HOOFDSTUK 46

HET CHELALEVEN. ZEVEN EN TIEN LEVENSGOLVEN: DE GANG VAN DE MONADEN LANGS DE ZEVEN BOLLEN; WETTEN VAN VERSNELLING OP DE NEERGAANDE EN VAN VERTRAGING OP DE OPGAANDE BOOG. VIJFDE- EN ZESDERONDERS. HET HEILIGE WOORD.

 

Er zijn veel soorten chela’s. Er zijn lekechela’s en chela’s op proef; aangenomen chela’s en degenen die nog moeten proberen zich zelfs voor leke-chela geschikt te maken. Ieder mens kan zelf een lekechela worden en er zeker van zijn dat hij in dit leven misschien nooit bewust iets van zijn gids zal horen. En wat de chela’s op proef aangaat, er is een onveranderlijke regel dat zij een proeftijd van zeven jaar moeten doormaken. Deze ‘beproevingen’ hebben geen betrekking op vaste en omschreven toetsingen, maar op alle voorvallen in het leven en de houding die de aspirant hierin aanneemt. Er is niet een plaats waarheen de gegadigden kunnen worden verwezen om hun verzoek in te dienen, omdat dit zaken zijn die met plaatsen of functionarissen niets te maken hebben: dit is een aangelegenheid van de innerlijke natuur. Wij worden chela’s; in werkelijkheid verwerven wij ons die positie, omdat onze innerlijke natuur zover open staat dat zij die kennis kan en wil aanvaarden: wij ontvangen de beloning uit handen van de Wet.

– W.Q. Judge, Brieven die mij hebben geholpen, Brief XII

     ‘Voorwaar! het is dit edele achtvoudige pad; dat wil zeggen: juiste inzichten; juiste aspiraties; juiste spraak, juist gedrag; juist levensonderhoud; juiste inspanning; juiste oplettendheid; en juiste contemplatie.
     ‘Dit, o bhikku’s, is die middenweg waarbij deze beide uitersten worden vermeden, ontdekt door de Tathâgata – de weg die de ogen opent en begrip schenkt, die leidt tot vrede van het gemoed, tot de hogere wijsheid, tot volledige verlichting, tot nirvâna!’

     – Dhamma-Chakka-Ppavattana-Sutta (naar vert. Max Müller),
     (The Sacred Books of the East, Deel XI, 147-8)

     Zoek deze wijsheid door te dienen, door diepgaand onderzoek, door vragen, en door nederigheid; de wijzen, die de waarheid zien, zullen deze aan u meedelen, en als u deze kent, zult u nooit meer tot dwaling vervallen, . . .

Bhagavad-Gîtâ, hoofdst. 4 (naar vert. W.Q. Judge)

Laat trouw en waarheid voor u het allerhoogste zijn.   – Confucius

     Wees wat u liefheeft. Streef naar wat u schoon en verheven vindt, en laat het overige varen. Harmonie, opoffering, toewijding: neem deze als uitgangspunt; geef er overal en op de hoogst mogelijke manier uitdrukking aan.

  – W.Q. Judge

Er ligt iets heel moois en bemoedigends in de gedachte dat de leringen, die wij bestuderen, in andere eeuwen met eenzelfde toewijding zijn bestudeerd, niet alleen door leerlingen zoals wij, maar door de grootste denkers van alle tijden; en bovendien dat ze – omdat ze de leringen van de natuur, van moeder natuur, zijn – in wezen dezelfde zijn in alle delen van de grenzeloze ruimten van de kosmos, zodat verwante denkers op de planeten van andere zonnestelsels dezelfde essentiële gedachten bestuderen als wij. Naarmate het menselijke denkvermogen groeit in het bevatten van deze verbazingwekkende leringen, naarmate zijn denken zich uitbreidt en zijn ziel groeit onder de bezielende stralen van zijn innerlijke geestelijke zon, komt hij tot het besef dat, hoe meer hij leert, des te beter weet hij dat er nog een eindeloze kennis vóór hem ligt; totdat de leerling tenslotte het punt bereikt waarop zijn hele ziel is vervuld van gevoelens van een grenzeloze eerbied, liefde en toewijding voor de waarheid en voor zijn leraren; en dat besef is inderdaad de drijvende kracht en de inspiratie van wat wij het chelaleven noemen.
     Ik heb steeds gehoopt voor het einde van de huidige cyclus van onze studie deze kwestie van het innerlijke leven van de leerling, het chelaleven, aan te roeren, omdat ik niets ken dat mooier is, niets dat zo bemoedigend is en tegelijk niets wat meer training van de ware geestelijke wil en van het hogere begripsvermogen vereist dan die eigen schappen van de ziel die nodig zijn om dat chelaleven te leiden; want dat leven roept alles tevoorschijn wat een man in zich heeft, of wat een vrouw in zich heeft – alles. U herinnert zich misschien dat H.P. Blavatsky ergens, eigenlijk op verschillende plaatsen, het chela leven iets heel, heel moois noemt, en op andere momenten iets ‘verschrikkelijks’. En zo is het ook, en wel om één eenvoudige reden die wij zullen noemen.
     De reden is deze: wij weten dat het mooi is. Maar waarom zou het ‘verschrikkelijk’ zijn? Omdat, zodra de leerling tenslotte de voeten vastberaden op dat stille smalle pad zet, dat naar men ons zegt naar het hart van het heelal voert, alles wat in zijn karma is besloten en wat in de loop van misschien vele toekomstige levens tot uiting zou komen, nu min of meer tegelijk op hem afkomt; en om te slagen is, zoals H.P. Blavatsky zegt, een onbuigzame ijzeren wil en een volledige concentratie van al zijn vermogens op de grote taak noodzakelijk. Hij moet, misschien in één kort leven, de karmische vruchten van vroegere fouten en mislukkingen, die zijn toegewijde ziel treffen, onder ogen zien en overwinnen; alles tegelijk, als afschuwelijke spoken uit het verleden. U kunt zich voorstellen wat dat betekent! Hij moet ze onder ogen zien en overwinnen. Zo werkt de natuur en de karmische wet; en alle aspiranten moeten deze beproeving doorstaan. Onze leraren evenals alle anderen moesten de karmische omstandigheden onder ogen zien en overwinnen; en deze dingen zijn een raadsel voor de onwetende buitenwereld, die onver mijdelijk de aspirant ten onrechte verwijten maakt. In het leven van H.P. Blavatsky, bijvoorbeeld, zijn er voorvallen die haar, zoals ieder die ze kent en goed begrijpt zal inzien, tot grote eer strekken; maar de onwetende, bevooroordeelde en wrede wereld ziet in die voorvallen niet de karmische oorzaak uit vroegere levens die ze teweegbrengt, en verwijt haar in haar blindheid, dat zij ze in dit leven heeft teweeggebracht als ‘zwakheden’, omdat deze wereld er geen weet van heeft wat deze grotere zielen onder ogen moeten zien, wanneer zij in hun toewijding het pad volgen naar glorie en welslagen – en zoals men zegt, ‘oud karma uitwerken’.
     Ik vind dit een kostbare waarheid waar we zorgvuldig over moeten nadenken; en voor mij is dit altijd heel praktisch en moreel nuttig, omdat zij naastenliefde in ons hart brengt, grotere vriendelijkheid, en een dieper besef van de adel, van de zelfopoffering, van hen die dit pad bewandelen – niet voor zichzelf maar voor ons, een pad dat niettemin zuivere vreugde is; dat is absoluut waar; maar aan de andere kant is dat pad, totdat de eindoverwinningen zijn behaald, en die moeten worden behaald, vaak vol valkuilen en omgeven door omstandigheden waardoor degene die dit pad bewandelt door de wereld, die wel ziet maar niet begrijpt, op grove en wrede wijze verkeerd wordt beoordeeld.
     Bij onze studie van de planeetketens bereikten we het punt waarop we konden zien hoe de verschillende planeten van onze keten, die als voorbeeld kan dienen voor alle planeetketens, ontstonden als neerslag van de levensgolven, die uit de rustperiode komen die begon toen zij de voorafgaande planeetketen bij haar pralaya of dood verlieten.
     Wat bedoelen we wanneer we over de zeven – of tien – levensgolven spreken? We bedoelen de gezamenlijke menigten van monaden; en laten we een monade, om een korte en gemakkelijke omschrijving te geven, waardoor we misschien het best zullen onthouden wat een monade is, een geestelijk ego noemen. Het is in feite een bewustzijns centrum, dat in de geestelijke rijken van het universele leven is wat de levensatomen in de lagere gebieden van de vormen zijn. Deze monaden en levensatomen vormen samen de zeven (of tien) levensgolven – de monaden met de levensatomen waarin en waardoor zij werken; toen de vorige planeetketen in pralaya ging, bleven deze levensatomen op het fysieke gebied als kosmisch stof in de ruimte achter, en op de tussenliggende gebieden boven het fysieke als de overeenkomstige levensatomen of levensdeeltjes van gedifferentieerde stof.
     Door de werking van de monaden bij het neerdalen in de stof – of liever via en door de monadische stralen die de lagere gebieden van stof doordringen – worden de bollen opgebouwd: ten dele uit de substantie van de monaden zelf, die voortkomt uit henzelf; en ten dele door het verzamelen van levensatomen die magnetisch tot de binnenkomende monadische levensgolven worden aangetrokken, want dat zijn dezelfde levensatomen die in de voorafgaande planeetketen de verschillende voertuigen van diezelfde monaden vormden en die daarom nu opnieuw tot deze worden aangetrokken. Toen die vorige keten stierf, bleven deze levensatomen op elk van de verschillende gebieden achter: het fysieke, het astrale, het psychische, het verstandelijke, het halfgeestelijke, het geestelijke, en het goddelijke; want al deze gebieden of werelden hebben hun verschillende levensatomen (of bouwstenen) waardoor en waarin deze geestelijke ego’s of monaden werken.
     We hebben de bouw van bol A al verklaard, de eerste op de neergaande boog van onze eigen planeetketen. Laten we dit kort herhalen. De zeven (of tien) menigten monaden, of de zeven levensgolven, bestaan uit monaden in zeven graden van ontwikkeling voor iedere menigte, of in tien graden, als we tien aanhouden. Laten we ons voor een eenvoudige voorstelling van zaken aan zeven houden. Deze zeven hoofdmenigten, elk met hun zeven onderverdelingen, omvatten dan de 49 ‘vuren’ of de 49 sublevensgolven die door middel van de bollen van de planeetketen tijdens de ronden werken en functioneren nadat zij die bollen hebben opgebouwd. Elk van deze zeven hoofdgroepen of menigten of hiërarchieën behoorde tot een van de zeven gemanifesteerde bollen van de vorige planeetketen – van de maan in ons geval; en elk bouwde de respectieve nieuwe bol van de bestaande of komende planeetketen – van de aarde in ons geval. Toch nemen alle deel aan het werk van de bouw van elke bol, bijvoorbeeld bol A; en wanneer bol A is gebouwd, beginnen zij alle aan de bouw van bol B; en zo gaat het ook met de bollen C en D en E en F en G, die alle tot de gemanifesteerde zeven behoren.
     Bij het uitvoeren van deze bouw treden, zoals eerder gezegd, eerst de drie rijken van elementalen het gebied van werkzaamheid binnen en één rijk daarvan kan misschien een geestelijk rijk worden genoemd. Het tweede rijk van elementalen kunnen we misschien een halfgeestelijk of âkâsisch rijk noemen; en het derde elementalenrijk is veel stoffelijker, en gaat onmiddellijk vooraf aan het delfstoffenrijk dat het vierde rijk is. De andere levensgolven of menigten of hiërarchieën, buiten deze vier, zijn die van de planten, de dieren en de mens; en dan zijn er boven deze zeven tenslotte nog drie rijken, in totaal dus tien; en deze hoogste drie zijn de rijken van de dhyân-chohans, de volmaakte of volledig ont wikkelde entiteiten van het voorafgaande maanmanvantara. Over hen bestaat uiterst boeiend en gedetailleerd studiemateriaal, waarop wij hier niet kunnen ingaan. Het heeft betrekking op de reden waarom deze bepaalde dhyân-chohans er niet in slaagden tijdens het maanmanvan tara het volledige dhyân-chohanschap te bereiken en daarom genoodzaakt waren mee te helpen aan de bouw van de volgende planeetketen, die van onze aarde, waarin zij feitelijk functioneren als bezielende geesten, als bezielende goden, bij wijze van spreken.
     Welnu: eerst verschijnt elementalenrijk nr. 1, en legt de grondslag of het fundament van bol A. Wanneer het zijn zevenvoudige cyclus heeft doorlopen, wanneer zijn zevende subcyclus begint, wordt zijn eerste subgroep aangetrokken tot het gebied daaronder om het fundament van bol B te leggen, zoals het dat van bol A heeft gedaan. Maar het is het levenssurplus dat zo afdaalt. Het eigenlijke elementalenrijk nr. 1, dat tot bol A behoort, blijft op bol A achter en komt daar in een toestand van rust; terwijl het levenssurplus dat het elementalenrijk nr. 1 in zijn schoot droeg (als het ware latent in bol A), naar buiten wordt geprojecteerd of wordt aangetrokken tot die plek van de kosmos die zich tot bol B gaat ontwikkelen, omdat de monaden van dit levenssurplus tot bol B van de maanketen behoorden, zoals de monaden op bol A tot bol A van de maanketen. Dan volgt op bol A elementalenrijk nr. 2, op zijn beurt gevolgd door alle andere rijken. Telkens wanneer een nieuw rijk bol A betreedt, wordt door alle voorafgaande rijken een stap voorwaarts gedaan, elk naar zijn volgende bol.
     Nadat elementalenrijk nr. 2 zijn kringloop heeft beëindigd, volgt op bol A elementalenrijk nr. 3; en wanneer zijn zevende subrijk zijn kringloop volbrengt, wordt zijn eerste subrijk geprojecteerd op bol B, die dat ook aantrekt. Intussen begeeft het eerste subrijk van nr. 2 op bol B zich naar bol C; en elementalenrijk nr. 1 gaat naar bol D; en zo komt het dat deze rijken elkaar opvolgen, stap voor stap, bol na bol, tot aan bol G.
     Dan komt op bol A het delfstoffenrijk, of wat het delfstoffenrijk op zo’n geestelijke bol als A kan worden genoemd. Waarschijnlijk kunnen we ons geen voorstelling maken van de toestand ervan op bol A, in de eerste ronde, in onze huidige bestaanstoestand hier op bol D, in de vierde ronde, hoewel wij – onze monaden – door die toestand op bol A zijn heengegaan. We hebben als monaden zelf deelgenomen aan de bouw van het delfstoffenrijk op bol A, eerste ronde.
     Elk van de rijken op de verschillende bollen lager dan bol A doet op zijn beurt, wanneer het delfstoffenrijk bol A binnentreedt, een stap vooruit naar de volgende bol. Dan verschijnt het plantenrijk op bol A, en dan het dierenrijk, en dan het mensenrijk. Zodra een volgend rijk verschijnt, doet elk van de voorafgaande rijken, elk op zijn bol, één stap vooruit naar de volgende bol; zo komt het dus dat, wanneer het eerste subrijk van elementalenrijk nr. 1 de laatste gemanifesteerde bol, of bol G, bereikt, het eerste subrijk van de mens (of dat wat voor bol A menselijk is) bol A bereikt en daar zijn kringloop volbrengt. Dan volgen op bol A de drie hoogste rijken, de dhyân-chohanische, maar op een heel merkwaardige wijze; en ik geloof dat het ons denken op dit ogenblik zou overbelasten als we nu op de bijzonderheden van dat onderwerp zouden ingaan. Laten we ons eerst een duidelijk begrip vormen van de voornaamste beginselen van de kringloop van de monaden rond de zeven bollen.
     Wanneer deze zeven rijken – vanaf elementalenrijk nr. 1 tot en met het mensenrijk – hun evolutie op bol A hebben voltooid in deze eerste ronde, gaat bol A in wat Sinnett verduistering noemde, dat wil zeggen in rust; hij gaat slapen. Alles op die bol is nu in rust, in slaap, in afwachting van de komst van de levensgolven wanneer ronde nr. 2 begint. Bedenk dat we nu alleen ronde nr. 1 bestuderen. Te beginnen met ronde nr. 2 verandert het proces dat door de levensgolven door de zeven bollen wordt gevolgd. Wanneer vervolgens de levensgolven hun volledige zevenvoudige kringloop of hun zeven stamrassen of wortelrassen op bol B hebben volbracht, komt deze op zijn beurt in een rusttoestand of verduistering, die, let wel, geen pralaya is. Niet in technische zin. Het is mogelijk de rusttoestand aan te duiden met de naam pralaya in algemene zin; maar pralaya betekent in werkelijkheid desintegratie en verdwijning, zoals in het geval van de dood. Maar verduistering is slaap; het is in werkelijkheid een rusttoestand. En zo gaat het met elk van de zeven bollen, de een na de ander. Wanneer de laatste vertegenwoordigers van het laatste stamras, d.w.z. van de laatste levensgolf de bol verlaten, gaat elk op zijn beurt slapen of komt in een rusttoestand.
     Maar er is een interessant feit dat voortvloeit uit wat de meesters de wet van versnelling hebben genoemd die op de neergaande boog werkt, en de wet van vertraging die op de opgaande boog werkt. De hoogst ontwikkelde rijken, zoals die van de mensen, de dieren en de planten doorlopen hun verschillende cyclussen sneller dan de jongere rijken of menigten van deze zeven levensgolven of hiërarchieën, zoals het delfstoffenrijk en de drie elementalenrijken. Deze laatste zijn jonger, en kennen het terrein nog niet; terwijl de meer ontwikkelde rijken een pad moeten gaan dat hun in zekere zin beter bekend is – alleen onbekend in dit opzicht dat zij nu de ronde doorlopen in een nieuwe planeetketen op, in en door een nieuw gebied of een nieuwe wereld van de universele kosmos.
     Bedenk dat er zeven gebieden in de kosmos zijn, in werkelijkheid tien; maar we beperken onze studie nu tot de zeven gemanifesteerde gebieden. Met elke nieuwe planeetketen wordt een nieuwe onderverdeling van een van die zeven werelden of gebieden betreden met dit doel: om ervaring op te doen in alle werelden of gebieden die het universele zonnestelsel aan de evoluerende entiteiten van de levensgolven biedt. Zodat, wanneer er zeven volledige ketenmanvantara’s zijn doorlopen – met andere woorden wanneer zeven planeetketens zijn doorleefd – de levensgolven dan één volledig gebied van de kosmos hebben doorlopen of ervaren, en daarop volgt dan wat een zonnepralaya wordt genoemd. Dit is een ander moeilijk onderwerp, dat we voor een latere bijeenkomst bewaren.
     Welnu, alle entiteiten in onze eerste ronde op onze tegenwoordige planeetketen hebben bol G bereikt, de laatste van de gemanifesteerde zeven; de kleinere, lagere en minder ontwikkelde entiteiten hebben meer last en moeite gehad om de weg af te leggen, om de ronde te doorlopen omdat zij minder ervaring hebben opgedaan in vroegere grote cyclussen. Maar als deze minder ontwikkelde, lagere rijken langs de neergaande boog afdalen, gaan ze sneller, omdat ze stoffelijker van aard zijn dan de verder geëvolueerde rijken, namelijk de oudere en dus meer vergeestelijkte rijken; en dit is de versnelling van de ontwikkelingsgang van de lagere rijken op de neergaande boog. In het tegenovergestelde geval, op de opgaande boog, vanaf onze bol D of de aarde, geldt het omgekeerde in de ontwikkelingssnelheid; de hogere rijken gaan sneller, terwijl voor die lagere rijken de wet van vertraging werkt: versnelling voor de hogere rijken, zoals dat van de mens, maar een afremming of vertraging voor de lagere rijken.
     Dit is de reden waarom het evolutieproces zich voltrekt zoals ik heb proberen uit te leggen: wanneer al deze zeven hiërarchieën tenslotte bol G in deze eerste ronde bereiken, doen zij dat alle tegelijk, dat wil zeggen, ze verzamelen zich alle tezamen op die laatste bol G, en die bol G is de laatste bol van de gemanifesteerde zeven; en hier beëindigen ze alle tegelijkertijd de eerste ronde voor het interplanetaire nirvâna begint.
     Wanneer dit lange interplanetaire nirvâna is afgelopen, begint ronde 2 op bol A, en ronde 2 is het model of het voorbeeld voor het evolutieproces in alle volgende vijf ronden, zeven ronden in totaal; en hoewel inderdaad dezelfde algemene procedure of hetzelfde evolutieplan dat in de eerste ronde werd gevolgd, op iedere bol, en van bol tot bol, nog steeds geldt, is er dit enorme verschil: alle ‘huizen’, ‘woningen’, die door de evoluerende entiteiten in de tweede ronde werden gebruikt, werden al in de eerste ronde voor hen gebouwd. Zij staan gereed en wachten, als de ßishta’s, de overblijvers, van de eerste ronde op de binnenkomende monaden. De entiteiten, de menigten monaden, hoeven dus, wanneer zij voor de tweede ronde naar bol A en de andere bollen van de keten terugkeren, slechts deze slapende lichamen of huizen binnen te gaan en daardoor te wekken, waarbij iedere menigte zijn eigen klasse binnengaat, in plaats van de laagste tot en met de hoogste huizen of lichamen opnieuw te moeten bouwen en doorlopen, zoals het geval was in de eerste ronde; want nu gaat elk rijk zijn eigen bij hem behorende lichamen binnen die in de eerste ronde werden ontwikkeld en die nu op die binnenkomende monaden wachten. En zo gaat het op elk van de zeven bollen van de planeetketen. Wanneer ronde 3 begint, wordt dezelfde werkwijze gevolgd; en dat geldt voor alle ronden.
     Een ander enorm verschil, waarop al is gezinspeeld, is dit – omdat alle lijnen van evolutie of activiteit zijn vastgelegd, en niets de novo, als het ware van de grond af moet worden opgebouwd, is de ontwikkelingsgang van de levensgolven of hiërarchieën vanaf de tweede ronde relatief gezien sneller voor de verst ontwikkelden: dit heeft tot gevolg dat sommige kleinere menigten van monaden en ook individuen, de anderen inhalen, hun evolutionaire kringloop veel sneller doorlopen, en dus de algemene groep van de zeven evoluerende hiërarchieën achter zich laten, zodat ze bijvoorbeeld, wanneer ze onze eigen bol D verlaten, de grote massa van het voortschrijdende leger vooruit zijn en naar bol E gaan, en dan naar bol F, en ten slotte naar G, de laatste, en ze krijgen dan hun interplanetaire nirvâna vóór hun broeders die langzamer evolueren; en keren naar bol A terug als verder gevorderde ronders. In ons geval, het zojuist genoemde, zouden zij vijfderonders zijn, omdat onze tegenwoordige ronde de vierde is. Daarom hebben we nu vijfderonders onder ons, hoewel we als menselijke menigte in onze vierde ronde zijn. Wat de zesderonders betreft – zij van wie de spiritualiteit zo hoog is, en van wie de ingeboren vermogens, die gedurende lange eonen van ervaring werden verworven, zo groot zijn dat ze zelfs de vijfderonders voorbijstreven – deze zijn heel gering in aantal. Onze leraren zeggen ons dat Gautama de Heer Boeddha de enige volledig ontwikkelde zesderonder in de opgetekende geschiedenis is die erin is geslaagd deze verheven toestand te bereiken, en alleen hij – de edelste ingewijde in de opgetekende geschiedenis – alleen hij slaagde daarin op grond van een mysterie – een hoogst esoterisch proces.

.     .     .

     Er zijn nog enkele losse gedachten waarop we hier moeten ingaan. Ten eerste: de zeven zogenaamd heilige planeten zijn niet noodzakelijk alle hoger in graad of in een hoger stadium van evolutie dan onze aardketen, hoewel zij inderdaad onze aardketen opbouwen door hun supervisie en leidende invloed als architecten, en door de krachten die ze verlenen aan de evoluerende hiërarchieën of levensgolven die tot onze keten behoren. Sommige van onze zeven heilige planeten staan in geestelijk opzicht in feite lager dan onze aarde. Andere staan hoger. Weer andere zijn hoger in graad maar minder ontwikkeld in de tijd dan wij: dat wil zeggen, zij staan geestelijk hoger maar zijn jonger in jaren. Zoals bijvoorbeeld een zoon jonger is in jaren dan zijn vader, maar het is heel goed mogelijk dat de opgroeiende jongen, geestelijk gesproken, de meerdere van zijn vader is; dit hoeft niet zo te zijn, maar het zou kunnen en is vaak het geval. Gautama de Boeddha is hiervan een voorbeeld. Hij stak niet alleen ver uit boven zijn eigen familie, maar boven alle mensen die na hem en ook die eeuwen vóór hem leefden.

.     .     .

     Zoals gezegd begon met de tweede ronde het nieuwe proces van evolutie voor de rest van het manvantara van onze planeetketen; en de volgende keer zullen wij dit kort behandelen; we zullen ons dan bezighouden met onze eigen bol D en de geschiedenis van zijn evolutie; want het lijkt het beste om bij de studie hiervan de werkwijze van H.P. Blavatsky in De Geheime Leer te volgen; en om, na de algemene evolutie van de planeetketen te hebben verduidelijkt, ons in het bijzonder toe te leggen op de behandeling van onze eigen bol. De geschiedenis daarvan omvat zoveel dat we nog maanden bezig kunnen zijn om haar te bestuderen en te begrijpen; en deze studie betreft natuurlijk de zeven grote stamrassen of wortelrassen van onze bol tijdens de huidige vierde ronde.

.     .     .

     Er liggen hier drie vragen. De eerste luidt als volgt:

     ‘Wat is de ware esoterische verklaring van de fysiologische en psychische uitwerking of invloed, uitgeoefend door de trillingsbeweging die op gang komt door het uitspreken van het Woord, op de hersen- of zenuwcentra van het menselijk lichaam, en is er een speciale, bepaalde toon, die bij het uitspreken moet worden aangehouden?’

     Deze vraag kunnen wij om twee redenen niet volledig beantwoorden: ten eerste, hoe interessant ze ook is, slaat ze niet op het onderwerp dat we nu bestuderen; en de tweede reden is, dat men voor een volledig antwoord op deze interessante vraag feitelijk een volledige schets van de praktische theürgie zou moeten geven, en dat is op dit moment natuurlijk onmogelijk. Maar we zouden dit kunnen zeggen: het belangrijkste is niet zozeer welke toon men laat horen dan wel wat erachter staat. Als het niet méér is dan neuriën, of een toon voortbrengen, of een stem oefening, zou men net zo goed kunnen zwijgen; maar als de klanken voortkomen uit de aspiratie van het hart, en de verheffing van de geest, en de inspanning van de wil als een bewust aangewende energie voor alles wat in geestelijke zin edel is, doet het er, wat ons betreft, heel weinig toe wat de toonhoogte is. Het gaat erom wat er in de innerlijke mens door de wil en door meditatie wordt opgewekt, of wat de inner lijke mens aan goeds naar buiten kan brengen; maar dit betekent niet dat het correct uitspreken van dit mystieke woord niet zo kan gebeuren dat het een wonderbaarlijke uitwerking heeft. Dat is beslist mogelijk.
     De volgende vraag luidt:

     Is ons getal 10 niet samengesteld uit 6 en 4 in plaats van 7 en 3? De hogere en lagere bollen zijn, naar ik begrijp, verbindings- of overgangsbollen. Er is ons vaak gezegd dat deze aarde bij wijze van spreken de werke lijke hel is, wat nu begrijpelijker is. Sommige wezens moeten, zo heb ik begrepen, misschien nog lager gaan, en dat zou betekenen achteruit, en dit moet lijkt mij verband houden met het mysterie van de maan. Ook stel ik me voor dat althans de lagere bol op een andere wijze moet zijn gevormd of geëvolueerd of samengesteld dan de andere.

     Het antwoord op het laatste gedeelte van deze vraag is: nee. Hij is niet op een andere manier geëvolueerd. Wat betreft ‘de hogere en lagere bollen die verbindings- of overgangsbollen zouden zijn’, vermoed ik dat degene die deze vraag inzond de hoogste en de laagste bedoelde; met andere woorden nr. 1 en onze aarde. Dat zijn ze. De rest van de vraag is al beantwoord. De evoluerende entiteiten zijn altijd op weg, naar omlaag of naar omhoog; en dat houdt inderdaad in één opzicht recht streeks verband met het ‘mysterie van de maan’; maar dit is een onderwerp dat, althans voor ons, voorlopig volstrekt taboe is en moet blijven.
     Ik zal dadelijk een diagram tekenen dat de kwestie van de 6 en 4, of 7 en 3 illustreert. Intussen gaan we naar de volgende vraag.

     Moet de maan ook twaalf bollen hebben gehad?

     Inderdaad.

     Zijn het misschien onze tegenwoordige bollen die bij de maan die plaats innamen?

     In zekere zin is dat zo; niet de werkelijke tegenwoordige bollen van onze keten, maar hun ‘privaties’ (onttrekkingen) zoals Aristoteles zou hebben gezegd. Dat wil zeggen dat die geestelijk-astrale overblijfselen of grondvormen of beelden, die van de maanbollen resteerden toen ze in pralaya gingen, opnieuw verschijnen als de nieuwe planeetketen tot aanzijn komt, en daaromheen worden, als rond een model, de 12 bollen van de aardketen gevormd. Het antwoord is dus zowel ja als nee; de 12 bollen van de vroegere maan komen uit de ‘privaties’ als grondvormen of modellen voor de 12 bollen van de nieuwe toekomstige keten – de aardketen.

     En de bollen die nu boven ons zijn, die we hierna zullen gebruiken, die opklimmen zoals de nautilus die ‘de woning van vorig jaar verlaat voor de nieuwe?

     Misschien begrijp ik dit deel van de vraag niet helemaal; want het ligt voor de hand, dat we later alle bollen op de opgaande boog zullen gebruiken, en natuurlijk klimmen we omhoog. Of bedoelt de vraagsteller misschien drie van de vijf verborgen bollen, de drie op de opgaande boog; in dat geval luidt het antwoord eveneens ‘ja’.
     Wat de 6 en 4, of 7 en 3 betreft, zou ik erop kunnen wijzen dat het theoretisch heel goed mogelijk is deze tien beginselen van de mens of de natuur op verschillende manieren te verdelen. Ik heb echter nooit gehoord van een verdeling in 6 en 4. Ik zie niet in waarom zo’n verdeling niet mogelijk zou zijn; maar ik heb nooit van zo’n verdeling gehoord; en om het oude gezegde aan te houden, ‘We hebben het niet aldus ontvangen, en we kunnen het niet aldus doorgeven’ – in feite een oud boeddhistisch gezegde. Maar de verdeling in 7 en 3 is een natuurlijke verdeling. Er is een duidelijk onderscheid tussen de goddelijke werelden en de gemanifesteerde werelden, en deze verdeling in 7 en 3 laat dit zien. Maar de beste twee verdelingen, die ik ooit heb gehoord of gezien van de 7 en 10 beginselen zijn deze en nog een andere, zoals men in dit eerste diagram ziet. We zien hier een bovenste driehoek (bedenk dat dit diagram een symbool is, een symbolisch diagram), een driehoek die met zijn ‘hoorn’ naar boven wijst; dan een tussenliggend vierkant daaronder; en dan een driehoek die met zijn hoorn naar beneden wijst. Deze drie figuren tonen de tien ingeboren of natuurlijke beginselen van de mens: de goddelijke triade; het tussenliggende viertal dat de persoonlijke of individuele entiteit als een samengesteld en volledig ‘mens’ laat zien; en de laagste driehoek, waarvan de hoorn omlaag wijst.
     Dit is een heel algemeen diagram, maar het toont wel hoe de tien element-beginselen functioneren: het goddelijke, het zuiver stoffelijke en het tussenliggende viertal. Maar om praktische redenen kunnen de tien beginselen van de mens, denk ik, het best worden verdeeld zoals in diagram hiernaast. Eerst komt natuurlijk de hoogste of goddelijke driehoek, een figuur die voor zichzelf spreekt. Vervolgens verdelen we het tussenliggende viertal in twee duaden. Bedenk alstublieft dat deze samengestelde tekening een symbolisch diagram is, dat uitsluitend wordt gebruikt om de zaak aanschouwelijk te maken. We hebben hier dus evenals eerst, bovenaan de goddelijke triade; dan de duade van de monade, ofwel âtma-buddhi. Dan de tweede of persoonlijke of astrale duade, manas en kâma. Vervolgens daaronder de omgekeerde driehoek, die slechts het voertuig, het lichaam, voorstelt – dat wil zeggen het sthûlasarîra en het lingasarîra en de prâna’s. De waarde van deze verdeling ligt hierin dat ze, bij bestudering, op uitstekende wijze illustreert wat er met de mens post mortem, of na de dood, gebeurt. Dit tussenliggende viertal kan, zoals gezegd, in twee duaden worden verdeeld, die na de dood op natuurlijke wijze uit elkaar gaan. Zij kunnen zelfs tijdens het leven worden gescheiden, zonder dat een mens daardoor sterft. Wanneer een mens sterft, valt de lagere driehoek eenvoudig uiteen. De psychologische strijd na de dood, wanneer de ‘tweede dood’ intreedt, vindt plaats tussen deze lagere duade, kâma en manas, of kâma-manas, en de monade, âtma-buddhi; en als de hogere duade, âtma-buddhi, erin slaagt om uit deze laagste duade alles te halen wat daarin aan goeds aanwezig is, dan heeft het reïncarnerende ego zijn voorraad ervaringen vermeerderd en is zijn incarnatie geen mislukking geweest.
     De lagere duade is eveneens sterfelijk en valt tenslotte uiteen; maar de monade, de hogere duade, wordt uiteindelijk in de goddelijke driehoek opgenomen, in de hoogste drie van de tien beginselen van de mens en ondergaat daar zijn postmortale ervaringen, of dit nu het devachan is voor het ego van gewone mensen of het nirvâna voor ingewijden.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 581-94

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag