over de gebieden van de kosmos en de beginselen van de kosmos, en over de verschillende manieren en krachten waardoor deze twaalf bollen van onze planeetketen onderling met elkaar zijn verbonden. Laten we hiervan dan een beeld geven in de volgende figuur:
     Dit zijn de zeven kosmische gebieden die door rechte lijnen worden voorgesteld, en daarboven is een driehoek geplaatst die de drie pneumatologische of goddelijke of superspirituele gebieden moet voorstellen, waarover we nu niet hoeven te spreken omdat, zelfs al zou hierover iets worden gezegd, het zeer te betwijfelen is of het voor ons op het ogenblik van nut zou zijn. De leringen daarover zijn te abstract. Onder de driehoek volgen de drie hogere gebieden van de kosmische gemanifesteerde zeven, die de vijf verborgen bollen van onze planeetketen bevatten; daaronder volgen dan de vier lagere gebieden van de kosmische gemanifesteerde zeven van de kosmos, die onze gemanifesteerde zeven bollen bevatten, of wat H.P. Blavatsky in De Geheime Leer gewoonlijk de planeetketen van de aarde noemde. We hebben ze evenals op vorige bijeenkomsten genummerd: A, B, C, D, E, F en G. Bovendien is elk van deze zeven kosmische gemanifesteerde gebieden of werelden zelf een zevenvoud, d.w.z. verdeeld in zeven subgebieden of werelden. Dit is een belangrijk onderwerp dat later zal worden besproken.
     U zult hebben gezien dat deze twaalf bollen zich op zeven gebieden bevinden. Voorts ziet u dat in de figuur slechts zeven gemanifesteerde kosmische gebieden en een driehoek die drie goddelijke gebieden ver tegenwoordigt, worden weergegeven, bij elkaar dus tien gebieden. Waar om laten we hier geen twaalf kosmische gebieden of werelden zien? We hebben de figuur op deze manier getekend om, doordat er duidelijk iets ontbreekt, de aandacht te vestigen op een feit en er de nadruk op te leggen. U herinnert zich misschien dat de Latijnse dichter Martianus Capella over de zon sprak ‘van wie het heilige hoofd is omcirkeld door tweemaal zes stralen’. Deze tweemaal zes stralen om het hoofd van de zonnegod stellen de tweemaal zes krachten of de tweemaal zes bollen in de geestelijke zon voor. Onze zichtbare fysieke zon is slechts het lichaam van de zon. Er zijn zeven gemanifesteerde zonnen; in werkelijkheid zijn het er tien en twee polaire ‘schakels’. We zien slechts één zon, de laagste, en die zon bevindt zich niettemin op ons hoogste stoffelijke gebied; maar zoals men wel eens zegt ‘dat is weer een ander verhaal’!
     Deze twaalf krachten van de zon vertegenwoordigen en zijn de twaalf krachten van de logos, die de gemanifesteerde zonnegod is; en natuurlijk moeten zij, omdat het twaalf krachten zijn, hun eigen thuis hebben om in te wonen, hun eigen sferen van passende activiteit. Zij moeten geschikte stoffen of substanties hebben om in te werken. In feite zijn zij zelf hun eigen huizen! Zij bouwen hun eigen huizen uit een deel van zichzelf, zoals een slak zijn eigen huis bouwt en er niettemin van gescheiden blijft; zij zijn erin, besturen het, maar maken er geen deel van uit, evenals de geest en de ziel van een mens van zijn lichaam gescheiden blijven, er wel in zijn maar toch erboven en feitelijk niet een deel ervan.
     Deze twaalf krachten vertegenwoordigen en zijn dus de twaalf gebieden van het universele zonnestelsel; toch zijn er maar tien gebieden in een hiërarchie. Hoe staat het met de overige twee, het elfde en twaalfde? De oplossing van het raadsel is als volgt. Heel het gemanifesteerde zijn is een continuüm. Dit betekent dat het universele zijn zich oneindig ver in alle richtingen uitstrekt, meer in het bijzonder zeggen wij binnenwaarts en buitenwaarts, zonder onderbreking van de continuïteit, maar toch gegradueerd in ontelbare delen of treden of gebieden of werelden; en dit continuüm valt bij wijze van spreken uiteen in hië rarchieën die zich manifesteren in zeven, tien of twaalf afdelingen of delen. De laagste zeven delen zijn het gemanifesteerde deel van een hië rarchie, dat gedeelte dat lager dan een bepaald gebied van stoffelijkheid is gebouwd, en deze zeven zijn de rûpawerelden of de werelden van vorm; en van deze zeven zijn de drie hogere feitelijk betrekkelijk arûpa of ‘vormloos’ – voor ons, voor onze waarneming, wel te verstaan. De echte arûpa of zogenaamde ‘vormloze’ of goddelijke werelden zijn de drie hoogste boven deze gemanifesteerde zeven, zodat er samen tien werelden of gebieden of graden zijn.
     Iedere hiërarchie heeft natuurlijk haar begin en haar einde, haar zenit en haar nadir, haar top en haar basis, haar hoogste en haar laagste, de eerste en de tiende naar omlaag geteld. Maar wat verbindt deze eerste en deze tiende met de andere hiërarchieën, met de rest van het continuüm? Wat is een hiërarchie? Het is een geïndividualiseerde entiteit. Deze entiteit is op haar beurt samengesteld uit massa’s en menigten kleinere of lagere entiteiten, evenals het lichaam van de mens een entiteit is en toch is samengesteld uit menigten van cellen; en deze cellen zijn ook entiteiten en bestaan op hun beurt uit moleculen en atomen; en de atomen zijn op hun beurt samengestelde dingen; en toch leven zij alle samen en functioneren samen, en elk hiervan behoort tot een hië rarchie binnen andere hiërarchieën, en alle zijn onderling met elkaar verbonden en met elkaar verweven. Maar elk van deze hiërarchieën heeft niettemin haar eigen top of hoogste punt en haar benedenpool, haar hoofd en haar voet, haar begin en haar eind.
     Dat wat een hiërarchie met de rest van het continuüm verbindt, laten we zeggen bij de top of het begin, is een tussenliggend of ‘kritisch’ gebied dat deel heeft aan de aard van zowel de hiërarchie daaronder als de hiërarchie daarboven in het continuüm, waarvan het natuurlijk deel uitmaakt. Met haar voet is ze op een extra of twaalfde gebied, een ander tussenliggend of ‘kritisch’ gebied, verbonden met het hoogste gebied van de hiërarchie die zich eronder bevindt of die erop volgt. Zo hebben we dus een hiërarchie die uit tien, altijd tien, graden of stadia of gebieden of krachten bestaat: zeven gemanifesteerde en drie verborgen of occulte of mystieke – het doet er niet toe welk woord u hier gebruikt; en deze tien beginselen of gebieden, die een hiërarchie vormen, zijn met de hogere werelden en met de lagere werelden verbonden door middel van twee extra of tussenliggende gebieden, één beneden en één boven.
     Laten we nu met ons hoofdonderwerp beginnen bij het punt waar we vorige keer zijn gebleven. Er werd toen een interessante vraag gesteld, namelijk of onze planeetketen de zeven beginselen van de aarde vormen. En het antwoord was: ‘Nee, omdat elk van de zeven bollen een afzonderlijke op zichzelf staande planeet en zelf zevenvoudig is’. Maar de planeetketen vormt een hiërarchie van bollen. Bedenk dat met hiërarchie niet een bepaald iets wordt bedoeld. Het betekent iedere mogelijke verzameling van entiteiten, tien in getal, die een eenheid vormen. U zult zich herinneren hoeveel nadruk we op een vroegere bijeenkomst hebben gelegd op de verschillen tussen het ene, een monade, een eenheid en een vereniging. Dit werd benadrukt, vooruitlopende op vragen bij het bestuderen van onderwerpen zoals dit. Als deze elementaire ideeën ons niet helder voor de geest staan, zal er zeker verwarring ontstaan. Een vereniging is een min of meer losse of vaste verzameling of samenvoeging van verschillende entiteiten. Een eenheid zoals wij dit woord zullen gebruiken, is een vereniging waarbij de banden zo strak zijn, dat zij niet als een samenvoeging functioneert, maar als een enkel wezen, als een individu. Een hiërarchie is een eenheid. Een monade is de wortel van een hiërarchie, een zuiver en blijvend individu, zoals het karakteristieke levenscentrum in een zaad waaruit een boom voortkomt. De boom functioneert als een eenheid, maar als u aan de individuele bladeren en takken en wortels denkt en hem alleen maar ziet als een samenvoeging, is hij slechts een vereniging. Als een entiteit beschouwd, als een hiër archie van lagere levens, kleinere levens, is hij een eenheid; en het geestelijke centrum of zaad waaruit hij voortkomt, zijn inwonende karak teristieke svabhâva, zijn eigen levenszaad, is de monade. En het ene is die uiteindelijke, zuiverste, eenvoudigste vorm van kosmisch zijn die wij goddelijk noemen, en waarvan de oude theologen zongen: Waarin geen schaduw van verandering is, geen manifestatie of verschillen zijn. Het is zuiver zijn, in tegenstelling tot gedifferentieerde substantie. Het is het ene, waarin geen tegenstellingen of contrasten zijn: zuiver zijn, zuivere gelukzaligheid, zuiver bewustzijn – wat de Upanishads sat-chit-ânanda noemen; zijn-bewustzijn-gelukzaligheid.
     Omdat de planeetketen dus een eenheid of een hiërarchie is, functioneert ze als een enkelvoudige entiteit, en is ze een enkelvoudige entiteit; ze vertoont samenhang, omdat ze een eenheid is; ze is tot één ding gevormd. Waarom? Omdat ze is begiftigd met een ziel en een geest, voortgekomen uit en voortgebracht door haar monade. Met andere woorden, haar bewustzijn is monadisch.
     Laten we het volgende fragment lezen uit De Geheime Leer (1:195-6)

     Het is dan ook logisch dat de bollen die onze aarde overschaduwen, op andere en hogere gebieden moeten liggen. Kortom, als bollen HANGEN ZE SAMEN met onze aarde, maar zij hebben niet DEZELFDE SUBSTANTIE als onze aarde en behoren daarom tot een geheel andere bewustzijnstoestand.

     Samenhangend, of tot een geheel verenigd, tot een eenheid gevormd, betekent niet dat de entiteit die zo is verenigd, een enkelvoudig (niet-samengesteld) wezen is in de gewone betekenis; anders zouden haar samenstellende delen niet tot een vereniging zijn samengevoegd. Het betekent dat de verenigde entiteit een eenheid of een hiërarchie is op dezelfde manier als het lichaam van de mens een eenheid en een hiërarchie is, als wij dat lichaam zien als het voertuig waardoor de inwonende monadische ziel van de mens werkt en de menigten kleinere levens, waaruit het lichaam is gevormd, bestuurt en beheerst.
     Nu gaan we de methode of het proces behandelen waardoor onze gemanifesteerde zeven bollen van de planeetketen zich ontwikkelen, of laten we zeggen, worden ‘geboren’. Wanneer de trilling van de binnenkomende levensgolven – die tien klassen omvatten, en afkomstig zijn van de maanbol A, die bestond en nu niet bestaat – na hun lange pra layische rust het nieuwe aardse manvantara inluidt, beginnen die levensgolven zich te differentiëren op het gebied van bol A van de toekomstige aardketen, en om zich heen magnetisch of door gravitatie de menigten levensatomen te verzamelen die tot dat gebied behoren en die in de ruimte zweven, en die tijdens de lange pralayische rust van de hogere beginselen zijn getransmigreerd – in en uit andere wezens op dat bepaalde gebied zijn gemigreerd. En dit is de werkelijke betekenis van de oude leer van de transmigratie: de levensatomen die een mens gedurende zijn leven afwerpt, en waaruit zijn lichaam op ieder moment tijdens zijn leven bestaat en die bij zijn dood worden achtergelaten, terwijl hijzelf in devachan rust, transmigreren overeenkomstig hun eigen aard; zij gaan over in en bezielen de dieren, en de wereld van de planten, de mineralen en de elementalen – de drie elementalenwerelden of -rijken; en hetzelfde geldt voor de levensatomen van zijn tussenliggende beginselen. Maar wanneer die mens terugkeert om te reïncarneren, en door de diverse gebieden omlaag gaat om te incarneren, maakt hij voor zichzelf eerst gewaden van licht die worden gevormd uit zijn vroegere levensatomen die tot de hogere gebieden behoren, dat wil zeggen, hij verzamelt opnieuw dezelfde levensatomen om zich heen, die hij heeft afgelegd en afgeworpen toen hij door die verschillende gebieden op zijn weg ‘omhoog’ ging; en dat doet hij op elk gebied op zijn weg omlaag om te reïncarneren. Als hij deze aarde bereikt, verzamelt hij op dezelfde wijze de levensatomen van dit gebied, niet alleen door de magnetische aantrekking die voor zijn geboorte werkt zonder dat hij zich daarvan bewust is, maar in nog hogere mate na zijn geboorte. En hetzelfde gebeurt met deze planeten, de verschillende bollen van de verschillende planeetketens. Terwijl de levensgolven omlaaggaan door de vier lagere gebieden van de kosmos, verzamelen ze, voor elke bol op zijn beurt, de levensatomen die respectievelijk tot de vroegere maanbollen op de vier lagere gebieden behoorden, en deze levensatomen helpen bij de bouw van de nieuwe ‘fysieke’ bollen of lichamen van de toekomstige nieuwe planeetketen, die door de binnenkomende levensgolven of de zeven beginselen van elk van de bollen van de vroegere maan wordt gevormd, en waarin zij nu in het nieuwe manvantara moeten werken.
     Waaruit bestaat elk van deze bollen van onze planeetketen, of van een andere keten? Hij bestaat uit deze levensatomen, plus de inwonende levenskrachten, de levensgolven; en in feite vormen zij samen de bol, en zijn die bol. Ook de mens bouwt zijn eigen lichaam van binnenuit. Zelfs in de voeding zijn er geheimen die de wetenschappers nog niet hebben opgelost. De mens bouwt zijn eigen lichaam uit zichzelf zoals al vaak is gezegd. Eerst door afscheiding en daarna door uitscheiding vormt hij zijn diverse voertuigen op de verschillende gebieden van zijn wezen. Uit de afscheidingen die uit hemzelf komen wordt zijn lichaam of worden zijn lichamen of voertuigen uitgescheiden. En de bollen van onze keten worden op precies dezelfde manier gebouwd.
     Eerder hebben we een korte beschouwing gewijd aan de drie elementalenrijken in verband met hun werk bij de vorming van bol A van onze keten. Laten we daarop terugkomen. Neem aan dat elementalenrijk nr. 1 zijn werk heeft voltooid op wat we het eerste fundament van bol A kunnen noemen. Die bol is dus begonnen vorm aan te nemen. Hij is voor een zevende (of een tiende) gevormd, gevormd tot zover het eerste elementalenrijk reikt. Dit eerste elementalenrijk is nu door zijn zeven werkperioden van evolutie heengegaan, en gaat dan in verduistering – een van de woorden van Sinnett. Een veel beter woord zou zijn geweest rust of slaap, omdat dit woord verduistering de betekenis eerder duister maakt. Een mens is niet verduisterd als hij slaapt. Dit kan in zekere zin voor het lichaam gelden; maar het is eigenlijk beter om in passender bewoordingen precies te zeggen wat de werkelijke toestand is. Namelijk die van slaap, of latentie – of liever van rust.
     Maar wat gebeurt er dan? Zodra elementalenrijk nr. 1 de rusttoestand ingaat, begint elementalenrijk nr. 2 zijn werk op het fundament, dat door elementalenrijk nr. 1 zojuist hiervoor is gelegd. Intussen gaat het levenssurplus van elementalenrijk nr. 1 over naar bol B, en legt daar het eerste fundament van bol B zoals het dat voor bol A heeft gedaan. Wat bedoelen we met het ‘levenssurplus’, en verder wat wordt er achtergelaten als ßishta of overblijver van elementalenrijk nr. 1, dat nu op bol A in rust is? (Niettemin gaat het actieve leven van de levensgolven, een deel hiervan, verder en vormt het begin van bol B.) Wat is dan het levenssurplus? Het levenssurplus, zoals hier gebruikt, is datgene waarop wij enkele ogenblikken geleden doelden, toen we spraken over het ontvouwen of ontrollen van de elementen die, vóór de manifestatie, in elkaar gewikkeld zijn. Het levenssurplus dat in elementalenrijk nr. 1 op bol A is besloten of gewikkeld, bestaat uit de 42 beginselen van al de zes andere bollen van de gemanifesteerde zeven voor wat het eerste elementalenrijk betreft, die daarin zijn gewikkeld, gehuld, of bij wijze van spreken sluimeren, en nog niet gereed zijn om zich te manifesteren omdat ze niet passen bij of geschikt zijn voor bol A, en waarvan men daarom zegt dat zij slapen, rusten, in de schoot van elementalenrijk nr. 1, maar die het, beter uitgedrukt, overschaduwen en met leven, met de 42 ‘vuren’, bezielen. Naarmate dit levenssurplus zich ontplooit, of ontvouwt, gaan de slapende sferen, slapende krachten of potenties – die in werkelijkheid de overschaduwende 42 vuren zijn – als levenssurplus omlaag naar het gebied daaronder en dit ‘omlaag’ gaan is het gevolg van de gravitatie of aantrekkingskracht van het lagere gebied, zoals die door hun lagere svabhâva of inherente karakteristiek wordt ondergaan. Zodra zij als het ware hun eigen rijk bereiken, beginnen de slapende vuren van de levensgolven die van nature tot dat rijk behoren te ontwaken, beginnen de levensgolven die voor dat gebied geschikt zijn en daar thuishoren te werken, en begint elementalenrijk nr. 1 op bol B zijn levenscyclus.
     Laten we nu teruggaan naar bol A. Wanneer elementalenrijk nr. 2 zijn werk op bol A heeft beëindigd, d.w.z. wanneer het door zijn zeven stamrassen op bol A is heen gegaan, treedt elementalenrijk nr. 3 op, zoals nr. 2 dit na nr. 1 deed. Onmiddellijk daarna wordt door de gravitatie die werkt op nr. 2, nadat dit elementalenrijk nr. 2 op bol A in een rusttoestand is overgegaan, dat levenssurplus in elementalenrijk nr. 2 naar omlaag getrokken naar bol B, waarna nr. 2 op bol B terstond begint te ontwaken en te werken en de levensatomen te verzamelen die op dat gebied bij hem behoren. Op bol A zijn dus de elementalenrijken 1 en 2 in rust, en werkt nr. 3 zijn levenscyclus op bol A af. Wanneer elementalenrijk nr. 1 zijn zevenvoudige cyclus van werk op bol B heeft beëindigd, gaat het op overeenkomstige wijze over naar bol C en begint deze te vormen, terwijl tegelijkertijd nr. 2 zijn werk op bol B begint en nr. 3 zoals gezegd zich op bol A bevindt.
     In dit stadium hebben we dus elementalenrijk nr. 1 dat met zijn werk op bol C begint; elementalenrijk nr. 1 is in verduistering op bol B, waar nr. 2 actief is; de elementalenrijken nrs. 1 en 2 zijn in slaap, en elementalenrijk nr. 3 is actief op bol A. Als de levenscyclus daarvan – van nr. 3 – op bol A is voltooid, komt het vierde of delfstoffenrijk op bol A en doet daar precies hetzelfde wat zijn voorgangers, de elementalenrijken nrs. 1, 2 en 3 deden, d.w.z. het doorloopt zijn zevenvoudige stamras of cyclus op bol A. En zodra dit is beëindigd, gaat het delfstoffenrijk over in de rusttoestand of slaap of verduistering op bol A, en begint het plantenrijk zich daar te vertonen. Intussen, terwijl dat gebeurt, gaat het delfstoffenrijk omlaag naar bol B en volgt dezelfde regel of werking of functie van de natuur als de voorafgaande rijken of levensgolven. Als het plantenrijk op bol A verschijnt, gaat elementalenrijk nr. 3 over naar bol C. Nr. 2 gaat over naar bol D, onze aarde; en nr. 1 gaat dan over naar bol E. Daarna verschijnt op bol A het dierenrijk; en wanneer dit zijn zevenvoudige kringloop heeft doorlopen, gaat het omlaag naar bol B, en tegelijk daarmee doet elk van de vijf voorafgaande rijken of levensgolven een stap voorwaarts naar de volgende bol. Dan komt tenslotte het 7de, het mensenrijk, op bol A. Zodat, wanneer de mens op bol A verschijnt, het eerste elementalenrijk zijn werk op bol G begint – de laatste van de gemanifesteerde zeven. Zo gaan de zeven levensgolven, stap voor stap, het ene rijk of de ene levensgolf na de andere elk op zijn beurt, van bol A naar bol G via alle tussenliggende bollen; maar wanneer het 7de of mensenrijk bol G bereikt, zijn ook de andere rijken respectievelijk hun evolutie daar aan het voltooien; de reden hiervan is de wet van vertraging die remmend werkt op de vooruitgang van de lagere rijken op de opgaande boog, omdat deze lagere rijken meer moeite hebben om door de bollen op de opgaande boog omhoog te klimmen dan de hogere en verder geëvolueerde rijken. De weerstand van de stof houdt ze tegen.
     Dit is de eerste ketenronde. Vanaf de tweede ketenronde verloopt het proces anders, en we moeten dat verschil later in detail bestuderen. Intussen dient het volgende goed te worden begrepen. De reis van de levensgolven door de sferen vertegenwoordigt één onderdeel van de circulaties van de kosmos – de voortgang van de levensentiteiten van sfeer tot sfeer. Bovendien hebben we het meest over bol A gesproken; en als we daarom over delfstoffen en planten en dieren en mensen spreken, bedoelen we niet die dingen zoals wij die nu op aarde kennen, op deze bol D in deze vierde ronde in hun tegenwoordige min of meer geëvolueerde toestand. We spreken over de eerste ronde van en in de eerste planeet, of bol A; en voor ons huidige waarnemingsvermogen zouden die rijken zoals zij toen waren, zelfs op het hoogste punt van hun ontwikkeling op bol A gedurende de eerste ronde, niets anders zijn dan een wazige en onzichtbare en onvolmaakte schets van wat zij in de toekomst zullen worden – d.w.z. zij zouden ons geestelijke entiteiten toeschijnen. En toch waren zij voor hun eigen bol en voor zichzelf, zelfs in die eerste ronde en op die eerste bol A, even fysiek als onze bol nu voor ons is en wij voor elkaar zijn.
     U zult zich herinneren, dat we de vorige keer de vraag behandelden: Wat is de bewijsgrond waarop onze esoterische leringen rusten? Waar komen zij vandaan en hoe oud zijn ze? Laten we het eerste deel van deze vraag nemen: ‘Wat is de bewijsgrond?’ Het antwoord hierop is eenvoudig. De bewijsgrond ligt in de werkingen en functies van de universele natuur, zoals we herhaaldelijk hebben gezegd. Met natuur bedoelen we niet alleen de stoffelijke natuur, maar al wat is, innerlijk en uiterlijk, hoog en laag – alles; want dat is waarheid, dat is de werkelijkheid van het zijn. Dat is de bewijsgrond. Hoe krijgen we begrip en kennis van deze zaken en feiten van de universele natuur? Wat het begrijpen betreft, het bewijs berust op dezelfde factoren als bij feiten of waarheden van de natuur, en wordt mede geleverd door een beroep te doen op de intelligentie en het gezond verstand.
     ‘Wetenschap’ is in onze tijd een woord om bij te zweren. Noem iets wetenschappelijk en de mensen slikken het veelal zonder een zorgvuldige analyse te verlangen. Het maakt voor de meeste mensen niet veel uit of de wetenschappelijke bewering per se waar is of niet. Hij verifieert haar zelden. Vandaag is het misschien een ‘wetenschappelijk feit’; en morgen wordt het vervangen door een ander ‘wetenschappelijk feit’. Ik durf te beweren dat er in de wereld geen mensen zijn die meer oprechte eerbied voor ware wetenschap hebben, namelijk voor geclassificeerde en gecoördineerde kennis, dan wij; maar voor de theorieën en hypothesen van wetenschappelijke onderzoekers gaat onze eerbied niet verder dan de intrinsieke waarde van deze hypothesen. De dag waarop de wetenschap bij monde van haar vertegenwoordigers begint te dogmatiseren, wordt zij niets meer dan een merkwaardig soort kerk. Mij is niets bekend dat het dogmatisme op snellere, gemakkelijker en natuurlijker wijze doodt dan deze studie van de oude wijsheid; want zodra we één ding hebben begrepen en denken dat we een uiteindelijke waarheid te pakken hebben, leren we door de groei van onze vermogens en onze kennis de zeer heilzame les, dat het nog maar een kinderlijke inleiding is tot een nog verhevener waarheid. We leren die les heel snel; en als we ook maar enige neiging zouden hebben om te dogmatiseren of mentale afgoden – welke dan ook – te aanbidden, dan wordt bij verdere studie die neiging in ons heel snel tenietgedaan.
     Waar het ons om gaat is dit: vraag een wetenschapper naar het bewijs van een van de gevestigde theorieën van zijn wetenschap; of nog sterker, vraag naar het bewijs van een van de meer verborgen zaken in de natuur, en hij zal u vermoedelijk zeggen: ‘Als u bij mij komt, na een behoorlijke studie te hebben gemaakt, als uw verstand is geoefend en u weet waarover u vragen stelt, dan kan ik u beter helpen, want dan zult u kunnen begrijpen wat ik te zeggen heb.’ En de man zou volstrekt gelijk hebben met het geven van zo’n antwoord, dat geheel in overeenstemming is met wat onze leraren zeggen. In dat antwoord ligt de basis voor het bewijs besloten. Wanneer de vraagsteller of aspirant bereid is zich te trainen en te studeren, niet alleen te lezen, maar om aan het onderwerp voldoende aandacht en studie te wijden – mentale studie en mentale en morele discipline, die ook de fysieke zorg voor het lichaam omvat en daarbij bovenal een diepe geestelijke aspiratie aan de dag legt – wanneer hij zich op die manier werkelijk heeft getraind omdat ‘discipline aan de mysteriën voorafgaat’; wanneer zijn natuur zich zo heeft opengesteld en geoefend, wat in beginsel precies hetzelfde is als wat de wetenschapper de belangstellende zegt, dan zal hij weten, want zoals de meesters ons zeggen: ‘Leef het leven en u zult de leer kennen, omdat u dan op natuurlijke wijze kennis zal verkrijgen’. En, terloops opgemerkt, met het leven leven wordt niet op een enkel ding gedoeld, niet alleen op ethisch handelen op seksueel gebied, hoe belangrijk dat ook is; het betekent in wezen veel meer. Het betekent de volledige oefening van de innerlijke mens om waar, goed en rein te zijn en naar het hogere te streven; anders gezegd, het goede ouderwetse woord rechtschapenheid, juist handelen omdat men juist denkt; omdat die oefening de innerlijke deuren wijd openstelt voor het licht. De man – en natuurlijk ook de vrouw – die afgunst of jaloezie of haat of zelfzuchtige eerzucht koestert die zijn of haar ziel aantast, of die in zijn hart voedsel geeft aan wraakzucht of welke andere bewoner of bewoners van de innerlijke helse regionen, deze kwelduivels van de innerlijke mens, is volkomen ongeschikt om de leer te begrijpen; en wel om een heel eenvoudige reden. Zijn intellect is beneveld en bewolkt. Zijn psychische natuur is verdicht en grof geworden. Zijn innerlijke natuur is afgesneden van haar geestelijke zon en haar inspiratie; en zelfs zijn brein wordt ondoorschijnend voor de miljoenen stralen van de hogere natuur.
     Dit zijn oude gedachten; wij allen kennen ze; we hebben ze keer op keer gelezen. Maar laten we dit beeld met ons meedragen: evenals de wetenschapper tegen zijn vraagsteller zegt: Wanneer u heeft gestudeerd en voorbereid bent, kom dan bij me en we zullen met een onderzoek beginnen, want dan kunt u mij begrijpen, zo zeggen onze leraren ons: Wanneer u geoefend en gereed bent, wanneer u bent voorbereid en getraind, kom dan bij ons en we zullen de geheimen van de natuur onderzoeken, en u zult bewijzen uit de eerste hand krijgen; omdat uzelf, uw innerlijke natuur niet alleen zo is bezield dat u op natuurlijke en intuïtieve wijze kennis zal verkrijgen, maar door de methoden van training van de oude wijsheid en van de oude scholen zal uw ziel of liever uw geest-ziel in het hart van het zijn, van de universele natuur, worden gezonden, en u zult voor uzelf eerstehands kennis opdoen – kennis die altijd onveranderd blijft bestaan!
     Dit antwoord belichaamt eenvoudig feiten die wij allen kennen. Onze leringen zijn erop gebaseerd, of beter gezegd, zijn de systematische uitdrukking, de geformuleerde uitdrukking van de fundamentele werkingen of functies van de natuur, van de universele natuur. De bewijsvoering of het leveren van bewijzen neemt precies dezelfde vorm aan en berust op precies dezelfde gronden als het betoog of het bewijs van een feit in de natuurwetenschap. Voldoe aan de voorwaarden en u zult kennis krijgen, zegt de een; en de ander zegt hetzelfde.
     Nu iets over de bron ervan. Deze leringen werden door het eerste bewuste mensenras op onze bol in deze ronde ontvangen van halfgoddelijke wezens die ze uit een voorafgaand manvantara overbrachten; en deze halfgoddelijke wezens waren ooit mensen zoals wij nu zijn. Deze wezens of onthullers zijn wat wij op onze beurt zullen worden wanneer het zevenvoudige manvantara van onze planeetketen zijn cyclus zal hebben beëindigd; en dan zullen wij op de toekomstige planeetketen, het kind en kroost van deze keten, de leraren en onderrichters worden van die enorm grote menigten van minder vergevorderde entiteiten die nu op deze keten na ons komen.
     Deze vorm van onderricht werd aan het oorspronkelijke denkende mensenras eerst door middel van rechtstreekse mededeling gegeven; daarna, naarmate de tijd verstreek, en de mensenrassen dieper in de stof verzonken, waren er bepaalde leiders van het volk, priesterkoningen van de zogenaamde goddelijke dynastieën, en dat feit is de oorsprong van wat nu slechts een legende is geworden, het zogenaamde goddelijke recht van koningen, wat toen een werkelijkheid was. Er waren toen echte priesterkoningen, leiders van mensen; met andere woorden geestelijke zielen die bewust onder de mensen werkten. Daarna, nog later, toen de rassen nog dieper in de stof zonken, werden deze priesterkoningen, deze verheven en edele wezens, deze genieën van het zuiverste water en in alle opzichten geestelijke lichtbrengers, vervangen door priestercolleges, bewaarders van de oorspronkelijke openbaring; en toen werden de mysteriën in het leven geroepen waarvoor uit de massa van het volk bepaalde mensen werden gekozen om te worden ingewijd en geestelijk en verstandelijk te worden getraind, in een tijdperk dat nog meer door de stof werd beheerst.
     Dit laatste gebeurde omstreeks het midden van het vierde wortelras, het ras dat aan het onze voorafging; en dit stelsel van de mysteriën heeft zelfs tot in onze tijd standgehouden.
     Maar er is nog een feit dat heel moeilijk is te verklaren, maar waarop we althans kort moeten ingaan om ons overzicht compleet te maken; en dat is dat vanaf het eerste begin van onze ronde op deze aarde, vanaf het begin van het eerste ras, een ras van lege en mentaal onbewuste ‘omhulsels’ – in de zin waarin de dieren ‘omhulsels’ zijn, omdat zij niet door het innerlijke licht van het intellect, de innerlijke stralen, de mânasaputra’s zijn verlicht – vanaf het eerste begin van het leven van het mensenras op deze aarde in deze ronde waren er bepaalde entiteiten van een veel hogere graad dan de mens zelfs na vele, vele eonen zal worden, naar de aarde gekomen en hadden over de evolutie van het eerste en tweede en het vroege derde ras gewaakt en hadden deze geleid. Gedurende het derde stamras schiepen zij door de kracht van wil en yoga, door kriyâßakti, een mystiek lichaam van hoge adepten en zieners, een lichaam dat uiterst geheim en verborgen is; en dit lichaam functioneert en werkt tot zelfs in onze tijd, en dat is wat wij tegenwoordig de loge van de meesters noemen, die er nu de vertegenwoordiger van is voor de mensen op aarde. Deze wezens die door wil en yoga, door kriyâßakti, ‘werden geschapen’, hielden van eeuw tot eeuw gedurende de eonen die het ene na het andere naar de achtergrond van het verleden verschoven de mystieke kennis, de wijsheid van de goden, in stand en gaven die kennis aan hun opvolgers door, totdat deze onze tijd bereikte.
     Laten we hiervan afstappen en onze aandacht richten op de derde vraag. Hoe oud is de esoterische wijsheid? We hebben die vraag in de voorgaande opmerkingen al beantwoord, maar we zouden eraan kunnen toevoegen, dat haar ouderdom per se niet is te berekenen – zij is beter gezegd tijdeloos. Kunt u mij misschien zeggen hoe oud de functies en werkingen van de universele natuur zijn? Zeg het, en ik zal u zeggen hoe oud de oude wijsheid is! Zij is tijdeloos. Deze wijsheid van de universele natuur, de werkelijkheid van het zijn, is dezelfde voor een bewoner van een planeet die om Sirius wentelt of een andere grote of kleine ster, als voor ons. Het is die wijsheid die in onze tijd terecht theosofie wordt genoemd, godwijsheid, de wijsheid van de goden – die wijsheid, zouden we kunnen zeggen, die zijzelf bestuderen.
     Er was nog een vraag, die per brief werd gesteld, en die doelt op wat kennelijk een misverstand is ten aanzien van de planeet Mars. Deze vraagsteller schijnt geen juist begrip te hebben van, of enigszins in verwarring te zijn gebracht door, het feit dat de planeet Mars tot een van de planeten werd gerekend die toezicht houden op de bollen op de opgaande boog van ons stelsel; met andere woorden, de zesde bol van de gemanifesteerde zeven van onze keten, en bovendien toezicht houdt op een van de bollen van de verborgen vijf; en zij vraagt: ‘Hoe kan dat, als Mars het begeertebeginsel of kâma vertegenwoordigt?’ Laat ik er in de eerste plaats op wijzen, dat wij niet doelen op de stoffelijke planeet Mars. Wij doelen op de hiërarchie Mars wanneer we zeggen, dat zij de wachter of bestuurder van twee van onze twaalf bollen is.
     Daar komt bij dat als deze planeet het beginsel kâma of begeerte vertegenwoordigt, men moet bedenken dat Mars ook een zevenvoud is; dat zij haar eigen zeven, tien of twaalf bollen heeft, en dat deze bollen goddelijk en geestelijk en psychisch zijn, en één stoffelijk is zoals onze bol aarde. Begeerte is tweevoudig. Er is een goddelijke begeerte en een slechte begeerte. Wat is bijvoorbeeld aspiratie? Het is duidelijk dat de bollen in de keten van Mars corresponderen met de bollen in onze keten die onder haar invloed staan, en zij oefent op de bollen van die twee gebieden een overeenkomstige, edele invloed uit.
     Vanwaar komt de impuls in de menselijke natuur die hem vurig doet verlangen het goede te doen? Denk aan de oude Griekse kosmogonische mythe dat de eerste godheid die zich in de schoot van Chaos roerde, Eros was, goddelijke begeerte. Alles heeft zijn tegenpool, zo ook begeerte.
     En deze vraagsteller informeert voorts naar Mars, Mercurius en de ‘vier andere planeten’, waarbij zij H.P. Blavatsky citeert, ‘die in een betrekking tot de Aarde staan, waarover geen meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder de aard ervan zal verklaren’. Maar ik zou misschien dit kunnen zeggen, dat dit speciale zevental een bijzondere groep voorstelt, die tot taak heeft te werken aan de bouw van een andere planeetketen.
     Er is nog een vraag en die gaat over de volledige innerlijke constitutie van de mens: of deze ook twaalfvoudig is, evenals de volledige constitutie van de planeetketen. We hebben gezegd dat de mens zeven gemanifesteerde beginselen heeft, die van hem een volledig mens maken. Hij heeft ook drie hogere beginselen die, wanneer ze in hem gemanifesteerd worden, een goddelijk wezen van hem maken, een dhyân-chohan. Bij dit alles komt nog, dat hij ook nog twee ‘schakels’ heeft. Ik heb vermeden hierover als ‘beginselen’ te spreken, om geen verwarring te scheppen. Maar hij heeft nog twee schakels – één in zijn hogere natuur, en één onder hem – en overeenkomstig zijn bestemming, zal hij langs de ene of de andere reizen. Nu kunt u deze twee extra schakels beginselen noemen, zo u wilt. Ik denk niet dat ze zo moeten worden genoemd, omdat de mens een zelfbewuste hiërarchie is. Zijn volledige natuur is een tienvoud, of bestaat uit tien fundamentele beginselen; en feitelijk is hij door deze hogere schakel in het goddelijke geworteld. Hij is zover boven hem, dat het mij als een ontheiligende gedachte of godslastering in de oren klinkt om hem een van de menselijke beginselen te noemen.
     Aan de andere kant heeft hij in het nadir van zijn wezen, onder hem, de andere schakel, of de twaalfde, zo u wilt, naar beneden geteld. Deze andere schakel, dit andere lichaam of gebied van stof of kracht, of beide, of kracht-stof of energie-substantie, waarlangs hij, als dat zijn verschrikkelijke lot is, misschien moet reizen, is zijn schakel met de absolute stof, en is het tegengestelde van zijn goddelijke wortel.
     Vervolgens rijst de vraag: Kan men deze twee schakels beginselen noemen of niet? Ik kan alleen zeggen, dat als men ze beginselen noemt, dan corresponderen de twaalf beginselen van de mens in algemene zin met elk van de twaalf bollen van onze keten. Maar anderszins kunnen we zeggen, dat de eerste (of de laatste) van deze twaalf bollen de schakel van de mens met het goddelijke symboliseert; en onze aardbol, de laagste in het diagram op pag. 566, die de kopie in de grove stof van de hoogste bol is, is zijn schakel omlaag naar de absolute stof.
     U herinnert zich wat H.P. Blavatsky in een van haar prachtige boeken, De Stem van de Stilte, zegt, waar zij het over de ‘mensen van Myalba’ heeft. Myalba is onze aarde, en wordt ook wel een hel genoemd. Zo wordt ze gezien in de esoterische wijsheid; en we hebben er eerder op gewezen, en zeggen het nu weer tot besluit van dit antwoord, dat van deze hellen sommige worden beschreven als bijzonder plezierig en aangenaam voor wezens die ze bewonen; maar voor wezens die op de hogere bollen boven hen leven, zouden ze afschuwelijk zijn. De beschrijving van een bol als een hel moet op de juiste manier worden opgevat, wil men dit werkelijk diepzinnige feit begrijpen. ‘Hel’ betekent de beperkingen en het lijden die onvermijdelijk zijn voor geestelijke entiteiten, die door een bol van grove stof zoals onze aardbol heengaan.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 562-80

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag