HOOFDSTUK 45
FYSIOLOGIE,
PSYCHOLOGIE EN PNEUMATOLOGIE VAN HET HEELAL. TIEN EN TWAALF GEBIEDEN
VAN HET UNIVERSELE ZONNESTELSEL: TUSSENLIGGENDE KRITISCHE GEBIEDEN.
HEEL HET GEMANIFESTEERDE ZIJN EEN CONTINUÜM VAN ONDERLING VERBONDEN,
ONDERLING VERWEVEN HIËRARCHIEËN VAN ALLERLEI NIVEAUS: ELK
MET HAAR EIGEN BEGIN EN EINDE. SISHTA’S EN HET LEVENSSURPLUS.
|
‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn
brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen
uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de
golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader.
. . . De planeten vormen zijn ledematen en geven zijn ritme aan.
. . .’ (Toelichting.) . . .
Tijdens het manvantarische tijdperk of
leven van de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door
ons stelsel, waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in
het menselijke lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer
even ritmisch samen als het menselijke hart. Maar in plaats van
de omloop in een paar seconden te volbrengen, heeft het zonnebloed
daarvoor tien zonnejaren nodig en een heel jaar om door zijn
boezems en kamers te stromen, voordat het door de
longen spoelt en dan doorgaat naar de grote aderen en slagaderen
van het stelsel.
. . . Het heelal (in dit geval onze wereld)
ademt, evenals de mens en ieder levend wezen, iedere plant en zelfs
de mineralen op aarde doen, en zoals onze aardbol zelf iedere vierentwintig
uur ademt. . . .
. . . De Ruimte is de werkelijke wereld,
terwijl onze wereld kunstmatig is. Zij is in haar hele oneindigheid
de Ene Eenheid: zowel in haar bodemloze diepten als aan haar bedrieglijke
oppervlakte; een oppervlakte bezaaid met talloze waarneembare Heelallen,
stelsels en werelden als luchtspiegelingen. Voor de oosterse occultist,
die eigenlijk een objectief idealist is, bestaat er in de werkelijke
wereld – die een eenheid van krachten is – niettemin een ‘samenhang
van alle materie in het plenum’, zoals Leibnitz het zou zeggen.
Dit wordt symbolisch weergegeven in de driehoek van Pythagoras. |
|
De Geheime Leer, 1:596-7, 682
|
|
Intelligenties hebben
geen begin,
De Sfeer heeft een actieve ziel.
De hemelen kennen scheur noch naad.
|
– De Desâtîr, ‘Het Boek van Shet Sasan de Eerste’,
verzen 16, 17, 20 (naar vert. Mulla Firuz Bin Kaus)
|
|
De traag bewegende sterren
zijn vele, en elk heeft een intelligentie, een ziel en een lichaam.
En op dezelfde manier heeft iedere afzonderlijke
afdeling van de hemelen en planeten haar intelligenties en zielen.
|
|
– Op. cit., ‘Het Boek van de Profeet, de Grote
Abad’,
verzen 23, 24
|
De fysiologie van het heelal, die wij op de voorgaande
bijeenkomsten hebben bestudeerd, moet worden begrepen in haar relatie
tot de psychologie van het heelal; en tegelijk moeten we bedenken dat
achter het psychologische aspect van het kosmische leven de pneumatologie
van het heelal staat; deze doen op hun respectieve terreinen de drie
essentiële voertuigen ontstaan, waardoor en waarin, waaruit en waarheen
het universele leven werkt en stroomt en is – deze drie zijn dus de
oorsprong van, en stemmen daarom in de mens overeen met, zijn lichaam,
ziel en geest. De fysiologie van het heelal omvat de totaliteit van
alle een lichaam of voertuig bezittende entiteiten ervan; de psychologie
van het heelal omvat de diverse hiërarchieën van geestelijke wezens,
die in die menigten van lichamen werken; en de pneumatologie van het
heelal omvat al die goddelijke wezens die achter de tussenliggende groepen
staan, en deze besturen en inspireren. De leringen over deze derde en
laatste afdeling zijn, zoals wij allen weten, uiterst moeilijk, en tot
nu toe hebben we slechts gelegenheid gehad erop te zinspelen. Tot dusver
is onze studie slechts een poging geweest om iets van de psychologie
en van de fysiologie van de ruimten van de kosmos te begrijpen.
Een van de functies of werkingen van de universele
natuur – en misschien één van de gewichtigste – wordt aangeduid door
ons woord evolutie; en we gebruiken het in strikt etymologische zin
in de betekenis van het ontvouwen of het ontrollen, of
het uitrollen van wat in het oorspronkelijke zaad of de oorspronkelijke
wortel is samengebald. We gebruiken het woord evolutie niet zoals dat
woord in de moderne biologie verkeerd wordt gebruikt. In feite onderwijzen
de biologen geen evolutie; zij onderwijzen wat de Fransen terecht
transformisme noemen; en het verschil in betekenis tussen deze twee
is enorm groot. Omdat wij op een later tijdstip dat onderwerp meer in
bijzonderheden* zullen behandelen, willen we nu alleen de aandacht vestigen
op dit grote verschil in betekenis, om het misverstand te voorkomen
dat wij de woorden evolutie of ontwikkeling, zoals die in het occultisme
worden gebruikt, in dezelfde zin zouden gebruiken als de moderne biologen.
Volstrekt niet. Wij gebruiken het woord evolutie in de strikt etymologische
betekenis – het ontvouwen, het ontrollen, het naar buiten komen van
de krachten, die als gevolg van vroeger karma latent aanwezig zijn in
het zaad van een wezen of een entiteit, die een cyclus van actief bestaan
begint.
Dit grootse beginsel wordt voor het geval van
de kosmische evolutie goed geïllustreerd door wat de oude stoïcijnen
leerden over de ontwikkeling of de evolutie, het uitrollen van de vier
(of vijf) elementen van de Ouden, zoals de elementen in hun tijd werden
opgevat. Zij leerden, zoals we eerder hebben aangetoond, dat het vijfde
element, de vijfde essentie of kwintessens, æther genoemd – wat ons
âkâsa is – de zaden van de lagere vier elementen in zijn
schoot bevatte vóór de manifestatie of evolutie daarvan; en dat, toen
de tijd om te evolueren voor deze vier aanbrak, toen de godheid, Zeus,
de werelden na een periode van rust opnieuw tot manifestatie wilde brengen,
als eerste het element vuur verscheen, dat zich uit de æther (of âkâsa)
ontrolde, daaruit evolueerde, of daaruit ontplooide. Niet het vuur zoals
wij dit opvatten, maar als het ware het zaad van het vuur, de geest
van het vuur, die primaire en elementale kosmische kracht waarvan het
vuur op ons gebied, dit lage gebied, een zwakke manifestatie is. Toen
het vuur zijn cyclische baan van evolutie had doorlopen, kwam daarna
en op dezelfde manier als dit was voortgekomen uit de schoot van æther
of âkâsa, lucht tevoorschijn uit vuur, het ontrolde zich
uit de schoot van het vuur, dat dit element lucht in zich bevatte; het
bevatte niet alleen zijn eigen vuur-svabhâva of -karakteristiek
of -kwaliteit, zoals wij in het oosterse denken zeggen, maar ook
het karakteristiek van zijn eigen ouder æther, âkâsa. Daarna
ontrolde zich uit lucht het volgende element, water, het ontplooide
of ontwikkelde zich daaruit. Niet ons water, wat absurd is, maar wat
we het zaad van het water zouden kunnen noemen, de geest van het water,
dat wat op ons gebied door water of vloeibaarheid wordt vertegenwoordigd;
en het bewaarde in zijn schoot iets van de kwaliteit of karakteristiek
van lucht, zijn ouder; en van vuur, zijn grootouder; en ook van æther
of âkâsa. Het bevatte ook de krachten, de mogelijkheden
en de vermogens van zijn voorgangers, maar in water natuurlijk zwakker
dan in hun eigen respectieve rijken; de kwaliteiten en krachten van
elk voorafgaande element worden zwakker naarmate de evolutie vordert,
d.w.z. meer en meer in de ‘stof’ afdaalt. Daarna volgt het zaad van
het element aarde dat zich uit water ontwikkelt, of tevoorschijn komt
uit de schoot daarvan. Toen het keerpunt van de cyclus werd bereikt,
toen de evolutie van deze elementen, het opbouwen van de bollen enz.,
tot een einde was gekomen, en Zeus ze alle in zijn schoot wilde terugroepen,
begon het omgekeerde proces, en nam water zijn kind, het element aarde,
weer tot zich. Aarde begon vloeibaar te worden om weer in het element
water over te gaan. Daarna begon het element water op zijn beurt, op
de aangewezen tijd, zijn deeltjes in lucht om te zetten en over te gaan
in, of te worden opgenomen in, de schoot van zijn ouder, het element
lucht. Toen begon lucht op haar beurt als vuur te worden en in de schoot
van haar ouder, vuur, over te gaan. Daarna werd tenslotte vuur weer
æther en keerde terug in de schoot van de vijfde essentie of æther,
zijn ouder, en eindigde de cyclus van de kosmische evolutie voor een
nieuwe rust periode.
We breiden deze vijf elementen nu verder uit
tot tenminste zeven. Maar inherent in de kosmos is het beginsel van
ontwikkeling dat wij weergeven door het woord evolutie te gebruiken
zoals hierboven is geschetst: het uitgaan van de adem, de uitademing
van Brahmâ, zoals de oude Indische denkers zeiden. Als het werk
was gedaan, volgde daarop de inademing, de intrekking, de involutie
van Brahmâ. Precies hetzelfde beeld, dat wij zojuist uit de stoïcijnse
filosofie hebben gegeven, zult u in de oude hindoeliteratuur aantreffen,
in de Upanishads, en meer in het bijzonder in de Purâ.na’s.
Evenzo, op dezelfde manier, behoudens veranderingen
die uit de omstandigheden en de entiteiten voortvloeien, worden de bollen
van onze planeetketen ontwikkeld. Bol A doorloopt zijn levenscyclus,
en ontwikkelt dan bol B, die op zijn beurt zijn levenscyclus doorloopt
en bol C ontwikkelt, die zijn levenscyclus doorloopt en bol D ontwikkelt,
of onze aardbol. Bol D doorloopt zijn levenscyclus en ontwikkelt bol
E; en dan wordt bol F en dan bol G, de laatste van de gemanifesteerde
zeven, op dezelfde wijze ontwikkeld. Deze bolevoluties vormen het onderwerp
dat we nu bestuderen.
De vragen die gesteld zijn, zijn voor de spreker
buitengewoon nuttig geweest. Ze hebben hem bijvoorbeeld laten zien,
dat er niet genoeg is gezegd over de gebieden van de kosmos en de beginselen
van de kosmos, en over de verschillende manieren en krachten waardoor
deze twaalf bollen van onze planeetketen onderling met elkaar zijn verbonden.
Laten we hiervan dan een beeld geven in de volgende figuur: 
Dit zijn de zeven kosmische gebieden die door
rechte lijnen worden voorgesteld, en daarboven is een driehoek geplaatst
die de drie pneumatologische of goddelijke of superspirituele gebieden
moet voorstellen, waarover we nu niet hoeven te spreken omdat, zelfs
al zou hierover iets worden gezegd, het zeer te betwijfelen is of het
voor ons op het ogenblik van nut zou zijn. De leringen daarover zijn
te abstract. Onder de driehoek volgen de drie hogere gebieden van de
kosmische gemanifesteerde zeven, die de vijf verborgen bollen van onze
planeetketen bevatten; daaronder volgen dan de vier lagere gebieden
van de kosmische gemanifesteerde zeven van de kosmos, die onze gemanifesteerde
zeven bollen bevatten, of wat H.P. Blavatsky in De Geheime Leer
gewoonlijk de planeetketen van de aarde noemde. We hebben ze evenals
op vorige bijeenkomsten genummerd: A, B, C, D, E, F en G. Bovendien
is elk van deze zeven kosmische gemanifesteerde gebieden of werelden
zelf een zevenvoud, d.w.z. verdeeld in zeven subgebieden of werelden.
Dit is een belangrijk onderwerp dat later zal worden besproken.
U zult hebben gezien dat deze twaalf bollen
zich op zeven gebieden bevinden. Voorts ziet u dat in de figuur slechts
zeven gemanifesteerde kosmische gebieden en een driehoek die drie goddelijke
gebieden ver tegenwoordigt, worden weergegeven, bij elkaar dus tien
gebieden. Waar om laten we hier geen twaalf kosmische gebieden of werelden
zien? We hebben de figuur op deze manier getekend om, doordat er duidelijk
iets ontbreekt, de aandacht te vestigen op een feit en er de nadruk
op te leggen. U herinnert zich misschien dat de Latijnse dichter Martianus
Capella over de zon sprak ‘van wie het heilige hoofd is omcirkeld door
tweemaal zes stralen’. Deze tweemaal zes stralen om het hoofd van de
zonnegod stellen de tweemaal zes krachten of de tweemaal zes bollen
in de geestelijke zon voor. Onze zichtbare fysieke zon is slechts het
lichaam van de zon. Er zijn zeven gemanifesteerde zonnen; in werkelijkheid
zijn het er tien en twee polaire ‘schakels’. We zien slechts één zon,
de laagste, en die zon bevindt zich niettemin op ons hoogste
stoffelijke gebied; maar zoals men wel eens zegt ‘dat is weer een ander
verhaal’!
Deze twaalf krachten van de zon vertegenwoordigen
en zijn de twaalf krachten van de logos, die de gemanifesteerde zonnegod
is; en natuurlijk moeten zij, omdat het twaalf krachten zijn, hun eigen
thuis hebben om in te wonen, hun eigen sferen van passende activiteit.
Zij moeten geschikte stoffen of substanties hebben om in te werken.
In feite zijn zij zelf hun eigen huizen! Zij bouwen hun eigen
huizen uit een deel van zichzelf, zoals een slak zijn eigen huis bouwt
en er niettemin van gescheiden blijft; zij zijn erin, besturen het,
maar maken er geen deel van uit, evenals de geest en de ziel van een
mens van zijn lichaam gescheiden blijven, er wel in zijn maar toch erboven
en feitelijk niet een deel ervan.
Deze twaalf krachten vertegenwoordigen en zijn
dus de twaalf gebieden van het universele zonnestelsel; toch zijn er
maar tien gebieden in een hiërarchie. Hoe staat het met de overige twee,
het elfde en twaalfde? De oplossing van het raadsel is als volgt. Heel
het gemanifesteerde zijn is een continuüm. Dit betekent dat het universele
zijn zich oneindig ver in alle richtingen uitstrekt, meer in het bijzonder
zeggen wij binnenwaarts en buitenwaarts, zonder onderbreking van de
continuïteit, maar toch gegradueerd in ontelbare delen of treden of
gebieden of werelden; en dit continuüm valt bij wijze van spreken uiteen
in hië rarchieën die zich manifesteren in zeven, tien of twaalf afdelingen
of delen. De laagste zeven delen zijn het gemanifesteerde deel
van een hië rarchie, dat gedeelte dat lager dan een bepaald gebied van
stoffelijkheid is gebouwd, en deze zeven zijn de rûpawerelden of de
werelden van vorm; en van deze zeven zijn de drie hogere feitelijk
betrekkelijk arûpa of ‘vormloos’ – voor ons, voor onze
waarneming, wel te verstaan. De echte arûpa of zogenaamde ‘vormloze’
of goddelijke werelden zijn de drie hoogste boven deze gemanifesteerde
zeven, zodat er samen tien werelden of gebieden of graden zijn.
Iedere hiërarchie heeft natuurlijk haar begin
en haar einde, haar zenit en haar nadir, haar top en haar basis, haar
hoogste en haar laagste, de eerste en de tiende naar omlaag geteld.
Maar wat verbindt deze eerste en deze tiende met de andere hiërarchieën,
met de rest van het continuüm? Wat is een hiërarchie? Het is een geïndividualiseerde
entiteit. Deze entiteit is op haar beurt samengesteld uit massa’s en
menigten kleinere of lagere entiteiten, evenals het lichaam van de mens
een entiteit is en toch is samengesteld uit menigten van cellen; en
deze cellen zijn ook entiteiten en bestaan op hun beurt uit moleculen
en atomen; en de atomen zijn op hun beurt samengestelde dingen; en toch
leven zij alle samen en functioneren samen, en elk hiervan behoort tot
een hië rarchie binnen andere hiërarchieën, en alle zijn onderling met
elkaar verbonden en met elkaar verweven. Maar elk van deze hiërarchieën
heeft niettemin haar eigen top of hoogste punt en haar benedenpool,
haar hoofd en haar voet, haar begin en haar eind.
Dat wat een hiërarchie met de rest van het
continuüm verbindt, laten we zeggen bij de top of het begin, is een
tussenliggend of ‘kritisch’ gebied dat deel heeft aan de aard van zowel
de hiërarchie daaronder als de hiërarchie daarboven in het continuüm,
waarvan het natuurlijk deel uitmaakt. Met haar voet is ze op een extra
of twaalfde gebied, een ander tussenliggend of ‘kritisch’ gebied, verbonden
met het hoogste gebied van de hiërarchie die zich eronder bevindt of
die erop volgt. Zo hebben we dus een hiërarchie die uit tien, altijd
tien, graden of stadia of gebieden of krachten bestaat: zeven gemanifesteerde
en drie verborgen of occulte of mystieke – het doet er niet toe welk
woord u hier gebruikt; en deze tien beginselen of gebieden, die een
hiërarchie vormen, zijn met de hogere werelden en met de lagere werelden
verbonden door middel van twee extra of tussenliggende gebieden, één
beneden en één boven.
Laten we nu met ons hoofdonderwerp beginnen
bij het punt waar we vorige keer zijn gebleven. Er werd toen een interessante
vraag gesteld, namelijk of onze planeetketen de zeven beginselen van
de aarde vormen. En het antwoord was: ‘Nee, omdat elk van de zeven bollen
een afzonderlijke op zichzelf staande planeet en zelf zevenvoudig is’.
Maar de planeetketen vormt een hiërarchie van bollen. Bedenk dat met
hiërarchie niet een bepaald iets wordt bedoeld. Het betekent iedere
mogelijke verzameling van entiteiten, tien in getal, die een eenheid
vormen. U zult zich herinneren hoeveel nadruk we op een vroegere
bijeenkomst hebben gelegd op de verschillen tussen het ene, een
monade, een eenheid en een vereniging. Dit werd benadrukt,
vooruitlopende op vragen bij het bestuderen van onderwerpen zoals dit.
Als deze elementaire ideeën ons niet helder voor de geest staan, zal
er zeker verwarring ontstaan. Een vereniging is een min of meer
losse of vaste verzameling of samenvoeging van verschillende entiteiten.
Een eenheid zoals wij dit woord zullen gebruiken, is een vereniging
waarbij de banden zo strak zijn, dat zij niet als een samenvoeging functioneert,
maar als een enkel wezen, als een individu. Een hiërarchie is een
eenheid. Een monade is de wortel van een hiërarchie, een
zuiver en blijvend individu, zoals het karakteristieke levenscentrum
in een zaad waaruit een boom voortkomt. De boom functioneert als een
eenheid, maar als u aan de individuele bladeren en takken en wortels
denkt en hem alleen maar ziet als een samenvoeging, is hij slechts een
vereniging. Als een entiteit beschouwd, als een hiër archie van
lagere levens, kleinere levens, is hij een eenheid; en het geestelijke
centrum of zaad waaruit hij voortkomt, zijn inwonende karak teristieke
svabhâva, zijn eigen levenszaad, is de monade. En het
ene is die uiteindelijke, zuiverste, eenvoudigste vorm van kosmisch
zijn die wij goddelijk noemen, en waarvan de oude theologen zongen:
Waarin geen schaduw van verandering is, geen manifestatie of verschillen
zijn. Het is zuiver zijn, in tegenstelling tot gedifferentieerde substantie.
Het is het ene, waarin geen tegenstellingen of contrasten zijn:
zuiver zijn, zuivere gelukzaligheid, zuiver bewustzijn – wat de Upanishads
sat-chit-ânanda noemen; zijn-bewustzijn-gelukzaligheid.
Omdat de planeetketen dus een eenheid of een
hiërarchie is, functioneert ze als een enkelvoudige entiteit, en is
ze een enkelvoudige entiteit; ze vertoont samenhang, omdat ze een eenheid
is; ze is tot één ding gevormd. Waarom? Omdat ze is begiftigd met een
ziel en een geest, voortgekomen uit en voortgebracht door haar monade.
Met andere woorden, haar bewustzijn is monadisch.
Laten we het volgende fragment lezen uit
De Geheime Leer (1:195-6)
Het is dan ook logisch
dat de bollen die onze aarde overschaduwen, op andere en hogere gebieden
moeten liggen. Kortom, als bollen HANGEN ZE SAMEN
met onze aarde, maar zij hebben niet DEZELFDE SUBSTANTIE
als onze aarde en behoren daarom tot een geheel andere bewustzijnstoestand.
Samenhangend, of tot een geheel
verenigd, tot een eenheid gevormd, betekent niet dat de entiteit die
zo is verenigd, een enkelvoudig (niet-samengesteld) wezen is in de gewone
betekenis; anders zouden haar samenstellende delen niet tot een vereniging
zijn samengevoegd. Het betekent dat de verenigde entiteit een eenheid
of een hiërarchie is op dezelfde manier als het lichaam van de mens
een eenheid en een hiërarchie is, als wij dat lichaam zien als het voertuig
waardoor de inwonende monadische ziel van de mens werkt en de menigten
kleinere levens, waaruit het lichaam is gevormd, bestuurt en beheerst.
Nu gaan we de methode of het proces behandelen
waardoor onze gemanifesteerde zeven bollen van de planeetketen zich
ontwikkelen, of laten we zeggen, worden ‘geboren’. Wanneer de trilling
van de binnenkomende levensgolven – die tien klassen omvatten, en afkomstig
zijn van de maanbol A, die bestond en nu niet bestaat – na hun lange
pra layische rust het nieuwe aardse manvantara inluidt, beginnen die
levensgolven zich te differentiëren op het gebied van bol A van de toekomstige
aardketen, en om zich heen magnetisch of door gravitatie de menigten
levensatomen te verzamelen die tot dat gebied behoren en die in de ruimte
zweven, en die tijdens de lange pralayische rust van de hogere beginselen
zijn getransmigreerd – in en uit andere wezens op dat bepaalde gebied
zijn gemigreerd. En dit is de werkelijke betekenis van de oude leer
van de transmigratie: de levensatomen die een mens gedurende zijn leven
afwerpt, en waaruit zijn lichaam op ieder moment tijdens zijn leven
bestaat en die bij zijn dood worden achtergelaten, terwijl hijzelf in
devachan rust, transmigreren overeenkomstig hun eigen aard; zij gaan
over in en bezielen de dieren, en de wereld van de planten, de mineralen
en de elementalen – de drie elementalenwerelden of -rijken; en hetzelfde
geldt voor de levensatomen van zijn tussenliggende beginselen. Maar
wanneer die mens terugkeert om te reïncarneren, en door de diverse gebieden
omlaag gaat om te incarneren, maakt hij voor zichzelf eerst gewaden
van licht die worden gevormd uit zijn vroegere levensatomen die tot
de hogere gebieden behoren, dat wil zeggen, hij verzamelt opnieuw dezelfde
levensatomen om zich heen, die hij heeft afgelegd en afgeworpen toen
hij door die verschillende gebieden op zijn weg ‘omhoog’ ging; en dat
doet hij op elk gebied op zijn weg omlaag om te reïncarneren. Als hij
deze aarde bereikt, verzamelt hij op dezelfde wijze de levensatomen
van dit gebied, niet alleen door de magnetische aantrekking die voor
zijn geboorte werkt zonder dat hij zich daarvan bewust is, maar in nog
hogere mate na zijn geboorte. En hetzelfde gebeurt met deze planeten,
de verschillende bollen van de verschillende planeetketens. Terwijl
de levensgolven omlaaggaan door de vier lagere gebieden van de kosmos,
verzamelen ze, voor elke bol op zijn beurt, de levensatomen die respectievelijk
tot de vroegere maanbollen op de vier lagere gebieden behoorden, en
deze levensatomen helpen bij de bouw van de nieuwe ‘fysieke’ bollen
of lichamen van de toekomstige nieuwe planeetketen, die door de binnenkomende
levensgolven of de zeven beginselen van elk van de bollen van de vroegere
maan wordt gevormd, en waarin zij nu in het nieuwe manvantara moeten
werken.
Waaruit bestaat elk van deze bollen van onze
planeetketen, of van een andere keten? Hij bestaat uit deze levensatomen,
plus de inwonende levenskrachten, de levensgolven; en in feite vormen
zij samen de bol, en zijn die bol. Ook de mens bouwt zijn eigen
lichaam van binnenuit. Zelfs in de voeding zijn er geheimen die de wetenschappers
nog niet hebben opgelost. De mens bouwt zijn eigen lichaam uit zichzelf
zoals al vaak is gezegd. Eerst door afscheiding en daarna door uitscheiding
vormt hij zijn diverse voertuigen op de verschillende gebieden van zijn
wezen. Uit de afscheidingen die uit hemzelf komen wordt zijn lichaam
of worden zijn lichamen of voertuigen uitgescheiden. En de bollen van
onze keten worden op precies dezelfde manier gebouwd.
Eerder hebben we een korte beschouwing gewijd
aan de drie elementalenrijken in verband met hun werk bij de vorming
van bol A van onze keten. Laten we daarop terugkomen. Neem aan dat elementalenrijk
nr. 1 zijn werk heeft voltooid op wat we het eerste fundament van bol
A kunnen noemen. Die bol is dus begonnen vorm aan te nemen. Hij is voor
een zevende (of een tiende) gevormd, gevormd tot zover het eerste elementalenrijk
reikt. Dit eerste elementalenrijk is nu door zijn zeven werkperioden
van evolutie heengegaan, en gaat dan in verduistering – een van de woorden
van Sinnett. Een veel beter woord zou zijn geweest rust of
slaap, omdat dit woord verduistering de betekenis eerder duister
maakt. Een mens is niet verduisterd als hij slaapt. Dit kan in zekere
zin voor het lichaam gelden; maar het is eigenlijk beter om in passender
bewoordingen precies te zeggen wat de werkelijke toestand is. Namelijk
die van slaap, of latentie – of liever van rust.
Maar wat gebeurt er dan? Zodra elementalenrijk
nr. 1 de rusttoestand ingaat, begint elementalenrijk nr. 2 zijn werk
op het fundament, dat door elementalenrijk nr. 1 zojuist hiervoor is
gelegd. Intussen gaat het levenssurplus van elementalenrijk nr. 1 over
naar bol B, en legt daar het eerste fundament van bol B zoals het dat
voor bol A heeft gedaan. Wat bedoelen we met het ‘levenssurplus’, en
verder wat wordt er achtergelaten als ßishta of overblijver van elementalenrijk
nr. 1, dat nu op bol A in rust is? (Niettemin gaat het actieve leven
van de levensgolven, een deel hiervan, verder en vormt het begin van
bol B.) Wat is dan het levenssurplus? Het levenssurplus, zoals hier
gebruikt, is datgene waarop wij enkele ogenblikken geleden doelden,
toen we spraken over het ontvouwen of ontrollen van de
elementen die, vóór de manifestatie, in elkaar gewikkeld zijn. Het
levenssurplus dat in elementalenrijk nr. 1 op bol A is besloten
of gewikkeld, bestaat uit de 42 beginselen van al de zes andere bollen
van de gemanifesteerde zeven voor wat het eerste elementalenrijk betreft,
die daarin zijn gewikkeld, gehuld, of bij wijze van spreken sluimeren,
en nog niet gereed zijn om zich te manifesteren omdat ze niet passen
bij of geschikt zijn voor bol A, en waarvan men daarom zegt dat zij
slapen, rusten, in de schoot van elementalenrijk nr. 1, maar
die het, beter uitgedrukt, overschaduwen en met leven, met de
42 ‘vuren’, bezielen. Naarmate dit levenssurplus zich ontplooit, of
ontvouwt, gaan de slapende sferen, slapende krachten of potenties –
die in werkelijkheid de overschaduwende 42 vuren zijn – als levenssurplus
omlaag naar het gebied daaronder en dit ‘omlaag’ gaan is het gevolg
van de gravitatie of aantrekkingskracht van het lagere gebied, zoals
die door hun lagere svabhâva of inherente karakteristiek
wordt ondergaan. Zodra zij als het ware hun eigen rijk bereiken, beginnen
de slapende vuren van de levensgolven die van nature tot dat rijk behoren
te ontwaken, beginnen de levensgolven die voor dat gebied geschikt zijn
en daar thuishoren te werken, en begint elementalenrijk nr. 1 op
bol B zijn levenscyclus.
Laten we nu teruggaan naar bol A. Wanneer elementalenrijk
nr. 2 zijn werk op bol A heeft beëindigd, d.w.z. wanneer het door zijn
zeven stamrassen op bol A is heen gegaan, treedt elementalenrijk nr.
3 op, zoals nr. 2 dit na nr. 1 deed. Onmiddellijk daarna wordt door
de gravitatie die werkt op nr. 2, nadat dit elementalenrijk nr. 2 op
bol A in een rusttoestand is overgegaan, dat levenssurplus in elementalenrijk
nr. 2 naar omlaag getrokken naar bol B, waarna nr. 2 op bol B terstond
begint te ontwaken en te werken en de levensatomen te verzamelen
die op dat gebied bij hem behoren. Op bol A zijn dus de elementalenrijken
1 en 2 in rust, en werkt nr. 3 zijn levenscyclus op bol A af.
Wanneer elementalenrijk nr. 1 zijn zevenvoudige cyclus van werk op bol
B heeft beëindigd, gaat het op overeenkomstige wijze over naar bol C
en begint deze te vormen, terwijl tegelijkertijd nr. 2 zijn werk op
bol B begint en nr. 3 zoals gezegd zich op bol A bevindt.
In dit stadium hebben we dus elementalenrijk
nr. 1 dat met zijn werk op bol C begint; elementalenrijk nr. 1 is in
verduistering op bol B, waar nr. 2 actief is; de elementalenrijken nrs.
1 en 2 zijn in slaap, en elementalenrijk nr. 3 is actief op bol A. Als
de levenscyclus daarvan – van nr. 3 – op bol A is voltooid, komt
het vierde of delfstoffenrijk op bol A en doet daar precies hetzelfde
wat zijn voorgangers, de elementalenrijken nrs. 1, 2 en 3 deden, d.w.z.
het doorloopt zijn zevenvoudige stamras of cyclus op bol A. En zodra
dit is beëindigd, gaat het delfstoffenrijk over in de rusttoestand of
slaap of verduistering op bol A, en begint het plantenrijk zich daar
te vertonen. Intussen, terwijl dat gebeurt, gaat het delfstoffenrijk
omlaag naar bol B en volgt dezelfde regel of werking of functie van
de natuur als de voorafgaande rijken of levensgolven. Als het plantenrijk
op bol A verschijnt, gaat elementalenrijk nr. 3 over naar bol C. Nr.
2 gaat over naar bol D, onze aarde; en nr. 1 gaat dan over naar bol
E. Daarna verschijnt op bol A het dierenrijk; en wanneer dit zijn zevenvoudige
kringloop heeft doorlopen, gaat het omlaag naar bol B, en tegelijk daarmee
doet elk van de vijf voorafgaande rijken of levensgolven een stap voorwaarts
naar de volgende bol. Dan komt tenslotte het 7de, het mensenrijk, op
bol A. Zodat, wanneer de mens op bol A verschijnt, het eerste elementalenrijk
zijn werk op bol G begint – de laatste van de gemanifesteerde zeven.
Zo gaan de zeven levensgolven, stap voor stap, het ene rijk of de ene
levensgolf na de andere elk op zijn beurt, van bol A naar bol
G via alle tussenliggende bollen; maar wanneer het 7de of mensenrijk
bol G bereikt, zijn ook de andere rijken respectievelijk hun evolutie
daar aan het voltooien; de reden hiervan is de wet van vertraging die
remmend werkt op de vooruitgang van de lagere rijken op de opgaande
boog, omdat deze lagere rijken meer moeite hebben om door de bollen
op de opgaande boog omhoog te klimmen dan de hogere en verder geëvolueerde
rijken. De weerstand van de stof houdt ze tegen.
Dit is de eerste ketenronde. Vanaf de tweede
ketenronde verloopt het proces anders, en we moeten dat verschil later
in detail bestuderen. Intussen dient het volgende goed te worden begrepen.
De reis van de levensgolven door de sferen vertegenwoordigt één onderdeel
van de circulaties van de kosmos – de voortgang van de levensentiteiten
van sfeer tot sfeer. Bovendien hebben we het meest over bol A gesproken;
en als we daarom over delfstoffen en planten en dieren en mensen spreken,
bedoelen we niet die dingen zoals wij die nu op aarde kennen,
op deze bol D in deze vierde ronde in hun tegenwoordige min of meer
geëvolueerde toestand. We spreken over de eerste ronde van en
in de eerste planeet, of bol A; en voor ons huidige waarnemingsvermogen
zouden die rijken zoals zij toen waren, zelfs op het hoogste punt van
hun ontwikkeling op bol A gedurende de eerste ronde, niets anders zijn
dan een wazige en onzichtbare en onvolmaakte schets van wat zij in de
toekomst zullen worden – d.w.z. zij zouden ons geestelijke entiteiten
toeschijnen. En toch waren zij voor hun eigen bol en voor zichzelf,
zelfs in die eerste ronde en op die eerste bol A, even fysiek als onze
bol nu voor ons is en wij voor elkaar zijn.
U zult zich herinneren, dat we de vorige keer
de vraag behandelden: Wat is de bewijsgrond waarop onze esoterische
leringen rusten? Waar komen zij vandaan en hoe oud zijn ze? Laten we
het eerste deel van deze vraag nemen: ‘Wat is de bewijsgrond?’ Het antwoord
hierop is eenvoudig. De bewijsgrond ligt in de werkingen en functies
van de universele natuur, zoals we herhaaldelijk hebben gezegd. Met
natuur bedoelen we niet alleen de stoffelijke natuur, maar al wat is,
innerlijk en uiterlijk, hoog en laag – alles; want dat is waarheid,
dat is de werkelijkheid van het zijn. Dat is de bewijsgrond. Hoe krijgen
we begrip en kennis van deze zaken en feiten van de universele
natuur? Wat het begrijpen betreft, het bewijs berust op dezelfde factoren
als bij feiten of waarheden van de natuur, en wordt mede geleverd door
een beroep te doen op de intelligentie en het gezond verstand.
‘Wetenschap’ is in onze tijd een woord om bij
te zweren. Noem iets wetenschappelijk en de mensen slikken het veelal
zonder een zorgvuldige analyse te verlangen. Het maakt voor de meeste
mensen niet veel uit of de wetenschappelijke bewering per se waar is
of niet. Hij verifieert haar zelden. Vandaag is het misschien een ‘wetenschappelijk
feit’; en morgen wordt het vervangen door een ander ‘wetenschappelijk
feit’. Ik durf te beweren dat er in de wereld geen mensen zijn die meer
oprechte eerbied voor ware wetenschap hebben, namelijk voor geclassificeerde
en gecoördineerde kennis, dan wij; maar voor de theorieën en
hypothesen van wetenschappelijke onderzoekers gaat onze eerbied niet
verder dan de intrinsieke waarde van deze hypothesen. De dag waarop
de wetenschap bij monde van haar vertegenwoordigers begint te dogmatiseren,
wordt zij niets meer dan een merkwaardig soort kerk. Mij is niets bekend
dat het dogmatisme op snellere, gemakkelijker en natuurlijker wijze
doodt dan deze studie van de oude wijsheid; want zodra we één ding hebben
begrepen en denken dat we een uiteindelijke waarheid te pakken hebben,
leren we door de groei van onze vermogens en onze kennis de zeer heilzame
les, dat het nog maar een kinderlijke inleiding is tot een nog verhevener
waarheid. We leren die les heel snel; en als we ook maar enige neiging
zouden hebben om te dogmatiseren of mentale afgoden – welke dan ook
– te aanbidden, dan wordt bij verdere studie die neiging in ons heel
snel tenietgedaan.
Waar het ons om gaat is dit: vraag een wetenschapper
naar het bewijs van een van de gevestigde theorieën van zijn wetenschap;
of nog sterker, vraag naar het bewijs van een van de meer verborgen
zaken in de natuur, en hij zal u vermoedelijk zeggen: ‘Als u bij mij
komt, na een behoorlijke studie te hebben gemaakt, als uw verstand is
geoefend en u weet waarover u vragen stelt, dan kan ik u beter helpen,
want dan zult u kunnen begrijpen wat ik te zeggen heb.’ En de man zou
volstrekt gelijk hebben met het geven van zo’n antwoord, dat geheel
in overeenstemming is met wat onze leraren zeggen. In dat antwoord ligt
de basis voor het bewijs besloten. Wanneer de vraagsteller of aspirant
bereid is zich te trainen en te studeren, niet alleen te lezen, maar
om aan het onderwerp voldoende aandacht en studie te wijden – mentale
studie en mentale en morele discipline, die ook de fysieke zorg voor
het lichaam omvat en daarbij bovenal een diepe geestelijke aspiratie
aan de dag legt – wanneer hij zich op die manier werkelijk heeft getraind
omdat ‘discipline aan de mysteriën voorafgaat’; wanneer zijn natuur
zich zo heeft opengesteld en geoefend, wat in beginsel precies hetzelfde
is als wat de wetenschapper de belangstellende zegt, dan zal hij
weten, want zoals de meesters ons zeggen: ‘Leef het leven en u zult
de leer kennen, omdat u dan op natuurlijke wijze kennis zal verkrijgen’.
En, terloops opgemerkt, met het leven leven wordt niet op een enkel
ding gedoeld, niet alleen op ethisch handelen op seksueel gebied, hoe
belangrijk dat ook is; het betekent in wezen veel meer. Het betekent
de volledige oefening van de innerlijke mens om waar, goed en rein te
zijn en naar het hogere te streven; anders gezegd, het goede ouderwetse
woord rechtschapenheid, juist handelen omdat men juist denkt; omdat
die oefening de innerlijke deuren wijd openstelt voor het licht. De
man – en natuurlijk ook de vrouw – die afgunst of jaloezie of haat of
zelfzuchtige eerzucht koestert die zijn of haar ziel aantast, of die
in zijn hart voedsel geeft aan wraakzucht of welke andere bewoner of
bewoners van de innerlijke helse regionen, deze kwelduivels van de innerlijke
mens, is volkomen ongeschikt om de leer te begrijpen; en wel om een
heel eenvoudige reden. Zijn intellect is beneveld en bewolkt. Zijn psychische
natuur is verdicht en grof geworden. Zijn innerlijke natuur is afgesneden
van haar geestelijke zon en haar inspiratie; en zelfs zijn brein wordt
ondoorschijnend voor de miljoenen stralen van de hogere natuur.
Dit zijn oude gedachten; wij allen kennen ze;
we hebben ze keer op keer gelezen. Maar laten we dit beeld met ons meedragen:
evenals de wetenschapper tegen zijn vraagsteller zegt: Wanneer u heeft
gestudeerd en voorbereid bent, kom dan bij me en we zullen met een onderzoek
beginnen, want dan kunt u mij begrijpen, zo zeggen onze leraren ons:
Wanneer u geoefend en gereed bent, wanneer u bent voorbereid en getraind,
kom dan bij ons en we zullen de geheimen van de natuur onderzoeken,
en u zult bewijzen uit de eerste hand krijgen; omdat uzelf, uw innerlijke
natuur niet alleen zo is bezield dat u op natuurlijke en intuïtieve
wijze kennis zal verkrijgen, maar door de methoden van training van
de oude wijsheid en van de oude scholen zal uw ziel of liever uw geest-ziel
in het hart van het zijn, van de universele natuur, worden gezonden,
en u zult voor uzelf eerstehands kennis opdoen – kennis die altijd
onveranderd blijft bestaan!
Dit antwoord belichaamt eenvoudig feiten die
wij allen kennen. Onze leringen zijn erop gebaseerd, of beter gezegd,
zijn de systematische uitdrukking, de geformuleerde uitdrukking van
de fundamentele werkingen of functies van de natuur, van de universele
natuur. De bewijsvoering of het leveren van bewijzen neemt precies
dezelfde vorm aan en berust op precies dezelfde gronden als het betoog
of het bewijs van een feit in de natuurwetenschap. Voldoe aan de voorwaarden
en u zult kennis krijgen, zegt de een; en de ander zegt hetzelfde.
Nu iets over de bron ervan. Deze leringen werden
door het eerste bewuste mensenras op onze bol in deze ronde ontvangen
van halfgoddelijke wezens die ze uit een voorafgaand manvantara overbrachten;
en deze halfgoddelijke wezens waren ooit mensen zoals wij nu zijn. Deze
wezens of onthullers zijn wat wij op onze beurt zullen worden wanneer
het zevenvoudige manvantara van onze planeetketen zijn cyclus zal hebben
beëindigd; en dan zullen wij op de toekomstige planeetketen, het kind
en kroost van deze keten, de leraren en onderrichters worden van die
enorm grote menigten van minder vergevorderde entiteiten die nu op deze
keten na ons komen.
Deze vorm van onderricht werd aan het oorspronkelijke
denkende mensenras eerst door middel van rechtstreekse mededeling gegeven;
daarna, naarmate de tijd verstreek, en de mensenrassen dieper in de
stof verzonken, waren er bepaalde leiders van het volk, priesterkoningen
van de zogenaamde goddelijke dynastieën, en dat feit is de oorsprong
van wat nu slechts een legende is geworden, het zogenaamde goddelijke
recht van koningen, wat toen een werkelijkheid was. Er waren toen echte
priesterkoningen, leiders van mensen; met andere woorden geestelijke
zielen die bewust onder de mensen werkten. Daarna, nog later, toen de
rassen nog dieper in de stof zonken, werden deze priesterkoningen, deze
verheven en edele wezens, deze genieën van het zuiverste water en in
alle opzichten geestelijke lichtbrengers, vervangen door priestercolleges,
bewaarders van de oorspronkelijke openbaring; en toen werden de mysteriën
in het leven geroepen waarvoor uit de massa van het volk bepaalde mensen
werden gekozen om te worden ingewijd en geestelijk en verstandelijk
te worden getraind, in een tijdperk dat nog meer door de stof werd beheerst.
Dit laatste gebeurde omstreeks het midden van
het vierde wortelras, het ras dat aan het onze voorafging; en dit stelsel
van de mysteriën heeft zelfs tot in onze tijd standgehouden.
Maar er is nog een feit dat heel moeilijk is
te verklaren, maar waarop we althans kort moeten ingaan om ons overzicht
compleet te maken; en dat is dat vanaf het eerste begin van onze ronde
op deze aarde, vanaf het begin van het eerste ras, een ras van lege
en mentaal onbewuste ‘omhulsels’ – in de zin waarin de dieren ‘omhulsels’
zijn, omdat zij niet door het innerlijke licht van het intellect, de
innerlijke stralen, de mânasaputra’s zijn verlicht – vanaf het eerste
begin van het leven van het mensenras op deze aarde in deze ronde waren
er bepaalde entiteiten van een veel hogere graad dan de mens zelfs na
vele, vele eonen zal worden, naar de aarde gekomen en hadden over de
evolutie van het eerste en tweede en het vroege derde ras gewaakt en
hadden deze geleid. Gedurende het derde stamras schiepen zij door de
kracht van wil en yoga, door kriyâßakti, een mystiek lichaam van hoge
adepten en zieners, een lichaam dat uiterst geheim en verborgen is;
en dit lichaam functioneert en werkt tot zelfs in onze tijd, en dat
is wat wij tegenwoordig de loge van de meesters noemen, die er nu de
vertegenwoordiger van is voor de mensen op aarde. Deze wezens die door
wil en yoga, door kriyâßakti, ‘werden geschapen’, hielden van eeuw tot
eeuw gedurende de eonen die het ene na het andere naar de achtergrond
van het verleden verschoven de mystieke kennis, de wijsheid van de goden,
in stand en gaven die kennis aan hun opvolgers door, totdat deze onze
tijd bereikte.
Laten we hiervan afstappen en onze aandacht
richten op de derde vraag. Hoe oud is de esoterische wijsheid? We hebben
die vraag in de voorgaande opmerkingen al beantwoord, maar we zouden
eraan kunnen toevoegen, dat haar ouderdom per se niet is te berekenen
– zij is beter gezegd tijdeloos. Kunt u mij misschien zeggen
hoe oud de functies en werkingen van de universele natuur zijn? Zeg
het, en ik zal u zeggen hoe oud de oude wijsheid is! Zij is tijdeloos.
Deze wijsheid van de universele natuur, de werkelijkheid van het zijn,
is dezelfde voor een bewoner van een planeet die om Sirius wentelt of
een andere grote of kleine ster, als voor ons. Het is die wijsheid die
in onze tijd terecht theosofie wordt genoemd, godwijsheid, de wijsheid
van de goden – die wijsheid, zouden we kunnen zeggen, die zijzelf bestuderen.
Er was nog een vraag, die per brief werd gesteld,
en die doelt op wat kennelijk een misverstand is ten aanzien van de
planeet Mars. Deze vraagsteller schijnt geen juist begrip te hebben
van, of enigszins in verwarring te zijn gebracht door, het feit dat
de planeet Mars tot een van de planeten werd gerekend die toezicht houden
op de bollen op de opgaande boog van ons stelsel; met andere woorden,
de zesde bol van de gemanifesteerde zeven van onze keten, en bovendien
toezicht houdt op een van de bollen van de verborgen vijf; en zij vraagt:
‘Hoe kan dat, als Mars het begeertebeginsel of kâma vertegenwoordigt?’
Laat ik er in de eerste plaats op wijzen, dat wij niet doelen op de
stoffelijke planeet Mars. Wij doelen op de hiërarchie Mars wanneer we
zeggen, dat zij de wachter of bestuurder van twee van onze twaalf bollen
is.
Daar komt bij dat als deze planeet het beginsel
kâma of begeerte vertegenwoordigt, men moet bedenken dat Mars ook een
zevenvoud is; dat zij haar eigen zeven, tien of twaalf bollen heeft,
en dat deze bollen goddelijk en geestelijk en psychisch zijn, en één
stoffelijk is zoals onze bol aarde. Begeerte is tweevoudig. Er is een
goddelijke begeerte en een slechte begeerte. Wat is bijvoorbeeld aspiratie?
Het is duidelijk dat de bollen in de keten van Mars corresponderen met
de bollen in onze keten die onder haar invloed staan, en zij oefent
op de bollen van die twee gebieden een overeenkomstige, edele invloed
uit.
Vanwaar komt de impuls in de menselijke natuur
die hem vurig doet verlangen het goede te doen? Denk aan de oude Griekse
kosmogonische mythe dat de eerste godheid die zich in de schoot van
Chaos roerde, Eros was, goddelijke begeerte. Alles heeft zijn tegenpool,
zo ook begeerte.
En deze vraagsteller informeert voorts naar
Mars, Mercurius en de ‘vier andere planeten’, waarbij zij H.P. Blavatsky
citeert, ‘die in een betrekking tot de Aarde staan, waarover geen meester
of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder de aard ervan
zal verklaren’. Maar ik zou misschien dit kunnen zeggen, dat dit speciale
zevental een bijzondere groep voorstelt, die tot taak heeft te werken
aan de bouw van een andere planeetketen.
Er is nog een vraag en die gaat over de volledige
innerlijke constitutie van de mens: of deze ook twaalfvoudig is, evenals
de volledige constitutie van de planeetketen. We hebben gezegd dat de
mens zeven gemanifesteerde beginselen heeft, die van hem een volledig
mens maken. Hij heeft ook drie hogere beginselen die, wanneer ze in
hem gemanifesteerd worden, een goddelijk wezen van hem maken, een dhyân-chohan.
Bij dit alles komt nog, dat hij ook nog twee ‘schakels’ heeft. Ik heb
vermeden hierover als ‘beginselen’ te spreken, om geen verwarring te
scheppen. Maar hij heeft nog twee schakels – één in zijn hogere natuur,
en één onder hem – en overeenkomstig zijn bestemming, zal hij langs
de ene of de andere reizen. Nu kunt u deze twee extra schakels beginselen
noemen, zo u wilt. Ik denk niet dat ze zo moeten worden genoemd, omdat
de mens een zelfbewuste hiërarchie is. Zijn volledige natuur is een
tienvoud, of bestaat uit tien fundamentele beginselen; en feitelijk
is hij door deze hogere schakel in het goddelijke geworteld. Hij is
zover boven hem, dat het mij als een ontheiligende gedachte of godslastering
in de oren klinkt om hem een van de menselijke beginselen te noemen.
Aan de andere kant heeft hij in het nadir van
zijn wezen, onder hem, de andere schakel, of de twaalfde, zo u wilt,
naar beneden geteld. Deze andere schakel, dit andere lichaam of gebied
van stof of kracht, of beide, of kracht-stof of energie-substantie,
waarlangs hij, als dat zijn verschrikkelijke lot is, misschien moet
reizen, is zijn schakel met de absolute stof, en is het tegengestelde
van zijn goddelijke wortel.
Vervolgens rijst de vraag: Kan men deze twee
schakels beginselen noemen of niet? Ik kan alleen zeggen, dat als men
ze beginselen noemt, dan corresponderen de twaalf beginselen van de
mens in algemene zin met elk van de twaalf bollen van onze keten. Maar
anderszins kunnen we zeggen, dat de eerste (of de laatste) van deze
twaalf bollen de schakel van de mens met het goddelijke symboliseert;
en onze aardbol, de laagste in het diagram op pag. 566, die de kopie
in de grove stof van de hoogste bol is, is zijn schakel omlaag naar
de absolute stof.
U herinnert zich wat H.P. Blavatsky in een
van haar prachtige boeken, De Stem van de Stilte, zegt, waar
zij het over de ‘mensen van Myalba’ heeft. Myalba is onze aarde, en
wordt ook wel een hel genoemd. Zo wordt ze gezien in de esoterische
wijsheid; en we hebben er eerder op gewezen, en zeggen het nu weer tot
besluit van dit antwoord, dat van deze hellen sommige worden beschreven
als bijzonder plezierig en aangenaam voor wezens die ze bewonen; maar
voor wezens die op de hogere bollen boven hen leven, zouden ze afschuwelijk
zijn. De beschrijving van een bol als een hel moet op de juiste manier
worden opgevat, wil men dit werkelijk diepzinnige feit begrijpen. ‘Hel’
betekent de beperkingen en het lijden die onvermijdelijk zijn voor geestelijke
entiteiten, die door een bol van grove stof zoals onze aardbol heengaan.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 562-80
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|